← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060405.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060405.11 Rolnummer: 2003AR1763 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-01 04:18 Fiche In de mate dat de vorderingen tot vergoeding van de eigenaar van de bungalow en van diens brandverzekeraar strekken tot het behoud van een onrechtmatige toestand, nl. tot het behoud/de herstelling van de wederrechtelijke instandhouding van de bungalow (zonder stedenbouwkundige vergunning opgericht en te slopen ingevolge een herstelvordering), zijn zij onontvankelijk bij gebrek aan rechtmatig belang De verzekerde en de verzekeraar als gesubrogeerde hebben wel een rechtmatig belang met betrekking tot de inboedel. Het bezit van de inboedel druist immers niet in tegen de openbare orde. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang Vrije woorden: Aansprakelijkheid - brand in onvergunde bungalow - verhaal op aansprakelijke derde - geen rechtmatig belang - behoud van een onrechtmatige toestand Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2003/AR/1763 NV APRA ONGEVALLEN, verzekeringsonderneming, ingeschreven in de Kruispuntbank der ondernemingen met ondernemingsnummer 0404.498.908, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 64-68, appellante, tegen het vonnis uitgesproken op 17 februari 2003 door de 5de kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, vertegenwoordigd door Mr. R. VERDOODT loco Mr. M. SCHOUPS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, De Burburestraat 6-8, tegen :

  1. F.V.P.,
  2. NV ING INSURANCE, met zetel te 1140 BRUSSEL, Henri Matisselaan 16, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 338.151, eerste en tweede geïntimeerden, vertegenwoordigd door Mr. B. D'HAENE loco Mr. L. SOL, advocaat te 2300 TURNHOUT, Gemeentestraat 4 bus 6,
  3. Mr. Hilde VAN DIJCK, advocaat te 2200 MORKHOVEN-HERENTALS, Molenstraat 57, in opvolging van wijlen Mr. Walter BUTS, handelend in haar hoedanigheid van curator van het faillissement BVBA VAN BULCK, met maatschappelijke zetel te 2200 HERENTALS, Lierseweg 176, ingeschreven in het handelsre-gister te Turnhout onder het nummer 60.153, failliet verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Turnhout bij vonnis van 10 april 2001, derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. LAGROU, advocaat te 2610 WILRIJK, Prins Boudewijnlaan 177-179, Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestre-den vonnis, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout op 17 februari 2003, betekend op 26 mei 2003, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 25 juni 2003, waarmee een naar vorm en termijn regel-matig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld, behalve in zoverre gesteld tegen de curator van het faillissement van de BVBA VAN BULCK, bij gebrek aan belang (cfr geen wederzijdse vorderingen). Appellante streeft, bij hervorming van het bestre-den vonnis, na dat de vordering van eerste en tweede geïntimeerde ontoelaatbaar en onontvankelijk én ongegrond zou worden verklaard, minstens dat de vordering hoogstens ontvankelijk zou worden ver-klaard in de mate dat een vergoeding wordt gevor-derd voor de beschadigde inboedel. In ondergeschikte orde streeft zij na dat de vordering van eerste geïntimeerde slechts gegrond zou worden verklaard t.b.v. 3.057,72 EUR + BTW en dat voor recht zou worden gezegd dat op het schade-bedrag een vrijstelling geldt ten belope van 10% met een minimum van 247,89 EUR en een maximum van 1.239,47 EUR, zijnde in casu 1.239,47 EUR, bedrag dat in mindering gebracht moet worden van elke vordering. Alleszins streeft zij na dat eerste en tweede geïntimeerden zouden worden veroordeeld tot de kosten van het geding. Eerste en tweede geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis. Meester Hilde VAN DIJCK die meester W. BUTS opvolgt als curator van het faillissement BVBA VAN BULCK, verzoekt om haar akte te verlenen dat zij zich q.q. gedraagt naar de wijsheid van het Hof. In ondergeschikte orde concludeert zij tot de bevestiging van het bestreden vonnis en in nog meer ondergeschikte orde verzoekt zij om de schuldvorde-ringen in hoofde van de schadelijdende partijen te begroten, zowel in hoofdsom, interesten en kosten en om de zaak te verzenden naar de rechtbank van Koophandel te Turnhout voor opname van de schuld-vorderingen in het passief van de faling. °°°°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VOR-DERINGEN - VOORGAANDE. Op 28 mei 1999 omstreeks 12.45u brak er brand uit in de bungalow van de heer F.V.P. , huidige eerste geïntimeerde, gelegen te ... . Ingevolge deze brand werd een minnelijke schatting gedaan van de schade, en werd deze begroot op 42.684,71 EUR, exclusief BTW; De N.V. RVS-Verzekeringen, rechtsvoorganger van de ING INSURANCE N.V., huidige tweede geïntimeerde, brandverzekeraar van F.V.P., heeft deze laatste vergoed ten belope van 34.112,11 EUR. Op 14 juli 2000 dagvaardden F.F.V.P. en zijn verzekeraar de BVBA VAN BULCK. Op die bewuste dag waren met name twee werknemers van de BVBA VAN BULCK, thans failliet, roofing aan het leggen op het dak en eisers zijn van oordeel dat het schadegeval in kwestie enkel en alleen te wijten is aan de fouten en onvoorzichtigheden van de aangestelden van VAN BULCK, zodat deze laatste ingevolge o.m. de bepalingen van artikel 1382 en 1384 B.W. gehouden is de schade in kwestie te vergoeden. De N.V. APRA Ongevallen, zijnde de verzekeraar BA Uitbating van de BVBA VAN BULCK, kwam vrijwillig tussen in de procedure bij verzoekschrift d.d. 20 augustus
  4. Bij het bestreden vonnis verklaarde de eerste rechter de vorderingen van F.V.P. en van de verze-keraar ontvankelijk, oordeelde hij dat de oorzaak van de brand toereikend bewezen is en dat er een causaal verband is tussen de werken, uitgevoerd door de BVBA VAN BULCK en de schade, die dan ook gehouden is tot schadeloossstelling, evenals diens verzekeraar, de N.V. APRA Ongevallen. Zo werd voor recht gezegd dat de schadevergoeding die aan F.V.P. toekomt op datum van het vonnis 20.403,62 EUR bedraagt en in hoofde van de N.V. ING 42.113,04 EUR, beide bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke interesten, en werd de opname bevolen van deze bedragen in het passief van de faling van de BVBA VAN BULCK en werd de zaak dienaangaande naar de rechtbank van Koophandel te Turnhout verzonden, voor de verdere afwerking en opname van de vordering in het passief. Tevens werd de N.V. Ongevallen APRA veroordeeld solidair ten einde te betalen aan F.V.P. respectie-velijk aan de N.V. ING van voormelde respectieve bedragen, meer de kosten van het geding. II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BE-ROEP.
  5. Ontvankelijkheid van de vordering. Zoals voor de eerste rechter houdt appellante voor dat de oorspronkelijke vordering van de heer F.V.P. en van de N.V. ING INSURANCE (hierna verder kortweg ING genoemd) ontoelaatbaar en onontvankelijk is, stellende dat de eisende partijen niet beschikken over een legitiem belang om een vordering in te stellen, omdat deze vordering strekt tot het vergoeden van schade aan een gebouw dat werd opgericht zonder stedenbouwkundige vergunning en de schade aan de bungalow in kwestie enkel een gevolg is van het in stand houden van een ongeoorloofde toestand, wat niet kan. Krachtens artikel 17 Ger.W. kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. In buitencontractuele verhoudingen wordt de eerbied voor de openbare orde inderdaad meestal zo uitgedrukt dat het gekrenkte belang van een benadeelde wettig of, beter, recht-matig moet zijn en bijgevolg niet strijdig mag zijn met de openbare orde of de goede zeden. De krenking van een belang kan derhalve enkel tot een rechtsvordering tot vergoeding leiden als het om een rechtmatig belang gaat. Degene die enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nastreeft, heeft geen rechtmatig belang. De omstandigheid dat de benadeelde zich in een ongeoorloofde situatie bevindt, heeft echter niet noodzakelijk tot gevolg dat hij geen rechtmatig belang kan doen gelden. Om uit te maken of een belang al dan niet rechtmatig is, dient te worden nagegaan of de aanspraak strekt tot het behoud van een onrechtmatige toestand. Aldus dient ook te worden onderzocht of het belang dat de eiser bij deze rechtsvordering heeft, zowel in oorzaak als in voorwerp, rechtmatig is. In casu putten de eisende partijen, F.V.P. en diens verzekeraar ING, de oorzaak van hun rechtsvordering in de beweerde fout/onvoorzichtigheid van aange-stelden van de BVBA VAN BULCK., m.a.w. in de schuld van de dader van een onrechtmatige daad, zoals ze is bedoeld in de artikelen 1382-1383 B.W. In casu steunen de vorderingen van eisende partijen op een oorzaak die op zich niet onrechtmatig is, minstens wordt dit niet aangetoond. De vraag stelt zich evenwel of ook het voorwerp van de rechtsvordering van de eisende partijen, d.i. datgene wat op grond van die oorzaak aan de rechter gevraagd wordt, de erkenning van een aanspraak op schadevergoeding, eveneens rechtmatig is. In casu blijkt uit stuk 9 farde I van het bundel van appellante dat de bungalow van de heer F.V.P., waarvoor deze laatste schadevergoeding vordert van appellante, gebouwd werd in een zone bestemd voor ambachtelijke bedrijven en/of KMO's. In voormeld schrijven wordt bevestigd dat "Voor het chalet is er volgens onze gegevens geen stedenbouwkundige vergunning afgeleverd. Er werd wel een proces-verbaal opgesteld op 1 maart 1973 voor het oprich-ten van een houten zomerhuis (PVnr. 103.287 - BM1973/38). Verder blijkt uit stuk 10 farde I van het bundel van appellante dat AROHM Antwerpen op 1 maart 1973 een herstelvordering instelde lastens de heer F.V.P.. Hierin werd bepaald dat op vermeld perceel, Zavelstraat 106, sectie C nr. 532/D, een houten zomerhuis (9,30m x 4,60m à 7m), afgedekt met een schuin dak in roofing, opgericht werd, dat het perceel gelegen is in een nijverheidszone, waar woningbouw niet toegelaten is. Verder vermeldt de herstelvordering dat het gebouw bovendien in niet te aanvaarden materialen uitgevoerd is en zijn welstand geen voldoening geeft. De vordering tot herstel bestond uit: "De plaats in de vorige staat herstellen door slopen van het zomerhuis". In tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeel-de, staat het onvergunde karakter van de beschadig-de bungalow onbetwistbaar vast. Dit blijkt voldoen-de uit voormelde stukken. Uit het verslag van de BVBA CLAES blijkt dat de bungalow wel degelijk van hout is, doch het onderscheid dat de eerste rechter maakte is in feite niet relevant en niet dienend voor de beoordeling van het onvergund karakter, vermits de bungalow hoe dan ook niet op het perceel in kwestie, dat gelegen is in een nijverheidszone, mocht worden gebouwd. De eerste rechter kan ook niet worden gevolgd, waar hij stelde dat de bouw van de chalet zou dateren van vóór de Stedenbouwwet d.d. 29 maart
  6. Dit blijkt met name nergens uit. Integendeel, uit de herstelvordering welke thans door appellante wordt bijgebracht, blijkt dat de heer F.V.P. de bungalow zelf heeft opgetrokken in 1967, dus nà de Steden-bouwwet. Blijkbaar heeft de heer F.V.P. niet voldaan aan de herstelvordering en heeft hij, ondanks de herstel-vordering, het gebouw in kwestie in stand gehouden. De heer F.V.P. heeft kennelijk ook nooit de inten-tie gehad om de niet-vergunde bungalow af te breken, zoals gevorderd. Integendeel heeft hij, in plaats van over te gaan tot afbraak van het bouw-sel, een verzekering voor dit gebouw afgesloten en er kennelijk premie voor betaald en bij deze ontegensprekelijk te kennen gegeven dat hij geens-zins zinnens was zich te gedragen naar de herstel-vordering door het slopen van het huis. Meer zelfs, uit een schrijven uitgaande van RVS Verzekeringen aan haar verzekerde F.V.P. blijkt dat het gebouw in kwestie ook weder opgebouwd/hersteld werd: "... Het saldo en de BTW worden uitbetaald na volledige wedersamenstelling...". Overigens werd ook ter zitting bevestigd dat de bungalow na de kwesti-euze brand met de gevraagde en bekomen vergoeding werd hersteld/weder opgebouwd. Er dient dan ook te worden vastgesteld dat F.V.P. niet alleen vóór het schadegeval de wil geuit heeft om de constructie niet te slopen en integendeel in stand te houden, maar bovendien heeft hij de gevraagde en bekomen vergoeding van zijn verzeke-raar gebruikt om de constructie te herstellen in zijn oorspronkelijke - wederrechtelijke - toestand. Met andere woorden strekte de gevraagde en bekomen vergoeding tot het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde. Hetzelfde dient gezegd van de vergoeding die F.V.P. thans vordert van de volgens hem aansprakelijke voor de brand in kwestie, met name de BVBA VAN BULCK en van diens verzekeraar, de N.V. APRA, huidige appellante. Het is duidelijk dat de aan-spraak van F.V.P. strekt tot het behoud van een onrechtmatige toestand, nl tot het behoud/de herstelling van de wederrechtelijke instandhouding van de bungalow. In de gegeven omstandigheden, beschikt F.V.P. aldus niet over een rechtmatig belang en is diens rechts-vordering dan ook onontvankelijk, in tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelde. De N.V. ING Insurance streeft de terugbetaling na van de bedragen die zij aan haar verzekerde, F.V.P., uitbetaalde in uitvoering van de met deze laatste gesloten verzekeringsovereenkomst en zij heeft hiertoe materieel belang. Ingevolge de subrogatie gaat de schuldvordering over op de derde tot beloop van wat hij heeft betaald. De gesubrogeerde oefent de rechten uit van de uitbetaalde schuldeiser in wiens plaats hij is getreden. De schuldenaar mag door de subrogatie evenwel niet in een minder gunstige positie komen. Derhalve kan de schuldenaar de excepties waarop hij zich tegen de aanvankelijke schuldeiser heeft beroepen, met name zoals in casu de exceptie van onontvankelijkheid van de vordering, ook tegenwer-pen aan de gesubrogeerde schuldeiser, ING. Welnu, in de mate dat de vordering van ING betrek-king heeft op het herstel van de schade aan de bungalow in kwestie, die onrechtmatig, want zonder stedenbouwkundige vergunning werd opgericht en ingevolge een herstelvordering diende te worden gesloopt, is deze eveneens onontvankelijk, bij gebrek aan rechtmatig belang. Immers, ook hier dient te worden vastgesteld dat de vordering tot herstel van schade enkel het behoud beoogt van de wederrechtelijke instandhouding van de bungalow van haar verzekerde, F.V.P.. Evenwel kunnen F.V.P. en diens verzekeraar, ING, als gesubrogeerde, wél een rechtmatig belang laten gelden met betrekking tot de inboedel Op dit onderdeel van de vordering wordt immers niet enkel het behoud van een toestand in strijd met de openbare orde nagestreefd. Het bezit van de inboe-del druist immers niet in tegen de openbare orde. Gelet op dit alles, zijn de vorderingen van respec-tievelijk F.V.P. en van diens verzekeraar ING ontvankelijk, doch slechts in zoverre deze betrek-king hebben op de schade aan de inboedel.
  7. Ten gronde; a) Oorzaak van de brand. Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat afdoend is bewezen en niet voor ernstige betwisting vatbaar is dat de oorzaak van de brand in kwestie gelegen is bij de dakwerken uitgevoerd door de BVBA VAN BULCK. Het Hof verwijst in dit verband naar de oordeelkun-dige overwegingen terzake van de eerste rechter, die hier als herhaald dienen te worden beschouwd. Ten overvloede wordt ook nog verwezen naar de vaststellingen van de verbalisanten, waar zij in hun P.V. noteerden: "Ter plaatse waren er personen aanwezig van een dakbedekkingsfirma welke roofing werkzaamheden hadden uitgevoerd. Er werd ons spontaan meegedeeld dat bij deze werkzaamheden het dak vuur gevat had." Verder is er ook nog de verklaring van de heer M.A., aangestelde van de BVBA VAN BULCK ten over-staan van de verbalisanten: "Omstreeks 12.45u was ik roofing aan het branden, dit te .... Ik ben werkzaam als arbeider, dit bij de firma VAN BULCK BVBA, gevestigd ........ Bij het plaatsen van de eerste laag roofing op het dak, is deze op een bepaald ogenblik in brand gevlogen. Wij hebben dan getracht om de brand te blussen, wat ons niet gelukt is. De eigenaar van de woning heeft hierop de brandweer verwittigd. Het ganse dak van de woning is afge-brand, alsook binnen in de woning is er veel schade door het voorval. De roofing werd aangebracht door middel van een gasbrander. Wij hadden vier blustoe-stellen op het dak staan in geval van nood". Het advies van de brandweercommandant over de oorzaak van de brand luidde: "Betrof uitslaande brand naar aanleiding van roofingwerken". Al deze elementen, samen met deze aangehaald door de eerste rechter, waar het Hof naar verwijst, laten geen twijfel bestaan over het feit dat de brand in kwestie wel degelijk zijn oorzaak vindt in de dak-/roofingwerken uitgevoerd door aangestelden van de BVBA VAN BULCK. De door appellante aangehaalde veronderstellin-gen/hypotheses, welke door haar raadgevend deskun-dige worden aangereikt (cfr verslag I. CLAES - stuk I.3 bundel appellante) vinden op geen enkele manier steun in de elementen van het dossier en kunnen dan ook niet in acht genomen worden, terwijl het verslag ATAREX (stuk 2 bundel eerste en tweede geïntimeerden) volledig aansluit bij de hiervoor aangehaalde duidelijke en voor geen betwisting vatbare bevindingen en verklaringen opgenomen in het strafdossier en welke samen voldoende samenhan-gende en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen betreffende de oorzaak van de brand, met name de roofingwerken uitgevoerd door aangestelden van de BVBA VAN BULCK. De BVBA VAN BULCK had de contractuele verplichting om het aangenomen werk volledig en volgens de regels van goed vakmanschap te volmaken. Uit voormelde gegevens blijkt evenwel dat de aannemer gefaald heeft in zijn opdracht en dat diens aange-stelden kennelijk niet met de nodige voorzichtig-heid en zorgvuldigheid de roofingwerken in kwestie hebben uitgevoerd. Zoals ook de eerste rechter terecht opmerkte, houdt het branden van roofing in dat de roofing derwijze heet gestookt wordt dat die uitvloeit en vloeibaar wordt en dat deze rookt en gloeiend heet wordt. Een zorgvuldig en voorzichtig vakman dient te weten dat hij, wanneer hij dicht bij gemakkelijk brandbare materialen dient te werken, zoals kartonnen buiten-bekleding van polystyreen isolatiematten, de nodige voorzorgsmaatregelen dient te nemen, hetgeen in casu kennelijk niet is gebeurd, zoals kan worden afgeleid uit de vaststellingen door de verbalisan-ten en uit de eigen verklaring van de aangestelde van de BVBA VAN BULCK, M.A.. Aangenomen dient dan ook dat de brand in kwestie wel degelijk zijn oorzaak vindt in de fout/onvoorzichtigheid in hoofde van de aangestel-den van de BVBA VAN BULCK, waardoor deze dan ook aansprakelijk is voor het schadegeval in kwestie en voor de schadelijke gevolgen. Het standpunt van appellante als zouden de aange-stelden van de BVBA VAN BULCK op het ogenblik van de feiten als gelegenheidsaangestelden gefungeerd hebben van de heer F.V.P., wordt door deze laatste formeel betwist en wordt door geen enkel element van het dossier gestaafd, zodat dit dan ook niet kan worden gevolgd, zoals overigens ook terecht de eerste rechter oordeelde. b) Omvang van de schade. Uit de door eisende partijen bijgebrachte stukken blijkt dat op 12 oktober 1999 tussen partijen een onderlinge schatting van de schade werd opgemaakt, waarbij de schade werd geraamd op 1.721.897 BF excl. BTW of 42.684,71 EUR. Dit vertegenwoordigde onder aftrek van de vetusti-teit in werkelijke waarde een som van 1.301.427 BF + 198.000 BF = 1.499.427 BF excl. BTW of 37.169,82 EUR. De N.V. ING Insurance betaalde aan haar verzekerde, F.V.P., 1.721.897 BF à 80% = 1.383.273 BF - 7.194 BF vrijstelling = 1.376.079 BF of 34.112,11 EUR, bedrag dat door deze laatste wordt gevorderd. F.V.P. vordert van zijn kant nog een bedrag van 15.429,07 EUR. Het bedrag van 1.721.897 BF werd door F.V.P. en ING samengesteld als volgt: - schade aan gebouw: 1.221.091 BF - schade aan inboedel: 310.000 BF - andere kosten dak en plafond: 96.000 BF - zes blusapparaten, telefoons: 12.000 BF - andere kosten en mindergenot: 90.000 BF - vrijstelling: - 7.194 BF TOTAAL: 1.721.897 BF of 42.684,71 EUR De vordering van eisende partijen is evenwel enkel ontvankelijk in de mate deze betrekking heeft op andere schade dan deze aan het gebouw, en meer bepaald op de inboedel. Het Hof stelt vast in de beroepsconclusies van appellante dat zij akkoord gaat dat de schade aan de inboedel op 400.000 BF of 9.915,74 EUR wordt begroot. F.V.P. werd hiervoor kennelijk reeds vergoed door diens verzekeraar, ING, die in totaal een bedrag aan hem uitkeerde van 34.112,11 EUR, waarin de vergoeding voor de inboedel kennelijk al is inbe-grepen. Het thans door F.V.P. van de gefailleerde en van diens verzekeraar, de N.V. APRA, (meer) gevorderde bedrag is dan ook ongegrond. De vordering van ING is in principe gegrond ten belope van voormeld begrote bedrag ad 9.915,74 EUR. Appellante merkt op dat de eerste rechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij slechts kan worden aangesproken voor een bedrag onder aftrok van de franchise. De franchise is bepaald op 10% per schadegeval, met een minimum van 247,89 EUR en een maximum van 1.239,47 EUR, zoals bepaald onder A. AFD.I,d) 3, van de bijzondere voorwaarden van de polis BA die VAN BULCK bij appellante had afgesloten (stuk I.8 bundel appellante). In casu brengt APRA een bedrag van 1.239,47 EUR in mindering op de vordering van de N.V. ING. Akte wordt genomen van het feit dat de N.V. ING zich desbetreffend gedraagt naar de wijsheid van het Hof. Gelet op wat voorafgaat, is de vordering van ING dan ook slechts gegrond ten belope van 9.915,74 EUR - 1.239,47 EUR = 8.676,27 EUR in hoofdsom. OM DIE REDENEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verleent akte aan Mr. VAN DIJCK Hilde dat zij wijlen meester W. BUTS als curator opvolgt, zoals aangeduid bij vonnis van de rechtbank van Koophan-del te Turnhout d.d. 15 november
  8. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, behalve in zoverre gericht tegen derde geïntimeerde q.q. curator van het faillissement van de BVBA VAN BULCK, dat bij gebrek aan belang, onontvankelijk is. Hervormt het bestreden vonnis en opnieuw wijzende, Verklaart de vorderingen van de heer F.V.P. en van de N.V. ING INSURANCE onontvankelijk in zoverre deze betrekking hebben op het herstel van de schade aan het gebouw. Verklaart de vordering van de heer F.V.P. ontvanke-lijk in zoverre deze betrekking op schade op de inboedel doch ongegrond. Verklaart de vordering van de N.V. ING INSURANCE ontvankelijk in zoverre deze betrekking op schade op de inboedel doch slechts gegrond ten belope van 8.676,27 EUR, in hoofdsom. Zegt voor recht dat de vordering in hoofde van de N.V. ING dient begroot te worden op 8.676,27 EUR, bedrag te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 14 oktober 1999, datum uitkering, tot op de datum van volledige betaling. Beveelt de opname van dit bedrag in het passief van de faling van de BVBA VAN BULCK en zendt de zaak dienaangaande naar de rechtbank van Koophandel te Turnhout, voor de verdere afwerking en opname van de vordering in het passief. Veroordeelt appellante, de N.V. APRA, om aan de N.V. ING te betalen de som van 8.676,27 EUR, bedrag te vermeerderen met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 14 oktober 1999, datum uitkering, tot op de datum van volledige betaling. Veroordeelt appellante tevens tot de kosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerden begroot op 227,05 EUR dagvaar-ding, 356,97 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van derde geïntimeerde niet begroot bij gebrek aan opgave. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF APRIL TWEEDUIZEND EN ZES, waar aanwezig waren : K. ALLEGAERT Raadsheer A. VAN CAMP Griffier -Hoofd van dienst PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060405.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.