← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060419.19

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060419.19 Rolnummer: 2004AR1850 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-01 04:21 Fiche

  1. Het stakingsrecht (artikel 6.
  2. E.S.H. en art. 8.1.d Verdrag New York van 16.12.1999) doorkruist bij uitoefening sommige andere subjectieve rechten, zoals het eigendomsrecht, ondernemingsvrijheid, recht op arbeid, en is daardoor van nature schadeverwekkend. De rechter heeft slechts een marginale toetsing, m.a.w. na te gaan of de grenzen van de normale en gangbare uitoefening van het recht kennelijk zijn overschreden.
  3. Het verspreiden van syndicale boodschappen d.m.v. de interne post van een bedrijf wordt beschermd door het recht op syndicale actie en vrije meningsuiting. Het recht van de werknemers op informatie door de collectieve organisaties behoort tot de sociale grondrechten. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Algemeen (verbintenis uit onrechtmatige daad) GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - MENSENRECHTEN - EVRM - Rechten - vrijheden - Vrijheid van meningsuiting art. 10 Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid
  4. stakingsactie - aansprakelijkheid vakbondssecretaris
  5. vrijheid van meningsuiting - informeren van werknemers over sociale grondrechten door collectieve arbeidsorganisaties - verspreiding via interne post Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/1850 ARGENTA SPAARBANK NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 49-53, KBO-nummer 0404.453.574, appellante, vertegenwoordigd door Mr. A. BOLJAU loco Mr. RYMENANS Robrecht, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Britselei 47-49 tegen het vonnis gewezen op 18 maart 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen
  6. M.E., bediende,
  7. De Privaatrechtelijke Vennootschap met andere rechtsvorm L.B.C.-N.V.K., met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Sudermanstraat 5, met nationaal nummer 932.842.367
  8. V.P.R., geïntimeerden, allen vertegenwoordigd door Mr. LENAERTS Lieven, advocaat te 2060 ANTWERPEN, Nachtegaalstraat 47 ***
  9. Wat voorafgaat. 1.
  10. Op 15 oktober 2001 hebben militanten van de Landelijke Bediendencentrale (LBC-NVK) een stakingsactie gehouden voor de kantoren van Argenta Spaarbank te Antwerpen, Belgiëlei en Lamorinièrestraat. Volgens een proces-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder L. De Troij verhinderden stakersposten die ochtend tot 9u00 de toegang van het personeel tot de kantoren en de parkeergarage van Argenta Spaarbank. De actie werd georganiseerd door militanten van de Landelijke Bediendencentrale en werd ter plaatse geleid door M.E., vakbondssecretaris. De stakersposten bestonden hoofdzakelijk uit personen die geen personeelsleden waren van Argenta Spaarbank. De gerechtsdeurwaarder, voormeld, heeft in zijn proces-verbaal de inhoud weergegeven van een door de stakingspost verspreid pamflet waaruit blijkt dat hun eisen sloegen op de nakoming van collectieve arbeidsovereenkomsten en van het arbeidsreglement, op de afbouw van de werkgelegenheid en op het sociaal klimaat binnen het bedrijf. Daarnaast zou M.E. door middel van het intranet van de bank en de elektronische post een e-mail hebben verspreid met de intentie, althans volgens Argenta Spaarbank, het personeel tegen de werkgever op te zetten. 1.
  11. In een dagvaarding van 16 januari 2002 voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft de n.v. Argenta Spaarbank de veroordeling, solidair, in solidum, minstens de een bij gebreke van de ander, gevorderd van M.E., van de LBC-NVK (Landelijke Bediendencentrale) en van haar voorzitter V.P.R. tot de betaling van een schadevergoeding van euro 250 000, provisioneel, tot vergoeding van de schade die door het beweerd onrechtmatig handelen van de gedaagden werd veroorzaakt. De eis werd gesteund op art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. 1.
  12. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 18 maart 2004 heeft de oorspronkelijke eis van de n.v. Argenta Spaarbank toelaatbaar doch ongegrond verklaard in zoverre deze werd ingesteld tegen M.E. en ontoelaatbaar in zoverre deze gericht was tegen V.P.R. en de LBC-NVK. Eiseres werd verwezen in de gedingkosten. De eerste rechter oordeelde dat de eis tegen de LBC-NVK ontoelaatbaar was wegens de beperkte rechtspersoonlijkheid van laatstgenoemde. De oorspronkelijke hoofdeis werd eveneens ontoelaatbaar verklaard in zoverre ingesteld tegen V.P.R. omdat het niet bewezen werd geacht dat de rechtsband, waarop eiseres haar aanspraken tegen laatst genoemde liet steunen, bestond of zelfs kon bestaan. Over de grond werd ten aanzien van M.E. geoordeeld dat geen van de beweerde onrechtmatige handelingen afdoende bewezen werd. 1.
  13. De n.v. Argenta Spaarbank, hierna appellante genoemd, legde op 28 juni 2004 een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van het Hof. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 6 december 2005, 11 januari 2006 en 7 maart
  14. De eisen in hoger beroep. 2.
  15. Appellante vordert dat haar oorspronkelijke eisen bij hervorming van het beroepen vonnis integraal gegrond zouden worden verklaard door geïntimeerden solidair, in solidum, minstens de een bij gebreke van de ander te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding van euro 250.000, provisioneel, te vermeerderen met de "verwijl- minstens de vergoedende interesten vanaf de datum van eisbaarheid, minstens vanaf 15 oktober 2001 en met de gerechtelijke interesten vanaf 16 februari 2002, alsook met de kosten van het geding." 2.
  16. M.E., LBC-NVK en V.P.R., hierna eerste, tweede en derde geïntimeerde genoemd, besluiten in hun conclusie, neergelegd op 8 september 2004, tot de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het vonnis a quo. In hun laatste conclusie, neergelegd op 10 februari 2005, hebben zij incidenteel beroep ingesteld en verzoeken de oorspronkelijke eis van appellante ook ten aanzien van eerste geïntimeerde M.E. ontoelaatbaar te verklaren.
  17. De beoordeling. De toelaatbaarheid van het hoger beroep van appellante. 3.
  18. Het Hof is ter terechtzitting van 6 december 2005 ambtshalve overgegaan tot het onderzoek van de toelaatbaarheid van het hoger beroep, inzonderheid wat de nakoming van de termijn van hoger beroep (art. 1051 van het Gerechtelijk Wetboek) betreft. Alsdan werd aan het Hof het door de gerechtsdeurwaarder bij de betekening van het beroepen vonnis aan appellante afgegeven afschrift van het exploot van betekening getoond. Aan de hand van de daarop vermelde datum ("14 april 2004") rees de vraag naar de tijdigheid van het hoger beroep dat werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 28 juni
  19. Ter terechtzitting van 7 maart 2006 werd door geïntimeerden het origineel van de akte van betekening overgelegd. Volgens de dagtekening daarop vermeld werd het beroepen vonnis aan appellante betekend op: "16 juni 2004", in welk geval het hoger beroep van appellante tijdig werd ingesteld. 3.
  20. Uit het origineel van de akte van betekening, thans overgelegd door geïntimeerden, blijkt dat het onmogelijk is dat het beroepen vonnis aan appellante werd betekend op 14 april 2004 vermits de uitgifte van het betekende vonnis pas aan geïntimeerde werd afgegeven op 4 juni
  21. Daarenboven is aangetoond dat de akte van betekening door de gerechtsdeurwaarder in opdracht van geïntimeerden werd aangeboden ter registratie op 17 juni 2004, zijnde daags na de dag die op het origineel van het exploot van betekening vermeld staat. Klaarblijkelijk is de vermelding van de datum op het aan appellante betekende afschrift van de akte van betekening getroffen door een materiële vergissing. Ten gevolge hiervan wordt vastgesteld dat het aan appellante betekende afschift niet dezelfde en dus niet alle vermeldingen bevat die voorkomen op het origineel exploot. Het betreft bovendien een vermelding die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen. Het betekende afschrift van het exploot moet krachtens art. 45 van het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid alle vermeldingen van het origineel bevatten. Het betreft een nietigheid bedoeld in art. 862, §1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. Het aan appellante betekende afschrift is dan ook nietig en blijft zonder gevolgen wat de aanvang van de termijn van hoger beroep betreft. Vermits geïntimeerden daardoor niet aantonen dat het beroepen vonnis regelmatig aan appellante werd betekend, kan er van het verstrijken van de termijn van hoger beroep geen sprake zijn. Het hoger beroep van appellante is toelaatbaar. Over de exceptie van ontoelaatbaarheid van de oorspronkelijke eisen, dan wel over het verweer over de grond van de zaak. 3.
  22. De eisen van appellante werden in eerste aanleg na de door geïntimeerden opgeworpen excepties ontoelaatbaar verklaard in zoverre deze werden ingesteld tegen tweede en derde geïntimeerde. Appellante meent dat haar eisen ook tegen tweede en derde geïntimeerde toelaatbaar zijn. Eerste geïntimeerde vordert daarentegen bij incidenteel beroep dat ook wat haar betreft de eisen van appellante ontoelaatbaar zouden worden verklaard. 3.
  23. De toelaatbaarheid van een eis vereist volgens art. 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek aan de zijde van de eiser de aanwezigheid van de hoedanigheid en het dadelijk en reeds verkregen belang om de eis in te dienen. Volgens de bewoordingen van de dagvaarding van 16 januari 2002 laat appellante gelden dat zij zelf schade heeft geleden door de beweerde fouten van de gedaagden, of door fouten waarvoor gedaagden moeten instaan. Deze bewoordingen doen blijken dat appellante de hoedanigheid en het reeds verkregen en dadelijk belang heeft om aanspraak te maken op schadeloosstelling. Geïntimeerden betwisten dat ook niet. De eisen van appellante zijn dan ook toelaatbaar. Daaraan wordt niet afgedaan door het feit dat de toewijsbaarheid van ingediende eisen van appellante tegen één of meer geïntimeerden door laatstgenoemde betwist wordt. Het desbetreffende verweer van geïntimeerden wordt gesteund: - wat eerste geïntimeerde betreft, op de ontstentenis van bevoegdheid om de vakvereniging te vertegenwoordigen in rechte, - wat tweede geïntimeerde betreft: op het ontbreken van rechtspersoonlijkheid, onontbeerlijk om in rechte te worden aangesproken, - wat derde geïntimeerde betreft, op de afwezigheid van een verband van aanstelling tussen hemzelf en eerste geïntimeerde. Deze kwesties raken de grond van de betwisting. De onrechtmatige daad van geïntimeerden. 3.
  24. Om de eis van appellante te kunnen toewijzen moet zij, vermits zij haar eis laat steunen op de quasi-delictuele aansprakelijkheid, vooreerst aantonen dat zij het slachtoffer is geworden van een onrechtmatige daad en /of verzuim. Vervolgens kan onderzocht worden of de bewezen onrechtmatige daad en/of verzuim toerekenbaar is aan één of meer van de geïntimeerden. Appellante houdt voor dat actievoerders o.l.v. eerste geïntimeerde in de ochtend van 15 oktober 2001 tot 9u00 vooral door middel van hun fysieke aanwezigheid de toegang blokkeerden tot haar gebouwen te Antwerpen, Belgiëlei en Lamorinièrestraat, zodanig dat haar werkwillig personeel haar kantoor niet kon binnengaan. Zij meent dat dit optreden onrechtmatig was en een fout uitmaakt in de zin van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek. Geïntimeerden betwisten de beweerde blokkade niet. Weliswaar zwakken zij de door appellante voorgehouden versie van de gebeurtenissen enigszins af. Zij plaatsen deze bovendien en vooral in het kader van een collectieve sociale actie waarin, volgens hen, geen onrechtmatigheid kan worden gevonden. 3.
  25. Het standpunt van appellante komt erop neer dat zij zich door de voormelde gebeurtenissen van 15 oktober 2001 geschaad acht in haar subjectieve rechten, met name haar eigendomsrecht (vrije toegang tot haar gebouwen en haar ondernemingsvrijheid, te weten de vrije uitbating van haar bedrijf). Geïntimeerden roepen het stakingsrecht in en voeren aan dat de subjectieve rechten, waarvan appellante de schending voorhoudt, te dezen moeten wijken voor het stakingsrecht, en dat de concrete uitoefening ervan, zoals in dit geval, geen enkel onrechtmatige optreden bewijst. 3.
  26. Art. 6.4 van het Europees Sociaal Handvest en art. 8.1d van het Internationaal Verdrag van New York van 19 december 1966 inzake economische, sociale en culturele rechten erkennen het stakingsrecht. Dit subjectief recht tot staken wordt, zoals te dezen, onvermijdelijk in bepaalde mate afgedwongen tegen gevestigde subjectieve rechten in, inzonderheid het eigendomsrecht, de ondernemingsvrijheid en zelfs het recht op arbeid. De uitoefening van het stakingsrecht door de werknemers doorkruist zo de uitoefening van sommige andere subjectieve rechten van de werkgever en is m.a.w. van nature schadeverwekkend. Het ligt immers in de bedoeling van de stakers de machtsbalans tussen hen en de werkgever in beweging te brengen zodat er ruimte komt voor een door overleg te bereiken oplossing voor het collectieve sociale geschil. De toetsing door de rechter van de uitoefening van het stakingsrecht is dan ook slechts een marginale toetsing, d.w.z. na te gaan of de grenzen van de normale en gangbare uitoefening van dat recht in het geval dat ter beoordeling komt, kennelijk zijn overschreden. 3.
  27. Volgens appellante had de stakingsactie geen enkele grond omdat er binnen de onderneming zelfs geen sociaal conflict bestond. De vakvereniging zou de actie uitsluitend hebben aangewend om het bedrijf te schaden en om haar machtsbasis binnen het bedrijf te versterken. Uit het pamflet dat door de actievoerders onder het wachtend personeel werd verspreid blijkt evenwel dat er wel degelijk een meningsverschil bestond over de toepassing door appellante van de collectieve arbeidsovereenkomsten van 18 juni 1999 en van 19 december 2002, de afbouw van de werkgelegenheid en over het arbeidsklimaat in het algemeen. De rechtmatigheid van deze grieven noch de opportuniteit van de actie komen in collectieve sociale geschillen ter beoordeling van de rechter. Wel blijkt dat een eventueel kennelijk misbruik van het stakingsrecht te dezen niet kan steunen op de totale afwezigheid van een collectief sociaal conflict. 3.
  28. Volgens appellante werd de actie uitgevoerd door de vakbondssecretaris, met name eerste geïntimeerde, en door militanten, vreemd aan haar bedrijf. Zij geeft wel toe dat daaraan ook werd deelgenomen door de "beschermde werknemers" die deel uitmaken van haar ondernemingsraad. Desalniettemin zou de solidariteitsbasis voor de actie niet hebben bestaan. Door de deelname van syndicale afgevaardigden in de ondernemingsraad van appellante is afdoende aangetoond dat de basis van de actie wel degelijk binnen het bedrijf was gelegd. Geïntimeerden laten terecht gelden dat het, gelet op de machtsverhouding werkgever-werknemer, niet afwijkt van de normale uitoefening van het stakingsrecht dat solidariteit betuigt wordt door syndicale militanten buiten het bedrijf om de actie mee gestalte te geven. Appellante toont evenmin aan dat de actie van haar sociaal doel was afgewend en er louter op gericht was haar te schaden. Ook wanneer het in de bedoeling lag van de actievoerders om de syndicale actie binnen het bedrijf kracht bij te zetten, dan kan dit niet beschouwd worden als een abnormale uitoefening van het stakingsrecht. Het feit dat er gepost werd aan de toegangen tot het kantoorgebouw van appellante is evenmin als onrechtmatig te beschouwen. Het posten aan de deur van het bedrijf ter gelegenheid van een stakingsactie maakt immers deel uit van de normale uitoefening van het stakingsrecht in zoverre dat niet gepaard gaat met geweldpleging tegen goederen of personen, wat te dezen niet bewezen is. De "schermutselingen" die gerechtsdeurwaarder De Troij heeft vermeld in zijn proces-verbaal van vaststelling van 15 oktober 2001 zijn slechts door die algemene bewoording omschreven en laten niet toe hieruit te besluiten dat er geweldplegingen zouden hebben plaats gevonden. Daarenboven moet het beperkt karakter van de actie in acht genomen worden. Klaarblijkelijk werd de toegang tot het kantoorgebouw slechts zeer kort verhinderd en kon alle personeel om 9u00 aan het werk zodat aan het cliënteel, die normaal pas vanaf 9u00 wordt toegelaten in het gebouw, de gebruikelijke service kon worden gegeven. Het ging in feite dus om niet meer dan een zogenaamde prikactie, die niet buiten redelijke verhouding was met de eisen die de stakers in hun pamflet tot uitdrukking hebben gebracht. Het is dan ook geenszins aangetoond dat door de actie in kwestie de grenzen van de normale en gangbare uitoefening van het recht te staken kennelijk werd overschreden. 3.10 Appellante wijst erop dat eerste geïntimeerde als de feitelijke organisator van de actie moet worden aangezien. Zij zou de actie op het getouw hebben gezet, alle voorbereidingen hebben getroffen, ter plaatse de instructies aan de actievoerders hebben gegeven, en als hun woordvoerster zijn opgetreden. Vermits niet bewezen is dat de stakingsactie in kwestie op zich kan gelden als een onrechtmatige daad in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek, is evenmin aangetoond dat eerste geïntimeerde een quasi-delictuele fout beging louter door de organisatie van de actie. Dat neemt niet weg dat zij bij de uitvoering van de actie persoonlijk handelingen zou gesteld kunnen hebben, die foutief waren. Zo'n persoonlijk onrechtmatig optreden van eerste geïntimeerde wordt echter door appellante niet omschreven, laat staan bewezen. Appellante verwijst nog naar de boodschappen die eerste geïntimeerde zou hebben doen verspreiden onder het personeel via elektronische post en interne post van het bedrijf. Het informeren van de werknemers is echter onlosmakelijk verbonden met de syndicale actie en steunt op het recht van vrije meningsuiting (art. 10 E.V.R.M. en art. 19 Grondwet). Dit recht bestaat ongeacht of de uitgedrukte mening voor sommige ontvangers onaangenaam, schokkend of volgens hun opinie onjuist is. De noodzaak van de beperkingen, vermeld in art. 10.2 E.V.R.M., is te dezen hoegenaamd niet aangetoond. Daarbij komt nog dat art. 23 Grondwet met betrekking tot de sociale grondrechten, uitdrukkelijk i.v.m. de arbeidsverhouding het recht op informatie bevat wat ook het recht van de werknemers op informatie door de collectieve arbeidsorganisaties omvat. Aldus is ook niet aangetoond dat eerste geïntimeerde een onrechtmatige daad beging in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek door de werknemers van appellante te informeren op de wijze zoals zij heeft gedaan. 3.
  29. Appellante heeft geen persoonlijke fouten aan tweede en derde geïntimeerde omschreven. Vermits geen onrechtmatig optreden in de zin van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek te dezen bewezen is, is de vraag naar de toerekenbaarheid aan één of meerdere geïntimeerden en naar de desbetreffende aansprakelijkheid niet meer terzake dienend. De eisen van appellante zijn niet toewijsbaar. Het hoger beroep van appellante blijkt aldus ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante n.v. Argenta Spaarbank toelaatbaar doch enkel gegrond in zoverre haar eis ontoelaatbaar werd verklaard tegen tweede en derde geïntimeerde. Verklaart het incidenteelt beroep van eerste geïntimeerde M.E. toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis met dien verstande dat de oorspronkelijke eisen van appellante tegen tweede en derde geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond worden verklaard. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerden op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 475,
  30. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 19 april
  31. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060419.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.