id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 30 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051130.3 Rolnummer: 2004AR1003 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-02-27 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 05:30 Fiche De prestaties van een onder het stelsel van scheiding van goederen gehuwde echtgenoot in de eigen handelszaak van de andere, kan geen aanleiding geven tot vergoeding op grond van verrijking zonder oorzaak. De verhouding tussen echtgenoten gehuwd onder het stelsel van de zuivere scheiding van goederen is, wat hun goederen betreft, immers van contractuele aard, zodat de vermogensverschuiving zonder oorzaak dan ook geen grondslag kan uitmaken voor de gevorderde vergoeding, nu deze een subsidiaire rechtsfiguur is die niet kan toegepast worden in een contractuele relatie. De contractuele verhouding tussen beide echtgenoten impliceert eveneens dat de voorwaarde van de afwezigheid van een oorzaak tussen de voorgehouden verarming en verrijking niet vervuld is, nu de eventuele verrijking van de ene echtgenoot in een stelsel van koude uitsluiting immers het gevolg is van een bewuste keuze van de echtgenoten, met name van het huwelijkscontract, en dus van de wil van de verarmde. Vrije woorden:
- Huwelijksvermogensrecht Scheiding van goederen Prestaties verricht door een echtgenoot in de eigen handelszaak van de andere geen verrijking zonder oorzaak
- Verbintenissen Verrijking zonder oorzaak Prestaties verricht door een echtgenoot, gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, in de eigen handelszaak van de andere Nota:
- Verbeke, A., Goederenverdeling bij Echtscheiding, Maklu, Antwerpen, 1991, nr. 250, p. 388);
- De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, T. III, 1967, p. 44, nr. 34 1° en p. 50, nr. 40 C 2°
- Casman, H., noot onder Antwerpen 18.10.1977, R.W. 1978-79, 911, nr. 9
- Baeteman e.a., Overzicht van rechtspraak, "Huwelijksvermogensrecht", T.P.R. 2003, p. 1769, nr. 377 Tekst van de beslissing HET HOF, Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder · de uitgiften van de staat van vereffening d.d. 06.04.1992, het proces-verbaal van zwarigheden d.d. 18.05.1992 en het advies d.d. 27.05.1992 van de boedelnotaris, neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 10.06.1992; · het bestreden vonnis d.d. 24.11.1992 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren; · het arrest d.d. 11.12.1995 van dit Hof; · het arrest d.d. 20.05.1999 van het Hof van Cassatie waarbij het voormelde arrest d.d. 11.12.1995 van dit Hof vernietigd werd in zoverre het uitspraak deed over de handelszaak en de vergoedingen die ermede verband houden en de aldus beperkte zaak naar het Hof van beroep te Gent werd verwezen; · het arrest d.d. 06.10.2000 van het Hof van beroep te Gent; · het arrest d.d. 09.05.2003 van het Hof van Cassatie waarbij het voormelde arrest d.d. 06.10.2000 van het Hof van beroep te Gent vernietigd werd in zoverre het beslist over de vordering van eiser tot vergoeding van zijn verarming zonder oorzaak en uitspraak deed over de kosten, en de aldus beperkte zaak naar dit Hof werd verwezen; · het exploot d.d. 30.03.2004 van betekening van het voormelde arrest d.d. 09.05.2003 van het Hof van Cassatie met dagvaarding voor dit Hof; Overwegende dat appellanten vorderen : "In hoofdorde te zeggen voor recht dat de heer M. A. - en dus concluante in eigen naam en qualitate qua als rechtsopvolgers-erfgenamen van de heer M. A. - recht hebben op een vergoeding voor de arbeid die de heer M. A. geleverd heeft voor de handelszaak, te betalen door geïntimeerde, en het bedrag van deze vergoeding naar redelijkheid en billijkheid te bepalen op EUR 250.000; In ondergeschikte orde een deskundige te beopdrachten een raming te maken van de vergoeding die aan de heer M. A. - en dus aan concluante in eigen naam en qualitate qua als rechtsopvolgers-erfgenamen van de heer M. A. - toekomt voor de door hem geleverde arbeidsprestaties, vergoeding naar equivalent te bepalen volgens het loon voor een voltijdse tewerkstelling tussen de datum van het huwelijk zijnde 26 juli 1973 en de datum van het neerleggen van het verzoekschrift in echtscheiding zijnde 2 december 1986, het verslag uit te brengen binnen twee maanden na het tussen te komen arrest; Uiterst ondergeschikt te zeggen voor recht dat de heer M. A. - en dus concluante in eigen naam en qualitate qua als rechtsopvolgers-erfgenamen van de heer M. A. - recht heeft op de helft van de waardevermeerdering die de handelszaak ondergaan heeft in de periode tussen de datum van het huwelijk zijnde 26 juli 1973 en de waarde ervan op datum van neerlegging van het verzoekschrift in echtscheiding zijnde 2 december 1986 en vervolgens de aanstelling van een deskundige te bevelen met als opdracht deze waardevermeerdering van de globale handelszaak, inclusief immateriële activa zoals cliënteel, naam en uithangbord, te ramen en hiervan verslag uit te brengen binnen twee maanden na het tussen te komen arrest; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, ..."; Dat geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het nog hangende hoger beroep; Overwegende dat geïntimeerde en de rechtsvoorganger van appellanten, de heer M. A., huwden op 26.07.1973 onder het stelsel van de volledige scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract op 02.07.1973 verleden voor notaris Jozef THEUNISSEN te Eigenbilzen; dat de echtscheiding tussen hen voltrokken werd op 23.03.1990 door de overschrijving van het vonnis d.d. 16.01.1990 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren dat de echtscheiding toestond in het voordeel van geïntimeerde; dat in hetzelfde vonnis de gerechtelijke verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid werd bevolen en partijen daartoe verwezen werden naar notaris Luc TUERLINCKX te Bilzen; dat, ingevolge de neerlegging ter griffie van de uitgiften van de voormelde staat van vereffening en proces-verbaal van zwarigheden, de zaak opnieuw aanhangig werd gemaakt, wat aanleiding gaf tot deze procedure; dat, ingevolge het overlijden van de heer M. A. op 01.07.2002, het geding wordt verder gezet door zijn echtgenote, mevrouw B. G. en zijn minderjarige zoon, de heer T. A., vertegenwoordigd door mevrouw G., voornoemd; Overwegende dat, ingevolge de beperkte verwijzing door het voormelde arrest van het Hof van Cassatie d.d. 09.05.2003, de saisine van het Hof beperkt is tot de vordering van eiser tot vergoeding van zijn verarming zonder oorzaak en de kosten; Overwegende dat geïntimeerde vóór het huwelijk een handelszaak "BITOUCK", een kleinhandel in textielwaren en schoeisel, overnam van haar moeder en deze bleef uitbaten; dat, gelet op de vroegere uitspraken, het vaststaat dat deze handelszaak een eigen goed van geïntimeerde is en dit niet meer in vraag kan gesteld worden; dat appellanten voorhouden dat de heer M. A. vanaf het huwelijk in 1973 tot op het ogenblik van het inleiden van de echtscheidingsprocedure in 1986 actief meegewerkt heeft in de handelszaak en dat hij dus recht heeft op een vergoeding van geïntimeerde wegens verrijking van haar eigen vermogen; dat zij zich hiervoor steunen op de vermogensverschuiving zonder oorzaak; Overwegende dat in een stelsel van scheiding van goederen, wanneer één echtgenoot meewerkt in de handelszaak die persoonlijk eigendom is van de andere echtgenoot voor zover overigens bewezen - er geen automatisch recht op vergoeding of recht op deelname is in de tijdens het huwelijk verwezenlijkte meerwaarde van de handelszaak; dat dit immers eigen is aan het stelsel van de scheiding van goederen dat vrij door de echtgenoten gekozen werd (zie o.m. Baeteman e.a., Overzicht van rechtspraak, "Huwelijksvermogensrecht", T.P.R. 2003, p. 1769, nr. 377); Overwegende dat, nu geïntimeerde met de heer A. gehuwd was onder het stelsel van de zuivere scheiding van goederen hun relatie, wat de goederen betreft, van contractuele aard was; dat de vermogensverschuiving zonder oorzaak dan ook geen grondslag kan uitmaken voor de gevorderde vergoeding, nu deze een subsidiaire rechtsfiguur is die niet kan toegepast worden in een contractuele relatie (zie o.m. Verbeke, A., Goederenverdeling bij Echtscheiding, Maklu, Antwerpen, 1991, nr. 250, p. 388); dat de contractuele verhouding tussen beiden eveneens impliceert dat de voorwaarde van de afwezigheid van een oorzaak tussen de voorgehouden verarming en verrijking meteen weerlegd is (De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, T. III, 1967, p. 44, nr. 34 1° en p. 50, nr. 40 C 2°); dat de eventuele verrijking van de ene echtgenoot in een stelsel van koude uitsluiting immers het gevolg is van een bewuste keuze van de echtgenoten, met name van het huwelijkscontract, en dus van de wil van de verarmde (zie o.m. Verbeke, o.c., nr. 250, p. 388); dat appellanten dan ook het bewijs niet leveren van de afwezigheid van oorzaak; Overwegende dat, ten overvloede, dient opgemerkt dat uit geen enkel voorgebracht objectief gegeven blijkt dat de prestaties van de heer M. A. voor de handelszaak van geïntimeerde de perken van een normale plicht van hulp en bijstand tussen echtgenoten op grond van art. 213 B.W. overtrof; dat appellanten ten onrechte voorhouden dat het Hof daarover geen uitspraak meer zou kunnen doen, nu het arrest van het Hof van beroep te Gent op dat punt niet verbroken zou zijn; dat dit arrest evenwel verbroken werd in zoverre het beslist over de vordering van de heer A. tot vergoeding van zijn verarming zonder oorzaak en uitspraak doet over de kosten; dat dit impliceert dat het Hof dient na te gaan of de voorwaarden voor de vermogensverschuiving zonder oorzaak vervuld zijn, inclusief de voorwaarde van de afwezigheid van oorzaak, dus ook de beoordeling of de prestaties van de man al dan niet kaderen in de hulpplicht ex art. 213 B.W.; dat uit een attest d.d. 23.04.1981 van het Provinciaal Hoger Instituut voor Kunstonderwijs van Limburg blijkt dat de heer A. ingeschreven was in dagonderwijs in de afdeling Beeldende Kunsten van 01.10.1972 tot 30.06.1976; dat dit attest, opgesteld in tempore non suspecto, de voorkeur verdient boven het post factum opgesteld attest d.d. 03.04.2000 dat door appellanten wordt voorgelegd; dat verder eveneens blijkt dat hij van 02.01.1978 tot 21.10.1978 zijn militaire dienst vervulde; dat het feit dat de heer A. ingeschreven was in dagonderwijs tot 30.06.1976 en tijdens het grootste deel van 1978 zijn legerdienst vervulde, moeilijk te rijmen valt met zijn bewering dat hij vanaf het huwelijk op 26.07.1973 met geïntimeerde heeft samengewerkt in de winkel; dat zijn eventuele activiteiten in die periode, gelet op het gevolgde onderwijs en het vervullen van de legerdienst, noodzakelijkerwijze erg beperkt zullen geweest zijn; dat hij van 01.01.1979 tot 31.03.1981 was aangesloten bij de Algemene Sociale Kas voor Zelfstandigen; dat hij in een aanvraag d.d. 14.06.1983 aan de mutualiteit om inschrijving als persoon ten laste, verklaarde zich onbezoldigd bezig te houden met het huishouden van geïntimeerde; dat, in het licht van zijn studies Beeldende Kunsten, het vanzelfsprekend was dat hij zich actief inzette voor de publiciteit van de handelszaak van geïntimeerde; dat echter niet blijkt dat dit, net zomin als eventuele bijstand bij de verbouwingswerken, de normale hulpplicht tussen echtgenoten te buiten ging; dat overigens mag aangenomen worden dat de handelszaak van geïntimeerde de voornaamste, zoniet de enige bron van inkomsten van het gezin was, zodat van de heer A. mocht verwacht worden dat deze tijdens zijn studies en tijdens het vervullen van zijn legerdienst, ook eens een handje uitstak in de zaak, wat eveneens volkomen kadert in zijn hulpplicht; dat verder blijkt dat geïntimeerde reeds op 02.03.1981 een vordering tot echtscheiding inleidde, die evenwel niet werd verder gezet, maar mag aangenomen worden dat de verstandhouding tussen de echtgenoten alsdan niet bevorderlijk was voor een intense samenwerking in de zaak van geïntimeerde; dat appellanten dan ook niet alleen nalaten het bewijs te leveren dat hun rechtsvoorganger voor de handelszaak van geïntimeerde prestaties leverde die de perken van een normale plicht van hulp en bijstand tussen echtgenoten overtrof, maar dat uit de voormelde ernstige en overeenstemmende feiten, het tegendeel kan afgeleid worden; dat appellanten dan ook zelfs het bewijs niet leveren van de verrijking van geïntimeerde of de verarming van de heer A.; Overwegende dat de vordering van appellanten tot vergoeding van de vermogensverschuiving zonder oorzaak dan ook ongegrond is; OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak en binnen de perken van de verwijzing; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart de vordering van appellanten tot vergoeding van de vermogensverschuiving zonder oorzaak ongegrond; Verwijst de zaak naar de boedelnotaris, voor aanpassing van de staat van vereffening; Verwijst appellanten in de gedingkosten, in hoofde van geïntimeerde begroot op EUR 233,02 rechtsplegingsvergoeding. PDF document ECLI:BE:HBANT:2005:ARR.20051130.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div