id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051010.2 Rolnummer: 2005AR2513 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2007-01-08 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche
- Wanneer na regelmatig geformuleerde zwarigheden de boedelnotaris de staat heeft aangepast conform het vonnis dat uitspraak deed over deze zwarigheden is in principe geen tweede proces-verbaal van zwarigheden tegen deze door de boedelnotaris aangepaste staat mogelijk. Dezelfde zwarigheden formuleren zal immers stuiten op een exceptie van uitputting van rechtsmacht, terwijl nieuwe zwarigheden niet-toelaatbaar zijn gezien ze niet in het eerste proces-verbaal van zwarigheden werden opgenomen.
- Slechts indien een partij meent dat de notaris de staat niet heeft aangepast overeenkomstig de instructies van de rechtbank kan opnieuw een beroep gedaan worden op de rechtbank, die dan zal oordelen of de notaris haar instructies correct geïnterpreteerd heeft. Vrije woorden: Gerechtelijke verdeling tweede proces-verbaal van zwarigheden na aanpassing door de boedelnotaris conform het vonnis dat uitspraak deed over zwarigheden Nota:
- SLUYTS, Ch., "Notariële en Procesrechtelijke aspecten van de Vereffening-Verdeling" in "De Vereffening-Verdeling van het Huwelijksvermogen", Maklu, Antwerpen, 1993, p. 192, nr. 312 .
- Cass. 06.04.1990, R.W. 1990-91, 218; Cass. 09.05.1997 Tekst van de beslissing Het Hof; Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, de akte-betekening ervan d.d. 16.09.2005, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 19.09.2005, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld. Het hoger beroep strekt ertoe, bij hervorming van het bestreden vonnis, de staat van vereffening aan te passen overeenkomstig de door appellant aangevoerde zwarigheden. Geïntimeerde concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Geïntimeerde voert geen enkel specifiek argument aan ter ondersteuning van haar exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep en heeft ter terechtzitting erkend dat het om een loutere stijlformule ging. Het Hof stelt evenmin enige ambtshalve op te werpen grond van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep vast. Het hoger beroep is dan ook toelaatbaar. Partijen zijn uit de echt gescheiden ingevolge arrest d.d. 17.06.1998 van dit Hof. Dit arrest werd betekend op 25.06.1998 en niet bestreden, zodat de echtscheiding tussen partijen voltrokken is sedert 26.09.
- Bij vonnis d.d. 01.10.1998 van de eerste rechter werd de gerechtelijke verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid bevolen en werden partijen daartoe verwezen naar notaris Marc DE BACKER te Mechelen. De boedelnotaris stelde op 14.07.2003 de staat van vereffening op, op 04.09.2003 het proces-verbaal van zwarigheden en op 11.09.2003 zijn advies. Door de neerlegging van de uitgiften van de voormelde akten werd de zaak opnieuw aanhangig gemaakt bij de eerste rechter die, bij vonnis d.d. 05.11.2003, uitspraak deed over de geformuleerde zwarigheden en de zaak terug naar de boedelnotaris verwees voor aanpassing van de staat van vereffening. De boedelnotaris heeft op 13.07.2004 zijn aangepaste staat opgesteld. Blijkens proces-verbaal d.d. 02.09.2004 van de boedelnotaris heeft appellant geweigerd in te stemmen met deze aangepaste staat, waarop de notaris-vertegenwoordiger van de weigerende partijen is opgetreden en akte genomen werd van het gebrek aan instemming van appellant. De uitgiften van deze akten werden neergelegd ter griffie van de eerste rechter die, in het bestreden vonnis, de vorderingen ontoelaatbaar verklaarde en de aangepaste staat homologeerde. De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, het Hof tot de zijne maakt en die hier voor herhaald wordt gehouden, en die in hoger beroep niet afdoende wordt weerlegd, terecht appellants vorderingen ontoelaatbaar verklaard en de aangepaste staat gehomologeerd. Voor zover als nodig en ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter, kan nog het volgende opgemerkt worden. Terecht betwist geïntimeerde de toelaatbaarheid van appellants vorderingen. Een tweede proces-verbaal van zwarigheden tegen de door de boedelnotaris aangepaste staat is in principe niet mogelijk (zie o.m. Zie o.m. SLUYTS, Ch., "Notariële en Procesrechtelijke aspecten van de Vereffening-Verdeling" in "De Vereffening-Verdeling van het Huwelijksvermogen", Maklu, Antwerpen, 1993, p. 192, nr. 312 b). Dezelfde zwarigheden formuleren zal immers stuiten op een exceptie van uitputting van rechtsmacht, terwijl nieuwe zwarigheden niet-toelaatbaar zijn gezien ze niet in het eerste proces-verbaal van zwarigheden werden opgenomen (Cass. 06.04.1990, R.W. 1990-91, 218; Cass. 09.05.1997). Slechts indien een partij meent dat de notaris de staat niet heeft aangepast overeenkomstig de instructies van de rechtbank kan opnieuw een beroep gedaan worden op de rechtbank, die dan zal oordelen of de notaris haar instructies correct geïnterpreteerd heeft. (cfr. Sluyts, o.c., p. 192, nr. 312 b). Met de eerste rechter stelt het Hof vast dat de boedelnotaris de staat volkomen conform het vonnis d.d. 05.11.2003 van de eerste rechter heeft aangepast. Het feit dat appellant thans over bewijzen zou beschikken m.b.t. tot vorderingen waarover reeds werd geoordeeld in het niet bestreden vonnis d.d. 05.11.2003 van de eerste rechter, kan geen voorwendsel zijn om dit oordeel opnieuw in vraag te stellen. De rechtsmacht dienaangaande is immers uitgeput. Dienaangaande kan o.m. verwezen worden naar Wylleman, A., "Het gezag van gewijsde : Uitdrukking van het rechterlijk gezag", T.P.R. 1988, p. 56, nr. 38 : "Dit respect (voor de beslissing van de Rechter, nvdr) is noodzakelijk omdat de maatschappelijke rust er niet bij gebaat is dat gedingen blijven aanslepen doordat de partijen in de mogelijkheid verkeren de zekerheid die ze in hun onzekere situatie bij de rechter gingen zoeken, telkens weer naast zich neer te leggen om dan opnieuw naar de rechter te trekken.". Het hoger beroep is dan ook ongegrond zodat het bestreden vonnis dient bevestigd. Gelet op wat voorafgaat kan, naar het oordeel van het Hof, een geldboete wegens het tergend en roekeloos karakter van het hoofdberoep verantwoord zijn. Te dien einde wordt, overeenkomstig artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek, een rechtsdag bepaald. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Na beraad, rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Ontvangt het hoger beroep doch verklaart dit ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Stelt de zaak vast op de terechtzitting van deze kamer d.d. 12 DECEMBER 2006 TE 9.00 UUR teneinde partijen te horen in toepassing van artikel 1072bis Ger.Wb. over een geldboete wegens het tergend en roekeloos karakter van het hoofdberoep Verwijst appellant in de gedingkosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op EUR 475,96 rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051010.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.