← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060607.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060607.11 Rolnummer: 2005AR727 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 04:29 Fiche Het akkoord van de verzekerde en verzekeraar tot een minnelijke medische expertise, conform de polis van partijen, strekt partijen met toepassing van art. 1134 BW tot wet. De gebrekkige uitvoering van de minnelijke medische expertise door de deskundigen geldt niet als een contractuele fout die één van de contractspartijen toerekenbaar is en op grond waarvan de ontbinding van de overeenkomst tot minnelijke medische expertise kan worden uitgesproken. De rechter vermag het minnelijk deskundigenverslag te toetsten aan de opdracht die in de overeenkomst tot aanstelling van de deskundigen is gegeven. Deze toetsing kan ertoe leiden, indien de rechter vaststelt dat de opdracht van het minnelijke deskundigenonderzoek niet of gebrekkig is uitgevoerd, deze onwerkdadige uitvoering vast te stellen, de besluiten niet-bindend te verklaren en vervolgens een gerechtelijk deskundigenonderzoek te bevelen om tot een oplossing van het geschil te komen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Andere (verzekeringen) HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Levensverzekering Vrije woorden: Verzekeringen - verzekeringscontract arbeidsongeval/leven - minnelijke medische expertise - onwerkdadige uitvoering - gerechtelijk deskundigenonderzoek Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/727 H.M., appellante, vertegenwoordigd door Mr. E. BOFFIN loco Mr. ZIMMERMANN Marijke, advocaat te 3500 HASSELT, Paul Bellefroidlaan 12 tegen het vonnis gewezen op 17 februari 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen AGF BELGIUM INSURANCE NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, KBO-nummer 403.258.197 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Els KONINCKX loco Mr. BROEKMANS Christine, advocaat te 3500 HASSELT, Leopoldplein 29 bus 2 *** Feiten en voorgaande 1. H.M. sloot op 20 november 1997 een contract "leven" af met AGF Belgium Insurance N.V. (hierna kort: AGF) waarbij in het geval van een arbeidsongeschiktheid van minstens 25 % vóór 1 november 2020 werd voorzien in een aanvullende waarborg m.n. dat de verzekeraar (i)een terugstorting doet van de premies die vóór de periode van invaliditeit betaalbaar zijn en (ii)een jaarlijkse rente uitbetaalt van 300.000 BEF hetzij euro 7.436,81 op basis van 100 % invaliditeit. H.M. stelt dat zij sinds juli 2000 lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) met als gevolg een arbeidsongeschiktheid van meer dan 25%. AGF keerde voor de periode 21 augustus 2000 tot 2 oktober 2000 een bedrag van euro 2.056,65 (82.965 BEF) uit. Op 26 oktober 2000 deelde AGF aan H.M. mede dat vanaf 2 oktober 2000 de invaliditeitsgraad minder dan 25 % bedroeg. Op 16 februari 2001 zijn partijen conform art. 39 van hoofdstuk II van de polisvoorwaarden overgegaan tot de ondertekening van het document "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen" waarbij dr. Van Noten door H.M. werd aangesteld, dr. Maes optrad voor AGF, en waarbij als derde deskundige dr. Vanhoudenhove werd aangesteld, die enkel in geval van niet akkoord tussen deze deskundigen gelast zou worden tot het opstellen van een gemotiveerd en definitief verslag dat onherroepelijk diende aanvaard te worden door de overige partijen. Het minnelijk medisch expertiseverslag van 23 juli 2002, gezamenlijk opgesteld door dr. Van Noten en dr. Maes, besluit dat H.M. lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en dat dit niet aanwezig was vóór 1 november 1997. 2. H.M. heeft op 30 april 2003 AGF gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt (

  1. i)tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 17.279,06 , (
  2. ii)tot de terugbetaling van de door haar vóór haar periode van invaliditeit betaalde premies, begroot op euro 1,00 provisioneel, (iii) tot betaling voor de toekomst van een jaarlijkse rente van euro 4.833,93 maandelijks betaalbaar en (
  3. iv)tot betaling van de verwijlinteresten vanaf de respectieve vervaldata, minstens vanaf de datum van ingebrekestelling, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. De tegeneis van AGF strekte tot (
  4. i)nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst, (
  5. ii)terugbetaling van euro 2.056,65 meer de renten vanaf 7.11.2000, (iii) de ontbinding van de overeenkomst van minnelijke expertise van 16 februari 2001 en van de minnelijke medische expertise van 23 juli 2003 en (
  6. iv)de aanstelling van een gerechtelijke deskundige. Na tussenvonnis van 18 november 2004 waarin verzocht werd om bijkomende documenten, werd in het vonnis van 17 februari 2005 de eis van H.M. ontvankelijk verklaard en de tegenvordering van AGF ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De overeenkomst tot minnelijke expertise van 16 februari 2001 werd ontbonden lastens beide partijen en gerechtsdeskundige Kesteman werd aangesteld. 3. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 maart 2005 heeft H.M., hierna genoemd appellante, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 februari 2005 tegen AGF Belgium Insurance, hierna genoemd geïntimeerde. Eisen in hoger beroep 4. Appellante verzoekt, na eisuitbreiding in hoger beroep, om geïntimeerde te veroordelen tot (
  7. i)betaling van 65% van euro 7.436,81 hetzij euro 4.833,33 per jaar en dit vanaf juli 2000 tot op datum uitspraak, (
  8. ii)terugbetaling van de door haar betaalde premies, begroot op euro 1,00 provisioneel, (iii) betaling voor de toekomst van een jaarlijkse rente van euro 4.833,93, maandelijks betaalbaar, (
  9. iv)betaling van de verwijlinteresten vanaf de respectieve vervaldata, minstens vanaf de datum van ingebrekestelling, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. Zij verzoekt aan haar voorbehoud te verlenen om haar eis verder uit te breiden nl. in zoverre de uiteindelijke invaliditeitsgraad boven de 65 % zou zijn. 5. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stelt incidenteel beroep in en verzoekt te zeggen voor recht dat de verzekeringsovereenkomst "Leven" met contractnummer 4399670, gesloten tussen haar en haar verzekerde, nietig is. In ondergeschikte orde verzoekt zij het bestreden vonnis te bevestigen waar het de overeenkomst van minnelijke medische expertise van 16 februari 2001 ontbonden heeft verklaard, in meer ondergeschikte orde, in zoverre de verzekeringsovereenkomst niet zou nietig worden verklaard, een gerechtsdeskundige aan te stellen. Beoordeling in hoger beroep 6. Appellante vraagt de betaling van renten op basis van de bepalingen van de polis (aanvullende waarborgen, bijzondere voorwaarden, p. 2 contract leven nr. 4399670) alsook op basis van de besluitvorming van de geneesheren-deskundige in het minnelijk medisch expertiseverslag van 23 juli 2002, die in hun besluitvorming stellen dat H.M. lijdt aan het chronisch vermoeidheidsyndroom, dat dit niet aanwezig was vóór 1 november 1997 en dat hiervoor een graad van gedeeltelijke tijdelijke onbekwaamheid volgens polisvoorwaarden kan geraamd worden op 65 % vanaf datum aanvraag. Geïntimeerde betwist het besluit van de deskundigen op basis van een beweerde tegenstrijdigheid in het verslag en op basis van tekortkomingen van de deskundigen omdat zij beweerdelijk hun opdracht, zoals gegeven in het document "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen" van 16 februari 2001 niet correct en volledig zouden hebben uitgevoerd. Zij vraagt dat de overeenkomst tot benoeming van geneesheren-deskundige, alsook het op basis hiervan opgesteld verslag (cfr. besluiten neergelegd op 13.12.2005 p. 9) van 23 juli 2002, wordt ontbonden. De eerste rechter oordeelde dat in het medisch deskundigenverslag er tegenstrijdige elementen zijn opgenomen, dat de geneesheren-deskundige geen motivering opgeven hoe zij tot hun besluit zijn gekomen en dat zij de opdracht die aan hen werd toevertrouwd niet correct hebben uitgevoerd. De eerste rechter is om deze redenen overgegaan tot de ontbinding van de overeenkomst tot minnelijke medische expertise van 16 februari 2001 lastens beide partijen en stelt bijgevolg dat partijen, alsook de rechtbank, niet meer gebonden zijn door deze overeenkomst. De eerste rechter is alsdan overgegaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige, zoals door AGF gevraagd, waarbij hij overweegt dat H.M. zich tegen deze aanstelling noch tegen diens opdracht verzet. 7. Partijen hebben via een overeenkomst van 16 februari 2001 genaamd "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen", zonder de tussenkomst van de rechter, geneesheren-deskundige aangesteld om bepaalde feiten vast te stellen en om een beslissing te vellen aangaande de periodes en de procenten van volledige en gedeeltelijke tijdelijke onbekwaamheid. In casu regelt art. 39 van hoofdstuk II van de algemene voorwaarden van de polis (waarvan de toepasselijkheid niet door partijen wordt betwist) op welke wijze een geschil m.b.t. de vaststelling van de echtheid, de graad en de duur van de invaliditeit, dient te worden beslecht. Dit artikel vermeldt dat bij meningsverschil tussen de verzekeraar en de verzekerde, de verzekerde een minnelijke medische expertise kan aanvragen waarbij dan elk van de partijen een geneesheer aanduidt die als expert optreedt en zo ze het niet eens kunnen worden, beide experts een derde aanduiden. Er werd zodoende in de polis geopteerd om in geval van betwisting dit te laten beslechten door derden, geneesheren-deskundige. Deze clausule vermeldt uitdrukkelijk dat deze expertise de rechten en excepties van de verzekeraar in geen geval enig nadeel kan berokkenen. In uitvoering van deze overeenkomst is het "minnelijk medisch expertiseverslag" van 23 juli 2002 opgesteld gezamenlijk door dr. Maes en door dr. Van Noten. 8. Geïntimeerde vraagt zowel de ontbinding van het document "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen" van 16 februari 2001 als van het "minnelijk medisch expertiseverslag" van 23 juli 2002 en dit op grond van de beweerde onvolledige en niet correcte uitvoering die door de geneesheren Maes en Van Noten is gegeven aan hun zending. Appellante verweert zich hiertegen door te stellen dat de overeenkomst tot aanstelling van de deskundigen en de daaruit voortvloeiende gezamenlijke besluiten van deze deskundigen op grond van art. 1134 B.W. bindend zijn t.a.v. partijen vermits een overeenkomst partijen tot wet strekt. In tegenstelling tot haar in eerste aanleg in meest ondergeschikte orde geuite akkoord m.b.t. de aanstelling van een gerechtsdeskundige, stelt zij thans dat naderhand geen gerechtelijke expert meer kan worden aangesteld, zoals de eerste rechter heeft gedaan. Zij herhaalt haar oorspronkelijke eis gebaseerd op de besluitvorming in het minnelijk medisch expertiseverslag. het "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen". 9. Zoals hierboven aangehaald betreft dit document een overeenkomst tussen partijen waarbij zij akkoord gaan met een minnelijke medische expertise betreffende tussen hen bestaande geschilpunten. Art. 1108 B.W. bepaalt de voorwaarden die tot de geldigheid van een overeenkomst vereist zijn m.n. de toestemming van de partijen die zich verbinden, hun bekwaamheid om contracten aan te gaan, een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenissen en een geoorloofde oorzaak van de verbintenis. Geïntimeerde brengt noch vormelijk, noch inhoudelijk, enig element aan m.b.t. de ongeldigheid van het "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen". Er blijkt geen betwisting te bestaan dat dit akkoord is genomen in uitvoering van art. 39 van hoofdstuk II van de algemene voorwaarden van de polis en ook blijken geen specifieke vormvereisten gesteld te zijn aan deze overeenkomst, minstens wordt dit niet ingeroepen door partijen. Het hof dient zodoende te besluiten dat de overeenkomst rechtsgeldig is afgesloten en zodoende partijen strekt tot wet (art. 1134 B.W.) 10. Geïntimeerde baseert zich op de beweerde onvolledige en niet correcte uitvoering van deze overeenkomst door de deskundigen om de ontbinding ervan te vragen. Conform artikel 1184,2de lid B.W. kan de ontbinding van een overeenkomst worden gevorderd in het geval één van beide partijen in een wederkerig contract haar verbintenis niet nakomt. In casu blijken zowel appellante als geïntimeerde uitvoering te hebben gegeven aan deze overeenkomst: de derde deskundigen zijn aangesteld en hun aanstelling heeft geleid tot het expertiseverslag van 23 juli 2002. De beweerde fouten op basis waarvan de ontbinding van de overeenkomst tot aanstelling van de geneesheren-deskundige wordt gevraagd, betreffen geen fouten in hoofde van de partijen aan deze overeenkomst, zijnde de verzekerde (appellante) en de verzekeraar (geïntimeerde), doch een beweerde fout in hoofde van de derden (geneesheren-deskundige) die in deze overeenkomst zijn aangesteld. Het akkoord tot minnelijke medische expertise heeft als voorwerp de aanstelling van deskundigen. Er werd uitvoering gegeven door partijen aan dit akkoord. Er wordt geen enkel element aangebracht door geïntimeerde dat appellante een fout heeft begaan bij de uitvoering van de overeenkomst, m.n. bij de aanstelling van de deskundigen. De wijze waarop de in een overeenkomst aangestelde deskundigen zich van hun opdracht kwijten, is vreemd aan het consensualisme dat de wilsovereenstemming tussen de partijen aan deze overeenkomst schraagt en kan niet tot de ontbinding van deze overeenkomst leiden op basis van art. 1184 B.W., doch wel in voorkomend geval tot de gebeurlijke niet bindend verklaring van het besluit van de geneesheren-deskundige t.o.v. deze partijen. Het Hof besluit dat bij gebreke aan bewijs van enig wilsgebrek of enige andere fout in hoofde van de partijen er geen aanleiding bestaat om de eis van geïntimeerde tot ontbinding van het document "akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen" van 16 februari 2001 ten laste van appellante gegrond te verklaren. De geldigheid van deze overeenkomst wordt zodoende door het Hof aanvaard en het eerste vonnis dient wat dit onderdeel betreft hervormd te worden. De partijbeslissing tussen appellante en geïntimeerde tot aanstelling van geneesheren-deskundige om hun geschil te beslechten strekt deze partijen tot wet. Minnelijk medisch expertiseverslag 11. Waar tussen partijen geen betwisting bestaat dat de op 16 februari 2001 gesloten overeenkomst tot minnelijke medische expertise hen tot wet strekt overeenkomstig art.1134 B.W., strekt deze bindende kracht weliswaar niet verder dan tot wat door de consensus van partijen wordt gedragen. Partijen hebben, op grond van hun wilsautonomie, hun beslissingsrecht overgedragen aan de geneesheren-deskundige Maes en Van Noten en gebeurlijk aan een derde geneesheer in geval van niet akkoord van beiden. Deze derdenbeslissing komt in de plaats van hun eigen beslissingsrecht doch weliswaar enkel m.b.t. die elementen die door partijen in hun opdracht aan deze deskundigen is gegeven. In casu was de zending van de deskundigen tweeledig m.n. (
  10. i)een onderzoek en analyse van de pathologische historiek van appellante en (
  11. ii)de kwantificatie van de periode en de procenten van volledige en gedeeltelijke tijdelijke onbekwaamheid van appellante. Ongeacht de al dan niet bindende kracht die partijen aan de besluitvorming van de door hen aangestelde deskundigen geven komt het het Hof toe om het minnelijk medisch expertiseverslag, genomen in uitvoering van de overeenkomst van 16 februari 2001, te toetsen aan deze overeenkomst, m.n. of de deskundigen voldaan hebben aan de hen verstrekte opdracht. De rechterlijke controle betreft de uitvoering van de overeenkomst tot aanstelling van de deskundige. Het minnelijk deskundigenonderzoek is slechts geldig binnen de voorwaarden die partijen zelf gewild hebben hoe dat dit onderzoek zou verlopen en de inhoud van de opdracht die de partijen aan de deskundigen hebben gegeven is hier een wezenlijk onderdeel van. In casu is de opdracht van de deskundigen in het compromis tot minnelijke medische expertise nauwkeurig omschreven en de rechter kan het minnelijk medisch expertiseverslag hieraan toetsen. 12. Appellante en geïntimeerde hebben contractueel in "het akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen" vastgelegd wat de opdracht van de deskundigen inhield. Het minnelijk medisch expertiseverslag herneemt in haar aanvang deze opdracht, m.n. 1. De pathologische toestand van de verzekerde te beschrijven en eventueel te zeggen of het slachtoffer voor 01/11/1997 was aangetast door enige voorafbestaande aandoening: in dat geval te bepalen of en in welke mate deze reeds bestaande aandoening of elke voorafgaandelijke ziekelijke toestand of ieder andere vreemde oorzaak zelfs van niet pathologische oorsprong invloed kunnen uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels. 2. Na de nodige onderzoeken uitgevoerd te hebben en aan de hand van objectieve gegevens, in gemeen akkoord de perioden en de procenten vast te stellen van de volledige en gedeeltelijke onbekwaamheid zich daarbij baserend op de algemene en de bijzondere voorwaarden van het verzekeringskontrakt "AVRI PREMIEVRIJSTELLING". Deze onbekwaamheid zal bepaald worden in evenredigheid met het verlies van de fysische geschiktheid van de verzekerde tot het uitoefenen van om het even welke beroepsactiviteit die verenigbaar is met zijn kennis, zijn bevoegdheden en zijn sociale rang, echter zonder eventuele complicaties of invaliditeiten of ongeschiktheden vastgesteld uit hoofde van punt 1 van deze opdracht aan te rekenen. Geïntimeerde houdt voor dat de geneesheren-deskundige het eerste deel van de hen opgelegde opdracht niet uitgevoerd hebben. Zij stelt dat de geneesheren minstens hun bevindingen m.b.t. het niet bestaan van CVS bij appellante vóór datum van 1 november 1997 hadden moeten motiveren, te meer daar uit de bevindingen in het verslag en de bijhorende documenten bleek dat appellante reeds klachten had sedert 1993 die wezen op CVS. 13. Het Hof stelt inderdaad vast dat in de hoofding "doorname van de documenten" wordt verwezen naar "klachten van vermoeidheid begonnen in 1993". In de opdracht was begrepen onder punt 1 dat de geneesheren-deskundige dienden te bepalen of en "in welke mate enige voorafbestaande aandoening of elke voorafgaandelijke ziekelijke toestand of ieder andere vreemde oorzaak zelfs van niet pathologische oorsprong" invloed kunnen uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels. De omschrijving "reeds bestaande aandoening of elke voorafgaandelijke ziekelijke toestand of ieder andere vreemde oorzaak zelfs van niet pathologische oorsprong" is zeer ruim, zodat de verwijzing naar "klachten van vermoeidheid begonnen in 1993" aanleiding had dienen te geven tot een onderzoek door de geneesheren-deskundige of deze klachten een invloed konden uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels. Dit onderzoek is ontegensprekelijk niet geschied, minstens toont appellante niet aan dat dit gebeurd is, vermits van dit onderzoek geen melding is gemaakt in het verslag, dat enkel een opsomming (doorname) bevat van de medische documenten. Desbetreffend verwijst het Hof naar de verslagen van professor De Meirleer van 2 januari 2001 ("de huidige klachten begonnen in 1993") en van dr. Moorkens van 6 juli 2001 ("patiënte gekend sinds meer dan 5 jaar"), verslagen die weergegeven zijn in het deskundigenverslag en die zodoende door de geneesheren-deskundige gekend waren (wat ook niet wordt betwist door geïntimeerde) en waarin verwezen wordt naar voorgaanden van appellante waarvan het Hof van oordeel is dat zij beantwoorden aan de definitie van "enige voorafbestaande aandoening" of "elke voorafgaandelijke ziekelijke toestand", zoals opgenomen in de deskundige zending en die niet zijn besproken door de geneesheren-deskundige in hun verslag m.b.t. een mogelijke invloed op de door hen vastgestelde toestand van CVS van appellante. 14. Het komt niet aan appellante toe om te beoordelen of deze voorgaanden al dan niet invloed hadden op de door haar ingeroepen toestand van CVS, zoals zij in conclusies doet, vermits dit onderzoek door appellante en geïntimeerde bij overeenkomst van 16 februari 2001 was overgedragen aan dr. Van Noten en aan dr. Maes, desgevallend in geval van niet akkoord, aan een derde geneesheer. Het onderzoek dat appellante in conclusies doet van de geneeskundige verslagen van prof. De Merleir en van dr. Moorkens en haar verweer dat "vermoeidheidsklachten" die uit een medisch attest van 1993 zouden blijken nog niet wijst op het bestaan van CVS of enige voorafbestaande aandoening, zodat er geen tegenstrijdigheid zou vervat zitten in het deskundigenverslag, doen geen afbreuk aan de vaststelling die het Hof maakt op basis van de voorafgaande overwegingen dat de geneesheren-deskundige hun opdracht niet volledig hebben vervuld, niettegenstaande vaststaat dat zij nochtans over deze medische verslagen beschikten. Het eigen onderzoek van appellante en het op basis van dit onderzoek aangebrachte verweer kan immers niet in de plaats gesteld worden van het onderzoek dat de deskundigen conform de overeenkomst tot hun aanstelling hadden dienen te voeren. Ten onrechte beperkt appellante ook de rechterlijke controle in casu tot een marginaal toetsingrecht waarbij zij voorhoudt dat het minnelijk expertiseverslag slechts kan opzij geschoven worden in geval van een grove vergissing of nalatigheid in de medische beoordeling, waarvan de bewijslast op geïntimeerde rust. Ook hierin volgt het Hof appellante niet vermits, zoals hierboven reeds gesteld, de rechter het minnelijk deskundigenverslag vermag te toetsen aan de opdracht die in de overeenkomst tot aanstelling van deskundigen is opgegeven. Het betreft zodoende geen inhoudelijke toetsing van de bevindingen van de deskundige doch een rechterlijke controle op de uitvoering door de deskundigen van hun opdracht zoals neergeschreven in de overeenkomst waarin zij zijn aangesteld. 15. Het Hof besluit zodoende dat de deskundigen hun opdracht niet conform aan "het akkoord tot benoeming van dokters-deskundigen" hebben uitgevoerd. Geïntimeerde vraagt het Hof de "ontbinding" van zowel het minnelijk akkoord tot aanstelling van de deskundigen als van het minnelijk expertiseverslag. Geïntimeerde vraagt niet dat het Hof zou uitspreken dat de expertise wordt aangevuld of verbeterd. Hierboven oordeelde het Hof reeds dat een en ander niet tot de ontbinding van deze overeenkomst tot aanstelling van deskundigen kan leiden doch wel in voorkomend geval tot de gebeurlijke niet bindend verklaring van het besluitvorming van het deskundigenenverslag t.o.v. deze partijen. Het Hof is van oordeel dat op basis van de hierboven weergegeven overwegingen en gelet op de niet naleving van de zending door de deskundigen, aan de besluitvorming van het expertiseverslag niet de waarde kan gehecht worden die partijen hebben bedoeld in de overeenkomst tot aanstelling van deskundigen en hen derhalve niet bindt. 16. Nu blijkt dat (
  12. i)partijen uitvoering hebben gegeven aan hun conventioneel overeengekomen wijze om hun geschil op te lossen (
  13. ii)deze uitvoering onwerkdadig is gebleven en (iii) derhalve ter oplossing van hun geschil de aanstelling van een gerechtsdeskundige zich opdringt, bevestigt het Hof het eerste vonnis in zoverre daardoor een gerechtsdeskundige werd aangesteld, met de opdracht zoals door de eerste rechter gegeven. Deze aanstelling geldt alvorens verder recht te doen ten gronde vóór de beoordeling over de andere middelen van partijen zoals de beweerde strijdigheid van art. 43 punt 7 van de polis met de WHPC en met het KB van 22 februari 2001, en de door geïntimeerde gevorderde nietigverklaring van de polis, op basis van beweerde verzwijging conform art. 5 en 6 van de Wet landverzekeringsovereenkomsten, omdat daartoe het resultaat van het deskundigenonderzoek moet worden afgewacht. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds gegrond in de volgende mate. Wijzigt het beroepen vonnis reeds in zoverre hierin werd gesteld dat de overeenkomst tot minnelijke expertise van 16 februari 2001 werd ontbonden lastens beide partijen. Bevestigt het beroepen vonnis weliswaar op andere gronden m.b.t. de aanstelling van gerechtsdeskundige Kestemans met de opdracht zoals door de eerste rechter gegeven met dien verstande dat deze aanstelling geschiedt alvorens recht te doen ten gronde. Verzendt zodoende de zaak met toepassing van artikel 1068, 2de lid Ger.W. voor verdere afdoening naar de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Verwijst geïntimeerde in de kosten van hoger beroep begroot aan de zijde van appellante op: - euro 186 rolrecht - euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 7 juni 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060607.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.