id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060301.17 Rolnummer: 2004AR1712 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-04-04 Raadplegingen: 138 - laatst gezien 2026-07-01 04:12 Fiche De patiënt, die ingevolge medische verwikkelingen van een ziekenhuis naar een ander moet worden vervoerd, is de kosten verschuldigd aan de vervoerder. De zaakwaarnemer moet het inzicht hebben andermans belangen te behartigen, uit bereidwilligheid en met de bedoeling een ander tot nut te zijn. Vrije woorden: ZAAKWAARNEMING - DRINGEND MEDISCH VERVOER - HELIKOPTER VERVOER Tekst van de beslissing HET HOF, Het Hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste proces-stukken, die in behoorlijke vorm werden overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 6 april 2004, waarvan geen akte-betekening wordt voorgelegd, en het verzoekschrift ingediend op 14 juni 2004 waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld.
- DE PROCEDURE: Het hoger beroep van XXX strekt ertoe bij (vernietiging, maar be-doeld wordt) hervorming van het bestreden vonnis, haar oorspronke-lijke vorderingen ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dien-volgens geïntimeerden solidair en ondeelbaar, de ene bij gebreke aan de andere, en minstens elk voor het geheel te veroordelen tot betalen van een bedrag van 140.000 BEF of 3.470,51 EUR, te ver-meerderen met de nalatigheidinteresten vanaf 31 juli 2000 tot op de dag van de dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interes-ten en de kosten van beide aanleggen. Eerste geïntimeerde XXX concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep. Tweede geïntimeerde XXX te Maaseik concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep. Derde geïntimeerde XXX concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep. Conclusietermijnen werden bepaald ter terechtzitting van 6 septem-ber 2004 en werden door partijen nageleefd.
- DE FEITEN: XXX heeft op 30 april 2000 een faktuur nr. 00.13177 uitgeschreven op naam van XXX ten bedrage van 140.000 BEF voor "medisch transport per Helivac van Aalst naar Maaseik op 03.02.2000" zijnde dringend liggend transport. Ingevolge foutieve omschrijving van de vervoerroute heeft XXX op 31.07.2000 een creditnota nummer 00.22434 aan XXX overgemaakt alsmede een nieuwe faktuur nummer 00.22436 met datum 31.07.00 en met vermelding "medisch transport per Helivac van Maaseik naar Aalst op 03.02.2000, vervangt FT 00.13177 van 30.04.2000". XXX heeft deze faktuur geprotesteerd bij brief van zijn raadsman van 27 december
- Deze faktuur werd uitgeschreven in de volgende omstandigheden: De heer XXX moest geopereerd worden in het XXX, waarvoor op voorhand afspraken waren gemaakt; hij werd op 28 januari opgeno-men en op 3 februari 2000 geopereerd. Tijdens de operatie deden er zich verwikkelingen voor. De genees-heren van het XXX te Maaseik namen telefonisch contact op met hun collega's van het XXX die lieten weten bereid te zijn de patiënt over te nemen en verder te verzorgen. Vanuit Aalst bestelde men bij XXX het dringend vervoer per helikop-ter van Maaseik naar Aalst. De heer XXX werd per medisch helikopter overgebracht en de ope-ratie in Aalst verliep tot ieders voldoening. De heer XXX weigert de factuur te betalen, omdat hij het vervoer niet heeft besteld (zie de protestbrief van zijn raadsman van 27 decem-ber 2000) en omdat hij beweert dat het ziekenhuis te Maaseik, bij monde van de opererende arts, aan zijn echtgenote zou gezegd hebben dat de vervoerkosten door hem zouden worden geregeld. Het XXX weigert de factuur te betalen omdat zij het vervoer niet heeft besteld. Het XXX weigert de factuur te betalen omdat zij zegt gewoon opge-treden te zijn ten behoeve van en voor rekening van de patiënt XXX.
- HET BESTREDEN VONNIS: Bij het bestreden vonnis werden de vorderingen van appellante tegen de drie mogelijke schuldenaars ongegrond verklaard omdat zij niet aantoont wie de vervoersopdracht bij haar diensten gegeven heeft. De tegeneis van XXX wegens tergend en roekeloos geding werd af-gewezen. De doeleinden van de vorderingen ingesteld voor de eerste rechter alsmede de feiten die er aan ten grondslag liggen werden afdoende door deze in het bestreden vonnis weergegeven zodat het Hof naar deze uiteenzetting, en naar wat hoger werd vermeld, verwijst.
- BEOORDELING: De vordering van oorspronkelijke eiseres, thans appellante, moet gegrond worden verklaard ten laste van de heer XXX. Niet betwist wordt immers dat XXX op 3 februari 2000 bij hoogdrin-gendheid gezorgd heeft voor het vervoer van XXX per helikopter van de operatiezaal van het XXX in Maaseik naar de operatiezaal van het XXX. Niet betwist is dat de heer XXX niet zelf het dringend vervoer heeft kunnen bestellen: hij was daartoe niet in de mogelijkheid omwille van de aan gang zijnde operatie. Ten overstaan van de dringende noodzaak om levensreddende maatregelen te nemen hebben de geneesheren van het ziekenhuis Limburg, binnen het kader van hun opdracht om de operatie naar best vermogen te laten plaatsgrijpen, beroep gedaan op hun meer gespecialiseerde collega's in Aalst. Zij hebben daartoe beslist in uitvoering van de "medische behande-lingsovereenkomst" tussen het ziekenhuis en de patiënt en in uitvoe-ring van artikel 8 ,§ 1 Wet Uitoefening Geneeskunde, dat bepaalt dat een arts een in uitvoering zijnde behandeling niet mag onderbreken zonder alle maatregelen getroffen te hebben om de continuïteit van de verzorging te verzekeren door een andere arts (zie Herman Nys, Geneeskunde, recht en medisch handelen, APR, 2005, nr.322 en nummer 426). Niet betwist wordt dat de beslissing om de operatie verder te zetten in Aalst gebeurd is zonder de toestemming van XXX maar binnen het kader van een acuut noodgeval, waarbij de zorgplicht primeert boven het toestemmingsbeginsel (H.Nys, idem, nr.361). Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat de verhouding tussen de heer XXX en het ziekenhuis Limburg, waar hij zich liet opereren, van contractuele aard is. En niet betwist is dat de opererende geneesheren van Limburg beroep hebben gedaan op hun collega's te Aalst om hen te helpen bij die taak die omwille van de complexiteit niet zonder de tussen-komst van deze meer gespecialiseerde geneesheren van Aalst kon gebeuren. Uit de voorliggende stukken blijkt dat de geneesheren van Aalst, na te zijn gecontacteerd door hun collega's van Limburg, enerzijds aan-vaard hebben de operatie verder te zetten in Aalst en zelf het nodige hebben gedaan om bij XXX het dringend vervoer te bestellen. In beroep wordt een nieuw stuk bijgebracht, dat niet aan de eerste rechter werd voorgelegd omdat het toen nog niet bestond, waaruit het feitelijk verloop verduidelijkt wordt: Dokter XXX van het ziekenhuis Aalst heeft op 2 juni 2005, op ver-zoek van zijn collega dokter XXX van XXX, schriftelijk verklaard dat "hij in overleg met anesthesist en chirurgen van het ziekenhuis te Maaseik en met anesthesist en chirurgen van het ziekenhuis XXX aan Dr. XXX van XXX de opdracht heeft gegeven om een urgente helikopter vlucht te organiseren vanuit het operatie kwartier Maaseik naar XXX te Aalst". Dit stuk dagtekent van lang na het bestreden vonnis en van na het instellen van het hoger beroep maar is de bevestiging van de exacte wijze waarop tussen de twee ziekenhuizen onderling werd gecom-municeerd, en met XXX. Hieruit blijkt dat de dokters van het ziekenhuis Aalst gehandeld heb-ben ten behoeve van de heer XXX en in zijn uitsluitend voordeel, zonder met hem op wettelijke of conventionele wijze gebonden te zijn. Er kan immers moeilijk gesteld worden dat zij gehandeld hebben "in onderaanneming" van hun verwijzende collega's van Maaseik. Zelfs in die hypothese zouden zij, noch de kliniek, persoonlijk gehouden kunnen zijn tot betalen van de faktuur voor het vervoer, vermits dit geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke overeen-komst van verzorging en operatie maar integendeel als een buiten-gewone opdracht moet worden beschouwd, die niet voorzien was of kon zijn. De geneesheren van Aalst kunnen evenmin gehouden zijn binnen het kader van hun wettelijke hulpverleningsplicht bepaald bij artikel 422 bis van het strafwetboek, die een noodsituatie veronderstelt met groot gevaar en verplichting tot hulpverlening (wat zij niet konden doen zolang de patiënt niet naar Aalst was overgebracht) en hulp verschaffen (wat zij duidelijk deden door XXX te bellen (zie H. Nys, o.c. nr.434/442). De rechtspraak aanvaardt trouwens dat deze wette-lijke hulpverleningsplicht het beroep op de regels van zaakwaarne-ming niet uitsluit. XXX heeft aldus gehandeld binnen het kader van de zaakwaar-neming waarbij vrijwillig de belangen van de heer XXX behartigd zijn met de bedoeling hem een dienst te bewijzen. Er is immers sprake van zaakwaarneming overeenkomstig artikel 1372 B.W. wanneer iemand vrijwillig eens anders zaak waarneemt, hetzij met, hetzij buiten weten van de eigenaar. De rechtsleer en rechtspraak aan-vaarden dat de term "zaak" moet uitgebreid worden tot hulpverlening aan personen (zie H. Claassens en A.S. Maertens, Lichamelijke schade bij uitvoering van de preventie- en reddingsplicht van de ver-zekerde in schadeverzekering, Tijdschrift voor Belgisch Handels-recht, 1997, pagina's 678 en 679). Het feit dat de zaakwaarneming vrijwillig en belangloos is, betekent niet dat het uit vrijgevigheid moet gebeuren. De zaakwaarnemer moet het inzicht hebben andermans belangen te behartigen, uit be-reidwilligheid en met de bedoeling een ander tot nut te zijn. Niet ontkend kan worden dat de heer XXX ingevolge de aan de gang zijnde operatie niet in de mogelijkheid was zijn wil te laten kennen of zelf beslissingen te treffen en dat zijn leven in gevaar was. Niet aangetoond is dat iemand anders van de familie XXX aanwezig was of beschikbaar om de beslissing in zijn plaats te nemen. Niet betwist is dat het overbrengen van de patiënt van het ene ziekenhuis naar het andere uiterst dringend was en door ernstige medische redenen verantwoord. Niet aangetoond is dat het vervoer per helikopter, met medische be-geleiding en toezicht, niet de adequate wijze van overbrengen was en dat hetzelfde doel, nl. de snelle en veilige overbrenging van Maaseik naar Aalst, even goed had kunnen gebeuren langs de weg. Bijgevolg dient de heer XXX als meester van de zaak de verbintenis na te leven die in zijn naam door het XXX, als zaakwaarnemer, tegenover de ambulantiedienst werd aangegaan (art. 1375 BW). Hoewel de opgestelde faktuur geen detailberekening vermeldt van de aangerekende kostprijs mag aangenomen worden dat deze facturatie binnen de perken van de gebruikelijke tarieven en de redelijkheid is gebleven. Dergelijk vervoer wordt niet per kilometer gerekend maar wel per tijdsduur van het gebruik van het vervoer-middel, van de vluchtduur, en rekening houdend met de toestand van de patiënt, die door een arts of een verpleegkundige moet worden begeleid. Het gevorderd bedrag werd bovendien nooit door XXX, noch door de andere partijen in het geding, betwist. De bewering dat de ziekenkas van XXX maar een deel van het aan-gerekend bedrag zou willen terugbetalen, wijzigt niets aan de ver-schuldigdheid van het aangerekend bedrag. De verschillende partijen hebben steeds eenvoudigweg gesteld dat zij niet de debiteur waren. Deze stelling is correct in hoofde van beide ziekenhuizen, en hun respectieve geneesheren, maar niet correct in hoofde van de heer XXX die de rechtstreekse begunstigde is geweest van de uitgevoer-de overbrenging. De factuur is dienvolgens door hem te betalen en XXX heeft terecht het vervoer aan hem aangerekend. Ten onrechte heeft hij die factuur als niet verschuldigd geweigerd en daardoor de procedure, ook ten overstaan van de andere in het geding gebrachte partijen, veroor-zaakt. Alle kosten van de beide procedures moeten dienvolgens lastens hem worden gelegd. Het bedrag van de factuur kan enkel vermeerderd worden met de gerechtelijke interesten sedert de dagvaarding, nu geen aanmaning voorligt. Het hoger beroep is enkel gegrond ten overstaan van de heer XXX. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep en verklaart het in de volgende mate gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het de oorspronkelijke vordering van XXX ontvankelijk heeft verklaard en de tegen-vordering van XXX ontvankelijk maar ongegrond; Hervormt het bestreden vonnis voor het overige en opnieuw recht sprekend over de oorspronkelijke vordering van XXX: verklaart deze als volgt gegrond tegen de heer XXX: veroordeelt de heer XXX om aan XXX te betalen de som van 3.470,51 EUR vermeerderd met de gerechtelijke interesten sedert 22 maart 2001; Wijst de vordering van XXX tegen de tweede en de derde geïnti-meerden af als ongegrond; Verwijst eerste geïntimeerde XXX in de kosten van beide aanleggen en ten overstaan van alle partijen, deze tot op heden begroot als volgt: - in hoofde van XXX: dagvaarding: 228,63 EUR dagvaarding in tussenkomst: 143,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 EUR rolrecht in beroep: 186,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 456,14 EUR - in hoofde van XXX: rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 475,96 EUR - in hoofde van XXX: rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 475,96 EUR Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond. PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060301.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div