← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051026.36

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 oktober 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051026.36 Rolnummer: 453P2005 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-04-21 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche Het bewijs verkregen door middel van camerabewaking, waarvan de beklaagde niet voorafgaandelijk in kennis is gesteld en waarvan geen aangifte is gedaan aan de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer is onrechtmatig, maar heeft niet ipso facto de uitsluiting ervan tot gevolg, daar in casu - de vormvoorwaarden niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven - de onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet aantast - het gebruik van het bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces - de plaats waar de camera is opgesteld, nl. het privé-appartement van de werkgever, irrelevant is, gezien enkel van belang is dat de plaats die gefilmd is toegankelijk is voor het publiek, en de video-opnames enkel tot doel hebben misdrijven, waarvan beklaagde verdacht is, vast te stellen, en alzo het privé-leven van beklaagde niet wordt geschonden zodat de onregelmatigheid geen weerslag heeft op het recht dat door de miskende norm wordt beschermd en het bewijs dan ook niet uit de debatten moet geweerd worden. Een geluidsopname van een gesprek - waarvan beklaagde niet voorafgaandelijk, maar wel tijdens het gesprek op de hoogte is gesteld die neergelegd is ter griffie en waarvan de tekst in een proces-verbaal is uitgeschreven, is aan tegenspraak onderworpen zodat beklaagde daaromtrent zijn rechten van verdediging zou kunnen aanwenden en is niet door enige onregelmatigheid aangetast. Vrije woorden: bewijs - onrechtmatig verkregen bewijs - geen uitsluiting van het bewijs - geen aantasting recht op eerlijk proces Tekst van de beslissing ... Geen wering van de video- en geluidscassettes als bewijs Overwegende dat de burgerlijke partij V. D. op grond van een gewettigd vermoeden van betrokkenheid van beklaagde aan achterhouden van gelden van klanten en het niet registreren van alle verkopen, maatregelen neemt om door middel van een camera, in een door hem uitgebaat pompstation, strafbare feiten te laten vaststellen; Dat niet wordt betwist dat de burgerlijke partij V. D. beklaagde niet voorafgaandelijk heeft ingelicht omtrent deze camerabewaking; dat deze camerabewaking voornamelijk gericht is op de teller van de pomp die zich bevindt op een plaats die toegankelijk is voor het publiek, met de bedoeling na te gaan hoeveel brandstof er die dag aan de pomp is verkocht; dat deze camera wordt opgesteld in het privé-appartement van de burgerlijke partij en fragmentarisch beklaagde filmt tijdens het uitvoeren van zijn taak aan de pomp; dat deze video bij het neerleggen van de klacht wegens loondiefstal ter griffie wordt neergelegd als bewijs; Dat wanneer bewijselementen verkregen worden door middel van een camerabewaking, zonder dat conform art. 9 van de CAO nr. 68 van 16 juni 1998 (verbindend verklaard bij K.B. van 20 september 1998) en art. 4 van de Wet Verwerking Persoonsgegevens van 8 december 1992 de beklaagde hiervan voorafgaandelijk in kennis is gesteld en zonder dat op grond van art. 17 van de Wet Verwerking Persoonsgegevens aangifte is gedaan aan de Commissie voor de Bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dit in strijd is met de strafrechtelijke bepalingen van deze wet en deze CAO zodat dit bewijsmateriaal onrechtmatig is wegens het plegen van een misdrijf; Overwegende dat het beeldmateriaal dat op onrechtmatige wijze verkregen is, niet ipso facto de uitsluiting tot gevolg heeft; Dat in deze zaak dit beeldmateriaal niet geweerd wordt uit de debatten om volgende redenen - de naleving van de vormvoorwaarden is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven door de wet op Verwerking van de Persoonsgegevens noch door de CAO nr. 68; - de onrechtmatigheid tast de betrouwbaarheid van het bewijs niet aan en het gebruik van het bewijs is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces; dat het installeren van een videobewaking door de werkgever die weliswaar slechts fragmentarisch beelden opneemt (nl. wanneer er een klant aan het pompstation komt) doch die voornamelijk gericht zijn op de teller van de tank teneinde te registreren hoeveel brandstof er die dag verkocht is, enkel tot doel heeft de misdrijven waarvan beklaagde verdacht is, vast te stellen, nuttig en adequaat is en het privé-leven niet aantast van beklaagde; dat het feit dat deze beelden gefilmd worden vanuit het privé-appartement van de werkgever, irrelevant is gezien enkel van belang is dat de plaats die gefilmd is toegankelijk is voor het publiek; dat art. 8 van het EVRM (eerbiediging van het privé-leven) dan ook niet geschonden is; - het recht op een eerlijk proces is niet in het gedrang gebracht noch de betrouwbaarheid van het beeldmateriaal aangetast zodat deze onregelmatigheid geen weerslag heeft op het recht die door deze miskende norm wordt beschermd; Overwegende dat de burgerlijke partij bijkomend een geluidscassette neerlegt als bewijs met de opname van een gesprek van 29.04.04, waarvan de tekst in een proces-verbaal is neergeschreven; Dat het niet betwist wordt dat beklaagde niet voorafgaandelijk aan dit gesprek in kennis is gesteld dat dit gesprek is opgenomen maar wel tijdens het gesprek doch dat dit niet ter zake dienend is; Dat immers deze geluidscassette niet door enige onregelmatigheid is aangetast en doordat zij ter griffie is neergelegd aan tegenspraak is onderworpen zodat beklaagde daaromtrent zijn rechten van verdediging zou kunnen aanwenden; dat beklaagde de authenticiteit van deze cassette nadat hij ermee is geconfronteerd, immers nooit heeft betwist; dat bovendien beklaagde zelf om een gesprek met de burgerlijke partij verzocht en aldus de opgenomen verklaring vrijwillig heeft afgelegd en verder gezet nadat hij wist dat het gesprek werd opgenomen; Dat het gebruik van de videocassette het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) dan ook niet aantast en dan ook niet uit de debatten dient geweerd te worden; PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051026.36 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.