id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051123.2 Rolnummer: 2004AR2229 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-05-08 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 05:30 Fiche - De verzekeringsmakelaar is aansprakelijk wanneer hij als tussenpersoon een fout heeft begaan door zijn opdracht niet te hebben vervuld als een normaal zorgvuldig en redelijke professionele tussenpersoon. - De vermelding op het bericht van wijziging van een 'te verzekeren waarde' die lager ligt dan de 'cataloguswaarde' van het te verzekeren voertuig, terwijl nochtans vaststaat dat de verzekeringsnemer een waarborg wenst op basis van de 'werkelijke waarde' maakt een onzorgvuldigheid van de verzekeraar uit. Vrije woorden: Verzekeringen - verzekeringsmakelaar - aansprakelijkheid - tekortkoming informatieplicht Tekst van de beslissing HET HOF, Feiten en voorgaande
- Dhr. F. kocht op 17 september 1999 een tweedehandswagen van een particulier voor een bedrag van 480.000 BEF hetzij EUR 11.898,
- Het betrof een Mercedes type E200 Diesel met chassisnummer WDB 1241201J059779 en als datum van eerste in verkeerstelling 17 september
- Deze wagen werd via makelaar dhr. BOEL verzekerd bij de N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN onder polisnummer 0067-2020 0647 9761-00, waarin onder meer de dekking diefstal was begrepen. Hiertoe stelde makelaar B. op 20 september 1999 een bericht van wijziging motorrijtuigen op, dat door hem en dhr. F. werd ondertekend. Onder punt 01 "Vervanging van voertuig" werd als "te verzekeren waarde" het bedrag van 790.000 BEF of EUR 19.583,59, exclusief B.T.W., opgegeven en onder punt 06 "Waarborgen" werd als dekking de rubriek "werkelijke waarde" aangekruist. Door de N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN werd het bijvoegsel aan de polis nummer 0067-2020 0647 9761-00 opgesteld, waarin onder de hoofding "beschrijving van het risico" als aangegeven waarde voertuig (zonder B.T.W. ) 790.000 BEF was vermeld en onder de hoofding "waarborgbijzonderheden" als type casco "werkelijke waarde" werd opgegeven.
- Op 27 maart 2001 werd het voertuig gestolen. De N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN schreef op 16 mei 2001 een kwijtschrift uit voor het bedrag van EUR 7.866,33 . De waarde van de gestolen wagen op datum van diefstal werd bepaald op het bedrag van 335.000 BEF (excl. B.T.W.) hetzij EUR 8.304,
- Op dit bedrag werd de evenredigheidsregel toegepast vermits de nieuwwaarde van de wagen 975.773 BEF hetzij EUR 24.188,78 bedroeg, daar waar in de polis als aangegeven waarde slechts een bedrag van 790.000 BEF hetzij EUR 19.583,59 was opgegeven. Er werd zodoende een coëfficiënt van 80,96 % (790.000/975.773) op 335.000 BEF (excl. B.T.W.) hetzij EUR 8.304,43 toegepast, zodat in hoofdsom een vergoeding van 271.216 BEF hetzij EUR 6.723,27 door N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN werd berekenend. Wat de B.T.W. betreft heeft de N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN op dit bedrag deze coëfficiënt eveneens toegepast namelijk 21% van 271.216 x 80,96%, zijnde 46.111 BEF hetzij EUR 1.143,
- De som van EUR 6.723,27 en EUR 1.143,06, zijnde EUR 7.866,33 werd op 2 oktober 2001 betaald. Dhr. F. aanvaardde dit bedrag onder voorbehoud, vermits hij niet kon akkoord gaan met de toepassing van de evenredigheidsregel en hij uitbetaling verzocht van de waarde van het voertuig op het ogenblik van de diefstal, namelijk EUR 8.304,43 + B.T.W. hetzij EUR 10.048,
- Bij dagvaarding voor de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 27 februari 2003 en later uitgebreid in conclusie - vroeg dhr. FRANS de hoofdelijke veroordeling van dhr. B. en de N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN tot betaling van EUR 2.182,03, zijnde het verschil van EUR 10.048,36 en EUR 7.866,33, meer de moratoire interesten op EUR 10.048,36 vanaf 27.3.2001 tot 2.10.2001, op EUR 2.182,03 vanaf 3.10.2001 tot 26.2.2003 en vanaf dan de gerechtelijke interesten en de gedingkosten.
- Het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 29 juni 2004 verklaarde de vordering van dhr. F. ontvankelijk en gegrond en veroordeelde dhr. B. en N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN solidair tot betaling van EUR 2.182,03, meer de moratoire interesten aan de wettelijke rentevoet op EUR 10.048,36 vanaf 27.3.2001 tot 2.10.2001, op EUR 2.182,03 vanaf 3.10.2001 tot 26.2.2003 en vanaf dan de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. De eerste rechter stelde dat zowel dhr. B. als N.V. WINTERTHUR EUROPE VERZEKERINGEN op het moment van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst tekort waren gekomen in hun verplichting tot controle, nazicht, informatie en zonodig correctie van de medegedeelde gegevens, zeker wanneer deze tegenstrijdig zijn, zoals in casu. Hij aanvaardde geen onzorgvuldigheid in hoofde van dhr. F.
- Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 augustus 2004 stelde dhr. B. een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in. De zaak werd behandeld op de terechtzitting van 18 oktober 2005 Eisen in hoger beroep
- Dhr. B., hierna genoemd appellant, verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens de oorspronkelijke vordering van dhr. F. ten opzichte van hem ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en dhr. F. te veroordelen tot de kosten van het geding. Ondergeschikt stelt hij dat in geval van een hogere verzekerde waarde dan 790.000 BEF, de meerpremie door dhr. F. verschuldigd is. Ook betwist hij dat de moratoire interesten op het bedrag van EUR 10.048,36 van 27.3.2001 tot 2.10.2001 ten laste van hem gelegd worden.
- N.V. WINTERTHUR-EUROPE VERZEKERINGEN, hierna genoemd 2de geïntimeerde, stelt incidenteel beroep in en verzoekt het beroepen vonnis te hervormen en aldus de vordering van dhr. FRANS ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
- Dhr. F., hierna genoemd 1ste geïntimeerde, besluit tot de ontvankelijkheid doch de ongegrondheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep en verzoekt het beroepen vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en appellant en 2de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. Beoordeling
- Eerste geïntimeerde wenst uitbetaling onder de polis van de werkelijke waarde van de wagen zijnde EUR 10.048,36 (inclusief BTW). Hij betwist niet dat de werkelijke waarde van de wagen op het ogenblik van het schadegeval 335.000 BEF excl. B.T.W. bedroeg en evenmin dat de nieuwwaarde van de wagen 975.773 BEF hetzij EUR 24.188,78 beliep. Hij betwist wel de toepassing door 2de geïntimeerde van de evenredigheidsregel bij de berekening van de vergoeding waarbij 2de geïntimeerde uitging van de opgave van de verzekerde waarde van 790.000 BEF, zowel in het bericht van wijziging als in haar eigen polis. Eerste geïntimeerde houdt voor dat op het ogenblik van het opstellen van de verzekeringsdocumenten m.b.t. de aangekochte wagen Mercedes, hij de bedoeling had om deze wagen te verzekeren in "werkelijke waarde" en waarbij hij bij een schadegeval uitbetaling wenste van de werkelijk door hem geleden schade zijn. Hij acht appellant aansprakelijk omdat deze verkeerdelijk op het bericht van wijziging motorrijtuigen het bedrag van 790.000 BEF (EUR 19.583,59) opgaf, daar waar dit de cataloguswaarde van 975.775 BEF diende te zijn. Minstens acht hij appellant aansprakelijk omdat hij tekort gekomen is in zijn informatieverplichting met betrekking tot de gevolgen van de vermelding van een lager bedrag dan de cataloguswaarde. Hij acht 2de geïntimeerde aansprakelijk omdat deze de contradictie had dienen vast te stellen tussen enerzijds het feit dat vergoeding van schade in werkelijke waarde werd gevraagd en anderzijds dat een lager bedrag dan de cataloguswaarde werd opgegeven, wat noodzakelijkerwijze zou leiden tot een lagere vergoeding dan de werkelijke waarde van de wagen.
- Tweede geïntimeerde is overeenkomstig art. 20 van de polis overgegaan tot de toepassing van de evenredigheidsregel omdat de aangegeven verzekerde waarde lager was dan de "te verzekeren waarde" . Volgens de algemene polisvoorwaarden (art. 3) vormt deze "te verzekeren waarde", die door de verzekerde dient te worden opgegeven, de grondslag van de premieberekening die "verplicht" (i)de cataloguswaarde van het omschreven motorrijtuig, taxen niet inbegrepen dient te zijn alsook (ii)de cataloguswaarde van de opties, van het toebehoren of van inrichtingen die niet in de cataloguswaarde van het omschreven motorrijtuig zijn begrepen. De bijzondere voorwaarden van de polis vermelden dan ook onder de "beschrijving van het risico", de twee posten: "aangegeven waarde voertuig (zonder B.T.W.)" en "aangegeven waarde opties (zonder B.T.W.)". Niet betwist wordt dat indien in casu deze aangegeven waarde de cataloguswaarde ware geweest, de evenredigheidsregel niet zou toegepast zijn en uitbetaling zou zijn geschied op basis van de werkelijke waarde van de wagen.
- Het bedrag van 790.000 BEF werd opgegeven in het bericht van wijziging-motorrijtuigen, ondertekend door 1ste geïntimeerde en appellant, waarvan niet betwist wordt dat deze laatste dit document ondertekende in zijn hoedanigheid van verzekeringsmakelaar van 1ste geïntimeerde. Ter rechtvaardiging van de opname van dit bedrag van 790.000 BEF stelt appellant dat dit bedrag in gezamenlijk overleg tussen hem en 1ste geïntimeerde is vastgesteld en dat het bericht van wijziging ondertekend werd door 1ste geïntimeerde, wetens en willens zonder enige bemerking. Appellant zegt dat 1ste geïntimeerde zelf de te verzekeren waarde van zijn voertuig heeft bepaald en dat bij de begroting van de te verzekeren waarde van het voertuig op 790.000 BEF rekening werd gehouden met de aankoopprijs, bepaalde opties van het voertuig en het feit dat het om een tweedehands wagen ging, die 5 jaar eerder nl. in 1994 in gebruik was genomen. Deze stelling wordt door 1ste geïntimeerde betwist die stelt dat hij bij schadegeval vergoeding wenste op basis van de werkelijke waarde van het voertuig. Het Hof is van oordeel dat bij analyse van het document 'Bericht van wijziging - Motorrijtuigen' op grond waarvan de verzekeringsovereenkomst uiteindelijk werd afgesloten, het vaststaat dat het de wil van 1ste geïntimeerde was om in geval van schadegeval een vergoeding te bedingen die zou berekend worden op grond van de werkelijke waarde van zijn voertuig (op het ogenblik van het schadegeval). De aangekruiste rubrieken onder vak 06 (waarborgen) in voornoemd document laten hierover geen enkele twijfel bestaan. Bij de beoordeling van de wilsovereenstemming tussen partijen wordt derhalve door het Hof de invulling van vak 01 (vervanging van voertuig) ondergeschikt geacht aan de vermeldingen opgenomen in vak 06 en behoren de opgegeven waardes in hoofdzaak als een instrument beschouwd te worden op grond waarvan de in vak 06 contractueel overeengekomen waarborg kan berekend worden. Eerste geïntimeerde die stelt dat het zijn wil was om te verzekeren aan werkelijke waarde en dat hij zich niet bewust was dat de vermelding van het bedrag van 790.000 BEF zou leiden tot een onderverzekering en een uitkering van een lager bedrag dan de werkelijke waarde in geval van schade, maakt inderdaad aannemelijk op basis van het aanstippen van "werkelijke waarde" onder de rubriek waarborgen (nr. 06) in het bericht van wijziging motorvoertuigen en de vermeldingen in de polis zelf bladzijde 3, "waarborgbijzonderheden", type casco: werkelijke waarde, dat in geval van schadegeval hij een vergoeding wenste uitgekeerd te zien op basis van de werkelijke waarde van het voertuig. Appellant van haar zijde brengt geen enkel bewijs aan dat op het ogenblik van het afsluiten van de polis er duidelijk zou geopteerd zijn tot dekking van een minder bedrag dan de werkelijke waarde, wat de opgave van het bedrag van 790.000 BEF als te verzekeren waarde, zou rechtvaardigen. Het is duidelijk dat - gelet op zijn ondubbelzinnige wilsuiting verzekerd te willen worden aan werkelijke waarde - 1ste geïntimeerde heeft gedwaald bij de opgave van de juiste waarde van het te verzekeren voertuig op het ogenblik van de invulling van vak 01 van het bericht van wijziging en dat deze dwaling terug te brengen is tot een nalatigheid van appellant.
- Appellant dient als verzekeringsmakelaar de verzekerde bij te staan bij het totstandkomen en de uitvoering van het verzekeringscontract. Hij dient bij het afsluiten van een verzekering de nodige informatie en advies te geven. Zijn professionele aansprakelijkheid is betrokken indien de verzekeringnemer aantoont dat de tussenpersoon een fout heeft begaan, namelijk dat hij zijn opdracht niet heeft vervuld zoals van een normaal zorgvuldig en redelijke professionele tussenpersoon mag worden verwacht. De vermelding op het bericht van wijziging van een 'te verzekeren waarde' die lager ligt dan de 'cataloguswaarde' van het te verzekeren voertuig, terwijl nochtans - zoals het Hof hierboven reeds heeft aanvaard - vaststaat dat de verzekeringnemer een waarborg wenst op basis van de 'werkelijke waarde' maakt een onzorgvuldigheid uit in hoofde van de makelaar. Hierdoor wordt immers onvermijdelijk veroorzaakt dat bij schadegeval de verzekeraar in de berekening van de verzekeringsvergoeding terecht toepassing zal maken van de evenredigheidsregel en derhalve de verzekeringnemer steeds een vergoeding zal ontvangen die lager is dan deze op grond waarvan hij meende de verzekeringsovereenkomst te hebben afgesloten. Zelfs wanneer zou aangenomen worden dat de verzekeringnemer, die landmeter is, zelf - al dan niet in overleg met de makelaar - de te verzekeren waarde van zijn voertuig bepaalde met in acht name van de opties en de vetustiteit ervan, dan nog kan deze in casu niet geacht worden de consequenties hiervan te hebben beseft op het vlak van de toepasselijkheid van de evenredigheidsregel. Appellant daarentegen, die werkzaam is in de verzekeringssector en meer bepaald deze van de autoverzekeringen, wordt geacht kennis te hebben van de noodzaak dat in geval van een gewenste dekking aan 'werkelijke waarde' de op te geven 'te verzekeren waarde' steeds minimaal de cataloguswaarde van de wagen dient te bevatten en behoorde 1ste geïntimeerde hierop te hebben gewezen, minstens nagegaan te hebben of de opgegeven waarde minimaal beantwoordde aan de cataloguswaarde van het voertuig, hetgeen in casu kennelijk niet is gebeurd. Appellant wist, minstens behoorde te weten dat door de opgave van dit lager bedrag van 790.000 BEF dan de cataloguswaarde 975.773 BEF als te verzekeren waarde, de verzekerde, op grond van de evenredigheidsregel, nooit uitbetaling in "werkelijke waarde" kon bekomen, vermits dit bedrag conform art. 11 punt 3 nooit hoger mocht zijn dan de "verzekerde waarde". Bovendien is appellant door het opgeven van dit bedrag uitdrukkelijk afgeweken van de contractuele bepalingen van de polis (meer bepaald artikel 3) daar dit bedrag lager lag dan de cataloguswaarde van het voertuig, die minimaal dient te worden aangegeven. Het valt binnen de informatieverplichting van de makelaar, die deze regels kent, om hierover de verzekerde te informeren, bij gebreke waarvan hij aansprakelijk is voor de schade die de verzekerde hierdoor lijdt. In het kader van deze voorlichtingsplicht dient de makelaar alle gegevens en informatie te verstrekken die voor de verzekerde van belang zijn om met kennis van zaken te kunnen oordelen. Wanneer dan wordt gekozen voor het invullen van een verzekerd bedrag waarvan de makelaar weet, minstens behoorde te weten, dat deze opgave ingaat tegen de algemene voorwaarden van de polis, dan begaat de makelaar een fout die aanleiding geeft tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade. Uit geen enkel element blijkt dat appellant 1ste geïntimeerde heeft gewezen op de onvermijdelijke toepasselijkheid van de evenredigheidsregel in geval van schade die zijn keuze om aan een verzekerde waarde van 790.000 BEF te verzekeren met zich zou meebrengen. Integendeel maakt 1ste geïntimeerde het aannemelijk dat indien hij deze problematiek had gekend, hij zou hebben gekozen om als verzekerde waarde de cataloguswaarde op te geven.
- Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat geen eigen onzorgvuldigheid in hoofde van de verzekerde weerhouden dient te worden, vermits de betwisting in casu zuivere verzekeringstechnische problemen betreft, waarvan iemand, in casu naar verluidt een landmeter, die niet in het verzekeringsvak werkzaam is, niet geacht wordt deze te kennen. Het feit dat 1ste geïntimeerde het bericht van wijziging had ondertekend werd dan ook door de eerste rechter terecht niet beoordeeld als een exoneratie van de aansprakelijkheid van de makelaar. Het eerste vonnis dient ten opzichte van appellant bevestigd te worden, met deze correctie dat de makelaar niet kan aansprakelijk worden gehouden voor het tijdstip van uitbetaling van de verzekeringsvergoeding door de verzekeraar.
- Ten onrechte stelde de eerste rechter een nalatigheid vast in hoofde van 2de geïntimeerde als verzekeraar die de polis onderschreef. Waar bij het afsluiten van verzekeringsovereenkomsten kan aangenomen worden dat er een informatie- en loyauteitsverplichting rust op de verzekeraar t.o.v. de verzekeringnemer, wordt vastgesteld dat deze laatste in casu werd bijgestaan door een professionele makelaar aan wie het in de eerste plaats toekomt de verzekeringnemer afdoende in te lichten en bij te staan. De polis vermeldt in haar art. 3 van de 'Algemene Voorwaarden Titel II' dat de te verzekeren waarde door de verzekeringnemer dient opgegeven te worden en geeft ook gedetailleerd en ondubbelzinnig de elementen aan op grondslag waarvan deze waarde behoort opgegeven te worden. Deze voorwaarden bevatten op zich geen enkele tegenstrijdigheid en de verzekeraar kan, zeker wanneer de verzekeringnemer wordt bijgestaan door een professioneel tussenpersoon, niet geacht worden steeds de opgegeven waarden te toetsen aan de toepasselijke cataloguswaarden, waarvan zij terecht kan uitgaan dat dit tot de verantwoordelijkheid en de zorgvuldigheidsplicht van de verzekeringnemer en/of zijn makelaar behoort. De eerste rechter heeft dan ook ten onrechte de oorspronkelijke vordering van 1ste geïntimeerde gegrond verklaard ten aanzien van 2de geïntimeerde zodat het behoort het eerste vonnis in dit opzicht te hervormen.
- In ondergeschikte orde stelt appellant dat 1ste geïntimeerde in voorkomend geval bij verzekering aan 'werkelijke waarde' een meerpremie verschuldigd is waarvan, gelet op de eigenhandig geschreven vermeldingen van 1ste geïntimeerde op de brief van 2de geïntimeerde van 1 augustus 2001, het principe blijkbaar door 1ste geïntimeerde niet wordt betwist. Vastgesteld wordt echter dat appellant nalaat dit onderdeel van haar vordering te begroten in conclusies zodat zij hiervan afgewezen dient te worden.
- De verzekeraar deed op 16 mei 2001 een voorstel tot betaling van het bedrag van EUR 7.866,
- Gelet op de hierboven vermelde overwegingen maakte de verzekeraar een geldige toepassing van de evenredigheidsregel en kan zij onder de polis niet geacht worden tot meer te zijn gehouden. Op 17 juni 2001 verzocht 1ste geïntimeerde uitbetaling van dit bedrag dit weliswaar onder voorbehoud en te aanzien "als een voorlopige uitkering". Betaling kwam tussen op 2 oktober
- Tweede geïntimeerde blijft dus gehouden tot de nalatigheidinteresten op EUR 7.866,33 exclusief B.T.W. tussen 18 juni 2001 en 2 oktober
- Het verschil tussen dit bedrag en de vergoeding van EUR 10.048,36 berekend aan werkelijke waarde, dient ten laste gelegd te worden van appellant. In redelijkheid kan de vermelding door 1ste geïntimeerde op de voorlopige vereffeningsovereenkomst per 12 augustus 2001 als een ingebrekestelling van appellant beschouwd worden zodat het gepast voorkomt de verwijlinteresten vanaf deze datum toe te kennen aan de wettelijke interestvoet. Het behoort dan ook de veroordeling uit te spreken van appellant tot betaling van het bedrag van EUR 2.182,03, meer de moratoire interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 12 augustus 2001 tot op datum van betaling. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant en het incidenteel beroep van 2de geïntimeerde toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het beroepen vonnis. Veroordeelt appellant tot betaling aan eerste geïntimeerde van het bedrag van EUR 2.182,03, meer de moratoire interesten aan de wettelijke rentevoet vanaf 12 augustus 2001 tot op 27 februari 2003 en vanaf dan de gerechtelijke interesten tot op datum van betaling. Veroordeelt 2de geïntimeerde tot betaling van de nalatigheidinteresten aan de wettelijke interestvoet op EUR 7.866,33 tussen 18 juni 2001 en 2 oktober
- Bevestigt het bestreden vonnis wat de kosten betreft en verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep begroot aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde begroot op telkens EUR 475,96 rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051123.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div