id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 februari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060222.6 Rolnummer: 2004AR3205 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-01 04:12 Fiche
- Beschikkingen die vervat waren in een vroeger vonnis waartegen geen hoger beroep is ingesteld en waarin de eerste rechter zijn rechtsmacht reeds geheel had uitgeoefend m.b.t. een aantal geschilpunten, worden niet overgeheveld naar de rechter in hoger beroep. Door de beslissing van het tussenvonnis is de rechtsmacht van de rechter over het kwestieuze geschilpunt dat het voorwerp heeft uitgemaakt van het debat tussen partijen, uitgeput, en kon derhalve slechts bestreden worden door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Het 'incidenteel' hoger beroep dient te worden beschouwd als een hoofdberoep van geïntimeerde, aangezien dit hoger beroep een ander vonnis betreft dan het hoofdberoep ingesteld door appellant, en derhalve geen repliek is op het hoger beroep van appellant, dat enkel tegen het eindvonnis werd ingesteld.
- Bij de beoordeling van het abnormaal karakter van de hinder, dient rekening te worden gehouden met de aard van de omgeving waarin de beweerdelijk gestoorde buur zich bevindt. In een landelijke omgeving is een weide waarop dieren worden gehouden, normaal. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Incidenteel hoger beroep GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Gevolgen hoger beroep - Devolutie BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Hinder - Burenhinder Vrije woorden:
- Gerechtelijk recht - rechtsmacht eerste rechter uitgeput m.b.t. geschilpunt - geen devolutieve werking - incidenteel beroep als hoofd hoger beroep
- Burenhinder - beoordeling abnormaal karakter - aard van de omgeving Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/3205 C.L., appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. BALS loco Mr. TIMMERMANS Johan, advocaat te 2800 MECHELEN, Schuttersvest 4-8 tegen het vonnis gewezen op 18 november 2003 door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen tegen
- W.S.,
- N.L. geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. SCHUTT Stijn, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Van Noortstraat 16 *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen op 18 november 2003, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 december 2004, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Appellant streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat voor recht zou worden gezegd dat op het perceel in kwestie geen vee mag aanwezig zijn en dienvolgens dat zou worden bevolen dat de koeien en stieren, op het perceel grond, eigendom van eerste geïntimeerde en gebruikt door tweede geïntimeerde, moeten worden verwijderd binnen de 48 uren na betekening van het tussen te komen arrest op straffe van een dwangsom van 50 EUR per dag vertraging. Vervolgens streeft appellant in hoofdorde na dat geïntimeerden solidair, de een bij gebreke van de ander zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 619,74 EUR, in hoofde van hun quasi-delictuele aansprakelijkheid. In ondergeschikte orde streeft hij na dat geïntimeerden solidair, de een bij gebreke van de ander zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 619,74 EUR, in hoofde van integrale schadeloosstelling op grond van artikel 544 B.W. In uiterst ondergeschikte orde streeft hij na dat geïntimeerden solidair, de een bij gebreke van de ander zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 619,74 EUR, in hoofde van een compensatie op grond van artikel 544 B.W. Alleszins streeft hij na dat geïntimeerden zouden worden veroordeeld tot betaling van de kosten van beide aanleggen. Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stellen zelf incidenteel hoger beroep in tegen het tussenvonnis gewezen op 16 oktober 2001, waarbij zij, bij hervorming van dit tussenvonnis, nastreven dat voor recht zou worden gezegd dat zij geen quasi-delictuele fout hebben begaan en dat appellant zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding. °°°°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VORDERING - VOORGAANDE. Eerste geïntimeerde, W.S., is eigenaar van een stuk grond gelegen aan de .... , "naast" de woning van de heer C.L. , huidige appellant, ter plaatse gekend als "..." . Tweede geïntimeerde, de heer N.L., heeft het stuk grond in gebruik gekregen van eerste geïntimeerde, als graasweide voor zijn runderen. C.L. houdt voor dat voormeld stuk grond bosgrond betreft en dat, door van voormeld stuk weiland te maken, geïntimeerden ingaan tegen de wettelijke bepalingen van ruimtelijke ordening, wat een fout uitmaakt. C.L. stelt dat hij door deze foutieve handelwijze van geïntimeerden schade lijdt, meer bepaald, reukhinder van koeienmest en de aanwezigheid van bijhorende vliegen, waardoor hij wekelijks insektenuitwerpselen van ramen en deuren dient te schuren en waarvoor hij schadevergoeding vordert. In een tussenvonnis d.d. 16 oktober 2001 oordeelde de eerste rechter dat het aangrenzend perceel, eigendom van eerste geïntimeerde gesitueerd en gekwalificeerd dient te worden als bosgebied en dat beide geïntimeerden aldus een quasi-delictuele fout hebben begaan daar voldoende vaststaat dat zij bosgrond hadden omgevormd tot weiland. Verder beval de eerste rechter in voormeld tussenvonnis m.b.t. de door appellant gevorderde schadevergoeding, alvorens hierover recht te doen, een plaatsopneming. De plaatsopneming vond plaats in aanwezigheid van partijen en van de deskundige VAN ROMPAEY, ingenieur-architect, die geen schade van vliegenoverlast aan de ramen vaststelde en verder stelde dat het moeilijk valt te zeggen dat er een noodzakelijk verband is tussen de aanwezigheid van het vee en eventueel mogelijke schade, temeer er rechtover het pand zich een uitgestrekt moerasgebied bevindt en dit moerasgebied zeer veel insecten aantrekt, aldus de deskundige. In het bestreden eindvonnis stelde de eerste rechter dan ook vast dat appellant, welke de bewijslast heeft, faalt in zijn bewijslast met betrekking tot fout-schade en oorzakelijk verband tussen beide componenten. De vorderingen van appellant werden dan ook in al hun onderdelen ongegrond verklaard. II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP. A. Hoofdberoep. Appellant meent dat de eerste rechter ten onrechte besloot dat er geen schade bewezen is noch het oorzakelijk verband tussen de beweerde schade en de fout in hoofde van geïntimeerden, zoals weerhouden door de eerste rechter in het tussenvonnis d.d. 16 oktober
- In zijn beroepsconclusies stelt appellant dat "de omstandigheid dat geen materiële schade meer kan worden vastgesteld aan de goederen van concluant, impliceert onder geen enkel beding dat concluant geen schade heeft geleden ten gevolge de quasi-delictuele fout van geïntimeerden". Volgens appellant heeft het tijdstip van de plaatsopneming, nl in de winterperiode wanneer het vee op stal staat, tot gevolg gehad dat geen vaststellingen van de effectieve hinder, met name de vermeende vliegenoverlast, kon vastgesteld worden. Het is wel aan appellant om de vermeende hinder/schade te bewijzen, hetgeen hij evenwel niet doet. De eventuele vaststelling van een door geïntimeerden begane fout, zoals geoordeeld door de eerste rechter in het tussenvonnis d.d. 16 oktober 2001, volstaat geenszins om te besluiten tot hun aansprakelijkheid. Daartoe moet appellant ook aantonen dat hij effectief schade lijdt en dat er tussen de vermeende fout en de schade een oorzakelijk verband bestaat. De beweerde schade betreft in de eerste plaats de vliegenoverlast. Hierdoor zou appellant, volgens eigen zeggen, schade lijden aan de ramen van zijn huis. De deskundige ging deze claim na en kwam tot de vaststelling dat de ramen geen schade vertoonden. De deskundige vond enkel op de gastank enkele zwarte puntjes, van onbekende herkomst en onmiddellijk verwijderbaar. De eerste rechter had tot het organiseren van een plaatsbezoek besloten omdat appellant nopens de schade geen foto's, geen proces-verbaal van enige vaststelling noch enig privé expertiseverslag voorlegde. Vastgesteld dient te worden dat ook na het bezoek ter plaatse en ondanks het feit dat op dat ogenblik geen schade kon worden vastgesteld (volgens appellant omdat het winterperiode was en er dan ook geen koeien stonden op het perceel in kwestie), appellant nog altijd geen enkel stuk voorbrengt waaruit de vermeende schade dan wél zou moeten blijken. Appellant brengt wel een proces-verbaal van vaststelling voor, opgemaakt door gerechtsdeurwaarder MAEREVOET op 14 mei
- Uit dit PV blijkt evenwel enkel dat er zich op dat ogenblik koeien en stieren op de weide bevonden. Verder voegt appellant een fotoreportage aan zijn stukkenbundel toe, waaruit eveneens enkel de aanwezigheid van koeien blijkt. Geïntimeerden betwisten niet dat er periodiek op het perceel in kwestie koeien worden geplaatst om er te grazen, doch zij stellen dat dit hooguit twee maanden per jaar is, aangezien tweede geïntimeerde nog andere percelen ter beschikking heeft, waar hij deze dieren afwisselend op laat grazen. Overigens bewijzen de bijgebrachte foto's de beweerde overlast van vliegen niet. Voor zover appellant effectief overlast van vliegen zou hebben, wat evenwel geenszins is aangetoond, is alleszins het oorzakelijk verband met de aanwezigheid van de koeien in het naastliggend perceel niet aangetoond. Appellant verwijst in het verzoekschrift tot hoger beroep naar de omstandigheid dat na het tussenvonnis nog koeien op de weide werden gezet, terwijl de eerste rechter in het tussenvonnis nooit dergelijk verbod heeft opgelegd. Het verbod tot het plaatsen van koeien op de weide maakte inderdaad de vordering uit van appellant, doch deze vordering werd door de eerste rechter afgewezen, om reden dat het bewijs niet werd geleverd van enige schade, noch van een oorzakelijk verband tussen de beweerde schade en de aanwezigheid van de koeien op het perceel in kwestie. Waar appellant in de inleidende dagvaarding stelt dat hij wekelijks insectenuitwerpselen van ramen en deuren dient te schuren, doch anderzijds blijkt dat het vee van tweede geïntimeerde slechts periodiek op de weide in kwestie aanwezig is, moet de verklaring van de beweerde vliegenoverlast hoogstwaarschijnlijk gezocht worden, zoals overigens ook gesuggereerd door deskundige-ingenieur VAN ROMPAEY tijdens het plaatsbezoek, in de aanwezigheid aan de overzijde van de straat van een moerasgebied dat als natuurgebied wordt beheerd, en waarop kennelijk in het kader van een begrazingsproject voortdurend, winter en zomer, wilde pony's en Schotse hooglandrunderen lopen. Volgens de deskundige trekt dit moerasgebied zeer veel insecten aan. Dit gegeven wordt door appellant niet weerlegd. Minstens is het oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van de koeien op het perceel in kwestie en de beweerde vliegenoverlast, voor zover dit laatste al zou bewezen zijn, niet aangetoond. Terecht wees de eerste rechter dan ook de vordering van appellant op grond van artikel 1382-1382 B.W. af als ongegrond. Appellant stelt in ondergeschikte orde zijn vordering op grond van artikel 544 B.W. Evenwel bewijst appellant evenmin dat hij bovenmatige hinder ondervindt, laat staan dat deze hinder veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van koeien van tweede geïntimeerde op het erf van eerste geïntimeerde. In het kader van artikel 544 B.W. moet de hinder als abnormaal kunnen beschouwd worden, d.w.z. de normale lasten van nabuurschap overschrijdend. Bij de beoordeling van het abnormaal karakter van de hinder, dient rekening te worden gehouden met de aard van de omgeving waarin de beweerdelijk gestoorde buur zich bevindt. Welnu, uit alle elementen van het dossier blijkt dat appellant in de landelijke omgeving woont waar een weide waarop dieren worden gehouden, normaal is. Zoals reeds aangehaald, is aan de overzijde van de straat een moerasgebeid dat als natuurreservaat wordt beheerd, en waarop kennelijk permanent wilde pony's en Schotse hooglandrunderen lopen. In een dergelijke omgeving is de aanwezigheid van insecten normaal, zoals overigens ook door de deskundige VAN ROMPAEY werd bevestigd, en kan dan ook geenszins gesproken worden van een bovenmatige hinder, minstens wordt dit niet aangetoond. De vordering van appellant, voor zover deze gesteund is op artikel 544 B.W., is dan ook eveneens ongegrond. Het bestreden (eind)vonnis dient dan ook te worden bevestigd en het hoger beroep van appellant is dan ook ongegrond. B. Incidenteel hoger beroep van geïntimeerden. Volgens geïntimeerden ligt door de devolutieve werking van het hoger beroep door appellante tegen het vonnis d.d. 18 november 2003, het ganse geschil thans ter beoordeling van het Hof voor, wat volgens hen inhoudt dat het Hof niet enkel de geschilpunten die in eerste aanleg in het vonnis d.d. 18 november 2003 beslecht werden, opnieuw dient te beoordelen, maar ook het geschilpunt dat door de eerste rechter in genoemd tussenvonnis werd beslist. Dit standpunt kan niet gevolgd worden. Beschikkingen die vervat waren in een vroeger vonnis waartegen geen hoger beroep is ingesteld en waarin de eerste rechter zijn rechtsmacht reeds geheel had uitgeoefend m.b.t. een aantal geschilpunten, zoals in casu, worden immers niet overgeheveld naar de rechter in hoger beroep (Cass. 4 oktober 1996, Arr. Cass. 1996;864). Het tussenvonnis d.d. 16 oktober 2001 is een eindvonnis wat betreft de beslissing m.b.t. het bestaan van een quasi-delictuele fout in hoofde van geïntimeerden en is enkel een vonnis alvorens recht te doen, voor wat betreft het bewijs van de beweerde effectief geleden schade. In zoverre de eerste rechter in het tussenvonnis van 16 oktober 2001 oordeelde dat geïntimeerden een quasi-delictuele fout in de zin van artikel 1382 B.W. hebben begaan, het een minstens impliciete, doch zekere, definitieve beslissing bevat wat betreft het geschilpunt tussen partijen omtrent de beweerde fout in hoofde van appellant. Door bovenvermelde beslissing van het tussenvonnis is de rechtsmacht van de rechter over voormeld geschilpunt dat het voorwerp heeft uitgemaakt van het debat tussen partijen, uitgeput, en kon derhalve slechts bestreden worden door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Overigens is de eerste rechter in zijn eindvonnis d.d. 18 november 2003, evenmin als de partijen in de procedure na tussenvonnis d.d. 16 oktober 2001, op het bij dit tussenvonnis van 16 oktober 2001 beslechte geschilpunt betreffende de fout in hoofde van appellant, niet meer teruggekomen. Nu het hoger beroep van appellante enkel gericht was tegen het eindvonnis d.d. 18 november 2003, en niet tegen het tussenvonnis d.d. 16 oktober 2001, heeft dit aan het Hof niet de geschillen kunnen overbrengen waarover reeds werd beslist bij het tussenvonnis van 16 oktober 2001 en ten aanzien waarvan de eerste rechter zijn rechtsmacht reeds volledig had uitgeoefend vóór het eindvonnis. Geïntimeerden stellen thans weliswaar in hun beroepsconclusies neergelegd ter griffie d.d. 28 februari 2005 "incidenteel" hoger beroep in tegen voornoemd tussenvonnis. Dit "incidenteel" hoger beroep dient te worden beschouwd als een hoofdberoep van geïntimeerde, aangezien dit hoger beroep een ander vonnis betreft dan het hoofdberoep ingesteld door appellant, en derhalve geen repliek is op het hoger beroep van appellant, dat enkel tegen het eindvonnis werd ingesteld. Aangezien dit tussenvonnis evenmin als het eindvonnis, betekend werd, is dit hoger beroep van geïntimeerde tegen het tussenvonnis, tijdig ingesteld. Evenwel, waar bij de beoordeling van het hoofdberoep van appellant, zoals hiervoor uiteengezet, het Hof tot het besluit is gekomen dat door appellant geen schade bewezen wordt - reden waarom overigens de voorgehouden aansprakelijkheid in hoofde van geïntimeerden niet wordt weerhouden - is het hoger beroep van geïntimeerden verder zonder enig belang. Immers het belang van geïntimeerden zou slechts "herleven" wanneer het Hof het eindvonnis zou wijzigen in hun nadeel, hetgeen door het hoofdberoep van appellant wordt beoogd. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het hoger beroep van geïntimeerden tegen het tussenvonnis gewezen op 16 oktober 2001 verder zonder enig belang. Bevestigt het bestreden (eind)vonnis d.d. 18 november 2003 in al zijn beschikkingen. Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden begroot op euro 237,98 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 22 februari
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060222.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.