id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060621.16 Rolnummer: 2004/AR/1950 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 0007-09-26 Raadplegingen: 144 - laatst gezien 2026-07-01 04:37 Fiche De eis o.b.v. art. 1385 B.W. staat los van de al dan niet contractuele relatie tussen de schadelijder en de bewaker van het dier, maar is gebaseerd op de autonome gedraging van het dier. Het is niet relevant of de eigenaar of diegene die het meesterschap heeft over het dier en het slachtoffer t.o.v. elkaar 'derden' zijn. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Vrije woorden: buitencontractuele aansprakelijkheid - art. 1385 B.W. - autonome gedraging van het dier - contractuele band tussen schadelijder en bewaker van het dier Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/1950 MANEGE ALBERDIENST BVBA, met maatschappelijke zetel te 2050 ANTWERPEN, Charles de Costerlaan 96, KBO-nummer 0426.891.456, appellante, vertegenwoordigd door Mr. Bart BLANCKE loco Mr. DE SOMER Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 9 en Mr. DAEL Tom, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 122 B 14 tegen het vonnis gewezen op 06 mei 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen P. I., wonende te geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. BOGAERTS Pierre, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 4 *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 6 mei 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 juli 2004, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat de vordering van geïntimeerde als ongegrond zou worden afgewezen en dat zij zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert thans bij eisuitbreiding (na deskundig onderzoek en op basis van het deskundig verslag) dat appellante zou worden veroordeeld tot de betaling aan haar van de som van 47.892,33 EUR (bij materiële vergissing in het beschikkend gedeelte van haar conclusie vermeld als 447.892,33 EUR) te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 19 november 2005 tot op de dag van de algehele betaling en tevens tot de gerechtskosten. Tenslotte vordert geïntimeerde dat akte zou worden verleend van het voorbehoud voor heelkunde op de wervelzuil en tevens dat appellante zou worden veroordeeld tot 1 EUR provisioneel voor nog niet gekende gevolgen van het schadegeval. °°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VORDERING - VOORGAANDE. Geïntimeerde volgde op 18 november 2001 rijles in de manege die wordt uitgebaat door appellante. De rijles werd gegevens door D. L., zoon van de zaakvoerder van appellante. Geïntimeerde reed op dat ogenblik op Chester, een - volgens appellante - oud getrouw beginnelingen paard. Toen de les een 20 tal minuten bezig was, draaide het paard in stap naar links. Geïntimeerde verloor hierbij haar evenwicht en is van het paard geschoven en op de grond ten val gekomen. Hierdoor werd geïntimeerde gewond. Met name liep zij een indeukingsfractuur van de eerste lumbale wervel op. Zij is van oordeel dat appellante aansprakelijk dient te worden gesteld voor dit ongeval en vorderde bij dagvaarding d.d. 19 december 2002 een provisie van 50.000 EUR met aanstelling van een gerechtsdeskundige. De vordering van geïntimeerde is gesteund op artikel 1385 B.W. Bij het bestreden vonnis verklaarde de eerste rechter de vordering van geïntimeerde reeds gedeeltelijk gegrond en werd appellante met name veroordeeld tot een provisie van 2.500 EUR en werd dokter VAN NOTEN aangesteld als deskundige. II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP. Zoals reeds aangehaald, is de vordering van geïntimeerde tegen appellante gesteund op artikel 1385 B.W. Appellante is evenwel van oordeel dat haar eventuele aansprakelijkheid enkel gebaseerd kan zijn op contractuele gronden. Er bestaat tussen partijen geen betwisting dat geïntimeerde rijles volgde in de manege van appellante op een door appellante aangewezen paard. Het staat eveneens vast dat geïntimeerde tijdens de kwestieuze rijles van het door haar bereden paard is gevallen met schade tot gevolg. De contractuele band tussen partijen sluit evenwel de aansprakelijkheid van artikel 1385 B.W. niet uit. Deze aquiliaanse aansprakelijkheidsgrond beoogt immers de aansprakelijkheid te regelen voor schade veroorzaakt door de autonome gedraging van het dier, ongeacht of deze zich voordoet naar aanleiding van de uitvoering van een contract door de in het schadegeval betrokken personen. Daaraan staat niet in de weg dat de betrokken personen eventueel nog op grond van eigen quasi-delictuele fouten of van eigen contractuele tekortkomingen zouden kunnen aangesproken worden, in welke gevallen daaraan niet de gedraging van het dier op zich maar de gedraging van de betrokken persoon ten opzichte van het dier ten grondslag ligt. Het verweer van appellante dat in de contractuele relatie tussen haar en geïntimeerde, deze laatste slechts een quasi-delictuele eis kan instellen indien zowel de fout als de schade niet louter contractueel zijn, kan niet worden gevolgd. De eis op basis van artikel 1385 B.W. staat immers los van de al dan niet contractuele relatie tussen appellante en geïntimeerde en is gebaseerd op de autonome gedraging van het dier. Niet een gebeurlijke tekortkoming aan een contractuele verplichting of aan de zorgvuldigheidsnorm (artikel 1382 en 1384 lid 2 B.W.) van de eigenaar van het dier of van diegene die er het meesterschap over heeft, staat in het kader van artikel 1385 B.W. ter beoordeling, dan wel de eigen en autonome gedraging van het dier zelf. Het is daarbij niet relevant of de eigenaar of diegene die het meesterschap heeft over het dier en het slachtoffer t.o.v. elkaar "derden" zijn. Ten laste van de eigenaar van een dier of, terwijl hij het in gebruik heeft, ten laste van hem die zich ervan bedient, geldt krachtens artikel 1385 B.W. een vermoeden van aansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door dat dier. Evenwel sluit dit artikel niet uit dat de eigenaar van het dier of diegene onder wiens bewaring het stond, zichzelf kan ontheffen van de aansprakelijkheid, - hetzij gedeeltelijk: door het bewijs te leveren dat een fout van het slachtoffer heeft bijgedragen tot de schade, - hetzij volledig: door het bewijs te leveren van een vreemde oorzaak of van een fout van het slachtoffer die de oorzaak was van de - normale en voorzienbare - reactie van het dier. Met andere woorden sluit artikel 1385 B.W. niet uit dat de eigenaar of bewaarder van het dier niet aansprakelijk is bij gebrek aan oorzakelijk verband, onder meer wanneer het dier niet abnormaal noch onvoorzienbaar handelt en de schade veroorzaakt wordt door een fout van het slachtoffer, waardoor elke mogelijke fout van de eigenaar of bewaarder als oorzaak van de schade wordt uitgeschakeld. In geval van samenloop van de aansprakelijkheid van de eigenaar van het dier en van de fout van het slachtoffer, geldt een gedeelde verantwoordelijkheid. Appellante ontkent niet dat zij de eigenares is van het paard "Chester" dat door geïntimeerde op het ogenblik van het schadegeval werd bereden. Zij houdt evenwel voor dat zij de feitelijke en juridische bewaring van het paard, inhoudend het meesterschap, had overgedragen aan geïntimeerde. Men heeft het in de regel over "meesterschap" over een dier wanneer men over het dier een niet-ondergeschikte macht van leiding en toezicht heeft, zonder inmenging van de eigenaar, waarbij de meester dezelfde macht heeft als de eigenaar om het dier te gebruiken. In casu werd het paard door appellante, te weten de eigenares, toegewezen aan geïntimeerde om er rijles mee te volgen, onder (bege)leiding van de instructeur, D. L.. Deze feitelijke omstandigheid toont niet aan dat geïntimeerde een niet-ondergeschikte bevoegdheid van leiding en toezicht over het paard had gekregen. Het feit dat geïntimeerde al 20 rijlessen had gehad, doet hieraan geen afbreuk. Immers blijkt uit de verklaring van D.L. t.o.v. de verzekeraar (stuk 1 bundel appellante) dat hij er zich van bewust was dat geïntimeerde geen uitgebreide paardrijervaring had, reden waarom hij haar overigens het paard "Chester" toebedeelde, zijnde een oud getrouw beginnelingen paard. In casu is dan ook duidelijk dat geïntimeerde, die op het ogenblik van de feiten rijles volgde bij (een aangestelde van) de rijschool van appellante, omwille van haar onervarenheid in het paardrijden niet het volledige meesterschap over het paard had gekregen, en dat integendeel in casu de eigenaar van het paard, zijnde in casu appellante, als bewaarder van het paard moet worden aanzien. Appellante betwist verder ook dat de schade zou zijn veroorzaakt door een autonome gedraging van het paard. Evenwel kan niet ontkend worden, zoals de lesgever, D. L., zelf verklaart, dat, terwijl ze in stap waren, het paard Chester afdraaide en dat geïntimeerde alsdan naast haar zadel schoof. De afdraaibeweging van het paard is wel degelijk een autonome gedraging van het paard. Appellante betwist evenwel het causaal verband tussen de gedraging van het paard en de schade en houdt voor dat de schade in casu enkel en alleen het gevolg is van de eigen fout van geïntimeerde . Zoals reeds hiervoor werd aangehaald, sluit de toepassing van artikel 1385 B.W. niet uit dat de eigenaar van het dier of diegene onder wiens bewaring het stond, zichzelf kan ontheffen van de aansprakelijkheid, hetzij gedeeltelijk: door het bewijs te leveren dat een fout van het slachtoffer heeft bijgedragen tot de schade, hetzij volledig: door het bewijs te leveren van een vreemde oorzaak of van een fout van het slachtoffer die de oorzaak was van de - normale en voorzienbare - reactie van het dier. Uit de samenlezing van de verklaringen van zowel geïntimeerde als van de lesgever, D. L., blijkt dat het paard "Chester" op een gegeven ogenblik, terwijl de ruiters in de les in stap waren, afdraaide. Geïntimeerde houdt voor dat dit bruusk en plots gebeurde, terwijl D. L. zich daarover niet uitspreekt. Dat de afdraaibeweging van het paard bruusk en plots gebeurde, wordt dan ook niet bewezen. Wél kan uit de verklaring van D. L. worden afgeleid dat het paard, kennelijk zonder enige instructie, naar links afdraaide, en dat de afdraaibeweging van het paard niet echt voorzienbaar was. Evenwel mag van een normaal en redelijk ruiter - ook al heeft deze maar een beperkte rijervaring - worden verwacht dat deze op een paard kan blijven zitten, wanneer dit in stap afdraait. Aangenomen dient dan ook dat geïntimeerde onachtzaam op het paard zat terwijl het gewoon rondstapte. Maar er is nog meer.... Uit de verklaring van D. L. blijkt dat toen het paard in kwestie afdraaide, geïntimeerde naast haar zadel schoof, dat zij zo enkele seconden is blijven hangen, terwijl ondertussen het paard stil stond, waarna ze verder schoof en in het zand viel van ongeveer 70 cm hoogte. Welnu, het is duidelijk dat geïntimeerde mede is ten val gekomen omdat zij niet met de nodige alertheid het paard in kwestie bereed, zoals men van een normaal voorzichtig en redelijk ruiter mag verwachten - ook tijdens een rijles, ook al was deze les bijna afgelopen, zoals blijkt uit de eigen verklaring van geïntimeerde. Het volgen van paardrijles, ook al was deze bijna afgelopen, ontslaat de leerling-ruiter niet van de verplichting om aandachtig te (blijven) zijn, hetgeen geïntimeerde in casu kennelijk niet was. Het Hof is dan ook van oordeel dat geïntimeerde mede aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van haar val. Rekening houdend met de aard en de omstandigheden van het ongeval in kwestie, besluit het Hof dat beide partijen elk voor de helft aansprakelijk zijn voor de schadelijke gevolgen, zodat de vordering van geïntimeerde principieel gegrond is voor de helft. De door de eerste rechter reeds toegekende provisie van 2.500 EUR komt gerechtvaardigd voor. Gezien de verdeling van aansprakelijkheid wordt appellante evenwel slechts veroordeeld tot de helft hiervan, hetzij tot het bedrag van 1.250 EUR. De door de eerste rechter bevolen onderzoeksmaatregel dient te worden bevestigd, zodat de zaak, overeenkomstig artikel 1068 lid 2 Ger.W., terug naar de eerste rechter dient te worden verzonden, teneinde deze toe te laten verder ten gronde te oordelen, over de omvang van de schade, rekening houdend met de verdeling van aansprakelijkheid tussen partijen en na neerlegging van het deskundigenverslag. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre de vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard, en in zoverre een deskundigenonderzoek werd bevolen en dokter B. VAN NOTEN als deskundige werd aangesteld. Hervormt het bestreden vonnis voor het overige en opnieuw wijzende. Verklaart de vordering van geïntimeerde principieel slechts voor de helft gegrond. Veroordeelt appellante om aan geïntimeerde een provisie te betalen van 1.250 EUR. Veroordeelt appellante en geïntimeerde elk tot de helft van de kosten van het hoger beroep begroot in totaal aan de zijde van appellante op euro 186 rolrecht hoger beroep, euro 60,73 uitgavenvergoeding en euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en aan de zijde van geïntimeerde in totaal begroot op euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Zendt de zaak terug naar de eerste rechter teneinde deze toe te laten verder ten gronde te oordelen over de omvang van de schade, rekening houdend met de verdeling van de aansprakelijkheid tussen partijen, en na neerlegging van het deskundig verslag. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 21 juni 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060621.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.