← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051019.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051019.3 Rolnummer: 2004AR1449 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche -Het art. 100 Wet Rijkscomptabiliteit is onverenigbaar met art. 10 en 11 Grondwet in de uitlegging dat de vijfjarige verjaringstermijn aanvangt vanaf de schadeverwekkende daad in het geval waarin de schadeloper slechts later kennis heeft kunnen nemen van de onrechtmatigheid waarvoor de Belgische Staat aansprakelijk is. Hetzelfde artikel is wel verenigbaar met artikel 10 en 11 Grondwet in de uitlegging dat de vijfjarige verjaringstermijn slechts een aanvang neemt vanaf het tijdstip waarop de schadelijder/schuldeiser kennis heeft kunnen krijgen van de onrechtmatigheid of het nadeel dat hun eis schuldvordering op de Belg. Staat verschaft - Er is geen oorzakelijk verband tussen de schade van een slachtoffer van een diefstal en een onrechtmatigheid door de politiediensten begaan tijdens het strafonderzoek naar de daders van die diefstal, omwille van de onzekerheid die blijft bestaan over de kansen van verhaal op de beweerde daders in het geval de huiszoeking regelmatig was geweest. Vrije woorden: - verjaring van schuldvordering op de Belgische Staat - buitencontractuele aansprakelijkheid art. 100 Wet op de Rijkscomptabiliteit - aanvang verjaringstermijn - oorzakelijk verband tussen een fout van de politiediensten bij een huiszoeking en de schade van een slachtoffer van een diefstal Tekst van de beslissing HET HOF,

  1. Wat voorafgaat. 1.
  2. J. H., I. S. en F. S. zijn slachtoffer geworden van een diefstal van hun auto: - J. H. in de periode van 22 maart 1994 tot 1 april 1994, het betrof een voertuig Volkswagen Jetta, - I. S., in de nacht van 5 op 6 juli
  3. Het betrof een voertuig Volkswagen Golf. Hij werd voor de diefstal vergoed door zijn verzekeraar Albingia. - F. S., op 1 april
  4. Het betrof een voertuig Volvo. Deze slachtoffers en de voormelde verzekeraar houden voor dat onderdelen van deze gestolen voertuigen werden aangetroffen bij een zekere A. D., en voeren zijn betrokkenheid bij deze diefstallen aan. 1.
  5. A. D. werd, samen met C. S. en G. B., strafrechtelijk vervolgd en aanvankelijk veroordeeld door de correctionele rechtbank te Hasselt bij vonnis van 25 maart 1997: - (S. en D.) voor de diefstal van het voertuig Volvo 24 van F. S., - (D.) voor de heling en (S. en B.) voor de diefstal van het gestolen voertuig Volkswagen Jetta van J. H., - (S., D. en B.) voor de heling van het gestolen voertuiig Volkswagen Golf van I. S., en voor nog andere vermengde feiten tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van EUR 4,96 (200,- : 40,3399) met opdeciemen. Aan de burgerlijke partij J. H. werd een vergoeding toegekend van EUR 4 957,87 (200.000,- : 40,3399), vermeerderd met de vergoedende interesten, de gerechtelijke interesten en de kosten. Aan de burgerlijke partij Albingia werd een vergoeding toegekend van 20 000 DM, om te zetten in Belgische frank, vermeerderd met de vergoedende interesten, de gerechtelijke interesten en de kosten. Aan de burgerlijke partij F. S. werd voorbehoud verleend. 1.
  6. Bij arrest van dit Hof van 15 april 1999 werden voormelde beklaagden evenwel vrijgesproken nadat een onwettig verkregen bewijs terzijde werd geschoven. Alleen C. S. liep nog een veroordeling op voor valsheid en heling m.b.t. een ander voertuig dan deze van geïntimeerden. Het door het Openbaar Ministerie ten laste van de beklaagden ingeroepen bewijsstuk, te weten een huiszoeking bij D. van 15 juli 1994, waarbij van de diefstal afkomstige onderdelen van de voertuigen in kwestie bij betrokkene zouden zijn aangetroffen, werd onwettig verklaard. De huiszoeking werd uitgevoerd door een eerste opperwachtmeester van de rijkswachtbrigade te Maaseik, terwijl de opdracht tot huiszoeking door de onderzoeksrechter gegeven werd aan de commandant van de rijkswachtbrigade te Bree en degene die de zoeking daadwerkelijk uitvoerde diens regelmatige vervanger niet was. 1.
  7. In een dagvaarding van 18 augustus 2000 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren hebben J. H. en de n.v. Albingia ten laste van de Belgische Staat vergoeding gevorderd van de schade die zij beweerden geleden te hebben ten gevolge van de fouten van de rijkswachters gemaakt bij de onwettige huiszoeking. Zij lieten hun eis steunen op art. 1384, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek en verwezen eveneens naar de aansprakelijkheid van de gedaagde voor zijn organen. Op 22 november 2000 is F. S. in het geding vrijwillig tussengekomen en richtte zich in dezelfde zin als de oorspronkelijke eisers tegen de Belgische Staat. 1.5 Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 28 oktober 2003 heeft de oorspronkelijke eisen gegrond verklaard door de Belgische staat te veroordelen tot de betaling aan: - J. H. van de som van EUR 4 957,87, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 21 maart 1994 en met de gerechtelijke interesten, - de n.v. Albingia van de som van EUR 10 225,84, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 6 juli 1993 en met de gerechtelijke interesten, - F. S. van de som van EUR 8 815,35, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 1 april 1994 en met de gerechtelijke interesten. De Belgische Staat werd verwezen in de gedingkosten. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad niettegenstaande alle verhaal. De eerste rechter oordeelde dat de eisers zonder de fout van haar aangestelden hun schade hadden kunnen recupereren van de dader(s) 1.
  8. De Belgische Staat, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 18 mei
  9. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 20 september
  10. De eisen in hoger beroep. 2.
  11. Appellante vordert dat de oorspronkelijk tegen haar ingediende eisen bij hervorming van het beroepen vonnis onontvankelijk minstens ongegrond zouden worden verklaard met verwijzing van geïntimeerden in de kosten van het geding. 2.
  12. J. H., hierna eerste geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van het beroepen vonnis. 2.
  13. De n.v. Albingia, hierna tweede geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo. Ondergeschikt verzoekt tweede geïntimeerde, alvorens verder recht te doen volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "... of artikel 100 van het Koninklijk Besluit van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu voornoemd artikel, anders dan art. 2262bis, ,§1, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, een verjaringstermijn van een vordering ten nadele van de overheid laat lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan en niet vanaf het moment waarop de benadeelde kennis neemt van het nadeel of van de identiteit van de aansprakelijke, zelfs indien het voor de benadeelde onmogelijk is om kennis te nemen van het nadeel of de identiteit van de aansprakelijke op het moment dat het nadeel zich voordoet". 2.
  14. F. S., hierna derde geïntimeerde genoemd, concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo.
  15. De beoordeling. 3.
  16. De verjaring. 3.1.
  17. Appellante laat gelden dat de vorderingen van geïntimeerden vervallen zijn door verjaring met toepassing van art. 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de rijkscomptabiliteit. Volgens appellante had het schadeverwekkend feit, met name de nietige huiszoeking, plaats op 15 juli 1994 zodat de vorderingen van geïntimeerden bij het indienen van hun eis bij dagvaarding van 18 augustus 2000 voor wat eerste en tweede geïntimeerde betreft, en bij verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van 22 november 2000 wat derde geïntimeerde betreft, reeds door verjaring waren getroffen. Geïntimeerden betwisten de beweerde verjaring van hun vorderingen. Volgens geïntimeerden is de verjaringstermijn slechts beginnen lopen bij het ontstaan van hun schuldvordering, of m.a.w. vanaf het ogenblik waarop de buitencontractuele aansprakelijkheid van appellante is komen vast te staan. Dat ogenblik situeert eerste geïntimeerde bij de uitspraak van het arrest van dit Hof van 15 april
  18. Tweede en derde geïntimeerde houden voor dat de verjaringstermijn ten vroegste een aanvang heeft genomen vanaf het ogenblik waarop zij kennis konden nemen van de onwettige huiszoeking bij de inzage van het strafdossier op 8 december
  19. Zij besluiten dat zij hun eis in de loop van 2000, d.i. vóór 8 december 2000, zoals voormeld, nog tijdig hebben ingediend. 3.1.
  20. Artikel 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991 luidt als volgt: "Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire bepaalde overleggingen niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij is ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan; ...". 3.1.
  21. Geïntimeerden hebben niet betwist dat de schuldvorderingen op de Belgische Staat gesteund op haar buitencontractuele aansprakelijkheid onder de toepassing kunnen vallen van voormeld wetsartikel. Wegens het algemeen karakter van de door de wetgever gebruikte bewoordingen moet de vijfjarige verjaring, behoudens wettelijke of reglementaire uitzonderingen, toepasselijk geacht worden voor alle ten laste van de Staat ontstane schuldvorderingen. Het onderscheid tussen de verjaringstermijn van voormeld art. 100 en de gemeenrechtelijke verjaringstermijn voor persoonlijke rechtsvorderingen vermeld in art. 2262 (oud) van het Burgerlijk Wetboek of thans art. 2262bis, ,§1 van het Burgerlijk Wetboek kan verantwoord zijn in zoverre de wetgever met art. 100 een maatregel heeft genomen die in verband staat met het nagestreefde doel dat erin bestaat de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten. Het Arbitragehof heeft evenwel op een prejudiciële vraag in een geval waarin de schuldeiser van de Staat geconfronteerd is met een schade, voortkomend uit buitencontractuele aansprakelijkheid van de Staat, die zich pas na verloop van tijd heeft gemanifesteerd, geantwoord als volgt: "...Het is weliswaar pertinent om ook in die materie te vermijden dat de Staat vorderingen tot schadeloosstellingen, worden voorgelegd lang nadat de werken die de beweerde schade hebben berokkend, zijn voltooid. Het is juist dat dergelijke schulden aan de begrotingsramingen ontsnappen, dat zij de Staat onvoorziene uitgaven ten laste leggen en dat zij de controle die het Parlement op de overheidsuitgaven moet uitoefenen, moeilijk maken als die controle wordt uitgeoefend lang nadat de verantwoordelijken hun ambt hebben neergelegd. Maar dergelijke nadelen zijn niet verschillend van die welke een ieder kunnen verhinderen zich doeltreffend te verdedigen wanneer men hem aansprakelijk wil stellen voor werken die dermate lang geleden werden uitgevoerd dat de nuttige documenten verloren zijn gegaan en de verantwoordelijken zijn verdwenen. (...) Door de vordering waarbij een persoon om schadevergoeding verzoekt voor het nadeel dat aan zijn goederen is berokkend door werken uitgevoerd door de Staat aan de vijfjarige verjaring te onderwerpen, terwijl dezelfde vordering aan de dertigjarige verjaring is onderworpen wanneer zij gericht is tegen een particulier, houdt de wet een maatregel in die onevenredig is met het door de wetgever nagestreefde doel. Aldus worden, zonder redelijke verantwoording, categorieën van personen verschillend behandeld die zich in situaties bevinden die, ten aanzien van de beschouwde maatregel, niet verschillend zijn." Het Arbitragehof besloot dat de maatregel ten aanzien van dergelijke schuldvorderingen niet redelijk verantwoord is en in dat geval art. 10 en 11 van de Grondwet schendt (Arbitragehof, 32/96 van 15 mei 1996). In de lijn van dezelfde redenering, maar a contrario, heeft het Arbitragehof later op een prejudiciële vraag in een geval van een schuldvordering voortkomend uit de buitencontractuele aansprakelijkheid van de Belgische Staat waarbij de benadeelde onmiddellijk in rechte konden treden, geantwoord dat in dat geval de situatie van betrokkene niet vergelijkbaar is met die van personen die zich in de onmogelijkheid bevinden om binnen de wettelijke termijn in rechte te treden, omdat hun schade pas na het verstrijken van de termijn tot uiting is gekomen. Er werd dan ook besloten dat er geen schending van art. 10 en 11 van de Grondwet te constateren is, wanneer het nadeel en de identiteit van de daarvoor aansprakelijke onmiddellijk kunnen worden vastgesteld (Arbitragehof, 85/2001 van 21 juni 2001; Arbitragehof, 64/2002 van 28 maart 2002) 3.1.
  22. In onderhavig geval worden de eisen tot schadevergoeding gesteund op een buitencontractuele fout van de Belgische Staat of minstens op zo'n fout waarvoor zij de aansprakelijkheid moet dragen (art. 1384, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek). Deze fout bestond er, volgens geïntimeerden, in dat op 15 juli 1994 door de rijkswacht een nietige huiszoeking werd gedaan. Ten gevolge daarvan faalde de strafvordering die door het Openbaar Ministerie was ingesteld tot vervolging van degenen die werden beticht van de misdrijven waarvan geïntimeerden beweren het slachtoffer geweest te zijn en waardoor zij, volgens hen, schade hebben geleden. De strafrechter verklaarde zich na vrijspraak van de betichten onbevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vorderingen van eerste en tweede geïntimeerde. Volgens geïntimeerden hebben zij daardoor geen uitvoerbare titel tot schadeloosstelling kunnen verwerven ten laste van de daders van de misdrijven waarvan zij slachtoffer waren of waardoor zij schade hebben geleden. Geïntimeerden konden redelijkerwijze uitgaan van de bewijskracht van het proces-verbaal van de huiszoeking in kwestie zolang de onregelmatigheid daarvan niet was vastgesteld, wat slechts geschiedde bij arrest van dit Hof van 15 april
  23. Slechts dan heeft het nadeel, waarvoor geïntimeerden schadeloosstelling vorderen, zich gemanifesteerd. 3.1.
  24. Te dezen leidt de toepassing die appellante wil maken van art. 100 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, tot de onbestaanbaarheid van dit artikel met art. 10 en 11 van de Grondwet. Deze onbestaanbaarheid wordt enkel opgeheven door de vijfjarige verjaringstermijn niet eerder te doen aanvangen dan op het ogenblijk waarop de schuldeiser kennis heeft kunnen krijgen van het nadeel dat hem een vordering tot schadeloosstelling op de Staat verschaft. Deze toepassing doet in onderhavig geval besluiten dat de verjaringstermijn, voormeld, nog niet was verstreken toen geïntimeerden hun eisen in rechte hebben ingediend. 3.1.
  25. Het Hof gaat niet in op de vraag van tweede geïntimeerde tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof vermits blijkt dat dit verzoek slechts in ondergeschikte orde werd ingediend en het Hof het in hoofdorde door tweede voorgedragen verweer bijtreedt. 3.
  26. Het gezag van het rechterlijk gewijsde. 3.2.
  27. Appellante voert aan dat het voormelde arrest van dit Hof van 15 april 1999 in kracht van gewijsde is gegaan en geldt erga omnes. Appellante beoogt klaarblijkelijk het gezag van het rechterlijk gewijsde in te roepen vermits zij besluit dat de burgerlijke rechter gebonden is door de vrijspraak door de strafrechter zodat de benadeelden het feit, waarop de vrijspraak sloeg, niet meer kunnen inroepen om schadevergoeding te eisen. Geïntimeerden betwisten dat het arrest van 15 april 1999 hun onderhavige eisen in de weg zou staan. 3.2.
  28. De eindbeslissing van de strafrechter heeft in de regel gezag van gewijsde erga omnes. De burgerlijke rechter, die moet oordelen over een vordering die steunt op een feit waarover de strafrechter reeds uitspraak deed, vermag dan ook niet te beslissen in strijd met datgene wat de strafrechter voorheen zeker en noodzakelijk daaromtrent heeft gezegd. De eisen van geïntimeerden nopen het Hof als civiele rechter evenwel niet de strafrechter tegen te spreken. Zij voeren, integendeel, precies het arrest van het Hof van 15 april 1999 aan tot bewijs van de fout van de rijkswachter die de huiszoeking van 15 juli 1994 uitvoerde en van het falen van hun burgerlijke partijstelling. Geïntimeerden hebben de aansprakelijkheid van appellante en de daardoor beweerdelijk opgelopen schade ten grondslag van hun eisen gelegd. Daarover heeft de strafrechter geen uitspraak gedaan. Her arrest van het Hof van 15 april 1999, gewezen in strafzaken, staat de onderhavige eisen van geïntimeerden dan ook niet in de weg. 3.
  29. De aansprakelijkheid van appellante. 3.3.
  30. De fout van de rijkswachter bij de huiszoeking Geïntimeerden hebben ten grondslag van hun eisen de fout gelegd die de rijkswachter maakte bij de huiszoeking van 15 juli 1994 bij de oorspronkelijke beklaagde D. Door middel van het arrest van dit Hof van 15 april 1999, gewezen in strafzaken, bewijzen geïntimeerden dat de wettelijke voorschriften terzake huiszoeking te dezen niet werden nagekomen vermits degene die de opdracht tot huiszoeking uitvoerde, niet de regelmatige vervanger was van de ambtsbekleder aan wie de onderzoeksrechter zijn bevoegdheid delegeerde. De huiszoeking werd derhalve verricht door een onbevoegde en werd nietig bevonden. De daarbij gevonden bewijzen werden geacht op onwettige wijze verkregen te zijn en konden in de strafprocedure niet meer ten laste van de beklaagden aangewend worden. Over deze onrechtmatigheid bestaat geen betwisting meer. Geïntimeerden hebben dit feit in het kader van de orgaantheorie omschreven als een fout van appellante zelf dan wel als een fout van haar aangestelde waarvoor appellante krachtens art. 1384, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is. Appellante verwijst terecht naar art. 47 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt volgens hetwelk de Staat aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door de politieambtenaren van de federale politie in functie waarin hij hen heeft aangewend, net zoals aanstellers aansprakelijk zijn voor de schade aangericht door toedoen van hun aangestelden. Appellante betwist haar aansprakelijkheid in beginsel dan ook niet doch houdt voor dat de fout van haar politieambtenaar in kwestie niet in oorzakelijk verband staat met de schade waarvan geïntimeerden vergoeding vorderen. 3.3.
  31. De schade van geïntimeerden. Geïntimeerden houden voor dat hun schade, die zij thans ter vergoeding stellen, niet de schade is die zij door de diefstallen van hun voertuigen hebben geleden, maar wel deze die is ontstaan door de onmogelijkheid, ten gevolge van de fout van de politieambtenaar van appellante, om nog vergoeding te bekomen ten laste van de aansprakelijken voor de diefstallen. In feite vorderen geïntimeerden de vergoeding van het verlies van een kans, met name de kans op het verkrijgen van een uitvoerbare titel ten laste van de personen die door het Openbaar Ministerie voor de misdrijven in kwestie werden vervolgd en de daaruit voortspruitende kans op daadwerkelijke tenuitvoerlegging. Uit de begroting van hun schade wordt begrepen dat zij de waarde van de verloren kans gelijkstellen met het verlies tengevolge van de diefstal. 3.3.
  32. Het oorzakelijk verband. 3.3.3.
  33. Geïntimeerden voeren aan dat, indien de fout van de aangestelde van appellante zich niet had voorgedaan en de huiszoeking in kwestie regelmatig was geweest, hun schade zich dan niet of niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Zij zeggen dat zij hun schade dan hadden kunnen verhalen op de oorspronkelijke beklaagden, minstens dat zij daartoe een reële kans hadden. Volgens hen staat het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade te dezen vast. Appellante werpt tegen dat het oorzakelijk verband tussen voormelde fout en schade niet is aangetoond. Zij laat gelden dat het beweerde feit dat de civiele eisen van geïntimeerden zouden toegekend worden indien de huiszoeking rechtmatig was geweest slechts een onzeker en niet-vaststaand feit is. 3.3.3.
  34. De schade die geïntimeerden hebben geleden door de diefstal van hun wagen, of wat tweede geïntimeerde betreft door de verzekeringsprestatie die zij heeft moeten leveren ten gevolge van de diefstal van de wagen van haar verzekerde, staat vast maar werd niet veroorzaakt door de fout van de politieambtenaar van appellante bij de huiszoeking in kwestie. Deze schade zou zich immers evenzeer hebben voorgedaan, zoals deze zich in concreto heeft voorgedaan, zonder de fout van de politieambtenaar van appellante. Deze schade had zich reeds volledig voltrokken vooraleer de huiszoeking plaatsvond. Het is aannemelijk, en de redengeving van het arrest van dit Hof van 15 april 1999 laat er geen twijfel over bestaan, dat de onwettige huiszoeking van 15 juli 1994 een zodanig belangrijk bewijsmiddel uit de handen van het Openbaar Ministerie heeft geslagen, dat de vrijspraak van de beklaagden volgde voor wat de feiten betreft die geïntimeerden aanbelangen. Daaruit kan evenwel niet met zekerheid besloten worden dat, indien de politiebeambte van appellante de fout bij de huiszoeking in kwestie niet zou hebben begaan, er dan wel afdoende bewijs zou geweest zijn om de vordering van het Openbaar Ministerie tegen de beklaagden toe te wijzen in die mate dat zij dan zouden veroordeeld geworden zijn voor de ten laste gelegde feiten die geïntimeerden aanbelangen, en dat bovendien in dat geval de burgerlijke eisen van geïntimeerden door de strafrechter zouden toegekend zijn. Die zekerheid bestaat evenmin bij dezelfde hypothese ten aanzien van een eventueel burgerlijk rechtsgeding. De onzekerheid wordt niet opgeheven door de veroordeling die de strafrechter in eerste aanleg uitsprak maar die niet in kracht van gewijsde is gegaan. Wanneer er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, zoals te dezen, kan geen veroordeling tot schadevergoeding worden uitgesproken. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke eisen van geïntimeerden ongegrond. Verwijst geïntimeerden in de gedingkosten van beide aanleggen vereffend aan de zijde van appellante op de rechtsplegingsvergoeding van in eerste aanleg van EUR 356,98, en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,96 PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051019.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.