id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051116.1 Rolnummer: 2004AR2288 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-08 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche Een casco-verzekering voor trailers van een Belgisch transportbedrijf werd gesloten op de Nederlandse Verzekeringsbeurs te Rotterdam en bepaalt dat het Nederlands recht van toepassing is. Art. 28 ter, ,§ 1, al. 1 van de wet van 9 juli 1975 op de Controlewet Verzekeringen bepaalt dat het Belgisch recht van toepassing is, niettegenstaande elk strijdig beding, wanneer de overeenkomst slaat op in België gelegen risico's en de verzekeringsnemer in België zijn gewone verblijfplaats heeft. Volgens art. 2, ,§ 6, 8°, e Controlewet Verzekeringen is bij een verzekering m.b.t. voertuigen de lidstaat van de registratie van de voertuigen, de lidstaat van het risico. Krachten het dwingend karakter van artikel 28, voormeld, is te dezen het Belgisch recht van toepassing, niettegenstaande de toepassing van het Nederlands recht werd bedongen. Vrije woorden: Toepasbare verzekeringswet - in Nederland gesloten verzekeringscontract - risico in Belgiê gelegen - art. 28 Controlewet Verzekeringen - dwingend recht Tekst van de beslissing HET HOF,
- Feiten en voorgaande 1.
- HOET TRUCKING & RENTING N.V. kocht op 30.10.1996 vier tweedehands opleggers van TURBO'S HOET TRUCK CENTER NV voor een bedrag van EUR 22.121,40 elk. Deze opleggers werden verhuurd (leasing) door HOET TRUCKING & RENTING N.V. aan de BVBA A&A TRANSPORT. De verhuurovereenkomsten voorzien dat de BVBA A&A Transport de in huur gegeven goederen zal verzekeren tegen de gevaren van o.m. brand, diefstal ten gunste van de verhuurder (stukken 5 tot 8 dossier N.V. HOET TRUCKING & RENTING). De BVBA A & A Transport sloot op 12 november 1996 een verzekering af via Tax-Holland B.V. Insurance management services te Rotterdam met polisnummer 0077.96 (stuk 1 bundel verzekeraars). Door de Belgische verzekeringsmakelaar CONCORDIA - VAN DESSEL werd bevestigd dat er een begunstigingsclausule zal worden opgenomen in de polis in het voordeel van N.V. HOET TRUCKING & RENTING (stukken 9 tot 12 dossier N.V. HOET TRUCKING & RENTING). Blijkbaar werden de huurgelden sinds november 1997 niet meer betaald. Op 18 mei 1998 werd de verzekering met ingang van 8 mei 1998 doorgehaald "wegens beëindiging van de bedrijfsactiviteiten" (kennisgeving/aanhangsel no III, stuk 1 bundel geïntimeerden). Op datum van 27 mei 1998 berichtte N.V. HOET TRUCKING & RENTING dat de vier opleggers verdwenen waren. De verzekeraars stelden als deskundige dhr. Wim Dekeyser aan die na onderzoek tot de conclusie kwam dat de zaakvoerder van B.V.B.A. A & A Transport, dhr. SPENTZOS Andreas, de goederen meegenomen zou hebben naar Griekenland. N.V. HOET TRUCKING & RENTING legde klacht neer bij de Rijkswacht van Roeselare op 26 mei 1998 inzake de verdwijning van de opleggers. Deze klacht werd zonder gevolg gerangschikt Er werd 1 oplegger teruggevonden. De verzekeraars weigerden over te gaan tot uitbetaling onder de polis ondermeer om reden dat geen aangifte door de verzekerde B.V.B.A. A&A Transport was gedaan van de diefstal en omdat de schade door de verzekerde zelf opzettelijk zou zijn veroorzaakt. 1.
- In hun dagvaarding uitgebracht op 13 maart 2000 voor de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde vroeg de N.V. TURBO'S HOET TRUCKING & RENTING uitbetaling onder de polis van de waarde van drie opleggers (de vierde werd teruggevonden) voor een totaal bedrag van 1.542.000 BEF alsook de kosten van repatriëring t.b.v. NLG 900, meer de verwijlrente vanaf 27 juni 1998, de gerechtelijke rente en de kosten. 1.
- Bij tussenvonnis van de Rechtbank van Koophandel te DENDERMONDE van 22 november 2002 werd geoordeeld dat de Belgische rechtbanken rechtsmacht bezitten om kennis te nemen van het geschil. Deze rechtbank achtte zich echter onbevoegd ratione loci en verwees de zaak naar de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen 1.
- Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 3 juni 2004 werd de vordering van de N.V. TURBO'S HOET TRUCKING & RENTING niet ontvankelijk verklaard omdat uit de stavingstukken bleek dat "niet deze firma doch de N.V. HOET TRUCKING AND RENTING de werkelijke eigenaar is van de vier opleggers en dat het ook deze firma is die in het verzekeringscontract als eigenares wordt aangeduid". Deze rechter stelde bovendien "daar deze laatste firma (lees: N.V. TURBO'S HOET TRUCKING AND RENTING) geen huurovereenkomst afsloot met verweerders is haar vordering niet ontvankelijk bij gebreke aan enige contractuele band". 1.
- Met haar verzoekschrift strekkende tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 22 juli 2004, stelde de N.V. HOET TRUCKING & RENTING een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in tegen dit vonnis van 3 juni
- De zaak werd behandeld op de zitting van 27 september 2005
- De eisen in hoger beroep 2.
- Appellante, de N.V. HOET TRUCKING & RENTING, verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en zodoende haar oorspronkelijke vordering tegen de verzekeraars, geïntimeerden, ontvankelijk en gegrond te verklaren en hen te veroordelen tot betaling van ieder hun aandeel onder de polis, zijnde - Fortis Corporate Insurance N.V. EUR 6.752,92 - Erasmus Verzekeringen B.V. EUR 9.647,02 - Eagle Star Reinsurance Company Ltd. EUR 4.823,51 - Royal & Sun Alliance Verzekeringen N.V. EUR 3.858,81 - Gerling Service Nederland N.V. EUR 2.894,11 - Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. EUR 2.894,11 - Nederlandse Assuradeuren Groep B.V. EUR 2.894,11 - Nationale Nederlanden- Schadeverzekering Maatschappij N.V. EUR 2.894,11 - Aegon Schadeverzekering N.V. EUR 1.929,40 telkens te vermeerderen met de interesten vanaf 27 mei 1998, minstens vanaf 3 december 1998 2.
- Geïntimeerden besluiten tot de nietigheid, niet-toelaatbaarheid, de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep
- Beoordeling a. de regelmatigheid van het ingestelde hoger beroep en de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering
- De door geïntimeerden ingeroepen onontvankelijkheid gebaseerd op een verkeerde vermelding van de maatschappelijke benaming van appellante, is gesteund op art. 702 en 703, 2°lid Ger.W., waarbij vastgesteld wordt dat alle andere vermeldingen m.b.t. de identiteit van appellante als rechtspersoon, zoals de maatschappelijke zetel, de inschrijving in het handelsregister te Kortrijk en de vennootschapsvorm, juist en waarheidsgetrouw zijn. De door art. 861 Ge.W. voorgeschreven belangenschade in hoofde van geïntimeerden - zonder dewelke geen nietigheid van een proceshandeling op grond van een onregelmatigheid kan worden uitgesproken - kan in casu niet worden vastgesteld op grond van een onregelmatigheid in de weergave van de maatschappelijke benaming van oorspronkelijk eiseres, die enkel bestaat uit de foutieve toevoeging van het woord "turbo". Deze belangenschade is onbestaande nu in tegenstelling tot wat de eerste rechter stelde, op grond van de gegevens van de kruispuntbank, het bewijs wordt geleverd dat een N.V. TURBO'S HOET TRUCKING & RENTING niet bestaat zodat er in hoofde van geïntimeerden geen vergissing kon hebben bestaan met betrekking tot de identiteit van hun wederpartij. Dit blijkt tevens uit het procesgedrag van geïntimeerden in de door appellante gevoerde kort gedingprocedure tot overlegging van de identiteit van de onderscheidene verzekeraars, waar dezelfde onregelmatigheid in de maatschappelijke benaming van appellante voorkwam doch voor geïntimeerden geen aanleiding was om alsdan dezelfde exceptie op te werpen. Ten overvloede blijkt uit de tussen partijen gevoerde briefwisseling m.b.t. de identiteit van de verzekeraars dat geïntimeerden niet dwaalden over de identiteit van de rechtspersoon die hen in rechte aansprak onder de door hen onderschreven verzekeringspolis, zodat de exceptie van onontvankelijkheid van de vordering faalt, behalve t.a.v. 7de geïntimeerde om reden zoals hierna uiteengezet. Om dezelfde redenen behoort het ook de exceptie van nietigheid, niet toelaatbaarheid en onontvankelijkheid van het hoger beroep, gesteund op hetzelfde middel, af te wijzen.
- Terecht werpen geïntimeerden de onontvankelijkheid van de vordering op ten aanzien van de Nederlandse Assuradeuren groep B.V. die de hoedanigheid van verzekeringsmakelaar heeft en niet van verzekeraar zoals ondubbelzinnig blijkt uit de "verzekeraarsverdeling" opgegeven door verzekeringsmakelaar Concordia - Van Dessel - Holland op 26 augustus 1999 naar aanleiding van de hiertoe opgestarte kort gedingprocedure. Deze verzekeraarsverdeling bevatte bovendien het detail van de onderschrijving door de verzekeraars (7,5%) namens dewelke deze verzekeringsmakelaar optrad, zodat appellante, bij gebrek aan enig bewijs van mandaat van deze makelaar om in rechte de verzekeraars te vertegenwoordigen, behoorde en ook in staat was deze verzekeraars in het geding te betrekken wat zij echter naliet. In zoverre de vordering gesteld is tegen de Nederlandse Assuradeuren groep B.V.(7de geïntimeerde), komt deze onontvankelijk voor en is de vordering slechts ontvankelijk tot beloop van 92,5% van de verzekeringsonderschrijving. b. toepasselijke wet Artikel 9.6 van de "CTC 001-96 voorwaarden cascoverzekering voor trailers container e.d." aangehecht aan de kwestieuze polis nr. 0077.96 bepaalt dat, tenzij anders overeengekomen, de verzekering gesloten is naar Nederlands recht. Geïntimeerden stellen dat op basis van deze bepaling het Nederlandse recht van toepassing is. Zij stellen dat de polis werd afgesloten in Rotterdam, op de Nederlandse Verzekeringsbeurs bij Nederlandse verzekeringsmaatschappijen en de risico's niet enkel in België gelegen zijn vermits volgens de covernote als dekkingsgebied "Europa" werd opgegeven zodat er geen enkel verband met België bestaat. Art. 28ter ,§1 alinea 1 van de wet van 9 juli 1975 (wet betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, hierna genoemd, Controlewet) bepaalt dat wanneer de overeenkomst betrekking heeft op in België gelegen risico's en wanneer de verzekeringnemer er zijn gewone verblijfplaats of zijn hoofdbestuur heeft, het toepasselijke recht het Belgische recht is, niettegenstaande elk tegenstrijdig beding. Op basis van art. 2, ,§6, 8°, c van de Controlewet is bij verzekeringen die betrekking hebben op voertuigen, de lidstaat van registratie van de voertuigen, de lidstaat waar het risico gelegen is. De verzekeringnemer zijnde de BVBA A & A Transport is een Belgische firma met adres Van Brouckhovenstraat 14 te Beveren Waas. De kwestieuze voertuigen blijken volgens de stukken 1 tot 4 van het bundel van appellante allen ingeschreven te zijn in België. Gelet op het dwingend karakter van art. 28 van de Controlewet, dient derhalve besloten te worden dat op onderhavig geschil het Belgische recht van toepassing is, niettegenstaande het Nederlandse recht conventioneel in de polis is bedongen. c. uitkering onder de verzekeringspolis
- Appellante baseert haar eis op basis van het "rechtstreeks vorderingsrecht" dat haar krachtens artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomsten (WLVO) zou toekomen als "benadeelde" onder een aansprakelijkheidsverzekering. Artikel 1, littera D WLVO bepaalt dat onder "benadeelde" dient te worden verstaan "in een aansprakelijkheidsverzekering, diegene aan wie schade is toegebracht waarvoor de verzekerde aansprakelijk is". Deze benadeelde heeft een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar (art. 86 WLVO) en de excepties, de nietigheid en het verval van recht voortvloeiend uit de wet of de overeenkomst en die hun oorzaak vinden in een feit dat zich vóór of na het schadegeval heeft voorgedaan, kunnen aan deze benadeelde niet worden tegengeworpen (art. 87 WLVO). In casu werd een zaakverzekering afgesloten op de voertuigen zodat appellante niet als "benadeelde" in de zin van art. 86 e.v. WLVO kan gekwalificeerd worden en om deze reden niet beschikt over een rechtstreeks vorderingsrecht tegen de verzekeraar.
- Appellante stelt haar vordering als "eigenaar-begunstigde" onder de polis. De hoedanigheid van de BVBA A & A Transport onder de polis als verzekeringnemer en verzekerde wordt niet door appellante betwist. Geïntimeerden verwijzen in conclusies naar de clausule leasing in de polis. De covernote van 12 november 1996 verwijst naar een "lease clausule" waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld: "het is de verzekeraars bekend dat de verzekerde objecten eigendom zijn van "Hoet Trucking & Renting N.V." te Hooglede e.e.a. als omschreven in de clausule "Leasing". Betreffende deze clausule blijkt geen aanhangsel onder de polis te bestaan (fax van makelaar CONCORDIA aan raadsman van appellante van 10 september 1999, stuk 35 bundel appellante) en de inhoud van de clausule leasing wordt ook in huidige procedure niet door partijen voorgelegd. Uit de conclusie van geïntimeerden, neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 november 2004 op bladzijde 3 bovenaan, alsook uit een faxbericht van Concordia -Van Dessel-Holland van 27 november 1998 aan appellante blijkt dat deze clausule zou inhouden dat "elke vergoeding verschuldigd uit hoofde van de verzekeringspolis uitsluitend aan Hoet Trucking & Renting dient te worden betaald". De inhoud van deze clausule beantwoordt ook aan de omschrijving van het begrip "begunstigde" onder art. 1 littera C WLVO namelijk "diegene in wiens voordeel verzekeringsprestaties bedongen zijn". Appellante betwist in conclusies deze inhoud van de leasingclausule ook niet zodat het Hof bij haar beoordeling rekening houdt met deze niet-betwiste inhoud van de lease clausule. Besloten dient te worden dat de B.V.B.A. A & A Transport als verzekeringnemer en als verzekerde een verzekering heeft gesloten voor de door haar geleasde voertuigen, waarvoor zij conform de huurcontracten als houder van het materiaal aansprakelijk was (art. 11 huurcontract). De B.V.B.A. A & A Transport is op het ogenblik van de contractsluiting overeengekomen met haar verzekeraar dat een derde, in casu appellante, aanspraak kan maken op de door de verzekering geboden voordelen (art. 22 WLVO).
- Het verweer van geïntimeerden heeft betrekking op het feit dat de B.V.B.A. A & A Transport opzettelijk de schade namelijk d.m.v. diefstal heeft veroorzaakt en dat de B.V.B.A. A & A Transport opzettelijk geen aangifte heeft gedaan van de diefstal. Geïntimeerden verwijzen desbetreffend naar art. 6 van de CTC 001-96 voorwaarden. Art. 6.1 sluit de schade die de verzekerde opzettelijk, d.w.z. met moedwil, heeft veroorzaakt uit en art. 6.4 sluit de schade uit waaromtrent de verzekerde één van de in de art. 8.
- (i.e. schademelding) vermelde verplichtingen niet is nagekomen, waardoor de belangen van de verzekeraars zijn geschaad. Geïntimeerden verwijzen tevens naar artikel 21 ,§2 WLVO dat stelt dat de verzekeraar dekking kan weigeren indien de verzekerde de verplichtingen m.b.t. onder meer de tijdige aangifte van het schadegeval met bedrieglijk opzet niet is nagekomen. De geldigheid van de contractuele bepalingen van de polis wordt door partijen niet betwist.
- Wat de aangifte van het schadegeval betreft roept appellante in dat zij zelf aangifte van de diefstal heeft gedaan op 27 juli 1998 doch hiertegen werpen geïntimeerden terecht op dat de begunstigde zich niet in de plaats van de verzekerde kan stellen om de voorwaarden van de polis, m.n. een tijdige aangifte te doen van het schadegeval, na te komen. De verzekeraar kan de grenzen en beperkingen van het verzekeringscontract tegenstellen aan de derde-begunstigde. De niet-aangifte van het schadegeval met inbegrip van het opzettelijk karakter hiervan alsook de opzettelijke verdwijning van de verzekerde goederen dienen beoordeeld te worden in het kader van de gedragingen van de B.V.B.A. A & A Transport en niet in deze van appellante als begunstigde. De begunstigde nl. appellante wordt immers geen partij bij de hoofdovereenkomst, waarin het beding te haren gunste is opgenomen. Er moet zodoende geacht worden dat conform de bepalingen van de polis er nooit een geldige aangifte van het schadegeval geweest is. Zowel m.b.t. de aangifteplicht als m.b.t. het schadegeval kunnen verzekeraars dekking weigeren indien opzet in hoofde van B.V.B.A. A & A Transport aangetoond wordt. De bewijslast hiertoe rust op geïntimeerden.
- Uit enerzijds de samenlezing van het strafdossier en het éénzijdig verslag van B.V.B.A. Wim Dekeyser, waarmede het Hof ten titel van inlichting rekening houdt, en anderzijds de samenlopende gedragingen van B.V.B.A. A & A Transport leidt het Hof af dat er ernstige en samenlopende vermoedens bestaan die aannemelijk maken dat er in casu daadwerkelijk sprake is van moedwillige veroorzaking van de schade en van niet aangifte van het schadegeval met bedrieglijk opzet. Een handelsvennootschap, zoals B.V.B.A. A & A Transport, die als professioneel vervoerder opleggers huurt moet - op het ogenblik van de verdwijning van vier gehuurde opleggers - geacht worden hiervan aangifte te doen bij de autoriteiten alsook het passende gedrag te vertonen als contractpartij ten overstaan van de eigenaar waarvan zij de opleggers huurt. Vastgesteld wordt dat B.V.B.A. A & A Transport nochtans (i) geen aangifte heeft gedaan van de verdwijning van de opleggers bij de politie, (ii) als huurster van deze opleggers appellante hiervan niet verwittigde, (iii) voordien reeds in gebreke bleek haar huurbetalingen m.b.t. deze opleggers na te komen, (iv) nagelaten heeft de verzekeringspremies te betalen en (v) kort voor de verdwijning blijkens aanhangsel III aan de polis en zonder appellante hiervan in kennis te hebben gesteld, melding heeft gemaakt van de beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten. Al deze hierboven vermelde omstandigheden zijn toerekenbaar aan de rechtspersoon B.V.B.A. A & A Transport zodat het verweer dat enkel de heer SPENTZOS als zaakvoerder hiervoor aansprakelijk zou zijn, faalt. Bovendien wordt de onregelmatigheid van het optreden van deze rechtspersoon versterkt door de verdwijning van haar zaakvoerder, dhr. SPENTZOS, die ambtelijk werd afgeschreven en onvindbaar is, terwijl uit het strafdossier eveneens blijkt dat zijn woonplaats slechts een postadres betrof waar hij nooit aan te treffen was. Afdoende bewezen is derhalve dat B.V.B.A. A & A Transport betrokken is bij een grootschalige zwendel waarbij zij zich, ook in het verleden, reeds veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan de praktijk opleggers en trekkers te huren om deze nadien te doen verdwijnen zodat het verlies van de opleggers terug te brengen is tot een verdwijning waaraan A & A Transport deelachtig was en zij derhalve moet geacht worden moedwillig de schade te hebben veroorzaakt, die onder de polis werd verzekerd. Ten overvloede staat vast dat B.V.B.A. A & A Transport geen aangifte verrichtte van het schadegeval bij geïntimeerden, op grond waarvan gelet op de voorgaande overwegingen, geoordeeld wordt dat deze niet-aangifte geschraagd is door een bedrieglijk opzet zoals vereist door art. 21 ,§ 2 WLVO. Gelet op de toepasselijkheid van art. 21, ,§ 2 WLVO is het niet vereist dat geïntimeerden nog het oorzakelijke verband aantonen tussen de tekortkoming en de schade, zoals wel vereist wordt voor de contractuele uitsluitingen (art. 6 polis en art. 11 WLVO). Het Hof besluit tot de ongegrondheid van de eis van appellante ten aanzien van geïntimeerden, behoudens ten aanzien van de Nederlandse Assuradeuren Groep B.V. ten opzichte van wie de vordering van appellante niet toelaatbaar was. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis als volgt: Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante, de N.V. HOET TRUCKING & RENTING toelaatbaar ten aanzien van de Nederlandse Assuradeuren Groep B.V. Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante, de N.V. HOET TRUCKING & RENTING toelaatbaar ten aanzien van Fortis Corporate Insurance N.V., Erasmus Verzekeringen B.V. , Eagle Star Reinsurance Company Ltd., Royal & Sun Alliance Verzekering N.V., Gerling Service Nederland N.V., Delta Lloyd Schadeverzekering N.V., Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. en Aegon Schadeverzekering N.V. doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis m.b.t. de kosten van het geding. Verwijst appellante in de kosten van hoger beroep begroot aan de zijde van geïntimeerden volgens opgave in conclusie op EUR 475,96 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051116.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div