← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060503.21

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060503.21 Rolnummer: 2005AR2656 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-01 04:24 Fiche Wanneer een verzekeraar haar algemene polisvoorwaarden aanpast in het voordeel van de verzekerde(n), volstaat het dat zij deze bekend maakt aan de verzekerde, en kan deze bekendmaking beschouwd worden als een eenzijdige verbintenis van harentwege t.a.v. de verzekerde(

  1. n)om de bestaande polis(sen) verder te laten lopen aan de - voor de verzekerde(
  2. n)gunstiger - voorwaarden van de aangepaste polis/clausule. Een uitdrukkelijke aanvaarding van deze laatste(
  3. n)is niet vereist. Van nietigheid van de oude clausule is geen sprake. De verzekeraar heeft zich er enkel toe verbonden deze niet meer toe te passen en integendeel de polis te laten verder lopen onder de aangepaste - gunstiger - voorwaarde(n). UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Algemeen (verzekeringen) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Andere (verzekeringen) Vrije woorden: Verzekeringen - eenzijdige aanpassing polisvoorwaarden in voordeel verzekerde - geen uitdrukkelijk aanvaarding door verzekerde vereist Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/2656 S.O. , appellante, vertegenwoordigd door Mr. GROUWELS Patrick, advocaat te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 60 tegen het vonnis gewezen op 22 september 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen D.K.V. BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Bischoffsheimlaan 1-8, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 387.896, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. ASPESLAGH loco Mr. VAN LEEMPUTTEN Jan, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Marie-Josélaan 90 *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 22 september 2005, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 oktober 2005, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat de vordering van geïntimeerde als ongegrond zou worden afgewezen en dat haar tegenvordering gegrond zou worden verklaard. Dienvolgens streeft appellante na dat geïntimeerde zou worden veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen en dat deze tevens zou worden veroordeeld tot de kosten en erelonen van haar raadsman, in zoverre deze de rechtsplegingsvergoeding overtreffen, voorlopig begroot op een provisioneel bedrag van 1,000 EUR, meer de gerechtelijke interesten. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis. *** De doelstellingen van de door geïntimeerde ingestelde vordering en de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, alsmede de respectieve standpunten van partijen werden voldoende toegelicht in het bestreden vonnis, zodat het Hof ernaar verwijst. De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerde, in terugbetaling van de door haar uitgekeerde betalingen aan haar verzekerde, huidige appellante, gegrond. Hij oordeelde dat geïntimeerde zich weliswaar niet meer kan beroepen op het oude artikel 23.1 van de algemene voorwaarden van de polis, welke door appellante werd onderschreven ter dekking van medische kosten en ziekenhuiskosten, omdat dit in strijd met de wet werd bevonden, doch dat zij wel op het aangepaste artikel 23.1 kon beroep doen. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verzoenen en stelde hoger beroep in tegen deze beslissing van de eerste rechter. Zij is van oordeel dat het tegen elk juridisch basisprincipe indruist dat een contractpartij de overeenkomst die als wet geldt tussen partijen, louter eenzijdig zou kunnen wijzigen. Zij wijst er op dat geïntimeerde nergens in haar schrijven d.d. 25 augustus 2003 vermeldt dat het nieuwe artikel 23.1 retroactieve werking zou hebben, laat staan dat zulks werd overeengekomen tussen beide contractspartijen. Zij is dan ook van oordeel dat de vordering, voor zover gesteund op dit nieuwe artikel 23.1., ongegrond is. *** I. DE HOOFDEIS. 1. Over de voorgehouden nietigheid van artikel 23.1 van de algemene polisvoorwaarden. Appellante liet zich van 8 november 2001 tot 12 november 2001 opnemen in het Imeldaziekenhuis te Bonheiden voor een hernia nekoperatie. De ziekenhuisfacturen werden in het kader van de hospitalisatieverzekering die appellante bij geïntimeerde had afgesloten, door deze laatste rechtstreeks aan het ziekenhuis betaald. Met verwijzing naar de algemene verzekeringsvoorwaarden en in het bijzonder naar voormeld artikel 23.1, waarin wordt bepaald dat de verzekeringsgevallen opgetreden ingevolge een ziekte of samenlopende ziekten die bestonden of reeds opgetreden zijn vóór de aanvang van de verzekeringswaarborg, van dekking zijn uitgesloten behoudens uitdrukkelijke en schriftelijke aanvaarding door de verzekeraar, deelde geïntimeerde evenwel aan appellante mee dat zij geen dekking kan verlenen voor de kosten die betrekking hebben op voormelde hernia operatie, omdat uit de ingewonnen medische informatie bleek dat de aandoening aan de basis van de ziekenhuisopname reeds bestond vóór de aanvang van de verzekeringswaarborg in februari 2001. Aldus vordert zij van appellante de door haar betaalde bedragen ad 2.144,81 EUR in hoofdsom, terug. Appellante houdt voor dat geïntimeerde zich wegens nietigheid niet kan steunen op het oude artikel 23.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden en zij verwijst hiertoe naar de brief van geïntimeerde d.d. 25 augustus 2003, waarbij deze aan haar verzekerden (en derhalve ook aan appellante) liet weten dat zij in toepassing van een vonnis gewezen door de voorzitter van de rechtbank van Koophandel te Brussel de clausule 23.1 niet meer zou toepassen. In deze brief - welke niet persoonlijk gericht was aan appellante maar, met de aanspreking "Geachte Klant", kennelijk gericht was tot het geheel van de onderschrijvers van verzekeringspolissen van dit type - verduidelijkte geïntimeerde dat de vice-Voorzitter van de rechtbank van Koophandel te Brussel, aangaande een rechtszaak tussen de N.V. D.K.V. Belgium en de Belgische consumentenvereniging TEST AANKOOP inzake het verzekeringscontract "Individuele Hospitalisatie" van D.K.V. Belgium, oordeelde dat het gebruik in de algemene verzekeringsvoorwaarden m.b.t. de individuele hospitalisatieverzekering van welbepaalde clausules, en meer bepaald ook de clausule 23.1 (uitsluiting van voorafbestaande ziekten bij het afsluiten van het contract) in strijd zijn met de wet. Zij deelde dan ook, gevolg gevend aan de bepalingen van voormelde beschikking van de vice-Voorzitter van de rechtbank van Koophandel, aan haar verzekerden mee dat o.m. de clausule 23.1 van de algemene voorwaarden inzake de individuele hospitalisatieverzekering (editie 11.98), zoals deze momenteel geformuleerd is, niet langer toegepast zou worden. Tevens werd als bijlage het bijvoegsel met de nieuwe - aangepaste - clausule(
  4. s)verstuurd. Bij lezing van de beschikking in kwestie gewezen op 16 juni 2003 (stuk 18 bundel geïntimeerde) blijkt dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel oordeelde dat het gebruik van de clausule 23.1 in de algemene polisvoorwaarden in strijd is met artikel 14 van het K.B. d.d, 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en derhalve artikel 94 van de Wet op de Handelspraktijken schendt, doordat het een onevenwicht schept in de verbintenissen tussen partijen. De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel stelde meer bepaald vast "dat het beding in kwestie niet enkel de ziekten dekt die zich reeds hadden geopenbaard (hetgeen de veruitwendiging veronderstelt van een verandering die zich voordoet in de gezondheidstoestand van de verzekerde), maar ook de ziekten die bestonden (zelfs indien zij zich nog niet in symptomen hebben veruitwendigd). Het kan dus verstaan worden als uitsluiting van een ziekte waarvan de verzekerde drager was, maar die zich nog niet had veruitwendigd. De verzekerde kan aldus enkel onwetend zijn van deze ziekte". De voorzitter oordeelde verder: "Het feit ziekten uit te sluiten waarvan de verzekerde drager zou zijn zonder het te weten, tast de equivalentie tussen de verbintenissen van partijen aan. De consument is drager van een ziekte waarvan hij het bestaan niet kent, hij betaalt jarenlang de premies ten voordele van verweerster en acht zich volkomen gedekt om bij zijn hospitalisatie vast te stellen dat zijn ziekte in werkelijkheid bestond voor de inwerkingtreding van zijn contract, waardoor hij uit de waarborg wordt gesloten", reden waarom hij besloot dat het gebruik van het beding strijdig is met het artikel 14 van het controlebesluit en een inbreuk uitmaakt tegen artikel 94 van de WHPC. In een andere procedure voor de rechtbank van koophandel te Brussel, met name tussen TEST -AANKOOP en FORTIS AG, waarbij TEST -AANKOOP in een clausule 1.4 van een individuele levensverzekering eveneens de uitsluiting van de waarborg voorziet indien de hospitalisatie en de eventuele ambulante zorgen het gevolg zijn van een ongeval, van een ziekte of van een zwangerschap die zich hebben voorgedaan voor de inwerkingtreding van de waarborg, oordeelde de voorzitter in een beschikking eveneens d.d. 16 juni 2003 - beschikking welke eveneens door geïntimeerde wordt bijgebracht - dat in de mate waarin FORTIS AG haar waarborg wel verleent na een termijn van 3 jaren, wanneer de vaststelling van de ziekte en van de behandelingen die eruit voortvloeien plaatsvinden drie jaar na de datum van invoegetreding van het contract, de equivalentie van de prestaties van partijen niet aangetast is en dat dergelijk beding betreffende de uitsluiting van de voorafbestaande toestand wél geldig is. Uit de samenlezing van beide voormelde beschikkingen blijkt dat de clausule artikel 23,1 van de algemene polisvoorwaarden van de hospitalisatieverzekering van geïntimeerde, dat betrekking heeft op het bestaan van een vooraf bestaand schadegeval vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst, door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel strijdig werd bevonden met de wet omdat het een onevenwicht schept in de verbintenissen tussen partijen wanneer geïntimeerde niet in een termijn voorziet vanaf wanneer de waarborg begint te lopen voor de symptomen die zich hebben gemanifesteerd tussen de begindatum van het verzekeringsplan en de datum van de uitgifte van de polis. Aan het principe/de geldigheid van de uitsluiting voor de voorafbestaande toestand als dusdanig werd aldus niet geraakt, enkel aan het feit dat deze uitsluiting niet beperkt werd in de tijd, wat strijdig zou kunnen zijn met de equivalentie tussen de prestaties van partijen. Vandaar dat geïntimeerde de clausule 23.1 in die zin aangepast heeft, en met name een termijn van twee jaar bijvoegde. Ten onrechte houdt appellante voor dat de clausule van de algemene verzekeringsvoorwaarden van geïntimeerde geen juridische gevolgen zou hebben, en dat deze clausule, ingevolge voormelde beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel, nietig zou zijn. In de eerste plaats, zoals reeds aangehaald, werd in voormelde beschikking het principe van de uitsluiting voor de voorafbestaande toestand, waarop de vordering van geïntimeerde is gesteund, gehandhaafd. In voormelde beschikking d.d. 16 juni 2003 verklaarde de voorzitter de clausule 23.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden van geïntimeerde niet nietig, doch verklaarde enkel het gebruik van de clausule 23,1 te staken wegens schending van artikel 14 van het KB d.d. 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen en artikel 94 van de Wet d.d. 14 juli 1991 op de Handelspraktijken. Gevolggevend aan deze beschikking - waarin geïntimeerde berustte - deelde zij bij schrijven d.d. 25 augustus 2003 aan haar verzekerden, en blijkbaar ook aan appellante, mee dat zij o.m. de clausule 23.1 van de algemene voorwaarden zoals zij op dat ogenblik geformuleerd was, niet langer zou toepassen en dit overeenkomstig de bepalingen van voormelde beschikking. Tegelijk deelde zij de aangepaste/verbeterde versie van de betreffende clausule(
  5. s)mee, waarin het principe van de uitsluiting van waarborg wegens voorafbestaandheid werd behouden, doch waar werd aan toegevoegd dat de waarborg niettemin verleend wordt indien deze verzekeringsgevallen optreden na een periode van 2 jaar te rekenen vanaf de begindatum van de verzekeringswaarborg, behoudens indien bij het afsluiten van het contract, het ongeval, de ziekte of haar gekende symptomen niet ter beoordeling van het risico aan de verzekeraar werden meegedeeld of behoudens afwijkende bepaling in het verzekeringscontract. Wanneer een verzekeraar haar algemene polisvoorwaarden aanpast in het voordeel van de verzekerde(n), zoals in casu, volstaat het dat zij deze bekend maakt aan de verzekerde, en kan deze bekendmaking beschouwd worden als een eenzijdige verbintenis van harentwege t.a.v. de verzekerde(
  6. n)om de bestaande polis(sen) verder te laten lopen aan de - voor de verzekerde(
  7. n)gunstiger - voorwaarden van de aangepaste polis/clausule. Een uitdrukkelijke aanvaarding van deze laatste(
  8. n)is alsdan niet vereist. Van nietigheid van de oude clausule is dan ook geen sprake. Geïntimeerde heeft zich er enkel toe verbonden deze niet meer toe te passen en integendeel de polis te laten verder lopen onder de aangepaste - gunstiger - voorwaarde(n). Ter staving van haar stelling dat de (oude) clausule 23.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden nietig zou zijn, verwijst appellante in haar beroepsakte en in haar beroepsconclusie naar het arrest van 9 april 1992 van het Hof van Cassatie, waarin wordt verwezen naar artikel 19 alinea 2 van de wet d.d. 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringen en naar artikel 21 van het KB van 12 maart 1976 houdende het algemeen reglement betreffende de controle van de verzekeringsondernemingen. Terecht echter merkt geïntimeerde in dit verband op dat de tekst van het huidige artikel 19 van de wet van 9 juli 1975 totaal verschillend is van deze vermeld in het vermelde Cassatiearrest en er bestaat ook geen alinea 2. De tekst van artikel 19 van de wet d.d. 9 juli 1975 betreffende de controle van de verzekeringsondernemingen werd vervangen bij wet d.d. 19 juli 1991 zodat de oude wettekst zoals vermeld in het voormelde Cassatiearrest sedertdien niet meer geldt en er bijgevolg geen nietigheid als sanctie meer in dit artikel staat. Bij lezing van het voormelde Cassatiearrest blijken de feiten betrekking te hebben op een ongeval van 23 augustus 1983 zodat de oude tekst van artikel 19 van de wet d.d. 9 juli 1975 betreffende de controle van de verzekeringsondernemingen nog van toepassing was, terwijl op de kwestieuze verzekeringsovereenkomst d.d. 19 januari 2001 de huidige tekst van artikel 19 van toepassing is. Eveneens ten onrechte verwijst appellante naar artikel 21 van het KB d.d. 12 maart 1976 houdende het algemeen reglement betreffende de controle van de verzekeringsondernemingen terwijl dit KB met uitzondering van artikel 1 werd opgeheven bij artikel 40 van het KB d.d. 22 februari 1991 houdende het algemeen reglement betreffende de controle op de verzekeringsondernemingen. Ook hier is de verwijzing naar het voormelde Cassatiearrest niet dienend vermits de verzekeringsovereenkomst in kwestie dateert van na de opheffing van artikel 21 van het KB d.d. 13 juni 1976. Overigens dient te worden vastgesteld dat appellante weliswaar stelt dat artikel 23.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden nietig zou zijn, maar anderzijds niet de nietigverklaring van deze clausule en/of van de verzekeringsovereenkomst vordert. De beoordeling door de voorzitter van de rechtbank van Koophandel te Brussel in de beschikking(
  9. en)d.d. 16 juni 2003 brengt geenszins de nietigheid van de clausule in kwestie met zich mee. Wel diende deze te worden aangepast teneinde het evenwicht tussen de prestaties van partijen niet te schenden, wat geïntimeerde dan ook heeft gedaan in de zin, zoals reeds aangehaald. De rechtsgeldigheid van het principe van de uitsluiting van de waarborg betreffende de voorafbestaande ziekten - uitsluiting waarop geïntimeerde zich baseert om terugbetaling te eisen van de door haar betaalde ziekenhuiskosten en die voorzien is zowel in de oude als in de nieuwe/aangepaste tekst van de clausule 23.1 van de algemene verzekeringsvoorwaarden - werd en wordt nog steeds erkend. Gelet op dit alles, kan geïntimeerde zich wel degelijk beroepen op de (aangepaste) clausule 23.1 van haar polisvoorwaarden. Het bestreden vonnis dient dan ook, wat dit onderdeel van de betwisting betreft, te worden bevestigd. 2. Voorafbestaande toestand. Zoals reeds aangehaald, sloot appellante bij geïntimeerde een polis nr 219850741 af voor "medische kosten en dagelijkse vergoeding bij hospitalisatie" met ingang van 1 februari 2001. Op 8 november 2001 werd appellante geopereerd voor een hernia in het St. Imeldaziekenhuis te Bonheiden, alwaar zij verbleef tot 12 november 2001. De ziekenhuisfacturen werden rechtstreeks aan het ziekenhuis betaald door geïntimeerde die evenwel, nadat zij in het bezit kwam van de nodige (medische) informatie betreffende de aandoening en de opname van appellante, van appellante de terugbetaling van de door haar betaalde factuurbedragen vorderde om reden dat de kosten in verband met de hernia nekoperatie niet vallen onder de waarborg van de polis welke appellante bij haar had afgesloten. Volgens geïntimeerde is de aandoening welke aan de basis ligt van de ziekenhuisopname , uitgesloten uit de waarborg op basis van de voorafbestaandheid van deze pathologie ten opzichte van het begin van de verzekeringswaarborg in februari 2001. Zij verwijst in dit verband naar het feit dat de problemen reeds eerder behandeld werden (cfr haar schrijven d.d. 25 februari 2002 aan appellante - stuk 8 bundel geïntimeerde). Meer bepaald stelt geïntimeerde dat uit de medische informatie die zij achteraf mocht bekomen, blijkt dat appellante op datum van 5 december 2000 de dokter een eerste maal consulteerde voor deze aandoening en dat er toen reeds gestart werd met een conservatieve behandeling. Dit betekent dat het verzekeringsgeval is opgetreden vóór de datum van de polisemissie, zijnde 19 januari 2001 (cfr. schrijven geïntimeerde aan appellante d.d. 3 juli 2002 - stuk 16 bundel geïntimeerde). Appellante betwist het standpunt van geïntimeerde en stelt dat de aandoening waarvoor zij werd geopereerd geen verband houdt met voorafbestaande pathologie. De verzekerde, die jegens zijn verzekeraar doet gelden dat hij recht heeft op een betaling, moet niet enkel de schade bewijzen, maar ook de gebeurtenis die daartoe aanleiding gaf, en moet aantonen dat het verzekeringscontract wel degelijk in dat schadegeval voorziet en het niet uitsluit. Uit de voorliggende stukken, meer bepaald uit de samenlezing van het protocol van de Ct Scan (stuk 15 bundel geïntimeerde) en het operatieverslag (stuk 14 bundel geïntimeerde), blijkt dat de aandoening die appellante op 8 november 2001 operatief liet behandelen, een hernia betrof op het niveau C3-C4 en een kleinere op het niveau C4-C5. Uit het schrijven d.d. 22 november 2002 van dokter A.L., die door appellante inderdaad op 5 december 2000 werd geraadpleegd, blijkt dat appellante op dat ogenblik bij haar is gekomen met cervicale klachten. Evaluatie toonde aanwezigheid van een cervicale discopathie, aldus dokter A.L., die een conservatieve behandeling hiervoor voorstelde. In een later schrijven, met name d.d. 23 februari 2006, verduidelijkte dokter A.L. dat de technische onderzoeken n.a.v. de raadpleging van 5 december 2000 de aanwezigheid aantoonden van een lichte discusbulging met osteofyten op het niveau C5-C6 met eveneens lichte bulging op het niveau C6-C7. Volgens dokter A.L. was er op dat ogenblik geen sprake van een hernia maar enkel een bulging die een degeneratieve problematiek betreft. Uit de attesten van dokter A.L. begrijpt het Hof dat de aandoening waarvoor appellante haar had geraadpleegd, een eenvoudige cervicale aandoening betrof zonder verdere complicaties en dit ter hoogte van het niveau C5-C6 en niveau C6-C7, hetgeen kennelijk iets anders lijkt te zijn dan een hernia, d.w.z, een uitstulping van de wervel welke dan nog bovendien een ander niveau betrof, met name niveau C3-C4 en niveau C4-C5. Rekening houdend met bovenstaande gegevens, met name dat de cervicale aandoening zich kennelijk situeerde ter hoogte van de niveaus C5-C6 en C6-C7, terwijI de hernia, waarvoor appellante werd geopereerd, een ander niveau betrof, met name op het niveau C3- C4 en niveau C4-C5, komt het standpunt van dokter H. , geneesheer-raadgever bij geïntimeerde, nl. dat de cervicale discopathie die door dokter A.L. werd vastgesteld op de raadpleging van 5 december 2000, "geëvolueerd is naar een discushernia", geenszins overtuigend over. De argumentatie van Dr. H. overtuigt niet waar hij zich ter staving van zijn stelling kennelijk steunt op het feit dat appellante voor haar vage nekklachten al onmiddellijk een neurochirurg raadpleegde - wat volgens hem de voorafbestaandheid eens te meer illustreert - terwijl uit niets blijkt dat appellante vóór het afsluiten van haar polis ooit een neurochirurg zag. Dokter A.L. is orthopedisch chirurg en zij heeft nog nooit een cervicale fusie uitgevoerd, zoals ze zelf uitdrukkelijk benadrukte in haar schrijven d.d. 23 februari 2006. Uit wat voorafgaat moet dan ook worden besloten dat de aandoening hernia op het niveau C3-C4 en niveau C4-C5, niet was gediagnosticeerd op het ogenblik van het sluiten der polis en derhalve uit niets blijkt dat deze ook al aanwezig was op het ogenblik van het sluiten van de polis. In de gegeven omstandigheden en in tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt en tevens door de eerste rechter werd geoordeeld, vallen de medische kosten n.a.v. de ziekenhuisopname van appellante van 8 t/m 12 november 2001, wel degelijk onder de waarborg van de hospitalisatieverzekering die appellante bij geïntimeerde afsloot. Dienvolgens is geïntimeerde niet gerechtigd om de door haar betaalde kosten terug te vorderen van appellante en is haar vordering ongegrond. De vordering van geïntimeerde tot vergoeding van haar advocaatkosten is om dezelfde redenen dan ook eveneens ongegrond. Het bestreden vonnis dient in die zin te worden hervormd. II. TEGENEIS. Appellante vordert verder bij tegeneis de betaling van de kosten en erelonen van haar raadsman en dit voor een provisioneel bedrag van 1.000 EUR. Zij houdt voor dat zij noodzakelijkerwijze een advocaat diende te raadplegen teneinde haar belangen te verdedigen in huidige betwisting met haar verzekeraar. De cassatiearresten waarop appellante zich steunt om de advocaatkosten terug te vorderen van geïntimeerde, hebben enkel betrekking op de situatie, waarbij een benadeelde het ereloon en de kosten van een advocaat (of een technisch raadsman) op een aansprakelijke tracht te verhalen als onderdeel van beweerd geleden schade, voortvloeiend uit de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene. In casu is appellante de verweerster in huidige procedure, op wie de regel van de cassatiearresten niet van toepassing is, nu zij van haar kant geen vordering wegens (contractuele of quasi-contractuele) aansprakelijkheid in hoofde van geïntimeerde instelt. Voor de eventuele gegrondheid van haar tegenvordering, dient appellante aan te tonen dat geïntimeerde een fout heeft begaan in causaal verband met de door haar beweerde geleden schade. Welnu, het louter ongelijk krijgen in rechte betekent op zich nog geen fout in hoofde van geïntimeerde. Het behoort tot het recht van geïntimeerde om zich te wenden tot een rechter teneinde het geschil aan zijn oordeel te onderwerpen. Door appellante wordt niet aangetoond dat dit recht door geïntimeerde op foutieve wijze werd uitgeoefend. Bij gebrek aan een fout in hoofde van geïntimeerde dient de tegenvordering van appellante tot betaling van de kosten en erelonen van haar raadsman dan ook te worden afgewezen. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard en in zoverre de tegenvordering van appellante ontvankelijk en ongegrond werd verklaard. Hervormt het bestreden vonnis voor het overige en opnieuw wijzende. Verklaart de vordering van geïntimeerde ongegrond en wijst haar ervan af. Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante niet begroot bij gebrek aan opgave. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 3 mei 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060503.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.