← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060607.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060607.10 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-11 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-07-01 04:29 Fiche Voor de toepassing van het in artikel 54 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 neergelegde ne bis in idem beginsel dienen feiten als gelijk te worden beschouwd, wanneer ze een geheel van feiten vormen, dat onlosmakelijk met elkaar is verbonden. Eenheid van opzet, zoals bedoeld in artikel 65 Sw. is niet van toepassing. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop STRAFRECHT - EUROPEES STRAFRECHT - Schengen Vrije woorden: Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord - artikel 54 - Beginsel ne bis in idem - begrip dezelfde feiten - geheel van feiten, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn - artikel 65 Sw. - collectief misdrijf - sigarettensmokkel Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 19-06-1990 - 54 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen. Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende Te Antwerpen, veertiende kamer [...] Betreffende de door beklaagde A. aangevoerde eenheid van misdadig opzet in het licht van artikel 65 van het Strafwetboek en artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst. Beklaagde A. voert aan: - dat hij bij in kracht van gewijsde getreden vonnis van het Landgericht te Augsburg (Duitsland) de dato 25 augustus 2005 (weliswaar, zoals het Hof vaststelt, onder de naam Antoneli Aharon) werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en drie maanden, wegens het commune, beroepsmatige verzuim van belastingaangifte ("Steuerhehlerei") in 38 gevallen, meer bepaald naar aanleiding van sigarettensmokkel, straf die thans in uitvoering is zoals blijkt uit de voor deze beklaagde neergelegde stukken; - dat de thans aanhangig zijnde feiten en de feiten hoofdens dewelke hij reeds definitief werd veroordeeld in Duitsland, deel uitmaken van eenzelfde feitencomplex en aldus een collectief misdrijf uitmaken, nu zij, aldus beklaagde, identiek zijn qua aard en periode. Beklaagde verzoekt het Hof, op grond van voormelde argumenten, hem thans geen bijkomende straf op te leggen. Het Hof stelt vast dat uit de vermeldingen van het voormelde Duitse vonnis blijkt dat de vervolging aldaar betrekking had op een internationaal georganiseerde sigarettensmokkel, waarin beklaagde betrokken was, samen met, onder meer, de genaamde P. D. (cfr. supra) en waarbij sigaretten, die vanuit Europese derde-landen naar de E.U. werden gesmokkeld op de zwarte markt in Engeland werden gebracht. Daar waar de thans in België vervolgde feiten, betrekking hebbend op rooktabak, zich voordeden op 18 december 2001, situeren de in Duitsland vervolgde feiten (38 gevallen) zich in de tijd tussen 16 februari 2002 en 19 maart 2003 (cfr. de desbetreffende tabellen in het Duitse vonnis). De thans vervolgde feiten maakten niet het voorwerp uit van de voormelde vervolging en veroordeling van de beklaagde in Duitsland. In het arrest de dato 9 maart 2006 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C - 436/04) werd voor recht gezegd dat artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten (concrete omstandigheden) die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. Voormeld arrest had meer in het bijzonder betrekking op de vraag of strafbare gedragingen van uitvoer uit het grondgebied van een overeenkomstsluitende staat en invoer in een andere overeenkomstsluitende staat van dezelfde verdovende middelen, waarvoor in de twee betrokken staten strafvervolging is ingesteld, onder het begrip "dezelfde feiten" vallen, zoals bedoeld in artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst. Het Hof van Justitie wees er, onder meer, op: - dat de doelstelling van artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst erin bestaat te verhinderen dat een persoon wegens eenzelfde wederrechtelijke gedraging, aan meer dan één vervolgingsprocedure wordt onderworpen, en eventueel meermaals wordt gestraft, op grond van de aanvoering dat de geviseerde handeling in de rechtsorde van de ene lidstaat een ander delict oplevert dan in de rechtsorde van de andere lidstaat; (cfr. overweging sub 33 van het arrest en sub 18 van de conclusie van advocaat-generaal D. Ruiz - Jarabo Colomer); - dat het aan de bevoegde nationale instanties is om uiteindelijk te bepalen of de in geding zijnde materiële feiten een geheel van feiten vormen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en plaats en wat het voorwerp ervan betreft (cfr. overweging sub 38 van het arrest). Zelfs al zou dienen aangenomen te worden dat, zoals aangevoerd door beklaagde A. A., onder het begrip "dezelfde feiten" in de zin van artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst, ook dienen begrepen te worden verschillende feiten die door eenheid van opzet verbonden zijn en aldus één feit opleveren, en dat, op grond hiervan, voor de toepassing van artikel 65, lid 2 van het Strafwetboek, niet enkel een beslissing van een Belgische strafrechter in aanmerking kan worden genomen om uit te maken of er eenheid van opzet bestaat tussen de feiten waarvoor beklaagde wordt vervolgd en misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde getreden beslissing en deze voorafgaan, doch tevens dergelijke eenheid van opzet zou kunnen bestaan met feiten waarvoor die beklaagde reeds in het buitenland werd veroordeeld, het Hof vaststelt dat, gelet op hetgeen hierboven werd uiteengezet, de in onderhavige zaak lastens beklaagde geviseerde materiële feiten niet onlosmakelijk naar tijd, plaats en voorwerp ervan verbonden zijn met de feiten waarvoor beklaagde in Duitsland reeds definitief werd veroordeeld, en derhalve niet is voldaan aan de voorwaarden van de exceptie van artikel 54 van de Schengen-Uitvoeringsovereenkomst. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060607.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.