id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060301.24 Rolnummer: 2004AR1189 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-01 04:12 Fiche In toepassing van de beginselen van de equivalentietheorie, heeft de omstandigheid dat de schade (mee) werd veroorzaakt door de fout van een derde, niet tot gevolg het oorzakelijk verband tussen de fout van de in schadeloosstelling aangesprokene en de schade aan te tasten of te verbreken. Evenwel kan de feitenrechter op grond van concrete omstandigheden, eigen aan de zaak, wettelijk beslissen dat, ofschoon een bepaalde schade niet zou zijn opgetreden zonder een fout, daaruit nog niet volgt dat alle verwikkelingen van deze schade het gevolg zouden zijn van de begane fout. Wanneer wordt vastgesteld dat meer dan één persoon fouten heeft begaan, moet onderzocht worden of tussen elk van de fouten en de schade een noodzakelijk oorzakelijk verband bestaat, of elk van de vastgestelde fouten, niettegenstaande het feit dat een andere fout tussenkomt, noodzakelijk de schade heeft veroorzaakt, d.w.z. dat voor elke fout dient te worden nagegaan of, zonder die fout, de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, zou hebben plaatsgehad. De schade moet dan ook een noodzakelijk gevolg zijn van het ongeval, m.a.w. moet blijken dat deze schade zich ook zonder tussenkomst van een derde, in casu de chirurg, zou hebben gerealiseerd. Het staat onbetwistbaar vast dat de schade, het gevolg is van de foutieve ingreep van de chirurg. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Verbreking causaal verband Vrije woorden: aansprakelijkheid - medische fout tijdens behandeling van slachtoffer verkeersongeval - oorzakelijk verband tussen fout dader ongeval en uitgaven na medische fout - equivalentieleer - schade geen noodzakelijk gevolg van ongeval Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/1189 ETHIAS VERZEKERING, voorheen OMOB, met maatschappelijke zetel te 4000 LUIK, Rue des Croisiers 24, en met zetel voor Vlaanderen te 3500 HASSELT, Prins Bisschopssingel 73 appellante, vertegenwoordigd door Mr. V. GILLOT loco Mr. ZIMMERMANN Marijke, advocaat te 3500 HASSELT, Paul Bellefroidlaan 12 tegen het vonnis gewezen op 02 april 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren tegen LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1040 BRUSSEL, Wetstraat 121, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. SHALA IDRIZ loco Mr. MAESEN Theo, advocaat te 3620 LANAKEN, Stationsstraat 76/1 Postbus 99 *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 2 april 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 april 2004, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Huidige zaak werd opgeroepen bij toepassing van artikel 751 Ger.W. . Op de zitting van 17 mei 2005 werd op verzoek van beide partijen de zaak uitgesteld met behoud van de voordelen van artikel 751 Ger.W. In haar verzoekschrift tot hoger beroep verzoekt appellante dat, bij hervorming van het bestreden vonnis, de oorspronkelijke vordering van huidige geïntimeerde niet toelaatbaar, niet ontvankelijk en minstens niet gegrond zou worden verklaard, in ondergeschikte orde dat de gevorderde bedragen minstens zouden worden herleid, zoals uiteengezet in het beroepsverzoekschrift. Geïntimeerde heeft niet geconcludeerd, maar heeft ter zitting zijn middelen mondeling uiteengezet. °°°°°°°°°°°°°°
- De doelstellingen van de door geïntimeerde ingestelde vordering en de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, en die ook al in het bestreden vonnis werden toegelicht, kunnen als volgt worden samengevat: L.C.M. vraagt de terugbetaling lastens ETHIAS van een aantal uitgaven die zij in het voordeel van haar verzekerde, H.M., deed naar aanleiding van een verkeersongeval d.d. 6 oktober 1978, waarvoor de verzekerde van appellante ETHIAS, de heer P.S., verantwoordelijk werd verklaard. Appellante weigert het gevorderde bedrag van 4.489,90 EUR te betalen daar deze kosten/uitgaven het gevolg zijn van een medische fout in de behandeling van het slachtoffer na het ongeval en volgens appellante bestaat er geen oorzakelijk verband tussen deze uitgaven en het ongeval zelf daar de medische fout het oorzakelijk verband doorbroken heeft. Geïntimeerde erkent dat de kosten die zij claimt het gevolg zijn van een medische fout, doch zij meent dat er wél een oorzakelijk verband met het ongeval is, daar deze medische fout gepleegd werd tijdens de behandeling van het slachtoffer voor de letsels die zij tijdens het verkeersongeval opliep. Met name werd tijdens de verwijdering op 18 november 1979 van het osteosynthesemateriaal de radiale zenuw doorgesneden met een verlamming tot gevolg: de zenuw diende gehecht/hersteld te worden. In een deskundigenverslag van dokter Mulier d.d. 9 november 1984 werd de arts die de zenuw had doorgesneden verantwoordelijk gesteld, doch L.C.M. heeft niet tijdig het nodige gedaan om haar uitgaven op deze arts of diens verzekeraar te verhalen, zodat deze vordering intussen verjaard is. Geïntimeerde wendde zich dan maar tot de verzekeraar van de aansprakelijke voor het ongeval op basis van de equivalentietheorie en verwijzend naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie. De eerste rechter achtte op basis van voormelde equivalentietheorie een noodzakelijk oorzakelijk verband tussen de fout van P.S. en de uitgaven van geïntimeerde bewezen en verklaarde de vordering van geïntimeerde tegen appellante dan ook gegrond.
- Appellante is van oordeel dat de eerste rechter de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ten onrechte ontvankelijk en gegrond heeft verklaard. In de eerste plaats is appellante van oordeel dat de (rechtstreekse) vordering van geïntimeerde zonder meer verjaard is, nu zij door geïntimeerde pas bij exploot van dagvaarding d.d. 22 april 1998 in onderhavige procedure werd betrokken als BA verzekeraar van de aansprakelijke voor het verkeersongeval d.d. 6 oktober 1978 en volgens haar aldus de verjaringstermijn van 5 jaar, die overeenkomstig artikel 34 par 2 van de wet op de Landverzekeringsovereenkomst, begint te lopen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd, is verstreken. Als regel verjaart de vordering van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, in geval van misdrijf, vanaf de dag waarop dit is gepleegd (artikel 34 par 2 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst). De vordering van het ziekte- en invaliditeitsverzekeringsorgaan ingesteld tegen de aansprakelijke ongevalsverwekker meer dan vijf jaar na het ongeval, is evenwel niet verjaard wanneer de schadelijder rechtsgeldig de verjaring van zijn vordering tot vergoeding heeft gestuit, vermits het gesubrogeerd is in de rechten van zijn aangeslotene. Uit de bijgebrachte stukken, meer bepaald uit de aanhef van het deskundigenverslag van dokter F. DIERCKXSENS, aangesteld bij vonnis van de Correctionele Rechtbank van Tongeren op 18 december 1979 (cfr stuk 1 bundel appellante) blijkt dat mevrouw H.M. zich samen met haar echtgenoot, de heer D., tijdig burgerlijke partij heeft gesteld tegen de heer S., verzekerde van huidige appellante, met name reeds in de loop van 1979 (aangezien het correctioneel vonnis dateert van 18 december 1979); Door deze burgerlijke partijstelling, heeft de schadelijder, in casu mevrouw H.M., zijnde het aangesloten lid van huidige geïntimeerde, haar vordering tot vergoeding rechtsgeldig gestuit. Uit het schrijven van de raadsman van geïntimeerde aan deze laatste (stuk 8 bundel geïntimeerde) blijkt dat bij vonnis van de correctionele rechtbank van Tongeren van 8 januari 1980 de heer S., verzekerde van appellante, volledig aansprakelijk werd gesteld, en dat aan mevrouw H.M., burgerlijke partij, 1 BEF provisioneel meer interesten en kosten werd toegekend, samen met de aanstelling van een deskundige. In dit strafgeding was geïntimeerde kennelijk geen partij, maar zoals reeds aangehaald, kan de burgerlijke rechtsvordering, ingesteld door de verzekeringsinstelling die aan de getroffene ziekte- en invaliditeitsuitkeringen heeft toegekend, niet los gezien worden van de burgerlijke rechtsvordering van de getroffene, maar dient beschouwd te worden als de rechtsvordering zelf, en waarbij als principe dient gesteld te worden dat deze vordering niet gedoofd is door verjaring, in de mate de vordering van de getroffene zelf, in dit geval mevrouw H.M., tijdig gesteld is. In de mate dat bij voormeld vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 8 januari 1980 aan mevrouw H.M. 1 BEF provisioneel werd toegekend, met aanstelling van een deskundige, geldt deze toegekende provisie ook t.a.v. geïntimeerde, gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde, mevrouw H.M., en is de (rechtstreekse) vordering van geïntimeerde tegen appellante niet verjaard.
- Appellante stelt verder dat de eerste rechter hoe dan ook ten onrechte heeft geoordeeld dat er een noodzakelijk oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds de fout van de verzekerde van appellante en anderzijds de thans gevorderde schade, nl de medische kosten ingevolge de manifeste medische fout bij de verwijdering van osteosynthesemateriaal door de behandelende chirurg. Volgens de equivalentieleer wordt een fout (of een tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit) als oorzaak van een schadegeval beschouwd, zodra dit schadegeval, zoals het zich in concreto voordeed, zou zijn uitgebleven wanneer de fout niet was gepleegd (resp. wanneer het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit niet had plaats gevonden). Opdat een fout tot aansprakelijkheid aanleiding zou geven, is noodzakelijk dat deze fout een in concreto noodzakelijke voorwaarde uitmaakte voor het schadegebeuren. Zodra dit inderdaad het geval is, is de fout steeds, onvermijdelijk, de oorzaak van het schadegebeuren. Noodzakelijk doch voldoende voor de oorzakelijkheid van een fout is dus haar conditio sine qua non- karakter. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband is niet vereist, een onrechtstreeks verband volstaat om tot aansprakelijkheid te besluiten. In toepassing van de beginselen van de equivalentietheorie, heeft de omstandigheid dat de schade (mee) werd veroorzaakt door de fout van een derde, niet tot gevolg het oorzakelijk verband tussen de fout van de in schadeloosstelling aangesprokene en de schade aan te tasten of te verbreken. Evenwel kan de feitenrechter op grond van concrete omstandigheden, eigen aan de zaak, wettelijk beslissen dat, ofschoon een bepaalde schade niet zou zijn opgetreden zonder een fout, daaruit nog niet volgt dat alle verwikkelingen van deze schade het gevolg zouden zijn van de begane fout. De rechter kan met andere woorden uit de hem regelmatig overgelegde gegevens wettig afleiden dat de enige oorzaak van het totstandkomen van het ongeval en van de schadelijke gevolgen ervan in een andere door hem vastgestelde fout gelegen is (cfr o.m. Cass. 5 november 1996, Arr.Cass. 1996,993; Cass. 12 oktober 2001, A.R. C.00.0487.N). Uit wat voorafgaat blijkt aldus dat wanneer wordt vastgesteld dat meer dan één persoon fouten heeft begaan, moet onderzocht worden of tussen elk van de fouten en de schade een noodzakelijk oorzakelijk verband bestaat, of elk van de vastgestelde fouten, niettegenstaande het feit dat een andere fout tussenkomt, noodzakelijk de schade heeft veroorzaakt, d.w.z. dat voor elke fout dient te worden nagegaan of, zonder die fout, de schade, zoals ze zich in concreto voordeed, zou hebben plaatsgehad. De schade waarvoor vergoeding wordt gevraagd moet dan ook een noodzakelijk gevolg zijn van het ongeval, m.a.w. moet blijken dat deze schade ook zonder tussenkomst van een derde, in casu de chirurg, zich zou hebben gerealiseerd. Welnu, in casu staat onbetwistbaar vast dat de schade waarvoor geïntimeerde vergoeding vordert, het gevolg is van de foutieve ingreep van de chirurg. Dit blijkt in de eerste plaats uit het verslag van expert DIERCKSENS, aangesteld bij vonnis van de correctionele rechtbank van Tongeren d.d. 18 december 1979, die in antwoord op de vraag of er een onderscheid diende te worden gemaakt tussen enerzijds de gevolgen van het ongeval de dato 6 oktober 1978 en anderzijds de gevolgen van het doorsnijden van de nervus radialis, stelde dat, ingeval deze verwikkeling (d.i. de laesis van de nervus radialis) niet zou zijn voorgekomen, de consolidatie zou zijn ingetreden op 7 mei 1980 met een BWO van maximaal 8%, terwijl deze deskundige uiteindelijk het slachtoffer consolideerde op 8 oktober 1982 met een blijvende werkonbekwaamheid van 12%. Verder stelde deskundige DIERCKSENS uitdrukkelijk dat de kosten ontstaan vanaf de ingreep door dokter B. en de daaruit voortvloeiende verdere behandeling tot het bekomen van de recuperatie van de nervus radialis, het gevolg zijn van het doorsnijden van de nervus radialis. en zich in concreto niet zou hebben gerealiseerd zonder de foutieve ingreep van de chirurg. Deskundige MULIER, aangesteld met de specifieke opdracht te onderzoeken of de verwikkeling naar aanleiding van het verwijderen van het osteosynthesemateriaal op 18 november 1979 al dan niet te wijten was aan enige professionele fout in hoofde van dokter S., besloot eveneens tot de verantwoordelijkheid van deze geneesheer en stelde uitdrukkelijk dat "de verantwoordelijkheid van de chirurg wordt in het gedrang gebracht in verband met de verzwaring van de invaliditeit tengevolge van het ongeval dat mevrouw H.M. opgelopen heeft op 6 oktober 1978". Uit voormelde deskundige verslagen blijkt overduidelijk dat de schade waarvoor geïntimeerde vergoeding vordert, zich in concreto niet zou hebben voorgedaan zonder de foutieve ingreep van de chirurg. Anderzijds brengt de "fout" in hoofde van de verzekerde van appellante niet noodzakelijkerwijze de fout van de behandelende arts met zich mee, noch de thans gevorderde schade, die uitsluitend het gevolg is van de medische fout van de behandelende arts. Nu deze schade enkel het gevolg is van een foutief handelen van de behandelende geneesheer, bestaat er dan ook geen noodzakelijk oorzakelijk verband met het ongeval waarvoor de verzekerde van appellante aansprakelijk is en kan geïntimeerde dan ook, in tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelde, deze schade niet verhalen op appellante. De vordering van geïntimeerde is dan ook ongegrond en het bestreden vonnis dient dan ook in die zin te worden hervormd. Het hoger beroep is derhalve gegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis enkel in zoverre de vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard. Hervormt het bestreden vonnis voor het overige en opnieuw wijzende. Verklaart de vordering van geïntimeerde ongegrond en wijst haar ervan af. Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten in beide aanleggen deze kosten niet begroot zijnde aan de zijde van appellante bij gebrek aan opgave. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 1 maart
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer K. VAN HAELST Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Raadsheer A. VERHAERT mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Ger.W., wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer K. VAN HAELST , hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 van het Ger.W., bij bevelschrift van de Heer Eerste Voorzitter C. DE VEL van het Hof van Beroep te Antwerpen in datum van 1 maart
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060301.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div