← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060208.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060208.9 Rolnummer: 2001AR2966 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 04:09 Fiche De verzekerde die in het kader van een indemnitaire verzekeringsovereenkomst aanspraak wenst te maken op dekking door de verzekeraar, moet aantonen dat hij beschikt over een belang bij het behoud van de zaak of bij de gaafheid van het vermogen. Dit belang moet, aldus artikel 37 WLVO, in geld waardeerbaar zijn. Het vereiste dat de verzekerde een belang moet aantonen bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst, is van openbare orde. Het verzekerbaar belang is te dezen dat de verzekerde gebeurtenis, met name de brand van het verzekerd goed, zich niet zou voltrekken, of met andere woorden dat het verzekerd goed intact zou blijven, wat in onderhavig geval nu juist ongeoorloofd is wegens het definitief rechterlijk afbraakbevel. De verzekerde sloot een overeenkomst af waarvan het voorwerp met name bestond in de dekking van een aan haar toebehorende loods tegen brand. Deze verzekeringsovereenkomst, had duidelijk tot doel, minstens tot gevolg dat een ongeoorloofde toestand, namelijk de bouw en het bestaan van een zonder vergunning gebouwd pand waarvan de afbraak werd bevolen, mogelijk te maken of in stand te houden. De beweegreden voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in kwestie bestond er in om een met de openbare orde strijdige toestand in stand te houden, en aan de verzekerde aldus een voordeel te verschaffen dat gebaseerd is op een strafbaar feit. Dergelijke beweegreden is niet geoorloofd, zodat de (verzekerings)overeenkomst tussen partijen, volstrekt nietig is en derhalve geen gevolgen kan hebben. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Verbreking causaal verband Vrije woorden: Verzekeringen - brand - wederrechtelijk instandgehouden constructie - voorwerp van de brandverzekering - verzekerbaar belang - ongeoorloofd belang - volstrekte nietigheid verzekeringscontract Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2001/AR/2966 CAU-BOUW TEGELS NV, met maatschappelijke zetel te 3560 LUMMEN, Molemstraat 87, H.R. HASSELT nr. 48.348 appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. COECK loco Mr. BORGERS André, advocaat te 3560 LUMMEN, Ringlaan 15 tegen het vonnis gewezen op 29 oktober 2001 door de Rechtbank van koophandel te Hasselt tegen 1. ING Insurance NV, voorheen DE VADERLANDSCHE NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Desguinlei 92, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, onder het nummer 1139, KBO-nummer 0403.200.393 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. SCHUERMANS Luc, advocaat te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112 2. VDL & INTERASS NV, met maatschappelijke zetel te 9800 DEINZE, Poelstraat 153, ingeschreven in het handelsregister te Gent, onder het nummer 171.085, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. N. MOONS loco Mr. JANS Jos, advocaat te 3500 HASSELT, Havermarkt 30/4 *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van Koophandel te Hasselt op 29 oktober 2001, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof op 28 december 2001, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Gezien de naamswijziging vanaf 1 januari 2002 van de N.V. DE VADERLANDSCHE, eerste geïntimeerde, in N.V. ING Insurance, zoals blijkt uit de publicatie in het Belgisch Staatsblad d.d. 12 januari 2002, zoals bijgebracht door de raadsman van eerste geïntimeerde. Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat haar oorspronkelijke vordering gegrond zou worden verklaard en dat dienvolgens geïntimeerden hoofdelijk en solidair, minstens de ene bij gebreke van de andere, zouden worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van 223.104,17 EUR, meer de wettelijke interesten vanaf de datum van de brand, zijnde 3 augustus 1998, en daarna de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. In ondergeschikte orde streeft zij na dat 1) zou worden overgegaan tot het ambtshalve verhoor van de heer V.V. , nl. om deze te vragen op welke werken en op welk gebouw diens ereloonnota van 16 juni 1998 betrekking heeft 2) hij zou worden toegelaten om met getuigen te bewijzen dat kwestieus gebouw vóór het schadegeval niet bouwvallig of bestemd voor afbraak was. In meer ondergeschikte orde streeft zij na dat de N.V. ING Insurance, voorheen de N.V. DE VADERLANDSCHE, huidige eerste geïntimeerde, zou worden veroordeeld tot terugbetaling van alle premies, bedrag provisioneel te begroten op 1 EUR, meer de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de data waarop de betalingen zijn geschied. Eerste geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding. Verder stelt eerste geïntimeerde een tegeneis in, waarbij zij nastreeft dat appellante zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van 1 EUR provisioneel uit hoofde van geleden schade voor de betaling van kosten en erelonen van de geraadpleegde advocaat in de mate dat deze kosten de rechtsplegingsvergoeding zouden overschrijden. Ondergeschikt streeft eerste geïntimeerde na dat tevens recht zou worden gedaan op de incidentele beroepen en dat aldus de verzekeringsovereenkomst afgesloten tussen de N.V. CAU-BOUW Tegels en haarzelf, gekend onder het nummer 0300039074H nietig zou worden verklaard in het nadeel van appellante. In de meest ondergeschikte orde streeft zij na dat minstens de vordering m.b.t. de gebouwschade zou worden beperkt tot 80% ervan, te weten: 127.873,40 EUR en dat de totale vordering zou worden verminderd met de franchise ten bedrage van 177,39 EUR en dat al het overige gevorderde als ongegrond zou worden afgewezen. Tweede geïntimeerde verzoekt in haar beroepsconclusies in de eerste plaats dat huidige procedure zou worden geschorst in afwachting van de afhandeling van de strafrechterlijke procedure. Ter zitting werd door partijen evenwel bevestigd dat ondertussen het strafonderzoek werd beëindigd en dat het strafdossier zonder gevolg werd geseponeerd. Tweede geïntimeerde concludeert in dat geval tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis, tenminste wat haar betreft. In ondergeschikte orde streeft zij na dat de vordering van appellante opzichtens haar slechts deels gegrond zou worden verklaard, met name voor een bedrag van 133,86 EUR. Tevens streeft zij na dat haar eis in vrijwaring bij tussenvordering gegrond zou worden verklaard en dat dienvolgens eerste geïntimeerde zou worden veroordeeld haar te vrijwaren voor alles waartoe zij zou veroordeeld worden. °°°°°°°°°°°° De doelstellingen van de door appellante ingestelde vordering alsmede de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, werden naar behoren toegelicht in het bestreden vonnis, zodat het Hof ernaar verwijst. Voor de goede orde worden de feitelijke gegevens hier nog eens kort samengevat: - op 3 augustus 1998 omstreeks 2.45u werd de eigendom van appellante, gelegen .... te ..., getroffen door een zware brand, welke het gebouw en de inboedel zwaar beschadigde. - de N.V. ING Insurance, voorheen de N.V. DE VADERLANDSCHE, is de verzekeraar van appellante, voor wat betreft het betrokken risico, afgesloten in 1997 met ingang van 1 oktober 1997 - tweede geïntimeerde is als verzekeringsmakelaar opgetreden voor het afsluiten van deze brandpolis. - De N.V. ING Insurance weigerde de schade te vergoeden, stellende daartoe niet gehouden te zijn omdat bleek dat kwestieus gebouw opgericht was zonder voorafgaandelijke bouwvergunning en derhalve in strijd met de wettelijke reglementeringen. - Het magazijn/ overdekte stapelplaats in kwestie was eertijds eigendom van de heer en mevrouw C. -P.. - op 14 september 1975 richtte de heer C. de N.V. CAU-BOUW Tegels, huidige appellante, op. - bij vonnis van de 4de Kamer van de correctionele rechtbank van Hasselt d.d. 7 december 1981 werd de heer R.C.als mede-eigenaar - opdrachtgever (samen met de aannemer V.) veroordeeld tot een geldboete van 100 BF wegens het bouwen van die bewuste overdekte stapelplaats zonder voorafgaandelijke schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen en wegens het in stand houden van dit bouwwerk vanaf 1 oktober 1978. Tevens werd aan de heer C. het bevel opgelegd de plaats in de vorige staat te herstellen binnen de drie maanden van het in kracht van gewijsde gaan van het betrokken vonnis. - Op 13 september 1990 verkochten de heer en mevrouw C.-P. de grond waar het vermelde gebouw op staat, aan de N.V. CAU-BOUW Tegels, bij authentieke akte verleden voor notaris Hendrickx d.d. 13 september 1990, waarin de verkopers verklaarden "dat de bestaande gebouwen aan de kopende vennootschap toebehoren, aangezien zij zijn opgericht geworden in haar opdracht en op haar kosten na mondelinge verzaking aan het recht van natrekking en bouwtoelating, hetgeen de kopende vennootschap ten aanzien van derden kan aantonen met onder meer regelmatig opgestelde facturen betreffende de bouw, haar getrouw gevoerde boekhouding en de documenten betreffende het hierna vermeld krediet, haar toegestaan voor de financiering van de gebouwen door de N.V. BBL te Brussel." Tevens werd in de verkoopsakte uitdrukkelijk melding gemaakt van het tussengekomen vonnis waarbij de verkopers, de heer en mevrouw C. veroordeeld werden en bevolen werden de plaats in de vorige staat te herstellen. De notaris wees de partijen op de gevolgen en risico's die uit deze veroordeling volgen..... - Via de tussenkomst van de verzekeringsmakelaar VDL & Interass werd dan ter dekking van het brandrisico en aanverwante waarborgen een polis onderschreven door appellante bij de N.V. DE VADERLANDSCHE op 20 mei 1997 met als verzekerd kapitaal 223.104,17 EUR (aan ABEX-index 469) en dit met ingang op 1 oktober 1997. - Volgens appellante zou zij haar specifieke situatie hebben uitgelegd aan haar verzekeringsmakelaar en zou zij aan de makelaar opdracht hebben gegeven om te onderzoeken of het kwestieuze gebouw in die toestand wel verzekerbaar was. VDL & INTERASS ontkent dit evenwel met klem. Vast staat dat voor de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst door appellante geen vragenlijst werd ingevuld en dat de VADERLANDSCHE geen controle nopens het risico uitoefende. - Na de brand op 3 augustus 1998 werd op 25 augustus 1998 de schade tegensprekelijk begroot op 7.463.000 BF, doch op 20 oktober 1998 schreef de N.V. DE VADERLANDSCHE dat zij geen dekking kon verlenen om bovenvermelde redenen. - Appellante vordert bij wijze van huidige procedure de betaling van het verzekerd kapitaal, zijnde 223.104,17 EUR, meer interesten en kosten, ondergeschikt, zoals reeds hiervoor aangehaald, dat · zou worden overgegaan tot het ambtshalve verhoor van de heer V.V, nl om deze te vragen op welke werken en op welk gebouw diens ereloonnota van 16 juni 1998 betrekking heeft · hij zou worden toegelaten om met getuigen te bewijzen dat kwestieus gebouw vóór het schadegeval niet bouwvallig of bestemd voor afbraak was. In meer ondergeschikte orde streeft zij na dat de N.V. ING Insurance, voorheen de N.V. DE VADERLANDSCHE, huidige eerste geïntimeerde, zou worden veroordeeld tot terugbetaling van alle premies, bedrag provisioneel te begroten op 1 EUR, meer de interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf de data waarop de betalingen zijn geschied. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond wegens nietigheid van de verzekeringsovereenkomst krachtens artikel 6 W.L.V.O. (verzwijging) en appellante werd veroordeeld tot de kosten van het geding.. °°°°°°°°°°° I. Ten aanzien van eerste geïntimeerde. Zoals voor de eerste rechter stelt eerste geïntimeerde in de eerste plaats dat uit het feitenrelaas, zoals hiervoor uiteengezet, moet worden besloten dat appellante bij het onderschrijven van de verzekeringsovereenkomst op dat ogenblik geen verzekerbaar belang meer had in de zin van artikel 37 van de wet op de Landverzekeringsovereenkomst, minstens dat het belang/de oorzaak van de verzekeringsovereenkomst in casu ongeoorloofd was en dat de verzekeringsovereenkomst bijgevolg nietig is. De eerste rechter volgde dit standpunt van eerste geïntimeerde niet en oordeelde dat appellante wél over het vereiste verzekerbaar belang beschikte bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst en dat er geen sprake is van strijdigheid van het voorwerp van de verzekeringsovereenkomst met de openbare orde. Volgens de eerste rechter kocht appellante de opslagplaats ongetwijfeld in het kader van haar beroepsactiviteiten aan en had zij zich, indien de loods in kwestie geen enkele financiële of economische waarde zou vertonen, het onroerend goed niet aangeschaft. De eerste rechter oordeelde dat het pand aldus een economische waarde vertegenwoordigde voor appellante en dat deze dan ook over het vereiste (verzekerbaar) belang beschikte. Nog volgens de eerste rechter maakt in casu het voorwerp (of de oorzaak) van de overeenkomst in kwestie geenszins een promotie uit van een ongeoorloofde situatie, hetgeen het criterium is om een overeenkomst op haar geoorloofdheid te toetsen. De verzekerde die in het kader van een indemnitaire verzekeringsovereenkomst aanspraak wenst te maken op dekking door de verzekeraar, moet aantonen dat hij beschikt over een belang bij het behoud van de zaak of bij de gaafheid van het vermogen. Dit belang moet, aldus artikel 37 van de wet op de Landverzekeringsovereenkomst, in geld waardeerbaar zijn. Het vereiste dat de verzekerde een belang moet aantonen bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst, is van openbare orde. Zoals in de Memorie van Toelichting bij voormelde wet wordt gesteld, ligt de ratio legis van artikel 37 in de essentie zelf van een verzekeringsovereenkomst. Bij een indemnitaire verzekering wenst een verzekeringnemer/verzekerde zich te vrijwaren tegen de gevolgen van een bepaalde en onzekere schadeverwekkende gebeurtenis. Het spreekt voor zich dat die verzekeringnemer/verzekerde maar schade kan oplopen, in de mate hij over een materieel belang beschikt bij het behoud van de verzekerde zaak, of in de mate waarin een potentieel geldelijk verlies zijn patrimonium bedreigt. Luidens artikel 1108 B.W. zijn voor de geldigheid van elke rechtshandeling vier voorwaarden vereist, nl (

  1. i)de toestemming van de partij die zich verbindt (
  2. ii)haar bekwaamheid om contracten aan te gaan, (iii) een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis en (iiii) een geoorloofde oorzaak als verbintenis. In casu wordt niet betwist dat er toestemming is geweest tussen partijen en tevens de bekwaamheid om contracten aan te gaan. Ook blijkt uit de feitelijke gegevens, zoals hiervoor uiteengezet, dat de verzekeringsovereenkomst tussen partijen een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis had, met name de verzekering van het litigieuze pand tegen brand. Artikel 1108 B.W. vereist ook dat de oorzaak van de overeenkomst d.w.z. de doorslaggevende beweegredenen van de partijen en dus de doelstellingen van de overeenkomst, geoorloofd moet zijn. Deze vereiste moet in verband gebracht worden met artikel 6 B.W. volgens hetwelk aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden aanbelangen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk kan worden gedaan. Artikel 1133 B.W. bepaalt aldus dat de oorzaak ongeoorloofd is wanneer zij door de wet verboden is, of wanneer zij strijdig is met de goede zeden of met de openbare orde. Noch de wet, noch de hoven en rechtbanken mogen meewerken en uitwerking verlenen aan overeenkomsten tussen particulieren die de openbare orde of de goede zeden zouden schenden. Artikel 1133 B.W. bepaalt meer in het bijzonder dat een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak of uit een ongeoorloofde oorzaak, nietig is en derhalve geen gevolg kan hebben. De artikelen 6, 1108, 1131 en 1133 B.W. nemen enkel de traditionele regel over volgens welke de openbare orde verbiedt dat tussen particulieren overeenkomsten worden gesloten die strijdig zijn met het algemeen belang, omdat de oorzaak of het gevolg ervan ongeoorloofd is. De wetgever heeft aldus de overeenkomsten met een ongeoorloofde oorzaak of doel willen verbieden en strafbaar stellen. In een brandverzekering, zoals in casu, heeft de verbintenis van de verzekeraar tot voorwerp de eigenaar van een gebouw te vrijwaren tegen het risico van brandschade. Benadrukt dient te worden dat het gebouw het gevaarsobject is en niet het voorwerp van de verbintenis in juridische zin. Het voorwerp van de verbintenis van de verzekeraar in juridische zin is de bescherming van het verzekerbaar belang, nl het belang dat voor verzekering in aanmerking komt. Welnu, dit belang, dat, zoals reeds aangehaald, overeenkomstig artikel 37 van de wet op de Landverzekeringsovereenkomst, in geld waardeerbaar moet zijn, moet bovendien geoorloofd zijn, d.w.z. mag geen middel zijn om een onrechtmatige of ongeoorloofde toestand te bereiken of in stand te houden. Dit wordt overigens met zoveel woorden ook bepaald in artikel 48 over de verzekeringen tot uitkering van een vast bedrag dat stelt dat de begunstigde een persoonlijk en geoorloofd belang moet hebben bij het zich niet voordoen van de verzekerde gebeurtenis. Het criterium waaraan een overeenkomst op haar geoorloofdheid getoetst moet worden, is of het voorwerp een promotie van een ongeoorloofde situatie uitmaakt. Of nog, of de overeenkomst een middel is om een ongeoorloofd resultaat te bereiken of te laten voortbestaan. Het verzekerbaar belang is te dezen dat de verzekerde gebeurtenis, met name de brand van het verzekerd goed, zich niet zou voltrekken, of met andere woorden dat het verzekerd goed intact zou blijven, wat in onderhavig geval nu juist ongeoorloofd is wegens het definitief rechterlijk afbraakbevel. Appellante voert in dit verband aan dat zij er "alle belang" bij had dat het gebouw en de inboedel niet verwoest zou worden door een brand, en dat eerste geïntimeerde overigens eveneens belang had bij het aangaan van de polis, vermits zij gedurende opeenvolgende jaren premies kon innen vanwege appellante. De eerste rechter oordeelde dat het pand inderdaad een economische waarde vertegenwoordigde voor appellante. Hij opperde in dit verband dat, indien de loods voor appellante geen enkele financiële of economische waarde zou vertonen, zij zich het onroerend goed gewoon niet had aangeschaft. Zij kocht, aldus de eerste rechter, de opslagplaats ongetwijfeld in het kader van haar beroepsactiviteiten aan. Evenwel blijkt uit de voorgelegde stukken, meer bepaald uit de notariële akte van verkoop van de grond waarop de loods in kwestie staat, dat appellante de loods in kwestie niet heeft aangekocht, maar dat deze haar reeds kennelijk toebehoorde, mogelijks door het zelf te hebben opgericht (zonder vergunning weliswaar), terwijl de grondeigenaars kennelijk afstand deden van hun recht van natrekking. Hoe dan ook heeft in casu appellante een aankoop gedaan van een grond, waarop de loods in kwestie stond en waarvan zij onmiskenbaar wist dat die diende afgebroken te worden. In plaats van daartoe over te gaan, heeft appellante een verzekering voor dit gebouw afgesloten en er premie voor betaald en bij deze ontegensprekelijk te kennen gegeven dat zij geenszins zinnens was zich te gedragen naar de correctionele veroordeling tot afbraak van het bewuste pand. In casu was een definitief vonnis tussengekomen dat de afbraak van het pand in kwestie bevolen had op 7 december 1981 daar waar de polisaanvraag dateert van 15 mei 1997 en de overeenkomst ondertekend werd op 1 oktober 1997. In het licht van wat hiervoor werd uiteengezet, nl dat het criterium waaraan een overeenkomst op haar geoorloofdheid getoetst moet worden, is of het voorwerp al dan niet een promotie van een ongeoorloofde situatie uitmaakt, is dan ook duidelijk dat het voorwerp van de tussen partijen afgesloten verzekeringsovereenkomst, nl het belang dat voor verzekering in aanmerking komt, te dezen strijdig is met de openbare orde. In casu werd door appellante een overeenkomst afgesloten waarvan het voorwerp met name bestond in de dekking van een aan haar toebehorende loods tegen brand. Deze verzekeringsovereenkomst die door appellante bij eerste geïntimeerde werd afgesloten, had duidelijk tot doel, minstens tot gevolg dat een ongeoorloofde toestand, namelijk de bouw en het bestaan van een zonder vergunning gebouwd pand waarvan de afbraak werd bevolen, mogelijk te maken of in stand te houden. De beweegreden voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in kwestie bestond er in om een met de openbare orde strijdige toestand in stand te houden, en aan appellante aldus een voordeel te verschaffen dat gebaseerd is op een strafbaar feit. Dergelijke beweegreden is niet geoorloofd, zodat de (verzekerings)overeenkomst tussen partijen, met gevraagde ingangsdatum op 1 oktober 1997, dan ook volstrekt nietig is en derhalve geen gevolgen kan hebben. Overigens stelt het Hof samen met eerste geïntimeerde vast dat appellante zelf tot twee maal toe de juistheid van het argument van eerste geïntimeerde bevestigt in haar beroepsconclusies, waar zij stelt op blz 3: "....In casu doet het voorwerp van deze verbintenis precies een ongeoorloofde toestand ontstaan...." En verder op blz 7: "Het criterium om een overeenkomst op haar ongeoorloofdheid te toetsen is met andere woorden of het voorwerp (of de oorzaak) een promotie van een ongeoorloofde situatie uitmaakt, ....., hetgeen hier het geval is". Gelet op dit alles, dient dan ook te worden besloten dat de verzekeringsovereenkomst nietig is, en dat de vordering van appellante ongegrond is, zoals ook de eerste rechter oordeelde, zij het om andere motieven. Wat betreft de beweerde nalatigheid in hoofde van eerste geïntimeerde, zoals voorgehouden door appellante, verwijst het Hof naar de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter, die terecht de argumentatie van appellante terzake afwees. De stelling van appellante als zou eerste geïntimeerde nalatig geweest zijn door niet voor de afsluiting van de polis de hypothecaire aankoopakte van het pand op te vragen en dus de eigendomsrechten van appellante op het pand te controleren, kan inderdaad niet worden gevolgd en is zelfs absurd. Immers is het voor een verzekeraar geenszins relevant te weten of de kandidaat verzekeringnemer al dan niet eigenaar is van het te verzekeren pand. Eenieder mag voor rekening van een al dan niet benoemde derde een goed verzekeren. Verder is het evenmin relevant te weten voor een verzekeraar of het te verzekeren pand al dan niet op het ogenblik van het afsluiten van de polis gehypothekeerd is. Eerste geïntimeerde had er dan ook geen enkel belang bij navraag te doen naar de eigendomsakte en/of naar het hypothecair attest. Bovendien is de verplichting van het voorleggen van het hypothecair attest met betrekking tot het verzekerd goed contractueel ten laste van de verzekerde gelegd. Enige nalatigheid in hoofde van eerste geïntimeerde wordt dan ook niet aangetoond. Gelet op dit alles, is de vordering van appellante tegen eerste geïntimeerde dan ook ongegrond. II. Ten aanzien van tweede geïntimeerde. Appellante houdt voor dat tweede geïntimeerde zou tekort gekomen zijn aan haar informatie- en adviseringsplicht. Volgens appellante zou zij juist beroep hebben gedaan op een verzekeringsmakelaar om na te gaan of het gebouw in deze toestand, t.t.z. zonder bouwvergunning opgericht en dat wederrechtelijk in stand werd gehouden en eigenlijk diende te worden afgebroken, verzekerd kon worden en dat tweede geïntimeerde, op basis van de gegevens die haar door appellante werden medegedeeld, inderdaad een verzekeraar heeft gevonden, met name eerste geïntimeerde, welke bereid zou geweest zijn om het gebouw in kwestie te verzekeren. In de eerste plaats betwist tweede geïntimeerde formeel dat zij zou ingelicht geweest zijn over het feit dat het te verzekeren pand zonder bouwvergunning was opgericht en wederrechtelijk in stand werd gehouden en eigenlijk diende afgebroken te worden. Appellante toont geenszins aan of maakt zelfs niet aannemelijk dat zij de nodige gegevens in dit verband aan tweede geïntimeerde zou hebben medegedeeld. Overigens komt dit ongeloofwaardig over, waar ervan mag worden uitgegaan dat appellante wist, minstens behoorde te weten dat de informatie in kwestie van invloed kon zijn bij de beoordeling van het risico door de verzekeraar, meer bepaald dat zij diende te weten dat door het niet vergund karakter van het bouwsel en de strafrechtelijke veroordeling nooit een brandpolis zou kunnen afgesloten worden. Van een verzekeringsmakelaar wordt niet verwacht dat hij gaat onderzoeken of er soms correctionele veroordelingen zijn welke implicaties hebben betreffende het te verzekeren onroerend goed. Tweede geïntimeerde diende niet uit te gaan van strafrechtelijke inbreuken of kwade trouw in hoofde van appellante, integendeel mag een verzekeringnemer geacht worden wettelijk in orde en te goeder trouw te zijn. De verzekeringnemer heeft zelf een mededelingsplicht. De mededelingsplicht in hoofde van de verzekeringnemer behoort zelfs tot de essentie van het verzekeringscontract. Hij dient spontaan zijn volledige risico te beschrijven, hetgeen hij kennelijk niet heeft gedaan, minstens wordt dit niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. De verzekeraar, noch de verzekeringsmakelaar moet de juistheid of de volledigheid van de opgave van gegevens door de verzekeringnemer niet controleren. Appellante bewijst dan ook haar vordering t.a.v. tweede geïntimeerde niet, zodat deze dan ook terecht werd afgewezen door de eerste rechter. Besluit. Gelet op dit alles, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd, zij het om andere motieven. Het hoger beroep van appellante is dan ook ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verleent akte van de naamswijziging van de N.V. DE VADERLANDSCHE in de N.V. ING Insurance, die het geding verder zet. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen, zij het om andere motieven. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden begroot op euro 475,96 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep voor ieder. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 8 februari 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060208.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.