id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060201.11 Rolnummer: 2004AR3122 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 141 - laatst gezien 2026-07-01 04:08 Fiche Een gemeentebestuur die bewaarder is van een rioleringsnet dat door terugloop van rioolwater wateroverlast veroorzaakt op een erf van een op dat net aangesloten woning, kan zich geldig van zijn aansprakelijkheid bevrijden door deze bevrijding op te nemen in de vergunning die zij aan de aangelanden verleend om op het rioleringsnet aan te sluiten. Dergelijke vergunning is een administratieve rechtshandeling. De rechtsverhouding die daardoor ontstaat is van reglementaire aard en is vreemd aan het gemeenrechtelijk contractbegrip. De geldigheid van een bevrijdingsbeding dat in een administratieve vergunning is opgenomen, moet door de justitiële rechter getoetst worden aan de beginselen van behoorlijk bestuur. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden: Aansprakelijkheid als bewaarder van een gebrekkige zaak - rioleringsnet - rechtsverhouding tussen gemeente en burger - reglement - bevrijdingsclausule Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/3122
- L.E.,
- H.M., appellanten, vertegenwoordigd door Mr. A. DIERCKXSENS loco Mr. DRIESSEN Jos, advocaat te 3665 AS, Nieuwstraat 21 tegen het vonnis gewezen op 13 oktober 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren tegen STAD GENK, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, met burelen te 3600 GENK, Dieplaan 2, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Steven MENTEN loco Mr. BIJNENS Marc, advocaat te 3600 GENK, Europalaan 50 ***
- Wat voorafgaat. 1.
- L.E. en M.H. zijn eigenaars van een woning te ... . Op 12 december 1999 en later nog op 16 september 2000 zou er wateroverlast in hun woning, meer bepaald in de kelders ontstaan zijn ten gevolge van terugvloei van rioolwater. De eerste keer wegens het uitvallen van een pompinstallatie aan de ... straat. De tweede maal wegens de overbelasting van het rioleringsnet. 1.
- In een dagvaarding van 21 december 2000 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren hebben L.E. en H.M. de veroordeling gevorderd van de Stad Genk tot de betaling van een schadevergoeding van euro 8 724,61, vermeerderd met de vergoedende interesten op euro 8 104,88 vanaf 12 december 1999 en op euro 619,73 vanaf 16 september
- Zij lieten hun eis steunen op art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. 1.
- In een tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 2 oktober 2002 werd de eis van partijen L.E. en H.M. ontvankelijk verklaard en werd, vooraleer over de grond te oordelen, een deskundigenonderzoek bevolen. 1.
- Gerechtsdeskundige architect Jos Vermeylen heeft zijn opdracht uitgevoerd en legde zijn verslag neer op 5 juni
- Zijn besluit luidde: "De geleden schade op 12 december 1999 en op 16 september 2000 is niet noodzakelijk het gevolg van technische storingen in het openbare rioleringsnet. De aansluitingsvoorschriften, vermelden dat de gemeentelijke overheid niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor schade ten gevolge van het terugvloeien van rioleringswater. Verweerder heeft nagelaten de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen om te voorkomen dat eventueel schade zou berokkend worden door terugvloeiend water. De huishoudelijke riolering is zelfs zo aangelegd dat een eventuele verstopping in deze riolering al aanleiding zal geven tot waterschade in de kelder. Verweerder had deze problemen kunnen voorkomen door het deskundig aanleggen van de riolering of het plaatsen van een terugslagklep. De geleden schade kan bijgevolg niet verhaald worden op aanlegster." 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 13 oktober 2004 heeft de oorspronkelijke eis van L.E. en H.M. ongegrond verklaard en hen verwezen in alle proceskosten. De eerste rechter, die de besluiten van de gerechtsdeskundige volgde, oordeelde dat geen fout van de Stad Genk bewezen was. 1.
- L.E. en H.M., hierna appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 3 december
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 3 januari
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellanten vorderen dat hun oorspronkelijke eis, voormeld, bij hervorming van het beroepen vonnis integraal zou worden toegekend met verwijzing van geïntimeerde in alle proceskosten. 2.
- De Stad Genk, hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellanten en tot de bevestiging van het beroepen vonnis. Zij verzoekt appellanten te verwijzen in de gedingkosten in hoger beroep.
- De beoordeling. 3.
- Geïntimeerde betwist niet dat appellanten op 12 december 1999 en op 16 september 2000 in hun woning, inzonderheid in de kelder, geconfronteerd werden met wateroverlast. De omvang van de daardoor opgelopen schade wordt niet meer aangevochten nadat deze op tegenspraak werd vastgesteld (processen-verbaal van schaderaming van 3 april 2000 en van 13 november 2000). Uit het deskundigenonderzoek blijkt afdoende dat de oorzaak van de wateroverlast in beide schadegevallen gelegen was in het terugvloeien van rioolwater bij overbelasting van het openbaar rioleringsnet waarbij er dan ook geen water meer kon afvloeien van de private riolering van appellanten naar de openbare riolering (gerechtsdeskundige J. Vermeylen: "Bij een overbelasting van het rioleringsnet heeft het rioleringswater dus kans vrij door de rioleringsbuis van de toezichtsput naar de kelder te vloeien" - deskundigenverslag, p. 6, punt 6 in fine). Volgens appellanten ontstond de terugloop van het rioolwater in december 1999 door het uitvallen van de pompinstallaties van geïntimeerde, terwijl deze in september 2000 te wijten was aan een overbelasting van het rioleringsstelsel door hevige regenval. Appellanten hebben hun eis tot schadeloosstelling laten steunen op de buitencontractuele aansprakelijkheid van geïntimeerde met verwijzing naar de fout van geïntimeerde (art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek), terwijl zij volgens hun conclusie eigenlijk de aansprakelijkheid van geïntimeerde bedoelen als bewaarder van een gebrekkige zaak (art. 1384, 1° van het Burgerlijk Wetboek), met name van een rioleringsstelsel dat op 12 december 1999 gebrekkig zou geweest zijn door het uitvallen van de pompinstallatie, en op 16 september 2000 wegens een ontoereikende afvoercapaciteit. Volgens geïntimeerde vertoonde de pompinstallatie ten tijde van het eerste schadegeval geen gebrek en was het uitvallen daarvan enkel te wijten aan een elektriciteitsonderbreking, terwijl zij voor beide schadegevallen verwijst naar de overvloedige regenval die als overmacht zou gelden. 3.
- Geïntimeerde werpt echter ook tegen dat zij, ongeacht nog het debat over het bestaan van een gebrek van het openbaar rioleringsnet, niet aansprakelijk kan worden gesteld op basis van art. 14 van de voorwaarden die deel uitmaakten van de beslissing van haar College van Burgemeester en Schepenen van 11 september 1974, inhoudend de vergunning van appellanten tot aansluiting van hun woning op het openbaar rioleringsnet, dat luidt als volgt: "De gemeente kan niet verantwoordelijk gesteld worden door de vergunninghouder voor schade eventueel opgelopen bij terugloop van rioolwaters naar zijn woning." Appellanten betwisten niet dat hun vergunning tot aansluiting op het openbaar rioleringsnet onder die voorwaarde werd verleend. Zij betwisten wel de geldigheid van deze voorwaarde. De voorwaarde drukt een bevrijding van aansprakelijkheid uit. 3.
- Appellanten laten hiertegen vooreerst gelden dat de geldigheid van een "contractuele aansprakelijkheidsbeperking" vereist dat de mogelijkheid bestaat deze al dan niet te aanvaarden, wat te dezen niet het geval zou geweest zijn, en dat dan nog moet bewezen worden dat zij deze clausule kenden, of minstens moesten kennen, en dat zij er mee instemden. Geïntimeerde wijst de contractuele grondslag van art. 14 in kwestie af en benadrukt dat het een eenzijdig aan alle burgers van de gemeente door het gemeentebestuur opgelegde voorwaarde is voor het verlenen van een vergunning tot aansluiting op het openbaar rioleringsnet. 3.
- De vergunning die de gemeentelijke overheid aan een burger verleent tot het aansluiten van zijn woning op het openbaar rioleringsnet is een administratieve rechtshandeling waarbij, zoals te dezen, door de overheid in het kader van de openbare dienst eenzijdig uitgevaardigde en algemeen geldende regels worden opgelegd aan de vergunninghouder. De rechtsverhouding die aldus ontstaat tussen de gemeente en de burger - vergunninghouder is van reglementaire aard. Nu deze rechtsverhouding kadert in de openbare dienst sluit dit uit dat deze verenigbaar is met het gemeenrechtelijk contractbegrip. De door appellanten aangehaalde geldigheidsvereisten uit het contractenrecht, zoals de toestemming, zijn terzake niet dienend. De vaststelling dat de rechtsverhouding van partijen te dezen van reglementaire aard is, sluit uiteraard niet uit dat de justitiële rechter vermag na te gaan of de uitgevaardigde bevrijdingsclausule geoorloofd is. Het te hanteren normenstelsel is dan te vinden in de vereisten van de continuïteit van de openbare dienst en in de beginselen van behoorlijk bestuur. Appellanten voeren aan dat een clausule waarbij het openbaar bestuur van aansprakelijkheid is bevrijd ongeacht de oorzaak van de schade, strijdig is met het redelijkheidsbeginsel. Zij menen dat de clausule daarom ongeoorloofd is. De bevrijding van aansprakelijkheid is niet algemeen doch door de clausule beperkt tot de gevallen van de terugloop van rioolwater uit de openbare riolering naar de woning van de vergunninghouder. Uit het advies van de gerechtsdeskundige blijkt dat de schade door het terugvloeien van rioolwater kan worden voorkomen door daarmee rekening te houden bij de aanleg van het huishoudelijk rioleringsnet van de vergunninghouder of door het plaatsen van een terugslagklep. Voor de vergunninghouders is het aldus in het algemeen nogal eenvoudig om de schade door terugloop van rioolwater te voorkomen en is deze inspanning tot bescherming van zijn eigen private goederen in het algemeen eerder gering is. Hij kan dan ook met het oog op de bevrijdingsclausule zijn afweging maken of hij deze inspanning al dan niet levert, mede in het licht van de waarschijnlijkheid van een schadegeval (appellanten geven toe dat zij in 28 jaar geen problemen kenden met de riolering). Daartegenover staat het algemeen belang in het kader waarvan het gemeentebestuur instaat voor de bouw en de instandhouding van het openbaar rioleringsnet met alle daaraan verbonden lasten. Bij de afweging van deze belangen komt het niet willekeurig voor de bevrijdingsclausule in kwestie op te leggen voor de gevallen van schade door terugloop van rioolwater, maar is deze clausule in alle redelijkheid te aanvaarden. Het is door appellanten dan ook niet aangetoond dat de bevrijdingsclausule, in kwestie, strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur. Er wordt besloten dat deze geldig is. 3.
- De toepassing van art. 14 van de vergunning voor de aansluiting van de woning van appellanten op het openbaar rioleringsnet staat de toewijzing van de eis tot schadeloosstelling te dezen in de weg. Daardoor is het niet meer dienend voor de oplossing van het geschil de argumentatie van partijen te ontmoeten over het al dan niet bestaan van een gebrek in het openbaar rioleringstelsel uit oorzaak waarvan de schadegevallen in kwestie zouden zijn voortgekomen. Geïntimeerde is door voormeld art. 14 van haar eventuele aansprakelijkheid bevrijd. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen, mits aanpassing en wijziging van de redengeving zoals voormeld. Verwijst appellanten in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 475,
- Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 1 februari
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060201.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div