← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060322.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 maart 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060322.7 Rolnummer: 2005AR430 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 150 - laatst gezien 2026-07-01 04:15 Fiche Een sliding is in de regel een geoorloofd manoeuver tijdens het voetbalspel. Begaat echter een spelfout die tevens een onrechtmatige daad is in de zin van art. 1382 B.W., de speler die een sliding uitvoert, zonder de bal te spelen, met volle kracht, met gestrekt been vooruit waarbij de noppen van de zool van zijn schoeisel terechtkomt onder de knie van de tegenspeler. Een normaal voorzichtig en behoedzaam voetbalspeler zou, in dezelfde omstandigheden geplaatst, deze actie niet uitvoeren zoals in casu werd gedaan. De tackel maakte een inbreuk uit op de zorgvuldigheidsnorm. Een schadegeval is opzettelijk veroorzaakt in de zin van artikel 8,1 ° WLVO wanneer de verzekerde willens en wetens de daad stelt of zich ervan onthoudt en zijn risicodragende handelswijze een redelijkerwijze voorzienbare schade aan een derde veroorzaakt. De omstandigheid dat de dader de schade, de aard of de omvang ervan niet heeft gewild, doet niet af aan het opzet. Daartoe volstaat dat de schade is verwezenlijkt. Het is aangetoond dat de actie op drieste wijze werd uitgevoerd, dat hij de bal niet speelde en dat hij redelijkerwijze kon voorzien dat zou kunnen gebeuren wat in werkelijkheid gebeurd is, doch dit alles impliceert nog niet het bewijs dat hij ook wilde wat er is gebeurd. De beweerde opzettelijke daad is niet afdoende bewezen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid - voetbal - tackle - spelfout en fout in zin van art. 1382 B.W. - onopzettelijke daad in zin van art. 8.1° WLVO Nota: Zie ook Gent 13.10.2005, NjW 2006, nr. 139, 270, noot I. BOONE (i.v.m. aansprakelijkheid sportbeoefenaars zeilwedstrijd) Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/430 S.W., arbeider, appellant, ter terechtzitting in persoon aanwezig bijgestaan door Mr. DIRKX Guido, advocaat te 3960 BREE, Witte Torenwal 32/1 tegen het vonnis gewezen op 17 december 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen

  1. J.P., in eigen naam en handelend namens de tussen hem en zijn echtgenote B.H. bestaande huwelijksgemeenschap,
  2. B.H., handelend namens de tussen haar en haar echtgenoot J.P. bestaande huwelijksgemeenschap, geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. BEER Stephan, advocaat te 3500 HASSELT, Leopoldplein 29 bus 2
  3. FORTIS AG VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, KBO-nummer 0404.494.849, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Goele LENAERS loco Mr. DEHAESE Lieve en Mr. DEHAESE Johan, advocaten te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187 *** Wat voorafgaat 1.
  4. Op 22 oktober 2000 nam J.P. deel aan de voetbalwedstrijd Standaard Gerdingen tegen Blauw-Wit Bree in de vierde provinciale reeks B van de Koninklijke Belgische Voetbalbond, provincie Limburg. J.P. heeft voorgehouden dat hij in de 52ste minuut van de wedstrijd het slachtoffer werd van een "zeer brutale overtreding". S.W. zou een tackle hebben uitgevoerd met gestrekt been vooruit. J.P. zou daarbij een dubbele scheenbeenbreuk en kuitbeenbreuk hebben opgelopen. S.W. zou bij deze spelfase door de scheidrechter uit de wedstrijd zijn genomen en zou, nadien, een schorsing van één jaar hebben opgelopen. Volgens J.P. was hij ten gevolge van deze feiten een tijdlang arbeidsongeschikt en er zou tevens blijvende invaliditeit resten. 1.
  5. In een dagvaarding van 11 februari 2004 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt vorderden J.P. in eigen naam en dezelfde J.P. samen met zijn echtgenote B.H. namens hun huwgemeenschap, op grond van art. 1382-1383 B.W. de veroordeling van S.W. tot de betaling van een provisionele schadevergoeding van : - euro 7 500 aan de huwgemeenschap - euro 10 000 aan J.P. in eigen naam, en de aanstelling van een medisch gerechtsdeskundige. 1.
  6. S.W. heeft op 26 oktober 2004 een dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitgebracht tegen n.v. Fortis AG, zijn familiale verzekeraar. De aanleggers hebben bij tusseneis hun aanspraken ook gericht tegen deze verzekeraar. De verzekeraar heeft zijn gehoudenheid betwist wegens het opzettelijk karakter van de fout van de verzekerde, minstens wegens het bestaan van een geweldpleging. 1.
  7. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 december 2004 heeft de eisen van de oorspronkelijke aanleggers reeds in volgende mate gegrond verklaard: - door S.W. te veroordelen tot de betaling aan de huwgemeenschap van de eisers van een provisionele schadevergoeding van euro 3 000, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 22 oktober 2000 tot op de dag van de dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de betaling, - door S.W. tevens te veroordelen tot de betaling aan J.P. van een provisionele schadevergoeding van euro 5 000, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf "11.20.2000" (22.10.2000 ?) tot op de dag van de dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de betaling, - door Dr. R. Maes een deskundigenonderzoek op te dragen naar de verwondingen van J.P. en hun gevolgen. De eis in tussenkomst en vrijwaring en de tusseneis tegen de verzekeraar werden ongegrond verklaard. Het opzettelijk karakter van de fout van S.W. werd bewezen geacht. 1.
  8. S.W., hierna appellant genoemd, heeft een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 februari
  9. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 21 februari
  10. De eisen in hoger beroep. 2.
  11. Appellant vordert dat de oorspronkelijk tegen hem ingediende eisen ongegrond zouden worden verklaard. Ondergeschikt verzoekt hij de hervorming van het vonnis a quo m.b.t. zijn eis in vrijwaring tegen zijn verzekeraar. 2.
  12. J.P. en B.H., hierna eerste en tweede geïntimeerde genoemd, verzoeken het hoger beroep van S.W. ongegrond te verklaren. Zij hebben bij conclusie van 14 april 2005 een "hoger beroep" en een "incidenteel beroep" ingesteld. Zij vorderen de integrale toekenning van hun oorspronkelijke eis, d.w.z. de provisie van euro 7 500 en euro 10.000, meer de rente, en een deskundigenonderzoek. Zij vragen tevens dat hun eis tegen de verzekeraar Fortis AG gegrond zou worden bevonden. 2.
  13. Fortis AG n.v., hierna derde geïntimeerde genoemd, concludeert tot de integrale bevestiging van het vonnis a quo.
  14. De beoordeling. De aansprakelijkheid van S.W. 3.
  15. Eerste en tweede geïntimeerde hebben hun eis tegen appellant laten steunen op zijn beweerde quasi-delictuele aansprakelijkheid voor de schade die zij lijden tengevolge van de kwetsuren die eerste geïntimeerde opliep in de voormelde omstandigheden. Zij hebben aangevoerd dat appellant een fout beging door een tackle uit te voeren waarbij hij met een gestrekt been op het been, juist onder de knie, van eerste geïntimeerde terechtkwam. Appellant zou niet de bal hebben willen spelen, doch zou slechts beoogd hebben eerste geïntimeerde onderuit te halen. Volgens geïntimeerden was deze handelwijze van appellant strijdig met de algemene zorgvuldigheidsnorm en veroorzaakte deze de schade waarvan zij de schadeloosstelling vorderen. Volgens appellant voerde hij in de betwiste spelfase een sliding uit om de bal de bemachtigen en zo de zich ontwikkelende spelfase, met name een aanval van de tegenpartij, af te breken. Bij die sliding zou hij ongelukkig met het been van eerste geïntimeerde in botsing gekomen zijn omdat deze zijn been op het laatste ogenblik nog vóór de bal plaatste. In het beroepen vonnis werd het bewezen geacht dat appellant een opzettelijke fout beging, waarbij werd aangenomen dat het optreden van appellant " ... een abnormaal brutale spelactie" was. 3.
  16. Appellant houdt voor dat het bewijs van zijn beweerde fout in eerste aanleg ten onrechte werd aangenomen. Hij meent dat de bewijsvoering van geïntimeerden niet afdoende is vermits deze slechts zou gesteund zijn op niet onder eed gehoorde getuigen, die banden hebben met eerste geïntimeerde of met Standaard Gerdingen en daardoor een gebrek aan onafhankelijkheid vertoonden, zodat aan hun getuigenissen geen waarborg van objectiviteit zou toekomen. Hij meent dat de disciplinaire straf die hij kreeg van de Koninklijk Belgische Voetbalbond, met name een schorsing als speler gedurende en periode van één jaar, geen grond biedt om aan te nemen dat hij een fout beging in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Hij voert aan dat hij voor dit disciplinair college geen eerlijk proces heeft gekregen. Hij haalt tevens het strafrechtelijk sepot aan waaruit hij afleidt dat hij geen fout beging die als inbreuk op de strafwet zou kunnen gelden. Vervolgens beweert hij dat uit de omstandigheid dat de scheidsrechter hem niet terstond doch slechts na een tiental minuten een rode kaart gaf, blijkt dat zijn spelfout toch niet zo zwaarwichtig was. Tenslotte beweert hij dat, indien hij al een spelfout beging, geenszins daardoor blijkt dat hij ook een fout beging in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. 3.
  17. Geïntimeerden laten het bewijs van de beweerde feiten vooral steunen op de verklaringen van de scheidsrechter en van een aantal toeschouwers. Het Hof slaat daarbij in doorslaggevende mate acht op de verklaringen van de scheidsrechter. Hij was ooggetuige van de spelfase in kwestie. Er is geen enkele aanwijzing dat hij niet onafhankelijk zou staan tegenover de betrokkenen. Er is geen zweem van partijdigheid te zijnen laste aangetoond. Hij is kenner van het voetbalspel en bedreven in het beoordelen van spelfouten. De omstandigheid dat hij zijn verklaringen niet onder eed aflegde, doet te dezen niet twijfelen aan de waarachtigheid ervan. Scheidsrechter H.P. schreef in zijn wedstrijdverslag: "In de eerste helft is de wedstrijd op een sportieve manier verlopen. In de 52ste minuut wordt er een aanval aan de uitlijn opgezet door een bezoekende speler, ter hoogte van de middellijn wordt deze speler aangevallen door twee spelers. Op het moment dat deze bezoekende speler het duel om de bal herwonnen heeft en de bal aan de voet heeft, komt speler S.W. van de thuisploeg recht naar hem toegelopen en werpt zijn volledig onderlichaam met gestrekt been naar deze speler toe, hij raakt deze speler onder zijn knie. Speler S.W. zag dadelijk de ernst van de overtreding in en hield zijn hoofd met beide handen vast en liep enkele meters verder, en ik sloot hem daarvoor uit. Deze wedstrijd heeft een achttal minuten stil gelegen omdat men de gekwetste speler niet dadelijk van het terrein kon dragen door de ernst van de blessures." Op 1 maart 2001, of ruim vier maanden na het ongeval, verklaarde scheidsrechter H.P. aan de verbalisanten het volgende: "...De wedstrijd kende een normaal verloop tot op de tweeënvijftigste minuut. Dan heeft een speler van St - Gerdingen de bal en deze gaat tussen twee spelers van Bree door. Op het moment dat hij het duel gewonnen heeft, loopt speler S naar hem toe en werpt zijn onderlichaam vooruit in de richting van de speler van St - Gerdingen. Hij gaat naar de speler toe met een gestrekt been. Hij raakt de speler, later gekend als J.P., juist onder de knie. Voor deze overtreding heb ik de speler, S.W., dan ook rood gegeven. Het bleek dat de andere speler niet verder kon spelen. Hij is overgebracht naar het ziekenhuis. .." Wanneer appellant op 24 september 2001 door de verbalisanten geconfronteerd wordt met de verklaring van de scheidsrechter verklaart hijzelf: "Op de verklaring van H.P. kan ik enkel zeggen dat het inderdaad zo gebeurde maar zeker niet met opzet J.P. of iemand anders te kwetsen." Daarenboven blijkt uit de ernstige verwondingen van eerste geïntimeerde, met name een onderbeenfractuur (dubbele scheenbeenbreuk en kuitbeen breuk), dat appellant met veel kracht tegen het been van eerste geïntimeerde is gebotst. De verklaringen van de andere getuigen zijn grotendeels en op de wezenlijke punten overeenstemmend en gelijkluidend met de verklaringen van de scheidsrechter. Het blijkt niet dat de omstandigheden die appellant aanhaalt en waarop hij een verdenking van een gebrek aan onafhankelijkheid en objectiviteit meent te kunnen laten steunen, ook werkelijk invloed gehad hebben op de verklaringen van deze getuigen. Hun verklaringen versterken nog de geloofwaardigheid en de bewijswaarde van de verklaringen van de scheidsrechter. Geïntimeerden leveren daardoor op afdoende wijze het bewijs van de feiten die zij ten grondslag van hun eis hebben gelegd. 3.
  18. Het is juist dat een sliding, in de zin van een glijdende voorwaartse beweging in een poging de bal te bemachtigen, een toegelaten actie is in de voetbalsport. Wanneer deze echter wordt uitgevoerd, zoals te dezen, zonder de bal te spelen terwijl de tegenspeler onderuit wordt gehaald, dan begaat de speler een spelfout, die de scheidsrechter in onderhavig geval trouwens bestrafte. Wanneer deze spelfout bovendien wordt begaan, zoals voormeld is bewezen, met volle kracht (snelheid en gewicht van de speler), met gestrekt been vooruit waarbij de noppen van de zool van zijn schoeisel terecht komen juist onder de knie van de tegenspeler, dan is deze spelactie niet alleen een spelfout maar een fout in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Een normaal voorzichtig en behoedzaam voetbalspeler zou, in dezelfde omstandigheden geplaatst, deze actie niet uitvoeren zoals appellant dit te dezen heeft gedaan. De omstandigheid dat de scheidsrechter niet onmiddellijk een rode kaart trok en de suggestie dat hij dit slechts zou gedaan hebben om de gemoederen te kalmeren, staan evenmin het bewijs van de fout van appellant in de weg. Het getuigt van een goede spelleiding zich eerst te bekommeren om de toestand van de verwonde speler en slechts vervolgens de sanctie te nemen tegen de dader. De bewering dat de uitsluiting van appellant eerder geïnspireerd zou zijn door een bekommernis om de gemoederen te bedaren dan door de ernst van de spelfout, is niet meer dan een loutere bewering gebleven. Het sepot van het strafdossier staat het bewijs van de fout in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek ook niet in de weg. Dit sepot sluit immers niet uit dat er een fout, zelfs een delictuele fout zou zijn begaan. Zonder deze fout van appellant zou de schade, waarvan eerste en tweede geïntimeerde schadeloosstelling vorderen, niet zijn ontstaan zoals deze thans tot stand is gekomen. Het hoger beroep van appellant is ongegrond in zoverre het zijn aansprakelijkheid betreft. De opzettelijke fout en het verval de verzekeringswaarborg. 3.
  19. Appellant heeft derde geïntimeerde opgeroepen tot zijn vrijwaring krachtens hun verzekeringsovereenkomst ( "Top Familiale" polisnr. 03/64.127.047/02). Derde geïntimeerde heeft geweigerd de verzekeringsprestatie te leveren omdat het schadegeval door appellant opzettelijk zou zijn veroorzaakt. Volgens art. 15, 1° van de polis is niet verzekerd: "...de schade die voortvloeit uit de persoonlijke aansprakelijkheid van een verzekerde als dader van een opzettelijke daad;...". De eerste rechter heeft het bewezen geacht dat appellant een opzettelijke fout beging. Appellant is hierdoor gegriefd omdat hij het opzettelijk karakter van zijn fout betwist. 3.
  20. Het opzet leidt tot rechtsverval, niettegenstaande de rangschikking van het begrip "opzettelijke daad" in de polis bij de uitsluitingsgronden. De verzekeraar draagt de bewijslast van het beweerde opzet. Het is niet aangetoond dat partijen contractueel een andere betekenis hebben willen geven aan het begrip "opzettelijk" dan deze die bedoeld is in art. 8, 1° Wet Landverzekeringsovereenkomst. Een schadegeval is opzettelijk veroorzaakt in de zin van art. 8, 1° Wet Landverzekeringsovereenkomst wanneer de verzekerde wetens en willens een daad stelt of zich ervan onthoudt en zijn risicodragende handelwijze een redelijkerwijze voorzienbare schade aan een derde veroorzaakt. De omstandigheid dat de dader de schade, de aard of de omvang ervan niet heeft gewild, doet niets af aan het opzet. Daartoe volstaat dat de schade is verwezenlijkt. De daad van appellant, waarvan het al dan niet opzettelijke karakter ter beoordeling staat, betreft zijn voormelde tackle op eerste geïntimeerde waarbij hij met volle kracht met gestrekt been vooruit met zijn schoeisel op het been, juist onder de knie van eerste geïntimeerde terechtkwam waardoor eerste geïntimeerde onderuit werd gehaald en breuken aan het onderbeen opliep. Het staat vast dat appellant deze foutieve actie in volle bewustzijn en met kennis van zaken heeft uitgevoerd. Hij verklaarde tijdens het strafonderzoek dat hij "een sliding" plaatste naar de bal. Als voetbalspeler kende hij dergelijke actie en wist hij m.a.w. zeer goed wat hij deed zodat aan te nemen is dat hij ook wist dat, wanneer hij de bal zou missen, hij mogelijks de tegenspeler onderuit zou halen en zijn sliding door de foutieve wijze van uitvoering een tackle zou worden. Het staat echter niet vast dat appellant ook wilde de in aanmerking te nemen daad te stellen, m.a.w. dat hij met zijn gestrekt been met zijn schoeisel wilde terechtkomen op het been onder de knie van de tegenspeler. Het is wel aangetoond dat hij zijn actie op drieste wijze uitvoerde, dat hij de bal niet speelde en dat hij redelijkerwijze kon voorzien dat zou kunnen gebeuren wat in werkelijkheid gebeurd is, doch dit alles impliceert nog niet het bewijs dat hij ook wilde wat is gebeurd. Dit bewijs is evenmin geleverd door de verklaringen van sommige getuigen die aan appellant bepaalde intentieprocessen hebben toebedeeld, waardoor zij het terrein van hun zintuiglijke waarnemingen te buiten zijn gegaan en zich hebben gewaagd aan speculaties zonder bewijswaarde. Aldus is de beweerde opzettelijke daad van appellant niet afdoende bewezen. De geweldpleging en de uitsluiting van de verzekeringswaarborg. 3.
  21. Derde geïntimeerde werpt aan appellant en aan eerste en tweede geïntimeerde nog de uitsluiting van de verzekeringswaarborg tegen met toepassing van art. 15, 2° van de algemene voorwaarden van voormelde polis. Volgens dit beding zijn niet verzekerd: "...de schade die voortvloeit uit de persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van een verzekerde die ouder is dan 16 jaar, wanneer die schade veroorzaakt wordt door één van de volgende gevallen van grove schuld: (....) geweldplegingen op personen (...) ". Volgens derde geïntimeerde geldt als "geweldpleging" het plegen van geweld, d.i. een kracht die met hevigheid en onstuimigheid wordt uitgeoefend. Appellant, eerste noch tweede geïntimeerde hebben de geldigheid (art. 8, 2de lid Wet Landverzekeringsovereenkomst) van voormeld beding van uitsluiting van dekking bij grove schuld van de verzekerde betwist. Ook de omschrijving door derde geïntimeerde van het begrip geweldpleging is door hen niet aangevochten. Appellant betwist wel de toepasbaarheid van het beding omdat te dezen, volgens hem, geen sprake zou zijn van "geweldpleging op personen". Het voetbalspel is een sport waaraan contact met de medespelers inherent is. De duels met de tegenspeler worden meestal aangegaan met snelheid, behendigheid en kracht. Het is daarbij niet uit te sluiten dat daarbij in zekere mate geweld wordt uitgeoefend op die tegenspeler. Te dezen heeft appellant in een duel een spelactie uitgevoerd op weliswaar volstrekt foutieve wijze waarvan het gevolg is geweest dat ernstige verwondingen werden toegebracht. Appellant toont echter aan dat zijn optreden, hoe foutief en zelfs brutaal ook, toch geschiedde bij het uitvoeren van een actie die nog kadert binnen de beoefening van de voetbalsport, zodat er, ondanks het daardoor tot stand gekomen gevolg, niet van een geweldpleging op een persoon kan gesproken worden. De exceptie van uitsluiting wordt ten onrechte ingeroepen door derde geïntimeerde. Het incidenteel beroep en/of hoger beroep van eerste en tweede geïntimeerde. 3.
  22. Eerste en tweede geïntimeerde hebben incidenteel beroep ingesteld en vorderen de wijziging van het beroepen vonnis wat de omvang van de toegekende provisies betreft. In eerste aanleg werd het gevorderde slechts gedeeltelijk toegekend. Eerste en tweede geïntimeerde vragen nu de integrale toekenning van hun oorspronkelijke eisen. Zij voeren evenwel geen enkele motivering aan voor hun verzoek. Zij tonen niet aan waarin de eerste rechter zich zou hebben vergist. Zij bewijzen evenmin dat de toegekende provisies te dezen niet billijk en gepast zouden zijn. 3.
  23. Eerste en tweede geïntimeerde zeggen "hoger beroep" in te stellen tegen derde geïntimeerde in die mate dat hun oorspronkelijke rechtstreekse eis tegen derde geïntimeerde ongegrond werd verklaard. Zij voeren aan dat de excepties die derde geïntimeerde eventueel zou kunnen laten gelden tegen appellant alleszins met toepassing van art. 87, § 2 Wet Landverzekeringsovereenkomst hen niet tegenwerpelijk zijn. Vermits gebleken is dat derde geïntimeerde ten onrechte excepties van verval en/of uitsluiting heeft opgeworpen en zij tot dekking gehouden is, is de rechtstreekse eis van eerste en tweede geïntimeerde tegen derde geïntimeerde met toepassing van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst toewijsbaar. Het verweer over de niet-tegenwerpelijkheid van de excepties is dan ook niet meer terzake dienend. Het hoger beroep van eerste en tweede geïntimeerde is aldus in die mate gegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant S.W. toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep en het hoger beroep van eerste en tweede geïntimeerde toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis met betrekking tot de oorspronkelijke eis in tussenkomst en vrijwaring van appellant S.W. tegen derde geïntimeerde de n.v. Fortis AG, en met betrekking tot de rechtstreekse tusseneis van eerste en tweede geïntimeerde J.P. en B.H. tegen de n.v. Fortis AG. Veroordeelt de n.v. Fortis AG in solidum met S.W. tot betaling aan J.P. van een provisie op schadevergoeding van euro 5 000, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 22 oktober 2000 tot op 11 februari 2004 en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de betaling. Veroordeelt de n.v. Fortis AG in solidum met S.W. tot de betaling aan de huwgemeenschap van J.P. en B.H. van een provisie op schadevergoeding van euro 3 000, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 22 oktober 2000 tot op 11 februari 2004 en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tot op de dag van de betaling. Alvorens verder te oordelen op de schade-eis van J.P. en van de huwgemeenschap J.P.-B.H.. Beveelt dat het deskundigenonderzoek, zoals in het beroepen vonnis bevolen met aanstelling van dezelfde gerechtsdeskundige, ook ten aanzien van de n.v. Fortis AG geldt. Veroordeelt de n.v. Fortis AG tot vrijwaring van S.W. tegen alle veroordelingen die te deze tegen hem zouden worden uitgesproken zo wel in hoofdsom, rente als kosten, ten belope van de tussen hen overeengekomen verzekeringswaarborg. Bevestigt het beroepen vonnis in de veroordeling van S.W.. Zet daarbij de materiële vergissing recht die erin bestaat dat aan S.W. de betaling van de vergoedende interesten werd opgelegd vanaf "11.20.2000" en zegt dat moet gelezen worden: "22.10.2000". Verzendt de zaak voor verder afdoening met toepassing van art. 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek terug naar de eerste rechter. Verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding van euro 476,
  24. Verwijst derde geïntimeerde in de gedingkosten in hoger beroep van appellant aan de zijde van appellant vereffend op het rolrecht van euro 186 en op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 475,
  25. Wijst de meer gevorderde kosten af. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 22 maart
  26. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060322.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.