id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051123.1 Rolnummer: 2003AR3126 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-27 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 05:29 Fiche Het vereenvoudigd fiscaal beslag onder derden dat in toepassing van art. 164 KB/WIB 92 wordt gelegd, vindt geen plaats op het ogenblik van afgifte van aan de postdiensten, maar op het ogenblik dat het aan de bestemmeling wordt afgeleverd, of aan diens woonplaats wordt aangeboden. Deze moet er immers kennis van krijgen of er minsten kennis van kunnen nemen. Het volstaat dus niet dat de fiscus bewijst dat de aangetekende zending aan de postdiensten werd afgeleverd. Hij draagt de bewijslast dat de zending ook daadwerkelijk aan de bestemmeling werd afgeleverd of aan dienst woonplaats werd aangeboden. Vrije woorden:
- Vereenvoudigd fiscaal beslag onder derden art. 164 KB/WIB 92 bewijslast aangetekende zending afgifte aan de postdiensten of aanbieding bij de bestemmeling door de postdiensten
- Aangetekende zending bewijslast - afgifte aan de postdiensten volstaat niet verzender moet aantonen dat de zending aan de bestemmeling werd afgeleverd of aan diens woonplaats werd aangeboden Tekst van de beslissing HET HOF, Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, waarvan geen akte-betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 09.12.2003, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld; Overwegende dat het hoger beroep ertoe strekt, bij hervorming van de bestreden beschikking, geïntimeerdes vordering tot derdeschuldernaarsverklaring van appellante ongegrond te verklaren; Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en bevestiging van de bestreden beschikking; Overwegende dat de heer S.C. en zijn echtgenote M. V. een totaal bedrag van meer dan 3,5 miljoen euro aan personenbelasting verschuldigd zijn voor de aanslagjaren 1975, 1977, 1978 en 1979; dat geïntimeerde bij aangetekend schrijven, afgegeven op de postdiensten op 18.09.2002, in toepassing van art. 164 KB/WIB 92 een vereenvoudigd fiscaal beslag onder derden verzond aan appellante, waarvan de heer C. medeoprichter en afgevaardigd bestuurder is en mevrouw V. onbezoldigd bestuurder; dat appellante steeds formeel heeft voorgehouden deze zending niet ontvangen te hebben; dat zij dan ook geen verklaring van derde-beslagene deed en geïntimeerde op 05.06.2003 overging tot dagvaarding voor de eerste rechter die, bij de bestreden beschikking, appellante persoonlijk schuldenaar verklaarde voor de oorzaak van het voormelde fiscaal beslag en haar veroordeelde tot betaling van EUR 3.657.838,99, meer de gerechtelijke intresten vanaf 01.07.2003; Overwegende dat appellante ab initio formeel betwist heeft de voormelde op 18.09.2002 aan de postdiensten afgegeven zending, houdende fiscaal beslag onder derden, ontvangen te hebben; dat het uitsluitend aan geïntimeerde behoort het bewijs te leveren dat het beslag, volgens de voorschriften en tijdig ter kennis gebracht werd van appellante (Actori incumbit probatio); Dat geïntimeerde ten onrechte voorhoudt dat het volstaat dat hij aantoont de zending afgegeven te hebben aan de postdiensten; dat deze redenering aanhouden mutatis mutandis, zou impliceren dat, ingeval het beslag bij exploot zou plaatsvinden, dit geldig gebeurd zou zijn door het ontwerp over te maken aan de gerechtsdeurwaarder, zonder dat deze daadwerkelijk het beslag ter kennis diende te brengen van de bestemmeling; dat het vanzelf spreekt dat het beslag slechts uitwerking kan hebben indien de derde die belast was met de afgifte ervan, in casu de postdiensten, dit daadwerkelijk ter bestemming heeft afgegeven of minstens heeft aangeboden; dat geïntimeerde dus niet alleen dient te bewijzen dat de kwestieuze zending brief werd afgegeven aan de postdiensten, maar ook dat deze brief door de door haar aangezochte postdiensten daadwerkelijk ter bestemming is aangeboden; dat de postdiensten nu eenmaal niet onfeilbaar zijn en ook aangetekende brieven verloren kunnen gaan; Overwegende dat geïntimeerde ten onrechte voorhoudt dat uit het bewijs van de afgifte aan de postdiensten een vermoeden zou dienen afgeleid dat de zending ter bestemming gekomen is en appellante eventueel het tegenbewijs zou dienen te leveren dat de zending niet ter bestemming is toegekomen; dat appellante dus een negatief bewijs zou dienen te leveren, en bovendien in casu blijkt dat dit onmogelijk is; dat uit het door geïntimeerde voorgelegde schrijven d.d. 25.08.2003 van de postdiensten immers blijkt dat de navraagtermijn van dergelijke zending beperkt is tot zes
(6)maanden te rekenen vanaf de afgifte ervan en de gegevens dienaangaande na deze termijn niet meer beschikbaar zijn; dat dit in casu niet alleen inhoudt dat geïntimeerde niet het bewijs kan leveren dat de zending daadwerkelijk ter bestemming is afgeleverd of aangeboden, maar ook dat appellante niet kan aantonen dat dit niet het geval is; dat in casu dient vastgesteld te worden dat de zending op 18.09.2002 aan de postdiensten werd aangeboden en de gegevens, volgens de uitleg van de postdiensten, slechts tot 19.03.2003 beschikbaar waren; dat geïntimeerde evenwel slechts nadien, op 05.06.2003, overging tot dagvaarding tot derdeschuldenaarsverklaring; dat uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt dat geïntimeerde appellante inmiddels op enige wijze gewezen had op het feit dat deze geen verklaring van derde-beslagene deed; dat appellante dan ook niet in de mogelijkheid was om tijdig navraag te doen bij de postdiensten over wat er met deze zending gebeurd was; dat, voor zover aangenomen dat het bewijs van de afgifte aan de postdiensten een weerlegbaar vermoeden zou uitmaken dat de brief ter bestemming is aangeboden, quod non, in elk geval vaststaat dat appellante in de onmogelijkheid is om dit tegenbewijs te leveren, nu de postdiensten, die door geïntimeerde werden aangezocht, haar gegevens dienaangaande vernietigd hebben vooraleer appellante op de hoogte kon zijn dat er zich dienaangaande een probleem stelde; Overwegende dat overigens kan verwezen worden naar rechtsleer en rechtspraak inzake opzeg, waarbij wordt aangenomen dat die slechts plaatsvindt op het ogenblik dat deze ter kennis van de bestemmeling komt, of wanneer deze er kennis van kan nemen (zie o.m. De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, T. IV, p. 587, n°570; Pauwels en Raes, Bestendig Handboek van Huishuur en Handelshuur, nr. 270 : "... Het is dus niet voldoende dat de opzegging aan de andere partij gegeven wordt ten laatste de dag voor het begin van de opzegtermijn. Ze moet ter kennis van die partij gekomen zijn binnen dezelfde tijd, of die partij moet bij machte geweest zijn er kennis van te nemen; Brussel, 18.11.1896, Pas. 1897, II, p. 184; Cass. 20.09.73, Arr. Cass. 1974, blz. 64: Overwegende dat de ... opzegging (inzake pacht) regelmatig aan de pachter wordt gedaan door de aanbieding aan diens woonst, binnen de in dat artikel bepaalde termijn, van het gerechtsdeurwaardersexploot of van de aangetekende brief waarmede ze wordt ter kennis gebracht."; Cass. 20.03.1947, Arr. Cass. 1947, blz. 87 : "Om uitwerking te hebben moet de door de verhuurder, overeenkomstig artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek gegeven opzegging, in principe, te gepasten tijde ter kennis komen van de huurder."); dat eveneens kan verwezen worden naar de rechtspraak inzake de aanvang van termijnen die beginnen te lopen door een kennisgeving bij gerechtsbrief inzake gerechtelijk recht, waar geoordeeld werd dat deze niet ingaat op het ogenblik van de verzending van de gerechtsbrief, maar op het ogenblik dat de gerechtsbrief door de postdienst ter hand wordt gesteld aan de geadresseerde in persoon of aan diens woonplaats (zie o.m. Arbitragehof 17.12.2003, R.W. 2003-04, 1145 + noot Laenens); Overwegende dat ten overvloede kan opgemerkt worden dat geïntimeerde opdracht gaf aan een derde, de postdiensten, het beslag ter bestemming te brengen bij appellante; dat de post dus optrad als mandataris van geïntimeerde; dat bijgevolg geïntimeerde en niet appellante de gevolgen van een slechte uitvoering van het mandaat dient te dragen; dat de lastgever immers aansprakelijk is voor de handelingen die zijn lasthebber verricht, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid (zie o.m. Kluyskens, Belgisch Burgerlijk Recht, 1952, IV, nr. 526); dat de fouten van de lasthebber moeten worden beschouwd als fouten van de lastgever zelf (zie o.m. De Page, o.c. T. V, nr. 441, 5° en 6°); dat deze fouten dus op zichzelf voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht zijn (Cass. 24.01.1974, Arr. Cass. 1974, p. 576 e.v. met noot W.G.); dat appellante dan ook op geen enkele wijze gehouden kan zijn de nadelige gevolgen van de fout van de postdiensten te dragen en een eventuele fout in de uitvoering van de opdracht een zaak tussen geïntimeerde en de postdiensten is; dat geïntimeerde zich ook niet kan beroepen op vreemde oorzaak, toeval of overmacht (Cass. 24.01.74, Arr. Cass. 1974, p. 576 e.v.+ noot W.G.); dat de daad van een derde voor de schuldenaar immers slechts een vreemde oorzaak is, wanneer deze niet aansprakelijk is voor deze persoon; dat, gezien de fouten van de lasthebber moeten worden beschouwd als fouten van de lastgever zelf (De Page, o.c., T. V, nr. 441, 5° en 6°), zij voor de lastgever geen daad van overmacht kunnen opleveren; dat in dit verband ter illustratie kan verwezen worden naar het feit dat fouten begaan door gerechtsdeurwaarders of advocaten geen overmacht uitmaken voor de mandant (zie o.m. De Puydt P., Aansprakelijkheid van Advocaten en Gerechtsdeurwaarders, p. 130, nr. 153 e.v. en p. 200, nr. 244 e.v.); Overwegende dat gelet op het voorgaande niet aangetoond is dat het voormelde op 18.09.2002 door geïntimeerde aan de postdiensten afgegeven fiscaal beslag onder derden aan appellante werd afgegeven of aangeboden; dat dit beslag dan ook geen uitwerking kan hebben en appellante bijgevolg in de onmogelijkheid was om een verklaring van derde-beslagene te doen; dat zij dan ook niet persoonlijk schuldenaar kan verklaard worden van de oorzaak van dit fiscaal beslag; Overwegende dat het hoger beroep gegrond is en de bestreden beschikking dient hervormd; OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep en verklaart dit gegrond in de hiernabepaalde mate; Doet de bestreden beschikking te niet, behoudens in zoverre deze de vorderingen ontvankelijk verklaart; Opnieuw wijzend; Verklaart geïntimeerdes vorderingen ongegrond en wijst deze af; Verwijst geïntimeerde in de gedingkosten van beide instanties, in hoofde van appellante begroot op EUR 233,03 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en EUR 466,05 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051123.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div