← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060130.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 30 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060130.8 Vervangt nummer: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060130.7 Rolnummer: 2004/AR/2310 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-09-04 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-07-01 04:08 Fiche 1 UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Bewijslast Vrije woorden: afsluiten kluis - verzekerde Fiche 2 UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Algemeen (verzekeringen) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Andere (verzekeringen) Vrije woorden: diefstalverzekering - bewijslast afsluiten kluis - verzekerde Tekst van de beslissing Zitting van: 30 JANUARI 2006 VOORZIENING IN CASSATIE Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2004/AR/2310 :

  1. de verzekeringsmaatschappijen naar Engels recht ROYAL & SUN ALLIANCE INSURANCE, gevestigd te Londen, 3 Minster Court, Mincing Lane,Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
  2. Alexis Duco Fontein, aangeduid als enige algemeen lastheb-ber voor België van de vereniging van verzekeraars, bekend als "Lloyd's", (administratief codenummer 0860), met keuze van woonst op het adres : Vereniging van verzekeraars bekend als "Lloyd's" c/o Theunis & D'Hoine, Verbindingsdok-Oostkaai 13 te 2000 Antwerpen, die te dezen handelt in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de hierna aangeduide "Underwri-ters", met name syndicaten : - nummer RTH 1414 - nummer XL 1209 - nummer WHS 2 - nummer PJG 2724 - nummer MLM 1221 - nummer MKL 3000 - nummer AML 2001 - nummer COP 1086 - nummer SJC 1003 - nummer SJC 2003
  3. Alexis Duco Fontein, aangeduid als enige algemeen lastheb-ber voor België van de vereniging van verzekeraars, bekend als "Lloyd's", (administratief codenummer 0860), met keuze van woonst op het adres : Vereniging van verzekeraars bekend als "Lloyd's" c/o Theunis & D'Hoine, Verbindingsdok-Oostkaai 13 te 2000 Antwerpen, die te dezen handelt in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de hierna aangeduide "Underwri-ters", met name syndicaat nummer TRH 1414; - allen keuze van woonst doende bij hun raadsman Meester Bernard INSEL, hierna vermeld, (zie stuk 1); appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 29 juni 2004; vertegenwoordigd door Meester B. Insel, advocaat te 2018 Ant-werpen, Mechelsesteenweg 136; tegen : B.V.B.A. WINDIAM, met zetel te 2018 Antwerpen, Hoveniers-straat 53, keuze van woonst doende op het kantoor van ge-rechtsdeurwaarder Marc BEERTEN, met standplaats te 2018 Antwerpen, Paleisstraat 28; geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester L. Keyzer, advocaat te 2000 Ant-werpen, De Burburestraat 6-8 en Meester K. Stevens, advocaat te 2020 Antwerpen, Ryckmansstraat 10; * * * * * * * Gelet op de door de wet vereiste procedurestukken die wor-den overgelegd, onder meer het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 29.6.2004, betekend op 19.7.2004, waartegen tijdig en gel-dig naar de vorm hoger beroep werd ingesteld bij akte van hoger beroep betekend op 10.8.
  4. Het hoger beroep is toelaatbaar. I. FEITEN EN RETRO-ACTEN A. De feiten werden omstandig en accuraat omschreven door de eerste rechter. Zij kunnen als volgt kort worden samengevat : Geïntimeerde nam in september 2002 deel aan een juwe-lenbeurs in Hong Kong. Zij heeft de waarde van de door haar te koop aangeboden diamanten laten verzekeren door middel van een "alle risico's" expositie-polis onderschreven bij appellanten. De betrokken diamanten werden uit de kluis van geïntimeerde gestolen in de nacht van 24 op 25 sep-tember
  5. Er waren geen sporen van inbraak. Appellanten hebben geweigerd dekking te verlenen, omdat zij van oordeel waren dat één van de dekkingsvoorwaarden niet was vervuld, met name dat de diamanten na de ope-ningsuren van de beurs niet in een afgesloten kluis waren opgeborgen. Uit de afwezigheid van inbraaksporen leidden zij af dat geïntimeerde de betrokken kluis niet op slot had gedaan. De zaakvoerder van geïntimeerde heeft na de dief-stal verklaard dat hij de kluis wel degelijk had afgesloten via de geheime cijfercode. B. De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde strekte er in essentie toe de oorspronkelijke verweersters en vrijwillig tussenkomende partijen (enkel deze laatsten zijn huidige appellanten, met uitzondering van derde appellante -zie in-fra) solidair te horen veroordelen tot betaling van - de tegenwaarde in EUR van het bedrag van 2.045.899,11 USD als vergoeding voor de gestolen diamanten, om te zetten aan de hoogste koers in EUR geldend tussen 28.9.2002 en de dag van de algehele betaling, meer de vergoedende en gerechtelijke intresten, - de tegenwaarde in EUR van het bedrag van 592,52 USD per dag als vergoeding voor de onrechtstreeks geleden schade, eveneens om te zetten in EUR aan dezelfde koers als voormeld, en dit vanaf de dag van ingebreke-stelling d.d. 25.9.2002 tot de dag van algehele betaling. Geïntimeerde vroeg tevens de kapitalisatie van de intresten verstreken tussen de datum van aangifte, zijnde 25.9.2002, tot 25.9.2003, in toepassing van art. 1154 B.W. C. De eerste rechter heeft bij vonnis van 29.6.2004 enkel de vordering van geïntimeerde lastens huidige appellanten ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard : De vorderingen lastens de beide andere oorspronkelijke verweersters werden onontvankelijk verklaard. Appellanten werden, ieder ten belope van haar aandeel, veroordeeld tot betaling van het bedrag van 2.045.899,11 USD, vermeerderd met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 25.9.2002 en met de gerechtelijke intresten vanaf 2.12.
  6. De intresten vervallen tussen 25.9.2002 en 25.9.2003 werden gekapitaliseerd. Appellanten werden tot de kosten veroordeeld. II. VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP, HET IN-CIDENTEEL BEROEP EN DE EISUITBREIDINGEN VAN GEÏNTIMEERDE A. Het hoger beroep van appellanten strekt tot de hervor-ming van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oor-spronkelijke vordering van geïntimeerde, minstens ten aan-zien van derde appellante, die geen partij was in deze zaak in eerste aanleg en volgens appellanten per vergissing werd vermeld in het vonnis en samen met de andere appellanten veroordeeld, ieder voor hun aandeel. De eerste rechter heeft volgens hen bij materiële vergissing het Lloyd's syndi-caat nr. TRH 1414 (niet in zake) veroordeeld in plaats van het syndicaat nr. RTH
  7. In subsidiaire orde, met betrekking tot de schade-omvang, tekenen appellanten beroep aan tegen het bestreden vonnis, omdat volgens hen de eerste rechter ten onrechte verwijlin-tresten heeft toegestaan vanaf 25.9.2002, alsook ten onrechte een eerste kapitalisatie (intresten vervallen in de periode 25.9.2002 tot 30.9.2003) heeft toegestaan, aangezien er nog geen jaar intresten verlopen waren op het ogenblik van de aanvraag van de kapitalisatie. B. Geïntimeerde heeft bij besluiten incidenteel beroep aan-getekend teneinde vooralsnog de koersomzetting van USD naar EUR te bekomen met betrekking tot het hoofdbedrag van 2.045.899,11 USD, zoals gevorderd voor de eerste rech-ter. Subsidiair, stelt geïntimeerde een tussenvordering in tenein-de appellanten te horen veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens muntontwaarding, berekend als zijnde het koersverschil van de USD/EUR op datum van 25.9.2002 en de datum van effectieve betaling, in besluiten voorlopig begroot op 542.470,15 EUR. Tevens vraagt geïntimeerde het Hof, bij wijze van eisuitbrei-ding in graad van beroep, een tweede intrestkapitalisatie te willen toekennen op grond van art. 1154 B.W., met name voor de intresten verlopen vanaf 30.9.2003 tot de akte van 9.11.
  8. Tenslotte vraagt geïntimeerde, bij wijze van eisuitbreiding in graad van beroep, de veroordeling van appellanten tot ver-goeding van de kosten en erelonen van haar raadslieden, provisioneel begroot op 1 EUR. III. BEOORDELING VAN HET HOOFDBEROEP VAN APPELLANTEN A. Toepasselijk recht Partijen zijn het erover eens dat de verzekering, die geïnti-meerde in casu heeft aangegaan, in principe onderworpen is aan het Belgische recht. Enkel met betrekking tot het aspect "warranty", een rechtsfi-guur naar Engels recht, is geïntimeerde van oordeel dat de-ze figuur ook overeenkomstig het Engelse recht dient te worden toegepast. Op dit aspect zal nader worden ingegaan onder punt B.5 hieronder. B. Bewijslast 1.- De kern van het juridische geschil tussen partijen be-treft de vraag wie met betrekking tot het afsluiten van de kluis de bewijslast draagt : de verzekerde of de ver-zekeraars. Geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, is van oordeel dat de bewijslast met betrekking tot het beweerdelijk niet-afsluiten van de kluis bij de verzekeraars ligt. Appellanten argumenteren echter terecht dat in het Belgi-sche verzekeringsrecht een onderscheid wordt gemaakt tus-sen dekkingsvoorwaarden, uitsluitingsgronden en gronden tot verval van dekking. Het gaat daarbij om drie onderschei-den concepten. In casu betreft de discussie tussen partijen enkel de begrippen dekkingsvoorwaarden en gronden tot verval van dekking. Een dekkingsvoorwaarde is een essentiële voorwaarde waaronder de verzekeraar slechts bereid is de polis af te sluiten. Deze definieert en beperkt het verzekerde risico. Een vervalbepaling houdt in dat het schadegeval wel onder het verzekerde risico valt, zodat er in principe dekking zou moeten verleend worden, maar dat ingevolge een contractu-ele wanprestatie van de verzekerde de verzekeraar bevrijd is van zijn dekkingsplicht. Het verschil tussen beide begrippen is van belang naar de bewijslast toe. Het is de verzekerde die dient te bewijzen dat aan de dek-kingsvoorwaarden is voldaan (in toepassing van art. 1315, 1e lid B.W.), terwijl de verzekeraar het bestaan van een grond tot verval van recht op dekking moet bewijzen (in toepassing van art. 1315, 2e lid B.W.). Het is aan de hand van het verzekeringscontract dat dient uitgemaakt te worden of een bepaald beding een dekkings-voorwaarde is of een vervalbepaling. Daarbij zijn onder meer de gebruikte bewoordingen, de eventuele hoofding waaron-der de bepaling valt en desgevallend de plaats van het be-ding in het contract van doorslaggevend belang. Dit moet geval per geval uitgemaakt worden. Eenzelfde ele-ment kan immers perfect als dekkingsvoorwaarde of als grond tot verval van recht op dekking worden omschreven. Terzake hangt alles af van de opstelling van de polis. Bijgevolg dient aan de hand van het voorliggende verzeke-ringscontract nagegaan te worden of het afsluiten van de kluis in casu een dekkingsvoorwaarde of een vervalbepaling is. 2.- Het Hof dient vast te stellen dat het verzekeringscertifi-caat nr. GGYD692/590 d.d. 23.9.2002 dat werd uitgeschre-ven het volgende bepaalt als definitie van het verzekerde risico : "Conditions" (Voorwaarden) : "Deze verzekering is tegen alle risico's van fysisch verlies van of schade aan de verzekerde goederen gedurende de looptijd van de verzekering. De goederen dienen te worden tentoongesteld in ge-sloten vitrines tijdens de tentoonstellingsuren, tenzij de leidende verzekeraars anders instemmen. Met be-trekking tot een verlies ingevolge diefstal moeten alle vitrines met koopwaar gesloten zijn en de sleutels moeten ervan verwijderd zijn, behalve wanneer stuk-ken worden toegevoegd of verwijderd door een ver-antwoordelijke, die daarvoor de toelating heeft. Het is gewaarborgd dat de verzekerde goederen te al-len tijde in een afgesloten kluis en/of bankkluis en/of safe en/of bank en/of bewaakte veiligheidsruimte zul-len worden bewaard wanneer ze niet ten toon gesteld zijn en niet onder de bewaring van een aangestelde of agent van de verzekerde zijn." (onderstrepingen van het Hof) Uit de bewoordingen van voormelde bepaling, de hoofding erboven ("voorwaarden") en de plaats in het certificaat (bij de definiëring van de verzekerde risico's) blijkt dat het afsluiten van de kluis een dekkingsvoorwaarde is. Op geen enkele wijze is het opbergen in een afgesloten kluis als een contrac-tuele verplichting omschreven, waarvan de niet-nakoming gesanctioneerd wordt met "een verval van dekking". Deze laatste bewoordingen komen niet uitdrukkelijk voor in de be-trokken bepaling. Uit art. 11 van de Landverzekeringswet van 25.6.1992 kan nochtans worden afgeleid dat de sanctie van verval van dekking uitdrukkelijk en schriftelijk moet wor-den bepaald in de polis. Het betreft een bepaling van dwin-gend recht. Het is duidelijk dat de verzekeraars alleen bereid zijn ge-weest de diamanten te verzekeren na de tentoonstel-lingsuren, wanneer ze in een afgesloten kluis werden opge-borgen. Dit werd aldus uitdrukkelijk gestipuleerd. Zij hebben zich geenszins bereid verklaard het risico van diefstal van de diamanten te dekken waar die zich ook zouden bevinden op de beurs. Overeenkomstig de hiervoor uiteengezette principes van de bewijsregeling inzake verzekeringen, is het bijgevolg duidelijk dat in casu verzekerde dient te bewijzen dat zij de kluis ook effectief heeft afgesloten.
  9. - Geïntimeerde voert hiertegen de hiernavolgende argu-mentatie, die echter niet kan worden gevolgd. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde het principiële onderscheid tussen een dekkingsvoorwaarde (omschrijving van het risico) en een grond tot verval van dekking niet betwist. Volgens geïntimeerde heeft het opbergen in een afgesloten kluis echter geen uitstaans met de omschrijving van het ver-zekerde risico als dusdanig. Zij argumenteert dat het in casu gaat om een verzekering "alle risico's", waarbij de omschrij-ving van het risico in de polis is verwoord in de term "alle risi-co's". Dat zij zich in deze polis heeft verbonden tot een bepaald gedrag met betrekking tot de goederen, sanctioneerbaar bij niet naleving, betekent volgens haar niet dat dit gedrag iets te maken heeft met de risico-omschrijving als dusdanig. De eerste rechter is geïntimeerde gevolgd in deze argumen-tatie en heeft geoordeeld dat het hier in casu om een "alle risico's" polis gaat, waarbij ieder materieel verlies of schade aan het verzekerde voorwerp (welke oorzaak ook) wordt ge-dekt gedurende de limitatief omschreven periode dat de ver-zekerde diamanten op de beurs in Hong Kong verbleven. Volgens de eerste rechter diende geïntimeerde enkel drie elementen te bewijzen om aan te tonen dat het schadegeval onder de dekking van de polis valt :

(1)dat er een diefstal van de verzekerde diamanten heeft plaats gevonden
(2)binnen de verzekerde periode
(3)op de beurs in Hong Kong. Volgens de eerste rechter heeft geïntimeerde aan deze be-wijslast voldaan. Appellanten hebben deze drie elementen op zich ook nooit betwist. Vervolgens wijst de eerste rechter erop dat de verzekerde er zich in de polis toe had verbonden de diamanten, buiten de tentoonstelllingsuren, in een gesloten kluis op te bergen. Met geïntimeerde is de eerste rechter van oordeel dat appellan-ten dienen te bewijzen dat dit in casu niet is gebeurd. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het hier inderdaad gaat om een verzekering "alle risico's", maar dat specifiek met betrekking tot het aspect diefstalverzekering een nauw-keurige en gedetailleerde omschrijving is gegeven van het verzekerd risico ("In respect of Loss by Theft,...." (vertaald : Ingeval van verlies ingevolge diefstal ...."), gevolgd door een omschrijving van specifieke omstandigheden waaronder de dekking geldt zowel tijdens als na de openingsuren van de tentoonstelling. De eerste rechter heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat zowel geïnti-meerde als de eerste rechter voorbij gaan aan de vaststelling dat in de polis geen sanctie verbonden werd aan de niet-naleving van de zogenaamde verplichting tot het opbergen in een afgesloten kluis. Er werd geen "verval van dekking" als "sanctie" voorzien. Dit is ook logisch, omdat het opbergen in een afgesloten kluis in de betrokken polis duidelijk gestipuleerd werd als een dekkingsvoorwaarde en niet als een vervalbepaling, zoals hierboven reeds werd uiteengezet. Het Hof dient trouwens met appellanten vast te stellen dat de eerste rechter geen uitdrukkelijk standpunt inneemt over de vraag of het opbergen in een afgesloten kluis nu dient be-schouwd te worden als een dekkingsvoorwaarde, dan wel als een vervalbepaling. De reden daarvoor is wellicht te vinden in het feit dat er inderdaad geen sanctiebepaling "verval van dekking" voorkomt in het verzekeringscertificaat. Het is dan ook ten onrechte dat de eerste rechter heeft ge-oordeeld dat de verzekeraar het niet nakomen van de door de verzekerde aangegane verplichting dient te bewijzen, om aldus bevrijd te zijn van zijn dekkingsplicht en dit conform art. 1315, 2e lid B.W. 4.- Geïntimeerde voert naast het argument met betrekking tot het type polis ("alle risico's") nog een andere argumentatie, met name inzake de bewijskracht van de eigen verklaring van de zaakvoer-der van geïntimeerde nopens de diefstal en de omstandigheden waarin deze heeft plaatsgevonden. Daarbij is het opmerkelijk dat zij in dat verband zelf stelt dat zij onder de principes inzake bewijslast bij diefstalverzekering ge-houden is het bewijs te leveren van de diefstal, van de omstan-digheden van de diefstal en van de waarde van de gestolen goe-deren (p. 11 van haar "Aanvullende en tevens hernemende be-roepsconclusie"). Dit betekent in feite dat zij erkent dat zij de bewijslast draagt van het feit dat het schadegeval onder de dekking van de polis valt en met name van het feit dat zij de diamanten had opgeborgen in een afgesloten kluis (de omstandigheden van de diefstal). Zij stelt terzake een afdoend bewijs te hebben geleverd en verwijst naar de verklaring van haar zaakvoerder na de dief-stal, waarin deze heeft gesteld de kluis te hebben afgeslo-ten. Geïntimeerde stelt zich op het standpunt dat inzake diefstal-verzekering een rechtspraak tot stand is gekomen, waarbij een soepelere bewijsregeling geldt ten aanzien van het slachtoffer van een diefstal. De goede trouw zou hier voorop staan. De aangifte en de verklaringen van de verzekerde zijn vol-gens geïntimeerde bewijsmiddelen op zich en deze zijn zelfs voldoende bewijskrachtig als de verklaringen oprecht en waarschijnlijk zijn. Aldus hebben volgens geïntimeerde haar eigen verklaringen na de diefstal de nodige bewijskracht conform art. 1315,1e lid B.W. Dit geldt volgens geïntimeerde niet enkel met betrek-king tot het feit van de diefstal, maar ook voor de verklaring nopens het afsluiten van de kluis op 24.9.
  1. Volgens ge-intimeerde bezit haar volledige verklaring deze bijzondere bewijskracht. Het is volgens geïntimeerde bijgevolg aan de verzekeraars om te bewijzen dat de kluis niet was afgesloten. Het Hof is het met geïntimeerde eens dat de rechtspraak een soepelere houding aanneemt voor wat het bewijs van het materiële feit van een diefstal betreft. Het Hof is het evenwel niet eens met geïntimeerde dat eenzijdige verklarin-gen van de verzekerde nopens de omstandigheden van de diefstal, zeker wanneer zij te maken hebben met de dek-kingsvoorwaarden, eenzelfde bewijskracht zouden hebben. In de hypothese van geïntimeerde zouden verzekerden steeds met een eenvoudige verklaring, afgelegd nà het sinis-ter, de basisprincipes inzake bewijsrecht in verzekeringen, zoals hoger uiteengezet onder punt B.1, onderuit halen. Een dergelijke zienswijze kan uiteraard niet gevolgd worden. Een eenzijdige verklaring vanwege de verzekerde nopens de omstandigheden van een diefstal is op zich geen bewijs. Het is gewoon een bewering waarvan de waarachtigheid door externe factoren moet worden aangetoond. Ten overvloede voegt het Hof er nog aan toe dat, zelfs in-dien geïntimeerde zou gevolgd worden in haar theoretische uiteenzetting, nl. dat aan de volledige verklaring van de ver-zekerde na een diefstal een bijzondere bewijskracht dient verleend te worden, toch dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde zelf erkent dat haar stelling slechts opgaat voor zover de verklaring van de verzekerde oprecht en waar-schijnlijk lijkt. Het feit dat de kluis, waarin de diamanten waren neergelegd, geen geweldsporen van inbraak vertoonde, laat in casu niet toe te stellen "dat het waarschijnlijk was dat de kluis was af-gesloten". 5.- Tenslotte dient te worden vastgesteld dat partijen de discussie omtrent de bewijslast nodeloos verzwaard hebben door het Engelse rechtsbegrip "warranty" daarin te betrek-ken, en dit omwille van de bepaling "It is warrented that mer-chandise covered hereon shall be kept in a locked safe ... when not being displayed ..." , vertaald door partijen als "Het is gewaarborgd dat de onder deze gedekte goederen te allen tijde in een gesloten kluis ... zullen worden bewaard wan-neer ze niet tentoongesteld zijn ...". Een inbreuk op een "warranty" naar Engels recht, dient on-der het Engelse recht door de verzekeraar te worden bewe-zen. Hierover zijn partijen het eens. Geïntimeerde erkent evenwel uitdrukkelijk dat het verzeke-ringscontract tussen partijen beheerst wordt door het Belgi-sche recht. Geïntimeerde erkent zelfs dat het hier gaat om een warranty te beoordelen naar Belgisch recht (p. 13 van de aanvullende en tevens hernemende beroepsconclusie van geïntimeerde), maar is desondanks van oordeel dat het Engelse recht als leidraad dient te worden gebruikt bij de hantering van een warranty, ingelast in een Belgisch verze-keringscontract. Zij is van oordeel dat ook op basis van deze redenering de bewijslast over het afsluiten van de kluis bij de verzekeraars ligt. Deze argumentatie gaat niet op, aangezien de rechtsver-houdingen tussen huidige gedingvoerende partijen volkomen beheerst worden door het Belgische recht. De tussen hen afgesloten verzekeringspolis dient dan ook enkel vanuit het Belgische recht te worden geanalyseerd en toegepast. Het feit dat de betrokken polis een product is van de Engelse verzekeringsmarkt, betekent niet dat in casu noodgedwon-gen de Engelse rechtsregels dienen te worden toegepast (weze het per analogie). Daar is trouwens geen nood aan. Het voorliggende verzekeringscontract kan perfect geanaly-seerd worden vanuit de Belgische bewijsregels inzake ver-zekeringsrecht. De eerste rechter heeft het Engelse recht eveneens betrok-ken in zijn motivering. Hij heeft zijn oordeel inzake de be-wijslast weliswaar niet gebaseerd op het Engelse recht, maar heeft wel opgemerkt dat zijn analyse inzake de bewijslast in onderhavig geschil strookt met de toepassing van het Engel-se rechtsbegrip warranty. Hierdoor heeft hij als het ware zijn motivering extra kracht willen bijzetten. Ten onrechte, zoals hierboven werd uiteengezet. 6.- Besluit : Gelet op al wat voorafgaat, dient te worden be-sloten dat geïntimeerde de bewijslast draagt van het feit dat zij de kluis effectief heeft afgesloten op de avond van 24.9.
  2. C. Feitelijke bewijsvoering Het staat vast dat de diefstal heeft plaatsgehad zonder dat de kluis werd opengebroken. Appellanten argumenteren dan ook dat geïntimeerde de kluis wellicht niet naar behoren heeft afgesloten. Zoals hierboven onder punt B werd uiteengezet, draagt geïn-timeerde de bewijslast van het feit dat dit wel gebeurde. Ap-pellanten stellen dat geïntimeerde dit bewijs niet levert. Het bewijs dat geïntimeerde naar voor brengt is tweeledig. Enerzijds meent zij door getuigenverklaringen te kunnen aantonen dat de kluis was afgesloten. Anderzijds meent zij te kunnen aantonen dat de kluis was afgesloten. Anderzijds meent zij te kunnen aantonen dat de diefstal heeft kunnen plaatsvinden, ongeacht het feit dat de kluis was afgesloten. Teneinde het aangedragen bewijsmateriaal naar behoren te kunnen evalueren is het noodzakelijk kennis te hebben van de wijze waarop de betrokken Fichet-kluis normaal diende te worden afgesloten. Geïntimeerde heeft terzake een duidelij-ke verklaring van de verhuurfirma van de kluis voorgelegd (stuk 14). Uit dit stuk blijkt dat de afsluiting in casu in drie stappen diende te gebeuren :
  3. het dichtdoen van de deur van de kluis,
  4. de hendel van de deur diende in horizontale stand te worden geplaatst (3-uurstand), hierdoor komen de metalen staven uit de zijkant van de deur die de deur afgrendelen,
  5. enkel daarna kan én moet de geheime cijfercode via een draaiknop worden ingesteld. Het is bovendien normaal dat vervolgens gecontroleerd wordt of de deur effectief is afgesloten. a. getuigenverklaringen De zaakvoerder van geïntimeerde en drie van haar bedien-den hebben driemaal verklaringen afgelegd omtrent de om-standigheden van de diefstal : een eerste maal aan de poli-tiediensten van Hong Kong, een tweede maal aan het exper-tisebureau Crawford (aangesteld door appellanten) en ver-volgens een derde maal aan het onderzoeksbureau Pinker-ton (aangesteld door geïntimeerde). Deze verschillende verklaringen zijn bij nader onderzoek in-houdelijk consistent te noemen. Zij leiden tot de volgende vaststellingen : - twee bedienden van geïntimeerde hebben de diamanten op de kwestieuze avond van 24.9.2002 in de kluis ge-legd, - één van deze bedienden (Mevr. Alexandrine Roels-Van Kerckvoorde) verklaart vervolgens de deur van de kluis te hebben dichtgedaan en met de hendel te hebben geslo-ten ("pushed the door " / "closed the door with the han-dle"), - vervolgens heeft de zaakvoerder van geïntimeerde, de heer Gon Raz, de kluis afgesloten ("locked"), - één getuige (Assaf Raz) vermeldt hierbij uitdrukkelijk dat dit gebeurde door het inbrengen van de geheime cijfer-code ("I then saw Gon lock the safe by means of a com-bination lock"), - een andere getuige (Ineke Symoens) verklaart dat zij zich herinnert dat de heer Gon Raz bezig was aan de deur ("I recall seeing him working on the door"), - mevrouw Alexandrine Roels-Van Kerckvoorde verklaart vervolgens dat zij de heer Gon Raz heeft zien controleren of de kluis wel slotvast was (" I do remember seeing Gon checking that it was secured"), - vervolgens heeft de heer Gon Raz de geheime code meegedeeld aan Assaf Raz. Aangezien appellanten geen bijzondere opmerkingen heb-ben geformuleerd over het feit dat de getuigen in kwestie bedienden waren van geïntimeerde, dient te worden geoor-deeld dat deze consistente getuigenverklaringen geloof-waardig en bewijskrachtig zijn. b. mogelijke scenario's Het tweede gedeelte van de bewijsvoering van geïntimeerde bestaat erin aan te tonen, dat ondanks het feit dat de kluis met de geheime cijfercode was afgesloten, er toch een dief-stal plaats kon vinden. Om dit na te gaan, heeft zij beroep gedaan op het detective-bureau Pinkerton. Het verslag van dit onderzoeksbureau heeft zij neergelegd als stuk
  6. In het verslag wijst het bureau Pinkerton vooreerst op het feit dat de algemene bewakingssituatie op de beurs op de avond van 24.9.2002 ontoereikend was, wellicht verklaarbaar door het feit dat de beurs pas de volgende dag officieel open ging. Wat de concrete situatie betreft rond de stand van Windiam, werd vastgesteld dat van boven deze stand mogelijks ie-mand met een videocamera het instellen van de code van de kluis heeft gevolgd (de stand was open langs boven). Uit de neergelegde foto's blijkt inderdaad dat iemand plaats kon vatten op de mezzanine boven de stand van Windiam, aan de achterzijde van een andere stand (dus zonder bijzonder op te vallen). Uit het verslag van Crawford blijkt dat de politie van Hong Kong deze mogelijkheid niet uitsloot, maar verder geen on-derzoek in die richting heeft gedaan. Appellanten vinden dit scenario ongeloofwaardig. Het Hof is van oordeel dat, alle omstandigheden in acht genomen, dit scenario niet volstrekt onmogelijk is. Vervolgens heeft het bureau Pinkerton vastgesteld dat de geheime cijfercode, die de zaakvoerder van geïntimeerde had gebruikt (10, 20, 30) niet zo veilig was. De verhuurfirma Safelock eist dat na de verhuur de gekozen cijfercombinatie op een papier wordt bevestigd op de buitenkant van de kluis, wanneer de kluis na de huurperiode terug wordt gehaald. Wetende dat geïntimeerde het jaar voordien aan dezelfde beurs had deelgenomen en van dezelfde verhuurfirma een kluis had gehuurd, is het bijgevolg niet uitgesloten dat de dieven geprobeerd hebben aan de hand van de cijfercombi-natie van het jaar voordien de kluis te openen. Geïntimeerde had blijkbaar de gewoonte overal steeds dezelfde cijfercom-binatie te gebruiken, wat in casu zou kunnen verklaren dat de kluis geopend werd door onbevoegden aan de hand van de juiste cijfercode. Appellanten hebben ten aanzien van dit naar voor gescho-ven scenario geen enkel verweer gevoerd in hun beroepsbe-sluiten. Het Hof is van oordeel dat dit tweede scenario inderdaad geloofwaardig is. Hier dient bovendien nog aan toegevoegd te worden dat de cijfercode door geïntimeerde gebruikt (10, 20, 30) in feite de cijfercombinatie is, die de fabrikant van de betrokken kluizen wereldwijd zelf gebruikt. Iemand die hiervan op de hoogte was, kon op goed geluk proberen de kluis te openen en hier-in nog slagen ook. Dit blijkt uit het Crawford-verslag. Het komt het Hof voor dat onder de gegeven omstandighe-den het inderdaad geenszins uitgesloten is dat onbevoegden kennis hebben genomen van de cijfercode (videocamera, oud nummer van vorig jaar, fabriekscijfercombinatie) en al-dus de diefstal hebben kunnen plegen zonder de kluis te moeten open breken. Geïntimeerde wijst bovendien ook nog op de verklaring van de heer Alan Lam, namens de firma Safelock, verhuurster van de kluis : " ... een expert in kluizen, uitgerust met profes-sionele gereedschappen, zou het combinatieslot kunnen openen binnen een duur van een half uur tot zeven uur. " (zie verslag Crawford nr 2, p.25). Uit de verklaring van de betrokkene kan evenwel niet afge-leid worden of de kluis dan sporen van inbraak zou vertonen. Hij heeft enkel geantwoord op de vraag of de kluis ook zon-der kennis van de cijfercode kan geopend worden. Bijgevolg kan de verklaring van de heer Lam niet als bijkomend argu-ment gelden. Desondanks is het Hof van oordeel dat het, gelet op al wat voorafgaat, afdoende bewezen is dat de kluis naar behoren was afgesloten met de geheime cijfercode en dat onbevoeg-den zich toch zonder inbraaksporen toegang hebben kunnen verschaffen tot de kluis. D. Subsidiair : Wat betreft de gevorderde bedragen
  7. gevorderde intresten De eerste rechter heeft intresten toegekend vanaf 25.9.2002, zijnde de datum waarop geïntimeerde het schadegeval aan appellanten heeft gemeld, met verzoek tot betaling van het bedrag van 2.048.255,31 USD. Het Hof is het met appellanten eens dat het schrijven, waarin voor het eerst een concreet bedrag gevorderd wordt, be-zwaarlijk reeds als een ingebrekestelling kan worden aan-zien. Dit laatste veronderstelt immers dat de schuldenaar reeds voordien kennis had van het bedrag dat van hem ge-vorderd wordt en dat hij nagelaten heeft dit te betalen. Zo-lang geen concreet bedrag wordt meegedeeld door een schuldeiser onder een verzekeringspolis, kan de betrokken schuld onmogelijk opeisbaar zijn. Appellanten gaan nog verder in hun redenering en stellen dat een verzekeringsschuld slechts opeisbaar wordt, wan-neer stavingsstukken ter schraging van de aanvraag tot uit-betaling worden meegedeeld. Appellanten laten evenwel na mee te delen vanaf welke datum de schuld volgens hen op-eisbaar is geworden. Het Hof dient vast te stellen dat de vraag naar het moment van opeisbaarheid van de uit te keren verzekeringsvergoe-ding noch contractueel, noch wettelijk werd geregeld. Der-halve dient het moment van opeisbaarheid te worden afge-leid uit de concrete omstandigheden. Pas wanneer een schuld opeisbaar is geworden, kan een aanmaning een nut-tig effect hebben en de intresten doen lopen vanaf de datum van aanmaning. Uit de briefwisseling tussen partijen blijkt dat voor geïnti-meerde de omvang van het uit te keren bedrag vrij snel vast-stond, aangezien het uit te keren bedrag contractueel was vastgelegd in de polis (verzekerde waarde). Er was dus geen tussenkomst nodig van een expert om het schadebedrag vast te stellen. Derhalve kan gesteld worden dat de schuld-vordering van geïntimeerde opeisbaar was, toen geïntimeer-de appellanten een eerste maal heeft aangemaand bij schrij-ven van 2.10.
  8. De controle door appellanten van dit bedrag aan de hand van stukken door geïntimeerde overgemaakt staat hieraan niet in de weg. De goedkeuring van appellanten omtrent het gevorderde bedrag is geenszins vereist opdat intresten zou-den kunnen lopen. Wanneer de verzekeraar de vordering van de verzekerde betwist en hij desgevallend vrijwillige uit-betaling weigert, is dit op zich geen beletsel voor het lopen van de moratoire intresten vanaf de eerste aanmaning. De verzekerde zal hier recht op hebben wanneer zijn eis ge-grond blijkt te zijn. Er dient evenwel te worden opgemerkt dat in casu geïnti-meerde in haar schrijven van 2.10.2002 aan appellanten een termijn van 14 dagen heeft gegeven om tot betaling over te gaan. Dit werd bevestigd bij schrijven van 9.10.2002 van de raadsman van geïntimeerde, waarin appellanten erop wer-den gewezen dat er vergoedende intresten aan 7 % zouden worden aangerekend vanaf 16.10.
  9. Gelet op al wat voorafgaat, is het Hof van oordeel dat geïn-timeerde in casu slechts aanspraak kan maken op moratoire intresten vanaf 16.10.
  10. Het beroep van appellanten is dan ook gegrond.
  11. eerste kapitalisatie van intresten (art.1154 B.W.) De eerste rechter heeft een kapitalisatie van intresten toege-staan voor de intresten vervallen tussen 25.9.2002 en 30.9.2003, ingevolge de aanvraag tot kapitalisatie van geïn-timeerde bij akte van 30.9.2003 (stuk 13 van geïntimeerde). Gelet op wat hiervoor is uiteengezet onder punt D.2, dient worden geconcludeerd dat op het moment van aanvraag tot kapitalisatie nog geen jaar intrest was verlopen, wat vereist is op grond van art. 1154 B.W. De kapitalisatie werd bijgevolg ten onrechte toegekend. Het beroep van appellanten is op dit punt dan ook gegrond. E. Het hoger beroep van derde appellante (rechtzet-ting van een materiële vergissing begaan in be-streden vonnis) De eerste rechter heeft, wellicht per vergissing, ten onrechte de verzekeraars van het Lloyd's Syndicaat TRH 1414 ( geen partij in deze zaak) veroordeeld in plaats van deze van het Lloyd's Syndicaat RTH
  12. Dit laatste syndicaat was wel partij in deze zaak, ingevolge zijn vrijwillige tussenkomst sa-men met de andere deelnemers van het syndicaat, doch niet als dusdanig vermeld in het vonnis. Partijen zijn het over dit punt eens. Het hoger beroep van het Lloyd's syndicaat TRH 1414 dient op dit punt dan ook gegrond te worden verklaard. IV. BEOORDELING VAN HET INCIDENTEEL BEROEP EN DE EISUITREIDINGEN VAN GEINTIMEERDE
  13. vergoeding voor het verlies van de diamanten : omzetting gevorderd bedrag in EUR Tussen partijen bestaat er geen betwisting over de omvang van het gevorderde bedrag als dusdanig, zijnde 2.045.899,11 USD. Geïntimeerde vordert evenwel de omzetting van voormeld bedrag in EUR, ondanks een uitdrukkelijke clausule in de polis dat de verzekeraars enkel gehouden zijn tot uitbetalin-gen in de munt waarin de premie werd betaald, zijnde in ca-su USD. Geïntimeerde meent dat wanneer appellanten hun verbinte-nissen onder de polis niet vrijwillig nakomen, zij toch een veroordeling in EUR mag nastreven omwille van het wissel-koersverlies ingevolge de vertraging bij de uitbetaling. De eerste rechter heeft deze omzetting in EUR geweigerd, omwille van het uitdrukkelijke beding in de overeenkomst dat de uitbetalingen onder de polis gebeuren in de munt van de premiebetaling. Geïntimeerde heeft terzake incidenteel beroep aangetekend en herneemt op dit punt haar oorspronkelijke vordering. Het beding waar appellanten zich op beroepen is volgens het Hof echter duidelijk : "Ongeacht de munt in dewelke het on-der deze verzekerde bedrag uitgedrukt is, wordt verstaan en overeengekomen dat de vorderingen onder deze betaald zullen worden in dezelfde munt als diegene waarin de pre-mie ontvangen werd ..." (muntconversieclausule vertaald door appellanten). De premie werd in casu betaald in USD. Bijgevolg dient de uitbetaling te gebeuren in USD. Het beding is terzake duide-lijk. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een vrijwilli-ge onmiddellijke betaling en een latere betaling na een ge-rechtelijke procedure. Terzake dient te worden opgemerkt dat in casu het verze-kerd bedrag eveneens in USD is uitgedrukt, zodat geïnti-meerde hoe dan ook geen aanspraak kan maken op een omzetting in EUR.
  14. Eisuitbreiding : bijkomende schadevergoeding wegens wisselkoersverlies In subsidiaire orde, vordert geïntimeerde een schadevergoe-ding uit hoofde van een wisselkoersverlies (voor de eerste maal in graad van beroep). Zij wijst erop dat zij verlies heeft geleden ingevolge het verschil in wisselkoers USD/EUR ge-durende de periode van drie jaar waarin de procedure liep. Dit verlies zou 542.470,15 EUR bedragen. Geïntimeerde argumenteert dat zij recht heeft op een volle-dige vergoeding van de door haar geleden schade, zodat zij dient vergoed te worden voor dit wisselkoersverlies. Het Hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat geïntimeerde contractueel een betaling in USD aanvaard heeft, zonder hierbij een eventuele wisselkoerscorrectie te voorzien, zij thans ook geen aanspraak kan maken op een bijkomende vergoeding voor het wisselkoersverlies. Het Hof herhaalt ook in deze dat de verzekerde waarde trouwens in USD (en niet in EUR) werd uitgedrukt. Geïntimeerde zou desgevallend enkel een onduidelijkheid in de muntconversieclausule hebben kunnen opwerpen indien de verzekerde waarde in een andere munt was uitgedrukt dan de munt waarin de premie werd betaald. In dat geval zou men kunnen argumenteren dat de contractuele conver-sie die was voorzien niet voldoende gepreciseerd is naar het tijdstip toe waarop de conversie moet berekend worden. On-duidelijke bedingen dienen echter naar Belgisch recht te worden geïnterpreteerd in het voordeel van degene die zich verbonden heeft, in casu de verzekeraars (art. 1162 BW.). Het Hof herhaalt echter dat geïntimeerde zich in casu zelfs niet kan beroepen op een dergelijke onduidelijkheid, wat concreet betekent dat zij a fortiori geen bijkomende vergoe-ding voor wisselkoersverlies kan vorderen. De arresten van het Hof van Cassatie, waarnaar geïntimeer-de in haar beroepsbesluiten verwijst (door loutere opgave van datum en vindplaats), blijken deels onvindbaar (verkeer-de of onvolledige referenties), ofwel betrekking te hebben op extra-contractuele schadevergoedingen. In de arresten waar het wel gaat om contractuele situaties, betreft het gevallen waar geen specifieke muntclausule inzake uit te betalen ver-goedingen is opgenomen. In feite gaat het in de geciteerde arresten over muntontwaarding als dusdanig. Gelet op al deze opmerkingen, zijn de Cassatie-arresten, waarnaar geïntimeerde refereert, niet overtuigend. Gelet op al wat voorafgaat, dient zowel de vordering tot om-zetting in EUR als de bijkomende nieuwe vordering (in sub-sidiaire orde) in betaling van schadevergoeding wegens wis-selkoersverlies, als ongegrond te worden afgewezen. Dien-volgens dient zowel het incidenteel beroep van geïntimeer-de, als de eisuitbreiding in graad van beroep van geïnti-meerde ongegrond te worden verklaard.
  15. Eisuitbreiding : tweede kapitalisatie van de intresten (art. 1154 B.W.) Hangende de procedure in beroep is geïntimeerde ander-maal overgegaan tot kapitalisatie-aanvraag van de vervallen intresten, met name bij deurwaardersexploot van 9.11.
  16. Het is duidelijk dat op dat ogenblik reeds meer dan één jaar intresten vervallen waren. Bijgevolg voldoet deze tweede kapitalisatie-aanvraag aan de wettelijke vereisten van art. 1154 B.W. Het hoofdbedrag dient bijgevolg te worden ver-meerderd met de intresten vervallen vanaf 30.9.2003 tot 9.11.2004 (kapitalisatie enkel hiervoor gevraagd).
  17. Eisuitbreiding : advokaatkosten Geïntimeerde vordert voor de eerste maal in hoger beroep een vergoeding voor haar advokaatkosten, die zij provisio-neel begroot op 1 EUR, en dit op grond van het arrest van het Hof van Cassatie d.d. 2.9.
  18. Appellanten betwisten niet de toelaatbaarheid van deze vor-dering, doch enkel de gegrondheid ervan. Zij stellen dat het niet om een complexe zaak gaat, die de tussenkomst van een advocaat, laat staan van twee advoca-ten, noodzakelijk maakt. Het Hof is van oordeel dat het in casu wel degelijk om een complexe zaak gaat, die de tussenkomst van een Belgische advocaat noodzakelijk maakte. De provisionele vordering ten bedrage van 1 EUR dient der-halve te worden toegekend. OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni
  19. Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar, doch slechts in de hiernavolgende mate gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde toelaat-baar, doch slechts in de hiernavolgende mate gegrond. Binnen de perken van het hoger beroep van appellanten en het incidenteel beroep van geïntimeerde, Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het een veroorde-ling uitspreekt ten belope van een hoofdbedrag van 2.045.899,11 USD en de omzetting in EUR afwijst. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het alle appellan-ten, inclusief derde appellante, veroordeelde tot betaling van voormeld hoofdbedrag van 2.045.899,11 USD, ieder voor haar aandeel, en opnieuw recht doende veroordeelt appel-lanten, met uitzondering van derde appellante, tot betaling van voormeld hoofdbedrag, ieder ten belope van haar aan-deel. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het verwijlintresten toekende vanaf 25.9.2002 en opnieuw recht doende, veroor-deelt appellanten, met uitzondering van derde appellante, tot betaling van de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16.10.2002 tot de datum van dagvaarding, zijnde 2.12.2002, en de gerechtelijke intresten vanaf 2.12.2002 tot de datum van effectieve betaling. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het een eerste ka-pitalisatie toekende van intresten vervallen in de periode 25.9.2002 tot 30.9.2003, en opnieuw recht doende zegt voor recht dat de vordering tot kapitalisatie van de intresten ver-vallen in voornoemde periode ongegrond is. Wijst deze vor-dering dienvolgens af. Recht doende op de eisuitbreidingen van geïntimeerde, - Verklaart de eisuitbreiding van geïntimeerde met betrek-king tot de tweede gevorderde kapitalisatie gegrond. Dienvolgens zegt voor recht dat de verwijlintresten vervallen in de periode 30.9.2003 tot 9.11.2004 gekapitaliseerd wor-den op datum van 9.11.2004 en vanaf dat ogenblik zelf wet-telijke verwijlintresten opbrengen, zoals hierboven nader ge-preciseerd met betrekking tot het hoofdbedrag. - Verklaart de eisuitbreiding van geïntimeerde met betrek-king tot de advocaatkosten gegrond. Dienvolgens veroor-deelt appellanten, met uitzondering van derde appellante, tot betaling van 1 EUR provisioneel, ieder ten belope van haar aandeel. - Verklaart de eisuitbreiding van geïntimeerde met betrek-king tot een schadevergoeding voor wisselkoersverlies on-gegrond. Dienvolgens wijst deze vordering af. Verwijst appellanten, met uitzondering van derde appellante, in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van geïnti-meerde volgens opgave in conclusie begroot op 466,05 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van DERTIG JANUARI TWEEDUIZENDZES, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter de Heer P. DE BAETS Raadsheer Mevrouw A. VAN MUYLDER Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier M. Van Ammelen P. Renaers A. Van Muylder P. De Baets Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.