id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051116.2 Rolnummer: 2004AR2627 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-08 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche
- Het bewijs van een aquiliaanse fout van de Belg. Staat door het uitvaardigen van een onwettig Koninklijk besluit wordt geleverd door het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State dat dit besluit heeft vernietigd wegens schending van een substantiële vormvereiste.
- Er is oorzakelijk verband tussen de aquiliaanse fout van de Belg. Staat door het uitvaardigen van een onwettig Koninklijk besluit en de schade van de burger die tot nakoming van dat besluit uitgaven heeft gedaan en een redelijke verwachting op een inkomen zag verloren gaan, wanneer die schade niet zou zijn ontstaan zonder die fout. Vrije woorden: Burgerlijke aansprakelijkheid - fout van de Belg. Staat door onwettig besluit bewijs schadeloosstellingsplicht(KB 3.5.99 - veiligheidscoördinatoren) Tekst van de beslissing HET HOF,
- Wat voorafgaat. 1.
- In een dagvaarding van 6 april 2001 heeft de b.v.b.a. Sibbex uiteengezet dat haar zaakvoerder ir. Marc Van Den Branden zich heeft toegelegd op de beroepsmatige uitoefening van de functie van "veiligheidscoördinator" zoals deze functie is ingericht door de wet op de veiligheidscoördinaten voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen en door het uitvoeringsbesluit van 3 mei
- Hij zou daarvoor meerdere uitgaven hebben gedaan, opleidingen hebben gevolgd, offertes hebben ingediend en contracten hebben gesloten. De Raad van State heeft echter bij arrest van 16 december 1999 het uitvoeringsbesluit van 3 mei 1999 vernietigd. Volgens de b.v.b.a. Sibbex geschiedde deze vernietiging op grond van fouten begaan door de Belgische Staat, met name omdat de motivering van de dringende noodzakelijkheid, nodig om het besluit van kracht te laten worden zonder voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, niet deugdelijk werd bevonden. Zij hield voor daardoor schade geleden te hebben omdat haar zaakvoerder de activiteiten van veiligheidscoördinator niet heeft kunnen uitoefenen totdat een nieuw uitvoeringsbesluit van 25 januari 2001 van kracht werd. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 16 februari 2004 heeft de oorspronkelijke eis van de b.v.b.a. Sibbex gedeeltelijk gegrond verklaard door de Belgische Staat te veroordelen tot de betaling van een som van EUR 2 500, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 10 augustus 2000 en met de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. 1.
- De Belgische Staat, hierna appellant genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 24 september
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 11 oktober
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellant vordert dat de eis van de b.v.b.a. Sibbex bij hervorming van het beroepen vonnis onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard en laatstgenoemde zou verwezen worden in alle gedingkosten. 2.
- De b.v.b.a. Sibbex, hierna geïntimeerde genoemd, verzoekt de afwijzing van het hoger beroep van appellant. Zij heeft zelf incidenteel beroep, ingesteld en vordert appellant bij hervorming van het beroepen vonnis te veroordelen tot de betaling van een som van EUR 50 105,48, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 10 augustus 2000, de gerechtelijke interesten en alle gedingkosten.
- De beoordeling. 3.
- De toelaatbaarheid van de oorspronkelijke eis van geïntimeerde. 3.1.
- Appellant voert aan dat krachtens het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende tijdelijke en mobiele bouwplaatsen slechts natuurlijke personen de functie van veiligheidscoördinator kunnen uitoefenen. Volgens appellant kan door een eventuele fout, begaan n.a.v. dit koninklijk besluit enkel schade ontstaan zijn bij die natuurlijke personen die krachtens het koninklijk besluit de functie van veiligheidscoördinator konden uitoefenen. Hij besluit dat geïntimeerde als rechtspersoon die schade niet kan geleden hebben. Appellant betwist niet dat rechtspersonen, die veiligheidscoördinatoren tewerkstellen of personeel ter beschikking stellen van veiligheidscoördinatoren, het vereiste belang en de hoedanigheid zouden kunnen hebben om een eis, zoals onderhavige, in te dienen doch voert aan dat geïntimeerde niet heeft aangetoond zo'n rechtspersoon te zijn. Hij besluit dat de eis van geïntimeerde ontoelaatbaar is bij gebrek aan belang en hoedanigheid. 3.1.
- Uit de bewoordingen van de dagvaarding van 6 april 2001 blijkt dat geïntimeerde heeft voorgehouden dat haar zaakvoerder ir. M. Van Den Branden zich heeft toegelegd op de beroepsmatige uitoefening van de functie van veiligheidscoördinator. Geïntimeerde heeft aldus voorgehouden dat ir. M. Van Den Branden de functie van veiligheidscoördinator beoogde te vervullen in het administratief en financieel kader van geïntimeerde als rechtspersoon. Het feit dat haar zaakvoerder door de beweerde fout van appellant de activiteiten van veiligheidscoördinator niet heeft kunnen aanvatten op het verhoopte tijdstip, heeft geïntimeerde aangewezen als oorzaak van haar schade. Aldus heeft geïntimeerde het dadelijk en reeds verkregen belang aangewezen om haar eis in te dienen. Zij bezit tevens de hoedanigheid om vergoeding te vorderen van de schade die ze zelf beweert geleden te hebben. Haar eis werd in eerste aanleg terecht toelaatbaar verklaard. De kwestie of zij wel schade heeft geleden, die appellant opwerpt door voor te houden dat ir. M. Van Den Branden niet aan de vereisten voldeed om de functie van veiligheidscoördinator uit te oefenen, behoort tot de grond van de betwisting en doet niet af aan de toelaatbaarheid van de ingediende eis. 3.
- De aquiliaanse fout van appellant . 3.2.
- Geïntimeerde legt een aquiliaanse fout van appellant ten laste van haar eis tot schadeloosstelling (art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek). Appellant beging, volgens geïntimeerde, een fout door bij het uitvaardigen van het (reglementair) koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de tijdelijke en mobiele bouwplaatsen geen voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State in te winnen. Appellant zou deze wettelijke raadplegingsplicht, vermeld in art. 3, ,§1, 1ste lid Raad van State-wet, hebben miskend door ten onrechte gebruik te willen maken van de in datzelfde wetsartikel vermelde uitzondering van het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid. Appellant betwist niet dat geen voorafgaand advies werd gevraagd aan de Raad van State. Hij houdt evenwel voor dat het slechts ging om de schending van een vormvereiste waarop geen eis tot schadeloosstelling kan worden gesteund. 3.2.
- Geïntimeerde toont aan dat de Raad van State het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen (B.S. 11 mei 1999) en het koninklijk besluit van 4 augustus 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 (B.S. 14 augustus 1999) bij arrest nr. 84.150 van 16 december 1999 heeft vernietigd. De vernietigingsgrond werd als volgt omschreven: "... dat daaruit volgt dat de motivering van de dringende noodzakelijkheid in het bestreden besluit niet deugdelijk is en niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3, ,§1, 1ste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het niet inwinnen van het advies van de laatstgenoemde de rechtmatigheid aantast van de bestreden regelgeving omdat niet is voldaan aan een substantieel vormvereiste; dat het middel dus kennelijk gegrond is in zoverre het ontleend wordt aan schending van de genoemde wetsbepaling; ...". Geïntimeerde heeft aan haar bewijslast van de door haar aangevoerde aquiliaanse fout van appellant voldaan door middel van de werking van het gezag van gewijsde erga omnes van het voormelde vernietigingsarrest en de regel van de eenheid tussen "fout" en "onwettigheid" . Daaraan wordt niet afgedaan door de aard van de bewezen fout, met name het verzuim van naleving van een wettelijk, substantiële vormvereiste. Appellant bewijst daarentegen niet dat zijn aansprakelijkheid ontheven is door een of andere rechtvaardigingsgrond. Hij houdt niet voor dat de fout in kwestie hem niet toerekenbaar is. De omstandigheid dat appellant, naar hij zegt: "... zo spoedig mogelijk en met terugwerkende kracht..", een nieuw koninklijk besluit heeft uitgevaardigd doet niet af aan de voormelde vaststelling van zijn fout. Hoogstens kan dit feit weerslag hebben gehad op de (eventuele) schadelijke gevolgen van zijn fout. 3.
- De schade van geïntimeerde. 3.3.
- Geïntimeerde draagt het bewijs van haar beweerde schade. Appellant betwist dat geïntimeerde aan haar bewijslast zou voldoen. Volgens appellant heeft geïntimeerde niet voldoende aangetoond dat zij in de periode vanaf het vernietigde koninklijk besluit tot het van kracht worden van het gerepareerde koninklijk besluit, een veiligheidscoördinator tewerkstelde of personeel ter beschikking stelde van een veiligheidscoördinator. Geïntimeerde levert nochtans het bewijs dat haar zaakvoerder ir. M. V. D. B. in het bezit was van alle vereiste kwalificaties voor de uitoefening van de functie van veiligheidscoördinator overeenkomstig "Afd. VII Voorwaarden voor de uitoefening van de functie van coördinator" van het koninklijk besluit van 3 mei
- Ir. M. V. D. B. behaalde het diploma van burgerlijk ingenieur in de burgerlijke bouwkunde en was beroepshalve gedurende 25 jaar actief als projectleider van bouwwerken in een aannemersbedrijf en een chemisch bedrijf, en leidde het studiebureau Sibbex, geïntimeerde, op het vlak van projectmanagement en bouwcoördinatie. De wet heeft geen andere specifieke erkenningscriteria opgelegd. Er wordt bovendien aangetoond dat hij zich bijzonder heeft toegelegd op de nieuwe functie, met name (o.a.) door als lesgever mee te werken aan initiatieven tot voorlichting van professionelen over de toepassing van het koninklijk besluit in kwestie (UA studieavond 13 september 1999). Vermits ir. M. V. D. B. zijn professionele activiteit als veiligheidscoördinator uitoefent in het administratief en financieel kader van geïntimeerde, is het aan te nemen dat de inkomsten die uit die activiteit zouden voortgekomen zijn, ook in het patrimonium van geïntimeerde zouden terecht gekomen zijn. De onmogelijkheid om deze functie uit te oefenen kan dan ook een negatieve weerslag door inkomstenderving hebben gehad op de vermogenstoestand van geïntimeerde. Appellant levert daarvan geen tegenbewijs door te verwijzen naar de brief van geïntimeerde van 11 november 1999 aan de Christelijke Mutualiteiten. Daaruit blijkt enkel dat geïntimeerde in het vooruitzicht stelt dat haar studiebureau zal versterkt worden met een medewerker die voldoet aan de vereisten van het koninklijk besluit van 3 mei 1999, terwijl tegelijk wordt bevestigd dat de ondertekende ir. M. V. D. B. ook zichzelf als veiligheidscoördinator aanbiedt. 3.3.
- Geïntimeerde voert aan dat zij kosten en tijd heeft besteed aan de uitermate uitgebreide voorbereiding van de uitoefening van het beroep van "veiligheidscoördinator" door haar zaakvoerder ir. M. V. D. B., en dat zij haar activiteiten heeft geheroriënteerd op deze nieuwe discipline. Zij laat gelden dat deze investering, nochtans gesteund op haar rechtmatige verwachting gewekt door het koninklijk besluit van 3 mei 1999, geen resultaten opleverde in de periode van 16 december 1999 tot 7 februari 2001 en daardoor verwekte schade voor vergoeding in aanmerking komt. De aldus, volgens haar, nutteloos gemaakte kosten begroot zij op EUR 31 513,46 (1.271.250,- : 40,3399). Zij raamt de winstderving voor de periode van 14 maanden, waarin haar zaakvoerder de functie van veiligheidscoördinator niet heeft kunnen uitvoeren op EUR 18 592,01 (750.000,- : 40,3399). Zij vordert bij incidenteel beroep de veroordeling van appellante tot de betaling van EUR 31 513,46 + 18 592,01 = EUR 50 105,47 (in hoofdsom vermeerderd met de rente). 3.3.
- Door de stukken van geïntimeerde m.b.t. de bijdrage die haar zaakvoerder geleverd heeft voor de informatie en opleiding van de beroepssector (studieavond UA 13 september 1999 stuk A1, ontwerp van veiligheidsplan stuk A1, vormingsaanbod VIK stuk B6, brief aan NAVB stuk B9 van geïntimeerde) toont geïntimeerde afdoende aan dat haar zaakvoerder zich door studie en voorbereiding vertrouwd had gemaakt met de vereisten van de nieuwe discipline van veiligheidscoördinator. Onvermijdelijk heeft dit kosten veroorzaakt en tijd gekost, die niet aan andere activiteiten konden worden besteed en derhalve een weerslag hebben gehad op de opbrengsten die geïntimeerde van de voordien ontplooide activiteiten van haar zaakvoerder mocht verwachten. Deze investering heeft dan ook nog geen onmiddellijk rendement opgeleverd in de periode vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 3 mei
- Daaraan staat evenwel niet in de weg, zoals de eerste rechter terecht opmerkte, dat deze investering wel ten volle is kunnen gaan renderen vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 januari
- Het verlies van de investering van geïntimeerde is dan ook enkel wat de kosten van opleiding betreft aangetoond ten belope van de vertraging van de rendabiliteit van deze investering en van het gedeeltelijk nutteloos worden van de wervingsinspanning, met name het zich kenbaar maken in de sector (publiciteit) wat in zeker mate opnieuw moest worden gedaan na het koninklijk besluit van 25 januari
- Geïntimeerde vordert tevens vergoeding van het rechtstreeks verlies van contracten, die zij toegewezen kreeg doch niet kon volbrengen of die zij normaliter toegewezen zou gekregen hebben, wat evenwel niet geschiedde. Geïntimeerde bewijst slechts dat er een opdracht als veiligheidscoördinator aan haar zaakvoerder ir. M. V. D. B. werkelijk werd toegewezen in volgende gevallen: - opdracht van architect M. (werf Ceuppens-Folbroeck stuk B15 B18) - opdracht van architect M. (werf Botermelkbaan 12 stuk B16) - verbouwing aan school te Vremde (stuk B38). Appellante werpt op dat geïntimeerde niet bewijst naar aanleiding van deze contracten enig verlies geleden te hebben. Er wordt inderdaad vastgesteld dat geïntimeerde niet afdoende aantoont dat deze contracten voortijdig werden beëindigd door de opdrachtgever. Desbetreffend staat de beweerde schade niet vast. Voor het overige brengt geïntimeerde meerdere offertes voor waarvan beweerd wordt dat daaraan geen gevolg werd gegeven omwille van het vernietigingsarrest van 3 mei
- Slechts ten aanzien van een offerte aan de Provincie Oost-Vlaanderen (stuk B47) en van de Hogeschool Antwerpen (stuk B48) blijkt dat evenwel uitdrukkelijk. Rekening houdend met de positionering van geïntimeerde op de nieuwe markt van de veiligheidscoördinatie komt het evenwel als zeker voor dat laatstgenoemde minstens enkele van de opdrachten waarvoor zij offertes indiende, zou toegewezen gekregen hebben. Nu dit niet geschiedde is het vaststaand dat geïntimeerde daardoor een winstverlies geleden heeft. Zij heeft dit verlies redelijkerwijze niet kunnen compenseren door de voorzetting van haar vroegere bezigheden, die zij door de nieuwe oriëntatie van haar activiteiten noodzakelijk heeft moeten terugschroeven. Noch de omstandigheid dat de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onverminderd van kracht bleef niettegenstaande de vernietiging van het uitvoeringsbesluit van 3 mei 1999, noch de inwerkingtreding met terugwerkende kracht van het koninklijk besluit van 25 januari 2001 hebben invloed gehad op de door geïntimeerde geleden schade. In de periode na het vernietigingsarrest bestonden de wettelijke voorwaarden tot uitoefening van de functie van veiligheidscoördinator niet meer zodat de markt van de veiligheidscoördinatieopdrachten de facto opgeheven was. Zowel de in zekere mate en in beperkte tijd vruchteloos gebleven uitgaven als het verlies van contracten waarvan er noodzakelijkerwijze minstens enkele aan geïntimeerde toegewezen zouden geworden zijn, vormen een schade die cijfermatig niet exact aantoonbaar is. De eerste rechter heeft dan ook terecht een schaderaming ex aequo et bono gehanteerd. Geïntimeerde meent dat deze raming tekort komt om te kunnen strekken tot integrale schadeloosstelling. Het door haar gevorderde bedrag van EUR 50 105,48 (hoofdsom) lijkt echter eerder te slaan op een omzetverlies, waarvan niet alleen de omvang niet bewezen is maar waarvan evenmin is aangetoond tot welk werkelijk verlies dit aanleiding heeft gegeven. Rekening houdend met de door geïntimeerde in rekening gebrachte periode tot aan de ingebrekestelling van 10 augustus 2000, het aantal bewezen offertes en kandidaatstellingen (meer dan 10) en de kostprijs en de rentabiliteit van de verloren opdrachten komt het door de eerste rechter geraamde bedrag voor het Hof te gering voor. Ex aequo et bono strekt slechts een som van EUR 7 500 tot integrale schadeloosstelling. 3.
- Het oorzakelijk verband. Appellant betwist dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen zijn fout en de schade van geïntimeerde. Zonder de voormelde fout van appellant, die leidde tot de vernietiging van het koninklijk besluit van 3 mei 1999, zou de schade van geïntimeerde zich nochtans niet hebben voorgedaan zoals dat thans in concreto het geval is geweest. In dat geval zou geïntimeerde immers haar activiteit op het vlak van de veiligheidscoördinatie normaal verder tot ontwikkeling hebben kunnen brengen en daar ook reeds in de voormelde periode de vruchten hebben van kunnen plukken. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant toelaatbaar doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis. Veroordeelt appellant tot de betaling aan geïntimeerde van de som van EUR 7 500, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 10 augustus 2000 en met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de gehele betaling. Verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van EUR 475,
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051116.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.