← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060118.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060118.18 Rolnummer: 2004AR2921 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-01 04:06 Fiche 1. Artikel 23 Ger.W. stelt dat het gezag van rechterlijk gewijsde zich niet verder uitstrekt dan wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gesteld is. Het begrip ‘gevorderde zaak', zoals gehanteerd in de zin van art. 23 Ger.W. verwijst naar de aanspraak die een partij vordert tegen de andere. Het werkelijke voorwerp van de eis betreft in casu de betaling van vergoedingen onder de polis. Op welke basis deze vergoedingen dienen berekend te worden, namelijk op basis van de besluiten van ‘het medische arbitrage-onderzoek', hetzij op basis van de besluiten van een nieuw bevolen medische gerechtsexpertise, doet aan het voorwerp van de vordering geen afbreuk. Hoogstens betreft de betwisting m.b.t. de medische expertise de omvang van de eis, doch niet het voorwerp van de eis. 2. De ‘minnelijke medische expertise' is niet te aanzien als een arbitrage, maar als een bindend deskundigenonderzoek. De derdenbeslisser heeft immers niet tot opdracht zich bij wege van rechtsprekende handeling uit te spreken over de rechten en plichten van partijen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechterlijk gewijsde - Gezag van gewijsde GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek Vrije woorden: 1. Gezag van het rechterlijk gewijsde - draagwijdte art. 23 Ger.W. - begrip ‘gevorderde zaak' - gewijzigde rechtsgrond doet niet af aan het voorwerp van de vordering 2. deskundigenonderzoek - Onderscheid bindende derdenbeslissing en arbitrage - geen rechtsprekende handeling over rechten en plichten van partijen Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/2921 K.J. appellant, ter terechtzitting in persoon aanwezig bijgestaan door Mr. M. PACQUé loco Mr. EUGENE Raymond, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Verlatstraat 23-25 tegen het vonnis gewezen op 21 september 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout tegen 1. ING INSURANCE NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Marnixlaan 24, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, onder het nummer 338.151, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. VERMYLEN loco Mr. DIERCXSENS Alexandre, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 2. B.V.W., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. SCHUERMANS Luc, advocaat te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112 *** Voorgaande 1. Dhr.K.J. , garagist, is sinds maart 1976 verzekerd onder de collectieve polis tegen lichamelijke ongevallen, opgesteld ten voordele van de Vereniging van Garagehouders van de Provincie Antwerpen door N.V. DE VADERLANDSCHE, rechtsvoorgangster van N.V. ING INSURANCE (polis nr. 210999000). Op 10 april 1990 viel hij tijdens het uitvoeren van werkzaamheden als zelfstandig garagist in zijn garage ingevolge het wegschuiven van een ladder. Hij liep hierdoor een indeukingsfractuur van het wervellichaam L1 op en een linker polsfractuur. Er werd op 19 september 1991 een "medisch compromis" afgesloten tussen dhr. K.J. en N.V. DE VADERLANDSCHE en het geschil tussen deze twee partijen werd betreffende de duur en de graad van werkonbekwaamheid en/of de graad van blijvende invaliditeit voorgelegd aan dr. FEYEN optredende als raadsgeneesheer voor dhr. K.J. en aan dr. VERDICKT, aangesteld door N.V. DE VADERLANDSCHE. Partijen deden een beroep op een derde geneesheer dr. VERSTREKEN. Het "verslag medisch arbitrage-onderzoek" van dit college van geneesheren van 3 december 1991 besluit als volgt: "K.J. liep tengevolge van zijn ongeval op 10.04.90 een linker polsfractuur op met indeukingsfractuur van het eerste wervellichaam. Zowel de polsfractuur als de wervelfractuur werden behandeld met een osteosynthese, waarvan het materiaal verwijderd werd op 17.05.1991. Rekening houdend met de polisvoorwaarden wordt bij patiënt een tijdelijke werkonbekwaamheid geëvalueerd in verhouding tot de onbekwaamheid om het in de polis omschreven beroep uit te oefenen, namelijk dit van automekanieker en deze tijdelijke werkonbekwaamheid wordt aanvaard voor: 100% vanaf 10.04.1990 tot en met 16.6.1991. De posttraumatische toestand wordt als geconsolideerd geëvalueerd met een bestendige werkonbekwaamheid van 18%, beschouwd vanuit medisch en fysiologisch standpunt, verwijzend hiervoor naar art. 30.b, volgens de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit en dit zonder rekening te houden met het uitgeoefend beroep". Op basis van deze gegevens blijkt een minnelijk regelingsvoorstel te zijn gedaan door N.V. DE VADERLANDSCHE . Dhr. K.J. heeft dit voorstel niet aanvaard en stelt dat hij recht heeft op een BWO van 53 % en dat wat de TWO betreft, hij op basis van de polis recht heeft op in het totaal 500 dagen TWO aan 1.000 BEF per dag zodat er nog 123 dagen bijkomend dienen vergoed te worden. 2. Op 17 januari 1994 heeft dhr. K.J. dagvaarding uitgebracht lastens N.V. DE VADERLANDSCHE voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Hij verzocht: (

  1. i)N.V. DE VADERLANDSCHE te veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.049,09 EUR (123.000 BEF) hoofdens nog verschuldigd saldo vergoeding arbeidsongeschiktheid (123 dagen x 1.000 Bef per dag), meer de vergoedende interesten van 16 mei 1991, (
  2. ii)de "medische arbitrage" van 3 december 1991 te vernietigen en een nieuwe "arbitrage" te gelasten met als opdracht de blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zijn ongeval te onderzoeken en (iii) N.V. DE VADERLANDSCHE te veroordelen tot betaling van de kapitaalsuitkering berekend in evenredigheid met de werkelijke blijvende arbeidsongeschiktheid, kapitaal te vermeerderen met interesten vanaf juli 1991, datum van de eerste ingebrekestelling en (
  3. iv)N.V. DE VADERLANDSCHE te veroordelen tot de gedingkosten. In het motiverende gedeelte van deze dagvaarding betwist dhr. K.J. de geldigheid van "het medisch compromis" van 19 september 1991 op basis van art. 1108 en 1109 B.W. (wilsgebreken) waarbij hij voorhoudt dat deze overeenkomst hem opgedrongen is. Verder betwist hij de geldigheid van de "medische arbitrage" en vraagt de vernietiging ervan op grond van art. 1701 5° en 1704 2° c f g h i en j en art. 1704 3° c Ger. W. 3. In het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 27 juni 1995 werd voor recht gezegd dat de Rechtbank onbevoegd was om kennis te nemen van de vordering m.n. de discussie i.v.m. de medische expertise. Er wordt in dit vonnis verwezen naar art. 24 van de polis en er wordt geoordeeld dat met de term "scheidsgerecht" wordt bedoeld de arbitrageprocedure voorzien in het gerechtelijk wetboek. Artikel 24 van de polis bepaalt als volgt: Behoudens iedere betwisting over de premie, belastingen en kosten, over premiebetaling of betaling door de verzekerde van schadevergoeding wordt ieder geschil verplichtend en beslissend beslecht door een scheidsgerecht. Iedere partij duidt een scheidsrechter aan. Deze beiden benoemen een derde scheidsrechter. De partijen kunnen zich ook richten tot een enige scheidsrechter, aangesteld met onderlinge overeenstemming. Iedere partij betaalt het honorarium en de kosten van de door haar aangestelde scheidsrechter. Het honorarium en de kosten van de derde of van de enige scheidsrechter worden door iedere partij voor de helft gedragen. De scheidsrechters worden van alle formaliteiten der rechtspleging ontslagen. Op straf van nietigheid van hun uitspraak, mogen zij niet afwijken van de bepalingen van de verzekeringsovereenkomst en haar bijvoegsels. Betwistingen over medische aangelegenheden worden beslecht door een minnelijke medische expertise. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het scheidsgerecht. 4. Dhr. K.J. is dan een arbitrageprocedure gestart en op 22 januari 1997 verklaarden de 3 arbiters, na te hebben vastgesteld dat (i)de "minnelijke medische expertise" ingevolge de wil van partijen, zoals in artikel 24 van de algemene polisvoorwaarden uitgedrukt, als een arbitrage dient beschouwd te worden en (
  4. ii)de nietigheid van deze arbitrage door eiser (dhr. K.J.) wordt ingeroepen, zich bij toepassing van art. 1704,1° Ger.W. zonder rechtsmacht in verband met deze vordering tot vernietiging. De kosten van het scheidsgerecht tussen partijen werd bij helften verdeeld, bij toepassing van art. 24 der algemene polisvoorwaarden. 5. Dhr. K.J. tekende hoger beroep aan tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 27 juni 1995, dat niet betekend werd, met verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30 januari 1997 en verzocht, na aanpassing in conclusies, dit hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren nl. N.V. DE VADERLANDSCHE te veroordelen tot betaling van 123.000 fr. vermeerderd met vergoedende interesten vanaf 16 mei 1991, een nieuwe medische expertise te gelasten met als opdracht de blijvende invaliditeit van dhr. K.J. ten gevolge van het ongeval van 10 april 1990 vast te stellen, aan de hand daarvan de overeenstemmende uitkeringen, waartoe N.V. DE VADERLANDSCHE dient veroordeeld, vermeerderd met de interesten vanaf de datum van consolidatie, te bepalen en N.V. DE VADERLANDSCHE te veroordelen tot de kosten van beide instanties alsook tot de kosten van de arbitrageprocedure. Het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 21 september 1999 verklaarde het hoger beroep ontoelaatbaar. Het Hof oordeelde als volgt: " Dat te dezen, zoals geïntimeerde terecht betoogt (cfr. supra), het feit dat appellant na het vonnis van de eerste rechter van 27 juni 1995 de arbitrageprocedure voor het scheidsgerecht startte, ondubbelzinnig inhoudt dat hij alsdan van oordeel was dat de rechtbank van eerste aanleg ter zake inderdaad onbevoegd was en het vaste voornemen had de hangende betwisting verder te laten beslechten voor een college van scheidsrechters, waarvan hij alsdan de bevoegdheid aanvaardde en besliste niet langer de gerechtelijke procedure verder te zetten. Dat deze feiten dan ook duidelijk uitwijzen dat appellant het vaste voornemen had met het thans bestreden vonnis in te stemmen en voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. Overwegende dat uit vorenstaande vaststellingen dan ook blijkt dat appellant in het vonnis van 27 juni 1995 stilzwijgend heeft berust en derhalve afstand heeft gedaan van de rechtsmiddelen die hij tegen deze beslissing vermocht aan te wenden. Dat hij ingevolge deze afstand geen toelaatbaar hoger beroep meer kan instellen". Dit arrest werd betekend op 25 mei 2000. Er werd geen cassatievoorziening aangetekend. 6. Dhr. K.J. , N.V. ING INSURANCE (als rechtsopvolger van N.V. DE VADERLANDSCHE) en advocaat B.V.W. zijn vrijwillig verschenen voor de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout met proces verbaal van vrijwillige verschijning opgesteld op 16 januari 2003. Dhr. K.J. verzocht: (
  5. i)de veroordeling van N.V. ING INSURANCE en advocaat B.V.W. solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere, of ieder ten belope van zijn deel, om aan hem te betalen ten titel van uitkering krachtens verzekering als schadevergoeding de som van euro 22.992,12 (BWO aan 53%) + euro 11.352,68 (TWO in totaal 500 dagen minus betaling van 38.000 BEF)= euro 34.444,80, meer de verwijlinteresten respectievelijk de vergoedende interesten vanaf 18 februari 1993, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding (
  6. ii)bijkomend, de veroordeling van advocaat B.V.W. tot de gerechtskosten in de beroepsprocedure t.b.v. euro 713,39 (iii) minstens, vooraleer ten gronde te oordelen, de aanstelling van een geneesheer-deskundige met als opdracht kennis te nemen van het verslag van de minnelijke medische expertise van 3 december 1991 en de erin vermelde opdracht, dhr. K.J. te onderzoeken, de door hem voorgelegde medische stukken na te zien en na te gaan of er belangrijke elementen zijn waarmee geen rekening werd gehouden in het minnelijk medische expertiseverslag, in bevestigend geval deze aan te duiden en rekening houdende hiermee, een nieuwe raming te maken van de periode en graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de consolidatie vast te stellen en de blijvende werkonbekwaamheid in functie van de officiële Belgische schaal van invaliditeit, om nadien verder te oordelen als naar recht. N.V. ING INSURANCE en advocaat B.V.W. betwisten deze eisen. Dhr. K.J. spreekt advocaat B.V.W. aan op basis van een beroepsfout door na het vonnis van 27 juni 1995 niet onmiddellijk hoger beroep te hebben aangetekend en integendeel het scheidsgerecht in werking te hebben gesteld, waardoor er berust werd in het vonnis. 7. Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 21 september 2004 heeft de vordering van dhr. K.J. ten laste van N.V. ING INSURANCE als onontvankelijk afgewezen en ten laste van advocaat B.V.W. als toelaatbaar doch ongegrond afgewezen. Dhr. K.J. werd verwezen in de kosten. Deze rechter stelde: "Wat betreft het rechterlijk gewijsde werd reeds gewezen op het feit dat het voorwerp van de verschillende procedures hetzelfde is: het bekomen van een vergoeding die afwijkt van de medische expertise die minnelijk tot stand kwam. Waar in de voorgaande procedures het verwerpen van de expertise is gesteund op de nietigheid wordt thans de verwerping gesteund op het feit dat geen rekening werd gehouden met alle elementen. Het voorwerp is dus hetzelfde al wordt ze gesteund op een andere grondslag: niet langer de nietigheid van het verslag maar het niet voldoende verantwoord zijn. De oorzaak is eveneens hetzelfde: het ongeval d.d. 10.04.1990 die volgens de polis tussen eerste en tweede comparanten aanleiding is tot het verlenen van dekking. De partijen zijn eveneens identiek: K.J. trad in de voorgaande procedures op als eiser terwijl N.V. ING INSURANCE, voorheen NV DE VADERLANDSCHE, verweerder was en in hoedanigheid van verzekeraar werd aangesproken. De vordering is derhalve niet ontvankelijk". Er werd geen professionele fout aanvaard in hoofde van advocaat B.V.W. omdat "niet als vaststaand kan worden weerhouden dat het beroep doen op een arbiter na het vonnis in eerste aanleg waarbij de Rechtbank zich onbevoegd verklaarde, als een berusting dient te worden beschouwd, dat nog minder vaststaat dat de minnelijke expertise zou worden verworpen en dat de kans dat een deskundige zou afwijken van de bevindingen van de 3 door partijen aangesteld artsen, onvoorspelbaar is". Deze rechter stelde vast dat "dhr. K.J. zelfs niet ondergeschikt de uitvoering vordert van het voorstel, zoals herhaaldelijk door de verzekeraar aangeboden. De Rechtbank kan zich dan ook niet uitspreken over de geldigheid van het gedane voorstel en/of onderzoeken of dit voorstel conform is met de medische bevindingen en de bepalingen van de polis". 8. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 november 2004 heeft dhr.K.J. , hierna genoemd appellant, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 21 september 2004, dat betekend werd op 13 oktober 2004, en dit ten laste van N.V. ING INSURANCE, hierna genoemd eerste geïntimeerde, en ten laste van Mevr.B.V.W., hierna genoemd tweede geïntimeerde De zaak werd behandeld op de terechtzitting van 30 november 2005. Eisen in hoger beroep 9. Appellant verzoekt zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te niet te doen en opnieuw recht doende, zijn oorspronkelijke eis ten aanzien van eerste geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren en ten aanzien van 2de geïntimeerde gegrond te verklaren. Dienvolgens: - geïntimeerden solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, of ieder ten belope van zijn aandeel, te veroordelen tot betaling van euro 22.992,12 (BWO aan 53%) + euro 3.049,09 (ondertussen is betaald: 377.000 BEF) = euro 26.041,21, minstens in ondergeschikte orde de som van euro 7.808,65 (BWO aan 18%) + euro 3.049,09 = euro 10.857,64, te vermeerderen met de verwijlinteresten, respectievelijk vergoedende interesten vanaf 11 juni 1991 voor wat betreft het bedrag van euro 3.049,09 tijdelijke werkongeschiktheid en vanaf 1 januari 1992 voor wat betreft het bedrag van euro 22.992,12, minstens euro 7.808,65, vergoeding blijvende arbeidsongeschiktheid, de gerechtelijke interesten en de kosten. - tweede geïntimeerde tevens bijkomend te veroordelen tot de kosten van de eerste beroepsprocedure t.b.v. euro 713,39 - minstens, na de vordering van eerste geïntimeerde ontvankelijk verklaard te hebben vooraleer ten gronde te oordelen, een geneesheer-deskundige aan te stellen met als opdracht kennis te nemen van het verslag van de minnelijke medische expertise van 3.12.1991 en de erin vermelde opdracht, haar te onderzoeken en de door hem voorgelegde medische stukken na te zien, na te gaan of er belangrijke elementen zijn waarmee geen rekening werd gehouden in het minnelijke medische expertiseverslag. In bevestigend geval deze aan te duiden en rekening houdend hiermee, een nieuwe raming te maken van de periodes en graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de consolidatie vast te stellen en het percentage van blijvende werkonbekwaamheid in functie van de officiële Belgische schaal van invaliditeit, om nadien verder te oordelen als naar recht. 10. Eerste geïntimeerde vraagt het hoger beroep van appellant onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en appellant te verwijzen tot de gedingkosten. Eerste geïntimeerde stelt incidenteel beroep in, verzoekt dit ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat de eerste rechter zich onbevoegd diende te verklaren. 11. Tweede geïntimeerde verzoekt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het eerste vonnis van 21 september 2004 te bevestigen. Zij stelt incidenteel beroep in en verzoekt appellant te veroordelen tot betaling van euro 1,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep Beoordeling Wering van stukken 12. Geïntimeerden vragen ter zitting de wering uit de debatten van de door appellant persoonlijk ter griffie van het Hof op 10 november 2005 gedeponeerde brief met bijlage met toepassing van art. 747§2 in fine Ger.W. Op de terechtzitting van 15 december 2004 had het Hof akte verleend aan partijen van hun schriftelijk akkoord tot regeling van de conclusietermijnen. Partijen verbonden zich een eerste conclusie neer te leggen uiterlijk op 15 februari 2005 voor eerste geïntimeerde, uiterlijk op 15 april 2005 voor tweede geïntimeerde en uiterlijk op 15 juni 2005 voor appellant. Een bijkomende termijn voor het neerleggen van een tweede conclusie werd toegestaan, uiterlijk op 15 september 2005 voor eerste geïntimeerde en uiterlijk op 15 oktober 2005 voor tweede geïntimeerde. De stukken van appellant waarvan wering wordt gevorderd door eerste en tweede geïntimeerde zijn buiten de termijn van dit akkoord tussen partijen neergelegd, zodat zij dienen geweerd te worden. Eis t.o.v. eerste geïntimeerde 13. Appellant stelt dat hij niet langer betwist dat het medisch compromis van 19 september 1991 - d.i. de overeenkomst waarin werd voorzien dat de minnelijke medische expertise zou georganiseerd worden - geldig is tot stand gekomen en hij ook niet langer, zoals in de eerste procedure, de vernietiging als zodanig vordert van de minnelijke medische expertise waarmee het "verslag medisch arbitrage-onderzoek" van 3 december 1991 bedoeld wordt, op grond van art. 1704,2° en 1704, 3° lid Ger. W. Appellant omschrijft in conclusies zijn eis als volgt: "De huidige vordering strekt geenszins tot vernietiging van het compromis en het verslag van de minnelijke medische expertise op grond van art. 1704 tweede lid CFGHIJ en op grond van art. 1704 derde lid C Ger.W. De vordering betreft integendeel een vordering tot het uitoefenen van de nodige gerechtelijke controle van de minnelijke expertiseovereenkomst" Hij vraagt, in het proces verbaal van vrijwillige verschijning en in het beschikkend gedeelte van zijn conclusies: "minstens, vooraleer ten gronde te oordelen, de aanstelling van een geneesheer-deskundige met als opdracht kennis te nemen van het verslag van de minnelijke medische expertise van 3 december 1991 en de erin vermelde opdracht, dhr. K.J. te onderzoeken, de door hem voorgelegde medische stukken na te zien en na te gaan of er belangrijke elementen zijn waarmee geen rekening werd gehouden in het minnelijk medische expertiseverslag, in bevestigend geval deze aan te duiden en rekening houdende hiermee, een nieuwe raming te maken van de periode en graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de consolidatie vast te stellen en de blijvende werkonbekwaamheid in functie van de officiële Belgische schaal van invaliditeit, om nadien verder te oordelen als naar recht" 14. Appellant heeft de volgende grieven: - de artsen hebben hun opdracht gegeven in de medische compromis overeenkomst niet naar behoren uitgevoerd, met name hebben zij niet alle nuttige inlichtingen ingewonnen, wat voorzien was in art. 2 van deze overeenkomst - in het verslag weerhielden zij onder verwijzing naar art. 30 B van de officiële Belgische Schaal, een letsel van de dorsale wervelzuil terwijl het in casu gaat om art. 31 van de officiële Belgische Schaal, zijnde een letsel van de lumbale wervelzuil waarvoor een bestendige invaliditeit van 25% is voorzien - in het verslag verwijzen zij ter staving van de bestendige werkongeschiktheid van 18% enkel naar het rugletsel dat appellant heeft opgelopen terwijl er ook een polsbreuk is geweest waarmede geen rekening werd gehouden. Tweede geïntimeerde stelt dat de door appellant gestelde vordering dezelfde is als de vordering gesteld in de inleidende dagvaardig van 17 januari 1994 en in het kader van de arbitrage, zodat de eis van appellant op basis van het gezag van het gerechtelijke gewijsde (art. 25 e.v. Ger.W.) ontoelaatbaar is. 15. Art. 23 Ger.W. stelt dat het gezag van het rechterlijk gewijsde zich niet verder uitstrekt tot wat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gesteld is. Appellant houdt voor dat het voorwerp van de eisen niet identiek is en stelt dat de huidige vordering, m.n. het uitoefenen van een gerechtelijke controle op de uitvoering van de minnelijke medische expertiseovereenkomst, een andere en nieuwe vordering betreft. Appellant betwist niet dat de oorzaak van zijn eis, m.n. het ongeval van 10 april 1990, alsook de partijen identiek zijn in beide procedures. Het begrip "gevorderde zaak", zoals gehanteerd in de zin van art. 23 Ger.W. verwijst naar de aanspraak die een partij vordert tegen de andere. Op basis van de bewoordingen van de gedinginleidende akten namelijk de inleidende dagvaarding van 17 januari 1994 en het proces verbaal van vrijwillige verschijning neergelegd op 16 januari 2003 oordeelt het Hof dat het werkelijke voorwerp van de eis van appellant de betaling betreft van de vergoedingen onder de polis. Op welke basis deze vergoedingen dienen berekend te worden, namelijk op basis van de besluiten van "het verslag medische arbitrage-onderzoek", hetzij op basis van de besluiten van een nieuw bevolen medische gerechtsexpertise, doet aan het voorwerp van de vordering, nl. de aanspraak tot uitbetaling onder de polis, geen afbreuk. Hoogstens betreft deze betwisting m.b.t. de medische expertise de omvang van de eis, doch niet het voorwerp van de eis. Tot deze beslissing kwam ook de eerste rechter, na beoordeling van de vorderingen gesteld in de procedure ingeleid bij dagvaarding van 17 januari 1994 en deze bij hem aanhangig gemaakt met proces verbaal van vrijwillige verschijning van 16 januari 2003. De uitspraak van het Hof van Beroep van 21 september 1999 en betekend op 25 mei 2000 is een eindbeslissing, vermits er geen cassatievoorziening is ingesteld (art. 24 Ger.W.) zodat het geheel van de vorderingen, zoals gesteld in de inleidende akte van 17 januari 1994 en het verzoekschrift hoger beroep van 30 januari 1997, ook al werden deze eisen niet ten gronde beoordeeld, niet meer opnieuw kunnen ingesteld worden (art. 25 Ger.W.). De eis van appellant ten aanzien van eerste geïntimeerde is zodoende ontoelaatbaar. Het eerste vonnis dient in dit opzicht te worden bevestigd. Eis ten opzichte van tweede geïntimeerde 16. Tweede geïntimeerde betwist de gegrondheid van de oorspronkelijk eis gesteld door appellant op basis van een beweerdelijke beroepsfout. De door appellant aan tweede geïntimeerde verweten beroepsfout als advocaat betreft de omstandigheid dat tweede geïntimeerde na het vonnis van 27 juni 1995 niet onmiddellijk hoger beroep aantekende maar in plaats daarvan naar het scheidsgerecht is gestapt. Appellant houdt voor dat tweede geïntimeerde had kunnen weten dat waar zij een nietigheidsprocedure tegen de "arbitrage" instelde, onder inroeping van een aantal onregelmatigheden opgesomd in art. 1704, 2° Ger.W., zij toch had dienen vast te stellen dat overeenkomstig ditzelfde art. 1704,1° Ger.W., een arbitrale uitspraak slechts kon worden bestreden voor de Rechtbank van eerste aanleg en het dan ook meteen evident was dat de vernietiging niet kon gevraagd worden aan een scheidsgerecht en dat deze vordering bij voorbaat tot mislukking gedoemd was. Appellant stelt bovendien dat het evident was dat het Hof het initiatief tot arbitrage zou gelijkstellen met een berusting vermits het gaat om een loutere suggestie door de eerste rechter in het vonnis gemaakt. 17. Het arrest van het Hof van beroep van 21 september 1999 is in kracht van gewijsde gegaan. Het hof oordeelde dat "overwegende dat uit vorenstaande vaststellingen dan ook blijkt dat appellant (i.e. dhr. K.J.) in het vonnis van 27 juni 1995 stilzwijgend heeft berust en derhalve afstand heeft gedaan van de rechtsmiddelen die hij tegen deze beslissing vermocht aan te wenden. Het in dit arrest aanvaarde feit van berusting door appellant met de beslissing van het vonnis van 27 juni 1995, geldt dus als definitief t.o.v. hem en is niet meer voor hervorming vatbaar (art. 23 e.v. Ger.W.) dit in tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft geoordeeld. 18. Het Hof is van oordeel dat ten deze echter geen beroepsfout in hoofde van tweede geïntimeerde, eertijds raadsman van appellant, kan verweten worden nu deze beweerdelijke fout de impliciete (d.m.v. de voorbehoudloze inleiding van een arbitrageprocedure) daad van berusting in het vonnis van 16 juni 1995 betreft en het Hof, na beoordeling van de motieven van deze uitspraak, van oordeel is dat hierin op oordeelkundige wijze werd geoordeeld en dat derhalve een hoger beroep hiertegen onwerkdadig zou zijn bevonden. Ingevolge art. 24 van de polis, waarvan de toepasselijkheid door partijen niet wordt betwist, behoorde - behoudens de betwistingen over de premie, belastingen en kosten, over premiebetaling of betaling door de verzekerde van schadevergoeding - iedere andere betwisting onder voornoemde polis verplichtend en beslissend beslecht te worden door arbitrage. De betwisting die appellant initieel uitbracht betrof in eerste orde de nietigheid van het ‘medisch compromis' op grond van wilsgebrek (art. 1108 en 1109 B.W.) die niet onder de uitzonderingen valt vermeld in art. 24 van de polis en zodoende enkel d.m.v. arbitrage kon beslecht worden en aan de rechtsmacht van de gewone rechtbanken was onttrokken. De eerste rechter oordeelde dus terecht en de gewraakte berusting kent derhalve geen rechtsgevolgen en is onwerkdadig. In tweede orde eiste appellant tevens de vernietiging van de ‘medische arbitrage' op grond van art. 1701 en 1704 Ger.W., wat derhalve zou inhouden dat het besluit van de medische experten in college uitgebracht, gelijkgesteld dient te worden met een arbitrale sententie. Het Hof is - in het kader van de beoordeling van de beroepsaansprakelijkheid van tweede geïntimeerde - van oordeel dat de bepalingen van art. 24 van voornoemde polis en meer bepaald de vermelding "Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het scheidsgerecht" in geval van betwistingen over medische aangelegenheden niet toelaten de ‘minnelijke medische expertise' als een arbitrage te beschouwen doch enkel toelaat deze expertise als een bindend deskundig onderzoek te beschouwen. De derdenbeslisser heeft immers niet tot opdracht zich bij wege van rechtsprekende handeling uit te spreken over de rechten en plichten van partijen. Bij arbitrage daarentegen, zal de deskundige niet enkel optreden om op (bindende wijze) feitelijke vaststellingen te doen, maar tevens om op basis hiervan het tussen partijen gerezen geschil te beslechten. Derhalve komen de door appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen opgeworpen rechtsgronden die gebaseerd waren op de art. 1701 en 1704 Ger.W. onnuttig voor vermits de uitspraak door het college van medische experten niet als een arbitrale uitspraak kan beschouwd worden en de inhoudelijke betwisting van hun besluitvorming (genaamd de ‘medische arbitrage') eveneens onder toepassing van art. 24 van de polis aan arbitrage behoorde voorgelegd te worden. Of in dit opzicht de arbitrale beslissing van 26 januari 1997, waartegen geen enkel rechtsmiddel werd ingediend, nog vatbaar voor vernietiging is, is in het kader van onderhavig geding niet aan de orde en dit element wordt evenmin in het kader van de beroepsaansprakelijkheid van tweede geïntimeerde ingeroepen. Ook in deze context kent zodoende de gewraakte berusting in het vonnis van 26 juni 1995 geen rechtsgevolgen en is zij onwerkdadig. 19. Gelet op de ontoelaatbaarheid van de eis van appellant ten aanzien van eerste geïntimeerde is het incidenteel beroep van eerste geïntimeerde, strekkende tot de onbevoegdheid van de eerste rechter, zonder voorwerp. Het incidenteel beroep van tweede geïntimeerde, strekkende tot een veroordeling van appellant wegens tergend en roekeloos hoger beroep, is toelaatbaar doch ongegrond vermits appellant op rechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de hem ter beschikking gestelde rechtsmiddelen en geen fout desbetreffende ten laste van hem kan gelegd worden, die aanleiding geeft tot het toekennen van een schadevergoeding in zijnen hoofde. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant t.o.v. eerste geïntimeerde ontoelaatbaar en t.o.v. tweede geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond en bevestigt het vonnis van 21 september 2004 weliswaar gedeeltelijk op andere motieven. Verklaart het incidenteel beroep van eerste geïntimeerde zonder voorwerp en van tweede geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond Verwijst appellant in de kosten in hoger beroep begroot aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde op euro 475,96 rechtsplegingsvergoeding voor ieder. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 18 januari 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060118.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.