← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060627.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060627.15 Rolnummer: 2006AR820 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 04:38 Fiche De rechter die een eis tot uitvoerbaarverklaring toekent waartegen geen verweer is voorgedragen, niettegenstaande de verweerder daartoe de mogelijkheid had in het kader van het debat op tegenspraak, miskent de rechten van verdediging niet. Die rechter moet de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging niet motiveren wanneer tegen die eis geen verweer is gevoerd en de opportuniteit ervan niet uitdrukkelijk is betwist. Door thans toch nog gebruik te willen maken van haar recht op kantonnement terwijl zij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het vonnis a quo wat haar veroordeling tot betaling van de niet-betwiste som betreft, maakt zij zich schuldig aan rechtsmisbruik vermits het kantonnement van deze som enkel wordt gebruikt om schade te berokkenen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Schorsing uitvoerbaarheid GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Uitvoerbaarheid bij voorraad GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Kantonnement Vrije woorden:

  1. voorlopige tenuitvoerlegging - art. 1401 Ger.W. - motiveringsplicht door de rechter
  2. kantonnement - art. 1406 Ger.W. - misbruik van recht Tekst van de beslissing Tussenarrest Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2006/AR/820 BOUWONDERNEMING MAES BVBA, met maatschappelijke zetel te 9120 BEVEREN-WAAS, Mispellaan 24, KBO-nummer 0423.831.008, appellante, vertegenwoordigd door Mr. PALMAERS Dirk, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 166 tegen het vonnis gewezen op 17 januari 2006 door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen tegen
  3. BOMAES BVBA, met maatschappelijke zetel te 2940 STABROEK, Veldstraat 91, KBO-nummer 0422.728.671, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Ann REGEMORTELS loco Mr. SCHOUPS Marco, advocaat te 2000 ANTWERPEN, De Burburestraat 6 - 8
  4. VANCAEN VASTGOED NV, met maatschappelijke zetel te 8870 IZEGEM, Molenhoekstraat 100, KBO-nummer 0467.630.664, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. VAN WIJNSBERGHE loco Mr. NEVEN Wouter, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86 C bus 113 ***
  5. Wat voorafgaat. 1.
  6. In een dagvaarding om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 24 maart 2003 heeft de b.v.b.a. Bomaes voorgehouden dat zij werken in onderaanneming heeft uitgevoerd in opdracht van de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes op een werf te Grobbendonk, .... De bouwheer was de n.v. Vancaen Vastgoed. Zij hield voor dat haar opdrachtgeefster haar nog een som van onbetaalde en niet-geprotesteerde facturen verschuldigd was van euro 139 341,
  7. Zij vorderde de veroordeling van haar contractant tot de betaling van het verschuldigde (in de loop van het geding herleid tot een hoofdsom van euro 95 756,37), vermeerderd met de conventionele rente, een conventionele schadevergoeding en de advocatenkosten, maar ook van de bouwheer met toepassing van het rechtstreeks vorderingsrecht van de onderaannemer tegen de bouwheer. De b.v.b.a. Bouwonderneming Maes stelde een tusseneis in tegen de n.v. Vancaen Vastgoed in betaling van het saldo van de aannemingssom begroot op euro 133 670,72, vermeerderd met de conventionele verwijlinteresten, de conventionele schadevergoeding en de advocatenkosten. De n.v. Vancaen betwistte de eisen en zij stelde een tusseneis in tegen de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes in betaling van schadevergoeding. 1.
  8. Het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 17 januari 2006 oordeelde: - dat de facturen Bomaes - Maes niet geprotesteerd werden, - dat de algemene voorwaarden van Bomaes van toepassing waren, - dat geen vergoedingen verschuldigd waren door Maes en Bomaes aan Vancaen voor uitvoering van verkeerde plannen noch voor vertraging van de werken, - dat geen betwisting meer bestond over de som van euro 95 756,37 verschuldigd door Maes aan Bomaes, - dat deze hoofdsom moet vermeerderd worden met conventionele en sedert 18 november 2002 gekapitaliseerde rente, - dat Vancaen bij wijze van provisie reeds aan Maes verschuldigd is de som van euro 104 993,82, en dat deze vordering voor het overige nog niet in staat van wijzen was, - dat de rechtstreekse eis van Bomaes tegen Vancaen gegrond is, - dat de eisen tot vergoeding van de advocatenkosten ongegrond zijn. Aldus werd de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes veroordeeld tot de betaling aan de b.v.b.a. Bomaes van de som van euro 95 756,37, vermeerderd met de conventionele rente naar rato van 10% vanaf 18 november 2002 en met een conventionele schadevergoeding van euro 9 576,64, vermeerderd met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 24 maart
  9. Er werd aan de b.v.b.a. Bomaes voorbehoud verleend voor de B.T.W. Er werd tevens voor recht gezegd dat de door de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes verschuldigde interesten worden gekapitaliseerd op 22 februari 2005 en dat de aldus gekapitaliseerde interesten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw interest afwerpen naar rato van de wettelijke interestvoet. Vervolgens werd de n.v. Vancaen Vastgoed veroordeeld tot de betaling aan de b.v.b.a. Bomaes van dezelfde bedragen waartoe de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes veroordeeld werd, beperkt tot de som van euro 104 993,82 , provisioneel. De n.v. Vancaen werd veroordeeld tot de betaling aan de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes van een provisie van euro 104 993,82 met dien verstande dat dit bedrag moet verminderd worden met de betalingen die door de n.v. Vancaen Vastgoed in het kader van de uitvoering van het vonnis in hoofdsom en rente zouden worden verricht aan de b.v.b.a. Bomaes. De eisen van de n.v. Vancaen Vastgoed tegen de b.v.b.a. Bomaes en tegen de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes werden ongegrond verklaard. De beslissing over de proceskosten werd aangehouden. Dit vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad. 1.
  10. De b.v.b.a. Bouwonderneming Maes, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 maart
  11. In een conclusie van 17 maart 2006 vordert appellante het vonnis, alvorens verder recht te doen over haar hoger beroep, bij tussenarrest reeds te hervormen in die zin dat de uitvoerbaarverklaring zou worden opgeheven voor die bedragen die de som van euro 95 756,37 overtreffen. Op 19 april 2006 heeft de b.v.b.a. Bomaes een verzoekschrift neergelegd om de n.v. Bouwonderneming Maes het verbod tot kantonnement op te leggen, minstens ten belope van de som van euro 95 756,
  12. In haar conclusie van 31 mei 2006 heeft zij haar eis bevestigd. Eveneens op 19 april 2006 en daarna op 17 mei 2006 heeft de n.v. Vancaen Vastgoed een conclusie neergelegd waarin zij, wat de uitvoerbaarheid van het vonnis betreft, zich aansluit bij het standpunt van de Bouwonderneming Maes, met name dat de eerste rechter ten onrechte de uitvoerbaarheid van het vonnis heeft toegekend, tenminste wat de conventionele interesten, het schadebeding en de kapitalisatie van rente betreft. De zaak werd enkel met betrekking tot de eisen op grond van toepassing van art. 1401 en 1406 van het Gerechtelijk Wetboek behandeld ter terechtzitting van 13 juni
  13. De eisen m.b.t. de voorlopige tenuitvoerlegging. 2.
  14. Appellante vordert de uitvoerbaarheid bij voorraad van het beroepen vonnis teniet te doen voor al hetgeen de som van euro 95 756,37 overtreft. 2.
  15. De b.v.b.a. Bomaes, hierna eerste geïntimeerde genoemd, vordert als volgt: "Te zeggen voor recht dat noch de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes noch de n.v. Vancaen Vastgoed tot kantonnement overgaan van de bedragen waartoe zij door het uitvoerbaar verklaarde vonnis dd. 19 januari 2006 van de 19de Kamer van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen werden veroordeeld om te betalen aan b.v.b.a. Bomaes. Ondergeschikt, minstens het verbod tot kantonnement ten bedrage van euro 95 756,37 uit te spreken, Kosten voor te behouden." 2.
  16. De n.v. Vancaen Vastgoed, hierna tweede geïntimeerde genoemd, vraagt de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis a quo teniet te doen m.b.t. de conventionele interesten op de hoofdsom, de schadevergoeding vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de kapitalisatie van de interesten.
  17. De beoordeling. De voorlopige tenuitvoerlegging. 3.
  18. Appellante zet uiteen zowel in haar verzoekschrift tot hoger beroep als in haar conclusie dat er geen betwisting bestaat over haar schuld aan eerste geïntimeerde ten belope van een som van euro 95 756,
  19. Zij betwist wel op deze som nog conventionele rente en conventionele schadevergoeding verschuldigd te zijn. Zij vecht tevens de kapitalisatie van de vervallen rente aan. Haar eis tot opheffing van de voorlopige uitvoerbaarheid van het beroepen vonnis slaat dan ook enkel op deze rente, de schadevergoeding en de kapitalisatie van de rente. Ondertussen heeft zij op 21 maart 2006 een som van euro 138 825 gekantonneerd. 3.
  20. Krachtens art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek kan de appelrechter in geen geval de tenuitvoerlegging van het vonnis a quo verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. Appellante laat gelden dat de bestreden beslissing onregelmatig is wegens het gebrek aan motvering en de daaruit voortspruitende schending van haar rechten van verdediging. Het verbod, vermeld in art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek, zou er, volgens appellante, in dat geval niet aan in de weg staan dat de appelrechter kan vaststellen dat de beslissing tot voorlopige uitvoerbaarheid zelf wegens de schending van de rechten van verdediging onregelmatig is en dat de vernietiging zich opdringt. Appellante heeft aldus niet de opportuniteit van de bestreden beslissing maar zijn regelmatigheid ter discussie gesteld. Het blijkt dat de voorlopige tenuitvoerlegging door eerste geïntimeerde werd gevorderd in de inleidende dagvaarding van 24 maart 2003 als ook in haar conclusie van 22 februari 2005, van 30 juni 2005 en van 30 september
  21. Er werd derhalve door de eerste rechter niet meer toegekend dan er werd gevorderd. Weliswaar werd de eis van eerste geïntimeerde tot de voorlopige uitvoerbaarheid niet met een specifieke motivering onderbouwd. Dit gebrek aan motivering heeft appellante evenwel niet verhinderd tegenspraak te voeren en zich te verweren. De rechter die een eis tot uitvoerbaarverklaring toekent waartegen geen verweer is voorgedragen, niettegenstaande de verweerder daartoe de mogelijkheid had in het kader van het debat op tegenspraak, miskent de rechten van verdediging niet. Die rechter moet de beslissing tot voorlopige tenuitvoerlegging niet motiveren wanneer tegen die eis geen verweer is gevoerd en de opportuniteit ervan niet uitdrukkelijk is betwist. Bovendien werd de aangevochten beslissing voldoende gedragen door de algemene motieven van het vonnis. In die motivering werd immers vastgesteld dat de hoofdsom niet werd betwist, de conventionele schadevergoeding vrijwillig werd herleid, de conventionele rente ambtshalve werd teruggebracht met een aanvangsdatum die niet werd betwist, en er regelmatig werd aangemaand tot de kapitalisatie van de vervallen rente conform art. 1154 van het Burgerlijk Wetboek. De eis van appellante tot de gedeeltelijke opheffing van de voorlopige uitvoerbaarheid van het beroepen vonnis is ongegrond. Het verbod tot kantonnement 3.
  22. Eerste geïntimeerde vordert zowel aan appellante als aan tweede geïntimeerde het verbod op te leggen van kantonnement van de sommen waartoe zij in eerste aanleg veroordeeld zijn. Zij voert aan dat minstens appellante misbruik maakt van haar recht op kantonnement vermits zij haar schuld ten belope van euro 95 756,37 erkent. Zij laat tevens gelden dat de vertraging in de regeling van haar vordering ten gevolge van het kantonnement haar een ernstig nadeel berokkent, met name dat zij verplicht is geweest een kaskrediet aan te gaan ten belope van euro 90 000 met alle bijkomende interesten en kosten. Appellante houdt voor dat tweede geïntimeerde inmiddels eveneens een rechtsmiddel aanwendde tegen het vonnis a quo en daardoor het aan eerste geïntimeerde door haar verschuldigde bedrag wel terug ter betwisting staat. Appellante en tweede geïntimeerde betwisten bovendien dat eerste geïntimeerde het beweerd ernstig nadeel zou bewijzen. 3.
  23. Het kantonnement is het recht van de schuldenaar. Dat recht kan echter niet meer uitgeoefend worden ten aanzien van veroordelingen tot betaling waartegen geen rechtsmiddel is aangewend. Deze zijn immers voorwerp van een definitieve titel. Eerste geïntimeerde wijst terecht op de afwezigheid van betwisting aan de zijde van appellante van haar schuldvordering ten belope van euro 95 756,
  24. Appellante heeft haar hoger beroep uitdrukkelijk beperkt, voert geen grieven aan tegen haar desbetreffende veroordeling, laat staan dat zij er de hervorming van zou vorderen. Zij vordert in haar verzoekschrift tot hoger beroep: "De oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde slechts gegrond te verklaren ten belope van euro 95 756,37 te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en haar vordering voor het overige af te wijzen". Ten aanzien van eerste geïntimeerde wordt dus alleen nog betwist wat meer werd toegekend aan eerste geïntimeerde. Door thans toch nog gebruik te willen maken van haar recht op kantonnement terwijl zij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het vonnis a quo wat haar veroordeling tot betaling van de niet-betwiste som van euro 95 756,37 betreft, maakt zij zich schuldig aan rechtsmisbruik vermits het kantonnement van deze som enkel wordt gebruikt om schade te berokkenen. Daaraan wordt niet afgedaan door de bewering dat tweede geïntimeerde haar schuld in haar totaliteit ten opzichte van appellante wel opnieuw zou betwisten. 3.
  25. De veroordeling van appellante tot betaling boven de som van euro 95 756,37 blijft betwist. Deze betwisting geldt blijkens het inmiddels door tweede geïntimeerde ingediend incidenteel beroep ook voor de veroordeling tot betaling die ten laste van laatst genoemde werd uitgesproken. Krachtens art. 1406 van het Gerechtelijk Wetboek kan de bodemrechter beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel daarvan, wanneer hij oordeelt dat de vertraging in de regeling de schuldeiser blootstelt aan een ernstig nadeel. Ten aanzien van het gevorderde kantonnementsverbod m.b.t. tot deze betwiste vorderingen weegt op eerste geïntimeerde de last van het bewijs dat de vertraging in de regeling ten gevolge van het kantonnement hem aan een ernstig nadeel blootstelt. Om hieraan te voldoen heeft eerste geïntimeerde aangehaald dat zij in de loop van de onderhavige betwisting een kaskrediet van euro 75 000 heeft aangegaan, dat zij dit krediet volledig heeft opgenomen en er door de bank zelfs een tijdelijke overschrijding tot euro 90 000 werd toegestaan. Door het kantonnementsverbod wat de hoofdsom van euro 95 756,37 betreft, krijgt eerste geïntimeerde de mogelijkheid om ten belope van die som tot tenuitvoerlegging over te gaan. Het is in die omstandigheden, rekening houdend met de omvang van voormeld kaskrediet, niet afdoende aangetoond dat het handhaven van het recht van appellante en van tweede geïntimeerde op kantonnement voor de in betwisting gebleven sommen nog een ernstig nadeel voor haar oplevert. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het verzoek van appellante tot opheffing van de voorlopige tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis ongegrond. Verklaart het verzoek van eerste geïntimeerde tot het kantonnementsverbod gedeeltelijk gegrond. Verbiedt appellante, de b.v.b.a. Bouwonderneming Maes, de sommen te kantonneren, waartoe zij in het beroepen vonnis veroordeeld is te betalen aan eerste geïntimeerde ten belope van een som van euro 95 756,
  26. Verklaart ieder ruimer kantonnemenstverbod ongegrond. Houdt de beslissing over de proceskosten aan. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 27 juni
  27. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter B. PONET Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060627.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.