← België

ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051109.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051109.5 Rolnummer: 2004AR1339 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-08 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche 1) Tot het evenwicht in het nabuurschap behoort de sedert geruime tijd bestaande en ongestoorde gesteldheid van de plaatsen die mede kan bepaald zijn door de ter plaatse geldende stedenbouwkundige reglementering. 2) Het benutten van de stedenbouwkundige mogelijkheden van het ene erf kan de uitoefening van dezelfde of gelijkaardige mogelijkheden op het naburige erf beïnvloeden en kan burenhinder opleveren indien het bestaande evenwicht in het nabuurschap hierdoor bovenmatig wordt verstoord. Vrije woorden: Burenhinder - evenwicht in het nabuurschap - bouwvergunning - (niet-bovenmatige hinder Tekst van de beslissing HET HOF,

  1. Wat voorafgaat. 1.
  2. Het echtpaar W. en D. S. - M. zijn eigenaar van een perceel bouwgrond te Borgloon, Hamstraat. De bvba E. W. is eigenares van het naastliggend perceel. Op het einde van 2000 namen de naburige eigenaars een initiatief m.b.t. deze percelen. S.-M. dienden op 23 november 2000 een verkavelingsaanvraag in. E. W. diende op 19 december 2000 een bouwaanvraag in voor de oprichting van een gebouw (kantoor, appartement en loods) waarbij een zijgevel van het beoogde gebouw gepland werd op de perceelgrens met het aangrenzend eigendom van S.-M. Nadat het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Borgloon de bouwaanvraag van E. W. had geweigerd op 4 april 2001, verkreeg laatst genoemde onder voorwaarden toch haar vergunning door de beslissing van de bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg van 11 oktober 2001, gewezen op het administratief beroep van E. W. 1.
  3. Op 12 december 2001 weigerde het College van Burgemeester en Schepenen de verkavelingsaanvraag van S.-M.. De weigeringsbeslissing steunde op volgend motief: "Er wordt één lot in open bebouwing voorzien terwijl op het aangrenzend perceel rechts een woning in halfopen bebouwing met de wachtgevel op de gemeenschappelijke perceelsgrens is voorzien. Vanuit ruimtelijk oogpunt kan enkel een woning in halfopen bebouwing, die aansluit tegen deze wachtgevel aanvaard worden. Derhalve dient de vergunning geweigerd te worden." Het administratief beroep van S.-M. tegen deze beslissing werd slechts gedeeltelijk ingewilligd door de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg op 14 maart 2002 waarbij evenwel de beperking tot een vergunning voor een halfopen bebouwing behouden bleef. De Bestendige Deputatie gaf daarbij volgende reden op: "Overwegende dat de aanvrager de vergunning wenst voor een lot voor open bebouwing; dat in principe een dergelijke bebouwing de goede ordening van de plaats niet in het gedrang brengt; dat het enige bouwlot voorzien wordt binnen het woongebied met landelijk karakter en het een voldoende gevelbreedte (18 meter) heeft; dat op het aanpalend perceel echter zeer recent door de bestendige deputatie bij besluit van 11 oktober 2001 een woning in halfopen bebouwing met handelszaak en bijhorend magazijn vergund werd; dat rekening houdend met deze vergunning het blinde gevelprofiel dat alzo op de gemeenschappelijke perceelsgrens wordt voorzien, op het voorgestelde lot 2 geen open bebouwing meer aanvaard kan worden; dat in het bijzonder moet gewezen worden op het hierboven, geciteerde art. 19, 3° van het inrichtingsbesluit; dat op de voorgaande plaats een open bebouwing de goede aanleg van de plaats in het gedrang zal brengen; dat lot 2 kan vergund worden voor een halfopen bebouwing en alzo geen bouwmogelijkheid verloren gaat; dat moet gewezen worden op het feit dat op een esthetisch verantwoorde manier tegen de nog op te richten, gevel kan aangesloten worden.".. In de loop van 2002 heeft E. W. de bouwwerken aangevat en kwam het tot incidenten tussen de partijen over de wijze van uitvoering van de werken, inzonderheid wat de overschrijding betreft van de gemeenschappelijke perceelsgrens door de aannemer van E. W. 1.
  4. In een dagvaarding van 4 juli 2002 hebben S.-M. dan aangevoerd dat zij in de uitoefening van de eigendomsrechten in belangrijke mate beknot zijn geworden en hun eigendom waarde verloren heeft ten gevolge van de handelwijze van E. W. Zij vorderden: - dat een plaatsopneming zou worden bevolen, - dat bij wijze van voorlopige maatregel aan E. W. het verbod zou worden opgelegd om de bouwwerkzaamheden op haar perceel aan te vatten zolang geen plaatsbeschrijving op tegenspraak zou zijn opgesteld, zolang zij niet alle documenten i.v.m. de bouw (vergunningen, plannen, bouwvoorschriften, verzekeringen, uitvoeringswijze) zouden zijn overgelegd aan hen, zolang er door de rechter geen beslissing zou zijn genomen over ingebruikneming van hun perceel bij de uitvoering van de bouwwerken, - dat zou gezegd worden voor recht dat er geen noodzaak bestaat voor de verwezenlijking van het bouwwerk om de perceelsgrens te overschrijden, - dat E. W. zou veroordeeld worden tot een provisionele vergoeding van EUR 25 000, - dat een deskundigenonderzoek zou bevolen worden naar de schade en de minderwaarde door hen ondergaan ten gevolge van de vergunde bouwwerken van E. W., - dat hen voorbehoud zou worden verleend voor de burenhinder die zij door de bouwwerken zouden ondervinden. Partijen S. - M. lieten hun eisen steunen op art. 544 en 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek. E. W. stelde een tegeneis in tot veroordeling van eisers op hoofdeis tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 1 000 wegens tergend en roekeloos geding. 1.
  5. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 24 december 2003 heeft de hoofdeis van partijen S. - M. ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde dat de eis van het echtpaar S. - M. louter steunde op niet bewezen hypotheses. Hij meende vast te stellen dat de eisers op hoofdeis niet aantoonden dat zij schade of burenhinder hadden ondergaan of zelfs maar dreigden te ondergaan. De tegeneis van E. W. werd daarentegen wel gedeeltelijk gegrond verklaard en partijen S. - M. werden veroordeeld tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 625 wegens tergend en roekeloos geding. S. - M. werden verwezen in alle gedingkosten. 1.
  6. W. S. en D. M., hierna appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 6 mei
  7. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 4 oktober
  8. De eisen in hoger beroep. 2.
  9. Appellanten vorderen dat hun oorspronkelijke hoofdeis bij hervorming van het beroepen vonnis in volgende mate zou worden toegekend: - vooraleer recht te doen, een plaatsopneming te bevelen, - vooraleer recht te doen, een deskundigenonderzoek te bevelen met opdracht: " ....de schade en de minderwaarde te bepalen die de eigendom van concludenten heeft geleden tengevolge van de bouwvergunning, verkregen door geïntimeerde; verder na te gaan of de bouwwerken uitgevoerd werden/worden conform de verleende bouwvergunning en de bijhorende vergunde plans en te bepalen welke de schade, de minderwaarde en de eventuele genotsderving van verzoekers is tengevolge van de uitvoering van de bouwwerken door geïntimeerde en tenslotte te omschrijven welke herstellingswerken dienen te worden uitgevoerd en welke de kostprijs daarvan is. Vervolgens de afrekening tussen partijen op te stellen, ..." - ondertussen geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van een provisionele schadevergoeding van EUR 25 000, - geïntimeerde te bevelen de originele vergunde plannen bij te brengen. Zij vorderen tevens de afwijzing van de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerde. 2.
  10. De b.v.b.a. E. W., hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellanten. Zij heeft zelf een beperkt incidenteel beroep ingesteld waarbij zij vordert haar oorspronkelijke tegeneis geheel toe te kennen ten belope van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding van EUR 1
  11. Zij vraagt haar tevens voorbehoud te verlenen om ten laste van appellanten de sommen te vorderen die zij als schadevergoeding eventueel zou moeten betalen aan haar aannemer, alsook die zij als meerkosten voortkomend uit de handelwijze van appellanten zou moeten dragen. Zij heeft bovendien een tegeneis ingesteld waarbij zij de veroordeling van appellanten vordert tot de betaling van een schadevergoeding van EUR 2 500 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.
  12. De beoordeling. 3.
  13. Verzoek tot plaatsopneming. Appellanten verzoeken dat het Hof een plaatsopneming zou bevelen omdat dit onontbeerlijk zou zijn voor de kennis van de toestand ter plaatse. De eerste rechter heeft dit verzoek afgewezen. Het Hof meent evenmin op het verzoek van appellanten te moeten ingaan. De plaatselijke toestand is door de beschrijving door partijen en door hun dossiers, inzonderheid door het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder M. Reynders van 17 augustus 2002, de plaatsbeschrijving vóór de aanvang van de werken van landmeter Michels en het overgelegde fotomateriaal voldoende duidelijk en stelt het Hof in staat tot beoordeling van het geschil over te gaan. 3.
  14. De stedenbouwkundige burenhinder. 3.2.
  15. Appellanten hebben, in eerste orde, voorgehouden dat geïntimeerde bovenmatige burenhinder veroorzaakte door op haar naburig perceel een gebouw op te trekken in half open bebouwing waardoor de mogelijkheid om op hun eigen perceel in open bebouwing een woning op te richten verloren zou zijn gegaan. Geïntimeerde werpen tegen dat het niet bewezen is dat door het verkrijgen van een bouwvergunning voor een halfopen bebouwing en het bouwen conform de vergunning het evenwicht in het nabuurschap verstoord, laat staan op een bovenmatige wijze verstoord zou zijn. Appellanten dragen de last van het bewijs van de door hen ingeroepen burenhinder. 3.2.
  16. Het nabuurschap tussen de aan elkaar grenzende erven in kwestie wordt niet betwist. 3.2.
  17. Er is burenhinder wanneer door bovenmatige hinder het evenwicht tussen naburige erven verstoord wordt. Tot het evenwicht tussen naburige erven behoort de sedert geruime tijd bestaande en ongestoorde gesteldheid van de plaatsen in kwestie, die mede kan bepaald zijn door de ter plaatse geldende reglementering inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening. Deze reglementering bakent immers in zekere mate doch dwingend de mogelijkheden af voor de eigenaar tot de uitoefening van zijn eigendomsrecht o.m. bij het bouwen van vaste constructies, zoals te dezen in het geding. Het is tevens aan te nemen dat het benutten van de stedenbouwkundige mogelijkheden van het ene erf de uitoefening van dezelfde of gelijkaardige mogelijkheden op het naburige erf kan beïnvloeden. 3.2.
  18. Appellanten tonen afdoende aan dat de wijze waarop geïntimeerde gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheden tot het oprichten van een gebouw op haar perceel, een rechtstreekse invloed heeft gehad op hun mogelijkheden om nog gebruik te maken van hun eigendomsrechten terzake van het bouwen van een woning op hun perceel. De Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Limburg heeft de beslissing van 14 maart 2002 tot het verlenen van een verkavelingsvergunning, gewezen op het hoger beroep van appellanten tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon van 12 december 2001 tot weigering van hun verkavelingsaanvraag, o.m. op volgende redengeving laten steunen: "Overwegende dat de aanvrager de vergunning wenst voor een lot voor open bebouwing; dat in principe een dergelijke bebouwing de goede ordening van de plaats niet in het gedrang brengt; dat het enige bouwlot voorzien wordt binnen het woongebied met landelijk karakter en het een voldoende perceelsbreedte

(18m)heeft; dat op het aanpalend perceel echter zeer recent door de bestendige deputatie bij besluit van 11 oktober 2001 een woning in halfopen bebouwing met handelszaak en bijhorend magazijn vergund werd; dat rekening houdend met deze vergunning en het blinde gevelprofiel dat alzo op de gemeenschappelijke perceelsgrens wordt voorzien, op het voorgestelde lot 2 geen open bebouwing meer aanvaard kan worden; dat in het bijzonder moet gewezen worden op het hierboven geciteerde art. 19-3° van het inrichtingsbesluit; dat op de voorgestelde plaats een open bebouwing de goede aanleg van de plaats in het gedrang zal brengen; dat lot 2 kan vergund worden voor een halfopen bebouwing en alzo geen bouwmogelijkheid verloren gaat; dat moet gewezen worden op het feit dat op een esthetisch verantwoorde manier tegen de nog op te richten gevel kan aangesloten worden; Overwegende dat het beroep kan ingewilligd worden voor een half open bebouwing". Aldus komt het bewezen voor dat de aan geïntimeerde toerekenbare bouwactiviteit op haar eigendom geleid heeft tot een eigendomsbeperking aan de zijde van appellanten. Zonder de bouwaanvraag van geïntimeerde voor een constructie in half open bebouwing zouden deze eigendomsbeperkingen niet zijn ontstaan, zoals deze thans blijkens de voormelde verkavelingsvergunning blijken te bestaan. 3.2.
  1. Dan rijst dan de vraag of aldus het evenwicht in het nabuurschap is verstoord ? Volgens het besluit van 4 april 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon tot weigering van de bouwvergunning van geïntimeerden stond er voorheen op het perceel van geïntimeerde een oude woning zeer dicht doch niet op de perceelsgrens. Deze beschrijving van de voorheen bestaande toestand is niet betwist. Volgens dezelfde beslissing alsmede volgens het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 maart 2002, voormeld, bestonden er voor het gebied, waarin beide naburige erven gelegen zijn, geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg noch een geldige niet-vervallen verkaveling. Stedenbouwkundig vielen beide erven volgens het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren van 5 april 1977 binnen het woongebied met landelijk karakter en moest voor wat het toegelaten gebruik betreft rekening gehouden worden met het inrichtingsbesluit van 28 december 1972 en met de inzichten van de overheid m.b.t. de goede plaatselijke aanleg. Deze elementen doen aannemen dat de oorspronkelijke toestand van het perceel van geïntimeerde, met het oude gebouw zoals voormeld, geen hinderpaal zou gevormd hebben voor de verkavelingsaanvraag van appellanten, hierin begrepen de toelating tot het benutten van lot 2, aangrenzend aan het perceel van geïntimeerde voor een open bebouwing. Deze aldus omschreven toestand, vormde het evenwicht tussen beide naburige percelen. Het blijkt nu dat appellanten de mogelijkheden tot het benutten van hun eigendom voor een open bebouwing, zoals die in de evenwichtstoestand met het naburige eigendom van geïntimeerde bestond, niet meer op dezelfde wijze kunnen uitoefenen zodat moet besloten worden dat het evenwicht in de nabuurschap verstoord is door de handelwijze van geïntimeerde. Geïntimeerde heeft door tegenbewijs niet aangetoond dat deze beperking van de benuttigingskansen van het perceel van appellanten ook bestond zonder haar handelwijze. 3.2.
  2. Uit het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 maart 2002 blijkt dat, niettegenstaande de beperkingen voortkomend uit de handelwijze van geïntimeerde, m.a.w. het verstoorde evenwicht, nog steeds een halfopen bebouwing op het perceel van appellanten kan verwezenlijkt worden. Het is niet aangetoond dat de bouwmogelijkheden, inzonderheid wat bouwvolume betreft, substantieel verminderd zijn. Het blijft voor appellanten nog steeds mogelijk op het perceel in kwestie een woning te bouwen met een bouwvolume zoals voorheen. De enige beperkingen, zoals voormeld, zijn te vinden in het feit dat geen vrijstaande woning meer kan gebouwd worden en dat aanpassingen kunnen worden opgelegd door de stedenbouwkundige overheid wat stijl en materiaalkeuze betreft. Deze burenhinder kan in het onderhavig geval echter niet bovenmatig genoemd worden. Het betreft te dezen slechts aanpassingen aan de bouw en inplanting van de bouw die door de stedenbouwkundige overheid worden opgelegd wegens de noden van een goede aanleg als gevolg van het eerdere feit dat geïntimeerde de bouwmogelijkheden van haar perceel optimaal heeft benut conform de stedenbouwkundige regelgeving en vergunningen. 3.
  3. Schade door onrechtmatige daad / burenhinder tijdens en ten gevolge van de uitvoering van de werken. 3.3.
  4. Appellanten voeren aan dat tijdens de uitvoering van de bouwwerken van geïntimeerde, in het bijzonder bij de graafwerken, er een overschrijding van de perceelsgrens is geweest, dat hun omheining werd beschadigd, dat de put op hun perceel werd gevuld met afvalstoffen en beton, dat de wachtgevel in gevelsteen werd opgetrokken en dat een betonnen muur op hun eigendom werd opgericht. Appellanten poneren dat zij door de fouten van geïntimeerde tijdens de uitvoering van de werken minstens door de daarbij door geïntimeerde veroorzaakte bovenmatige burenhinder geconfronteerd zijn met een definitieve en onherroepelijke inbezitneming en vervuiling van hun perceel waardoor zij uiteindelijk zullen verhinderd worden een halfopen bebouwing te verwezenlijken. Geïntimeerde geeft enkel toe dat er mogelijk schade is aangericht aan de omheining en betwist alle andere aanklachten met klem. Zij meent dat de schade aan de omheining enkel aan appellanten zelf te wijten was. Deze zouden tot de bouw van de omheining overgegaan zijn op het aangekondigde tijdstip van de aanvang van de bouwwerken zodat zij enkel beoogden de bouwwerken te hinderen en de onvermijdelijkheid van de beschadiging dienden in te zien. Zij gewaagt van rechtsmisbruik en laat daarop haar tegeneis steunen. Zij houdt bovendien voor aan haar aannemer opdracht gegeven te hebben de schade te herstellen. 3.3.
  5. Rekening houdend met het proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder M. Reynders van 17 september 2002 komt het aannemelijk voor dat de aannemer, die in opdracht van geïntimeerde werkte, bij zijn graafwerken de perceelsgrens heeft overschreden. Ongeacht nog of deze actie gerechtvaardigd was, maakt het de bewering van appellanten m.b.t. het aanrichten van schade op hun terrein niet onwaarschijnlijk. Het komt gepast voor ter oplossing van het geschil in dat verband het hierna omschreven deskundigenonderzoek te bevelen. 3.
  6. Het incidenteel beroep van geïntimeerde en haar tegeneis. Het is opportuun om het incidenteel beroep van geïntimeerde en haar tegeneis te beoordelen na de uitvoering die de meest gerede partij zal geven aan de bevolen onderzoeksmaatregel. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant(en) toelaatbaar doch reeds ongegrond m.b.t. de afwijzing van hun oorspronkelijke eis in zoverre deze gesteund werd op burenhinder ten gevolge van het verkrijgen door geïntimeerde van een bouwvergunning voor een half open bebouwing. Bevestigt de desbetreffende beschikkingen van het beroepen vonnis. En vooraleer verder te oordelen over het hoger beroep van appellanten, het incidenteel beroep van geïntimeerde en haar tegeneis, beveelt het volgende deskundigenonderzoek: Stelt daartoe aan Robert PALMANS, Wijkstraat 141 te 3700 TONGEREN, met als opdracht na behoorlijke oproeping van partijen ter plaatse te gaan te Borgloon (Hoepertingen), Hamstraat, ter plaatse van de kadastrale percelen 386/H en 386/R,S tegenover de woningen 17 en 19, partijen te horen en hun verzoening te betrachten, kennis te nemen van de overtuigingsstukken van partijen en van alle nuttige documenten, zo nodig van de stedenbouwkundige vergunning van E. W. tot de oprichting van haar gebouw, te onderzoeken: - of er schade is vast te stellen aan de omheining op het perceel van S.-M., langsheen de perceelsgrens met het perceel van E. W., de oorzaak van eventuele schade op te sporen, te beschrijven, de herstelling te beschrijven en de kosten ervan te ramen, - of het gebouw van E. W. is opgetrokken met de linker zijgevel schrijlings op de perceelgrens dan wel deze perceelsgrens op enigerlei wijze overschrijdt, in dat geval de wijze en de omvang van de overschrijding te beschrijven, de daardoor voor het perceel Smolders-Martens veroorzaakte minderwaarde te ramen, - of bij het vullen van de bouwput, in zoverre die zich uitstrekte op het perceel van S.-M., afvalstoffen en/of beton en/of ander materiaal werd gebruikt, de eventuele noodzakelijke herstellingen te beschrijven en de kosten ervan te ramen, - of de bouwwijze van het gebouw van E. W. op enigerlei wijze op bouwtechnisch vlak verhindert dat op het perceel van S.-M. een halfopen bebouwing tegen het gebouw van E. W. zal verwezenlijkt kunnen worden, - te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen. Legt de gerechtsdeskundige op zijn werkzaamheden uit te voeren volgens de regels van art. 962 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, van zijn vaststellingen en adviezen een onder eed te bevestigen schriftelijk verslag op te stellen en dit neer te leggen ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen ten laatste drie maanden na zijn inwerkingstelling. Zegt tevens voor recht dat in toepassing van art. 973 van het Gerechtelijk Wetboek het deskundigenonderzoek doorgaat onder toezicht van de rechter, zodat de gerechtsdeskundige, na zijn opdracht te hebben aanvaard, gehouden is bij gewone brief het Hof in te lichten van de inwerkingstelling door de partijen en van het verloop van de expertiseverrichtingen, en zorg te dragen het definitief verslag binnen de voormelde termijn neer te leggen. In geval van niet-nakoming van deze termijn behoort het krachtens art. 975 van het Gerechtelijk Wetboek aan de gerechtsdeskundige om met een met redenen omklede brief verlenging van de termijn te verzoeken. Houdt de beslissing over de gedingkosten aan. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051109.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.