← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060628.26

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060628.26 Rolnummer: 2005AR1111 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-04 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-01 04:39 Fiche Dat de arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk te wijten is aan de schuld van het personeelslid zelf, behoudens in geval van opzettelijke daad, is een risico dat de wetgever definitief ten laste van de werkgever heeft willen leggen. De werkgever lijdt zodoende slechts een vergoedbare schade, voor zover en in de mate waarin de aansprakelijkheid voor het ongeval berust bij de fout van de derde, behoudens in geval van opzettelijke fout van haar personeelslid. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Causaal verband - Verbreking causaal verband BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Schadebegrip - Algemeen Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid - openbare werkgever - personeelslid slachtoffer van een ongeval - uitgaven ter uitvoering van een contractuele, wettelijk of reglementaire verplichting- geen arbeidsprestaties in ruil - gedeelde schuld personeelslid - vergoedbare schade Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/1111 DE POST NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Muntcentrum, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 566.374, appellante, vertegenwoordigd door Mr. B. VANAEKEN loco Mr. CALEWAERT Jan, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei 15B bus 10 tegen het vonnis gewezen op 23 december 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen 1. H.D., 2. R.M., geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. P. VERMYLEN loco Mr. DIERCXSENS Alexandre, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 3. J.L., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. SPAAS Christine, advocaat te 2550 KONTICH, J.B. Reykerslaan 13 4. A.B. geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M. VAN HOUDT loco Mr. RAYMAEKERS Carl, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Fruithoflaan 30 bus 16 *** Feiten en voorgaande 1. De Post N.V. heeft met inleidende dagvaarding van 22 februari 2001 de ouders van P.D. en van J.L. gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen waarbij De Post hun aansprakelijkheid voorhield op basis van art. 1384 B.W. De Post houdt voor dat op 3 februari 1997 L.F., haar aangestelde, ten val is gekomen als gevolg van een fietsband die was gespannen tussen twee verkeersborden op het voetpad. Deze fietsband was gespannen beweerdelijk door de minderjarige kinderen P.D. en J.L. op een ogenblik dat zij 9 jaar oud waren, in het kader van een voetbalspel, om als goal te dienen. De Post baseert haar eis op de eigen schade die zij geleden heeft ingevolge het feit dat zij tijdens de door het ongeval veroorzaakte werkonbekwaamheid het loon van L.F. heeft dienen door te betalen zonder arbeid als tegenprestatie hiervoor te hebben ontvangen. 2. De eerste rechter heeft de eis van De Post beoordeeld op basis van art. 1384, 2de lid B.W. en afgewezen om reden van niet bewezen feiten en zodoende van een niet bewezen fout van de minderjarige kinderen. Hij heeft de eis van De Post ten aanzien van alle verweerders toelaatbaar doch ongegrond verklaard, de tusseneisen van verweerders t.o.v. elkaar zonder voorwerp verklaard en eiseres veroordeeld tot de kosten. 3. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 april 2005 heeft De Post, hierna genoemd appellante, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld ten aanzien van H.D. , R.M. , J.L. en A.B. tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 23 december 2004. Eisen in hoger beroep 4. De Post verzoekt haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en haar eis tot veroordeling van geïntimeerden, in solidum, ieder voor het geheel, minstens de ene bij gebreke van de andere, ontvankelijk en gegrond te verklaren ten belope van euro 26.374,26 (bruto weddenverlies: euro 22.866,49 en verplegingskosten: euro 3.507,77) meer de vergoedende interesten vanaf 1 februari 1997, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. 5. H. en R. D.- M., ouders van P. D., hierna genoemd eerste en tweede geïntimeerde, concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de verwijzing van appellante in de gedingkosten. Ondergeschikt vragen zij de eis van appellante te herleiden tot 1/10de ingevolge eigen fout van de aangestelde van appellante. Zij herhalen hun tussenvordering ten aanzien van A.B. en J.L. tot terugbetaling van de helft van de bedragen waartoe zij zouden veroordeeld worden. Zij stellen dat, in zoverre zou geoordeeld worden dat zelfs met een fout van haar aangestelde, appellante haar volledige schade zou kunnen vorderen, in dat geval appellante dient te worden veroordeeld om aan hen 90%, zijnde het aandeel van de schade veroorzaakt door de fout van haar aangestelde, terug te betalen, meer de vergoedende interesten vanaf 1 februari 1997. 6. J.L., vader van J.L., hierna genoemd derde geïntimeerde, besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van het eerste vonnis m.b.t. de hoofdeis en de tussenvorderingen. Hij stelt bewarend incidenteel beroep in en vraagt zijn tussenvordering t.a.v. eerste, tweede en vierde geïntimeerde, ontvankelijk en gegrond te verklaren en hen in solidum, de ene bij gebreke van de andere, minstens ieder voor het geheel, te veroordelen tot terugbetaling van iedere veroordeling, zowel in hoofdsom, interesten als kosten, die tegen hem wordt uitgesproken. 7. A.B., moeder van J.L., hierna genoemd vierde geïntimeerde, concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de verwijzing van appellante in de gedingkosten. Ondergeschikt vraagt zij de eis van appellante te herleiden tot 1/10de ingevolge eigen fout van de aangestelde van appellante. Zij herhaalt ook haar tusseneis ten aanzien van eerste, tweede en derde geïntimeerde en vraagt om eerste en tweede geïntimeerde te veroordelen tot ½ en derde geïntimeerde tot ¼ van iedere veroordeling, zowel in hoofdsom, interesten als kosten, die tegen haar wordt uitgesproken. Beoordeling in hoger beroep Toelaatbaarheid van het hoger beroep 8. Ter zitting verklaart de raadsman van derde geïntimeerde dat de exceptie van onontvankelijkheid dient begrepen te worden als een stijlformule. Er bestaat verder geen enkele reden van niet ontvankelijkheid of ontoelaatbaarheid die het Hof ambtshalve zou dienen op te werpen zodat het Hof besluit tot de toelaatbaarheid van het hoger beroep van appellante. Persoonlijke aansprakelijkheid van de ouders (geïntimeerden) voor de objectief onrechtmatige daad van hun kinderen 9. Geïntimeerden zijn terecht in eigen naam gedagvaard en niet in hun hoedanigheid van wettelijk beheerder over het minderjarig kind. Appellante steunt immers haar eis op art. 1384, 2de lid B.W. De ouders (geïntimeerden) worden in dat geval persoonlijk aangesproken voor de objectief onrechtmatige daad begaan door hun kinderen, op basis van een wettelijk vermoeden van gebrek aan toezicht of opvoeding. 10. Appellante steunt haar eis ten aanzien van geïntimeerden op basis van art. 1384 , 2° lid B.W. Appellante voert aan dat de kinderen van geïntimeerden een objectief onrechtmatige daad hebben begaan door het spannen en na het spel laten hangen van een fietsband tussen twee verkeersborden op het voetpad op een hoogte van 1,50 meter. Appellante dient het bewijs aan te brengen van deze objectief onrechtmatige daad. P.D. verklaarde aan de verbalisanten dat hij op 30 januari 1997 omstreeks 16.15 uur samen met zijn vriend, J.L., tijdens het spelen op straat een binnenband gespannen heeft tussen twee verkeersborden. J.L. verklaart aan de verbalisanten dat hij samen met zijn vriend aan het spelen was namelijk voetballen, en dat op een gegeven moment zijn vriend, P.D., een binnenband tussen twee verkeersborden gespannen heeft. Hij verklaart dat hij hieraan niet heeft meegeholpen en dat zijn vriend alleen de binnenband tussen de verkeersborden gespannen heeft. Er werd door de verbalisanten op 5 februari 1997 daadwerkelijk een binnenband van een fiets, gespannen tussen twee verkeersborden op een hoogte van 150 centimeter vanaf de grond gemeten, aangetroffen en verwijderd. Het komt het Hof aannemelijk voor dat de door de verbalisanten verwijderde fietsband deze is waarnaar de aangestelde van appellante verwijst in haar verklaring. Eerste en tweede geïntimeerden stellen in conclusies: "toen de kinderen stopten met spelen vergaten zij blijkbaar de binnenband weg te nemen". Minstens brengen geïntimeerden geen elementen aan die zouden wijzen dat het over een andere fietsband gaat. Het gegeven dat de fietsband er na 3 dagen nog hing en dat er geen andere ongevallen zijn gemeld, is niet afdoende om te besluiten dat het niet om dezelfde fietsband zou gaan. Onverminderd de beoordeling of het aanbrengen van een fietsband tussen twee verkeersborden al dan niet een onrechtmatige daad uitmaakt, is het Hof van oordeel dat minstens het laten hangen van deze fietsband na het spel een objectief onrechtmatige daad is in hoofde van beide kinderen. Een normaal en bedachtzaam persoon in dezelfde omstandigheden zou na een spel deze fietsband niet hebben laten hangen. Het feit dat J.L. ontkent dat hij deze fietsband heeft gehangen doet geen afbreuk aan zijn onrechtmatig handelen. J.L. ontkent immers niet dat hij heeft deelgenomen aan het spel zodat hij deze fietsband na het einde van het spel ook had moeten verwijderen. Het feit dat deze fietsband werd opgespannen in een doodlopende straat doet geen afbreuk aan dit onrechtmatig handelen, vermits niet is aangetoond dat deze straat niet toegankelijk is voor voetgangers en fietsers die zodoende een potentieel risico op schade oplopen indien zij het voetpad betreden. Het Hof is van oordeel dat beide kinderen, die hebben deelgenomen aan het spel, de verplichting hadden om deze band te verwijderen, nadat zij het spel hadden gestopt. Er wordt niet gesteld dat nog andere kinderen deelnamen aan het spel. Wanneer één van de kinderen stopt met voetballen, is het voetbalspel ten einde en hadden zij beiden de plicht om toe te zien dat er geen belemmering meer was op het voetpad en hadden zij de band moeten wegnemen. Het gegeven dat door dit handelen schade is veroorzaakt, is bovendien normaal voorzienbaar, m.n. wanneer iemand na een spel een fietsband laat hangen in de gegeven omstandigheden (op 1,50 meter hoogte tussen twee verkeersborden, dwars over het voetpad, bij duisternis) kan dit schade met zich meebrengen. Niet de omvang van de schade, doch dat er zich schade zou kunnen voordoen, dient voorzienbaar te zijn. Het feit dat de aangestelde van appellante met de fiets reed op het voetpad, heeft geen repercutie op de voorzienbaarheid van de schade bij de beoordeling van de objectief onrechtmatige daad van de kinderen, doch gebeurlijk wel in het kader van de beoordeling van haar persoonlijk aandeel in het ongeval, als gevolg van haar eigen fout. De objectief onrechtmatige daad in hoofde van de kinderen J.L. en P.D. is derhalve aangetoond. 11. In beginsel staan de ouders in voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen, tenzij zij het cumulatief bewijs aanbrengen van zowel de afwezigheid van gebrek aan toezicht alsook de afwezigheid van fout in de opvoeding van de kinderen. Het behoort aan geïntimeerden om het bewijs van afwezigheid van fout in opvoeding en toezicht te leveren. Enkel derde geïntimeerde voert desbetreffend verweer en houdt voor dat vierde geïntimeerde het hoederecht had over zijn zoon J.L. zodat hij op het ogenblik van de feiten geen materieel toezicht kon uitoefenen over hem. Het Hof stelt vast dat het feit dat bij de echtscheiding het hoederecht aan één ouder werd toegekend, op zich niet het bewijs levert dat de andere ouder, in casu derde geïntimeerde, bij de opvoeding niet tekort zou geschoten zijn. Dit gegeven levert niet het afdoende bewijs van een foutloze opvoeding op, althans niet in die zin dat het wettelijk vermoeden van aansprakelijkheid vervat in art. 1384, 2° lid B.W. zou worden weerlegd. Derde geïntimeerde voldoet dan ook niet aan de bewijslast van het tegenbewijs van het wettelijk vermoeden van gebrek in opvoeding waarop, naast het gebrek aan toezicht, ook de aansprakelijkheid van art. 1384, 2° lid B.W. steunt. Het Hof besluit dat de toepassingsvoorwaarde van art. 1384, 2de lid Burgerlijk Wetboek van objectief onrechtmatige daad vervuld is en dat de ouders het vermoeden van fout in hunnen hoofde niet weerleggen. 12. oorzakelijk verband Het komt toe aan appellante om het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de fout en de schade die zij vraagt m.n. het feit dat zij haar aangestelde L.F. heeft moeten doorbetalen tijdens de periodes van werkonbekwaamheid tengevolge van het aanrijden van de fietsband met een val als gevolg. In dit verband betwisten geïntimeerden dat de val van L.F. is veroorzaakt door contact met de gespannen fietsband. Appellante brengt een attest voor van dr. B. op naam van L.F., gedateerd 3/2/1997 met vermelding: "volgende letsels van ongeval van 1/2/97: torticollis, schaafwonde + hematoom onderbeen en kneuzing rechter schouder en ribben". Er wordt een werkonbekwaamheid van 7 dagen tot 8 februari 1997 voorgeschreven. Dit attest is door L.F. overhandigd aan de verbalisanten op het ogenblik dat zij aangifte deed van een ongeval, nl. op 5 februari 1997. De feitelijke omstandigheden die zij aan deze verbalisanten verklaarde, nl. dat wanneer zij op zaterdag 1 februari rond 7.15 uur van de IJzermaalberg richting Kerkeland kwam, tussen een boom en een verkeersbord een rekker (fietsband) was gespannen op een hoogte van 1.50m, zijn nog dezelfde dag door de verbalisanten nagetrokken. De verbalisanten hebben op de hoek van het kruispunt IJzermaalberg - Kerkeland op het voetpad daadwerkelijk een binnenband gespannen tussen twee verkeersborden op een hoogte van 150 centimeter vanaf de grond gemeten, aangetroffen. Het gegeven dat L.F. verklaart dat deze fietsband was gespannen tussen een boom en een verkeersbord, daar waar de verbalisanten deze fietsband hebben aangetroffen tussen twee verkeersborden, tast de geloofwaardigheid van de verklaring van L.F. niet afdoende aan. Het gegeven dat L.F. slechts op 5 februari 1997 aangifte van dit schadegeval heeft gedaan aan de politie tast evenmin de geloofwaardigheid van haar verklaring aan, vermits er geen plicht is tot onmiddellijke aangifte aan de politie. Bovendien wordt het tijdsverloop aannemelijk verklaard door de omstandigheid dat het ongeval zich voordeed op een zaterdagochtend in een weekend en zij volgens het door het slachtoffer voorgebrachte doktersattest werkonbekwaam was, zodat het aannemelijk is dat zij zich slechts later bij de politiediensten aanbood. Deze laattijdige aangifte blijkt verder zijn gevolgen niet te hebben gehad op vaststellingen van de feitelijke omstandigheden van de wijze waarop appellante aanvoert dat haar aangestelde ten val is gekomen, vermits de plaatsgesteldheid ongewijzigd bleek te zijn gebleven en de kwestieuze fietsband in dezelfde omstandigheden als verklaard door L.F. werd teruggevonden. Het gegeven dat de werkongeschiktheid pas een aanvang neemt vanaf 3 februari 1997, zijnde 2 dagen na het ongeval, is evenmin relevant, vermits het waarschijnlijk voorkomt dat de aangestelde van appellante pas op maandag, zijnde een werkdag, en niet in het weekend, voor het eerst een arts heeft geraadpleegd. De aangifte van L.F., de bevestiging door de verbalisanten van de plaatsgesteldheid van de plaats van het ongeval en de aanwezigheid van een fietsband conform de verklaring van L.F., het medisch attest van dr. B. daterende twee dagen na het ongeval, waarin verwezen wordt naar een ongeval van 1 februari 1997, en de opgave hierin van de verwondingen die overeenstemmen met de feitelijke omstandigheden van het ongeval, m.n. een val van een fiets, leveren naar het oordeel van het Hof het afdoende bewijs op van het feit dat L.F. ten val is gekomen op 1 februari 1997 als gevolg van een contact met een over het voetpad gespannen fietsband. De beoordeling van de feitelijke omstandigheden kaderen binnen de soevereine beoordelingsbevoegdheid van het Hof als feitenrechter. Het feit (

  1. i)dat er op het ogenblik van de feiten, of kort nadien, geen verklaring op tegenspraak werd opgesteld en ondertekend door partijen gezamenlijk, noch overeenstemmende éénzijdige verklaringen door elk van hen apart, (
  2. ii)dat er zich toen ook geen rechtstreekse of onrechtstreekse getuigen hebben bekendgemaakt, waarvan tevens vaststaat dat zij voldoende onafhankelijk zijn, (iii) dat er evenmin met bekwame spoed aangifte werd gedaan bij een verbaliserende overheid teneinde objectieve vaststellingen te komen doen, (
  3. iv)dat er verder ook geen vaststellingen werden gedaan door een gerechtsdeurwaarder en (
  4. v)dat de feiten, zoals door mevrouw F. uiteengezet, door geïntimeerden worden betwist, zijn geen elementen die het Hof beoordeelt als afdoende om deze beslissing te weerleggen. De eerste rechter kan in dit opzicht zodoende niet gevolgd worden. 13. de schade- werkongeschiktheid Geïntimeerden betwisten dat de schade, waarvoor appellante vergoeding vraagt, het gevolg is van de val van L.F. op 5 februari 1997. Deze betwisting betreft tevens de omvang van de schade. (cfr. verder nr. 21). Appellante baseert haar eis op de aquiliaanse aansprakelijkheid waarbij zij van geïntimeerden haar eigen geleden schade wenst vergoed te zien. Deze schade heeft zij geleden doordat zij krachtens de op haar rustende wettelijke hetzij reglementaire verplichting de voordelen van wedde aan L.F. heeft dienen te verstrekken doch hiervoor geen arbeidsprestaties in de plaats kon krijgen. De overheid die ingevolge een fout van een derde krachtens de op haar rustende wettelijke of reglementaire verplichtingen de wedde en de op die wedde rustende bijdragen moet doorbetalen zonder arbeidsprestaties te ontvangen, is gerechtigd op schadevergoeding voor zover zij hierdoor schade lijdt. Het bestaan van een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van art. 1382 e.v. B.W. ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten. Appellante voert aan dat zij als overheid over een eigen vordering beschikt om haar schade integraal vergoed te zien en dat deze eis geen subrogatoire vordering is waarbij zij is getreden in de rechten van L.F. Zij houdt voor dat de omvang van haar eis de wedde (bruto) en de op die wedde rustende bijdragen is die zij aan L.F. heeft dienen door te betalen tijdens de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Zij stelt dat haar eis niet beperkt is tot hetgeen L.F. persoonlijk had kunnen vorderen t.a.v. de aansprakelijke, zodat haar eis niet kan verminderd worden met de gebeurlijk eigen fout van haar aangestelde m.b.t. het ongeval. 14. De gebeurlijke wettelijke of reglementaire verplichting die in casu op een overheid rust om haar werkneemster uit te betalen gedurende de periode van ziekte, geeft aan appellante een eigen vorderingsrecht op grond van de aquiliaanse aansprakelijkheid om de door haar, ingevolge deze wettelijke of reglementaire verplichting, schade vergoed te zien van de aansprakelijke derde, voor zover zij hierdoor schade lijdt. Het komt aan appellante toe om deze schade aan te tonen. Dat er een tegenstrijdig belang was tussen appellante en haar aangestelde m.b.t. de vaststelling van duur van de arbeidsongeschiktheid, m.n. dat appellante er geen belang bij had dat postbode L.F. afwezig was zonder enige medische grondslag, doet geen afbreuk aan het feit dat appellante t.a.v. geïntimeerden haar bewijslast m.b.t. de schade dient te vervullen. Het Hof stelt vast dat appellante de afwezigheid van haar aangestelde gedurende de periode van 3 februari 1997 tot 10 mei 1998, baseert op de besluiten van de medische expertise van Administratieve Gezondheidsdienst (hierna afgekort: A.G.D.) waarin te lezen staat: "genezen zonder schatbare invaliditeit van:" en "multipele verwondingen: hals met torticollis, onderbenen met hematomen, kneuzing rechter schouder en ribben". Als globale blijvende invaliditeit is 0% opgegeven en als consolidatiedatum: 11 mei 1998". Appellante houdt voor dat zij verplicht was om het loon van haar werkneemster alsook de verplegingskosten uit te betalen, zoals ze in casu heeft gedaan, omdat (
  5. i)zij dit verplicht was ingevolge de wet arbeidsongevallen publieke sector, (
  6. ii)in geval van arbeidsongeval in de publieke sector de A.G.D. het oorzakelijk verband van de tijdelijke arbeidsgeschiktheid met het ongeval onderzoekt en (iii) in casu de A.G.D. de door L.F. opgegeven periodes van afwezigheid in oorzakelijk verband met het ongeval heeft erkend. 15. Appellant legt als stuk 3 van haar bewijsbundel de "besluiten medische expertise" van de A.G.D. neer. Uit dit document dat niet op tegenspraak met geïntimeerde werd opgesteld, en louter ten titel van inlichting kan gelden, kan het Hof enkel afleiden dat de consolidatiedatum werd vastgesteld op 11 mei 1998. Er wordt geen opgave gedaan van de percentages van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. De percentages van arbeidsongeschiktheid over de periode 5 februari 1997 tot 11 mei 1998 worden aan de hand van dit document niet aangetoond. Er liggen verder van dr. B. diverse voorschriften voor tot kinesitherapie (stuk 5 bundel appellante), alsook ereloonnota's van kinesist G. S., die verwijzen naar het ongeval van 1 februari 1997. Blijkbaar heeft L.F. kine gevolgd aan 1 keer per dag tot en met 5 december 1997. Deze documenten bewijzen op zich geen werkonbekwaamheid. Verder brengen eerste en tweede geïntimeerde de brief van 16 december 1998 voor, van de raadsdokter d'H. van Axa Belgium, familiale verzekeraar van de ouders van P.D. Hierin valt te lezen dat bij onderzoek van L.F. op 29 april 1997 zij op die datum absoluut niet als volledig arbeidsongeschikt kon worden beschouwd. De inhoud van deze brief stemt overeen met de brieven van de verzekeraar van eerste en tweede geïntimeerde, Axa Belgium N.V., van 5 juli 1998 en van 3 november 1998, waarin deze stelt dat haar raadsdokter (dokter d'H.) een volledige werkongeschiktheid heeft aanvaard tot en met 28 april 1997 en dat naderhand de "tijdelijke werkongeschiktheid behoorlijk degressief is" m.n. op 29 april 1997, 10% (stuk 6 bundel appellante). Deze briefwisseling beoordeelt het Hof niet als een gerechtelijke bekentenis, vermits deze documenten niet uitgaan van eerste en tweede geïntimeerde, doch zij worden door het Hof in aanmerking genomen in het kader van de bewijslast van appellante, m.n. als gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens, om te besluiten tot een werkonbekwaamheid van L.F. van 100% tot en met 28 april 1997 en nadien degressief m.n. 10%. Appellante toont geen ander percentage van werkonbekwaamheid vanaf 28 april 1997, vermits dit niet blijkt uit de "besluiten van medische expertise" van A.G.D., waarin geen percentage van tijdelijke werkonbekwaamheid zijn opgegeven. 16. Appellante houdt voor dat de door haar geleden schade erin bestond dat zij verplicht was de wedde en de op die wedde rustende bijdragen integraal door te betalen, terwijl zij zelf niet kon genieten van de arbeidsprestaties van haar aangestelde. Het is afdoende aangetoond dat met een werkonbekwaamheid van 100% appellante geen arbeidsprestaties kon vergen van haar personeelslid, en dit dus tot 28 april 1997. Dit verband is echter niet afdoende aangetoond met een werkonbekwaamheid van 10%. Appellante toont niet aan dat zij met een werkonbekwaamheid van haar personeelslid van 10%, geen arbeidsprestaties had kunnen vergen. Er ligt enkel een medisch attest voor waarin deze beweerde werkonbekwaamheid is voorgeschreven. Het feit dat kinesitherapie werd gevolgd, toont niet aan dat appellante geen arbeidsprestaties ná 28 april 1997 van haar personeelslid had kunnen vergen. 17. Appellante concludeert in het overwegend gedeelte van haar conclusie: "uiterst ondergeschikt verzet concluante zich niet tegen de aanstelling van een deskundige". Geïntimeerden verzetten zich nadrukkelijk tegen de aanstelling van een deskundige ondermeer gelet op de eigen bewijslast van appellante, het gegeven dat appellante slechts een zeer summier en éénzijdig stuk voorlegt en de ondertussen verlopen tijd sinds het ongeval. Het behoort binnen de bewijslast van appellante om haar schadeomvang aan te tonen. Het blijkt dat zij geen initiatieven genomen heeft op een daartoe nuttig tijdstip om deze schade vast te stellen, minstens brengt zij hiervan het bewijs niet voor. Het Hof stelt vast dat appellante zelf niet actief om de aanstelling van een deskundige vraagt. Appellante beperkt zich tot het stellen dat zij hiertegen geen verzet doet. De zending van deze deskundige wordt bovendien ook niet door appellante omschreven. Het Hof volgt geïntimeerden waar deze uitdrukkelijk de aanstelling van een gerechtsdeskundige betwisten. Een expertisemaatregel in de gegeven omstandigheden komt het Hof onnuttig voor. Het Hof besluit dat appellante slechts de door haar geleden schade, m.n. de doorbetaling van het loon zonder hiervoor arbeidsprestaties te kunnen vergen, aantoont voor de periode van volledige arbeidsongeschiktheid, zoals door het Hof aanvaard vanaf het ongeval tot en met 28 april 1997. 18. eigen fout van de aangestelde van appellante Geïntimeerden voeren aan dat L.F. zelf een onrechtmatige daad heeft gesteld die in oorzakelijk verband staat met het ongeval. Zij stellen dat appellante met deze eigen fout van de aangestelde rekening moet houden in haar schade-eis. Het wordt niet betwist dat op het ogenblik van het ongeval L.F. met haar fiets op het voetpad reed. Dit maakt volgens geïntimeerden een inbreuk uit op artikel 9.1.4 van de Wegcode (KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik op de openbare weg). Appellante voert niet aan dat dit verbod niet van toepassing is op de aangestelde van appellante. Zij beperkt zich tot het stellen dat "fietsten op het voetpad wordt overigens door art. 9.1.2.4° van de Wegcode expliciet toegelaten buiten de bebouwde kom, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat fietsen op een voetpad per definitie een gevaarlijk of foutief handelen zou uitmaken". Zij voert niet aan dat de straat waar het schadegeval plaatsgreep, gelegen is in "een niet bebouwde kom", zijnde een gebied zonder bebouwing en waarvan de invalswegen aangeduid zijn met de verkeersborden F1 en de uitvalswegen met de verkeersborden F2 (art. 2.12 KB 01 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg). Geoordeeld wordt derhalve dat de aangestelde van appellante een inbreuk op de wegcode maakte. Deze inbreuk op de wegcode maakt op zich een onrechtmatig handelen uit, zonder dat dient te worden nagegaan of dit handelen is geschied uit onvoorzichtigheid, nalatigheid of zorgeloosheid hetzij of men redelijkerwijze de schade in kwestie diende te voorzien als gevolg van de overtreding van de rechtsnorm. Het is zodoende niet relevant of L.F. al dan niet een hoge snelheid heeft gehad op het ogenblik van het ongeval en haar handeling dient niet te worden getoetst aan wat een normaal, voorzichtig en redelijk postbode in dezelfde omstandigheden zou doen. Het Hof besluit tot een eigen fout van L.F. aan het ongeval. Zonder deze fout had de schade zich niet voorgedaan, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. De aansprakelijkheid van L.F. op basis van art. 1382 Burgerlijk Wetboek staat derhalve vast. 19. Zowel de objectief onrechtmatige daad van de kinderen van geïntimeerden als de eigen fout van L.F. liggen aan de oorzaak van het ongeval. Zonder de fouten van geïntimeerden of van L.F. zou de schade zich niet hebben voorgedaan, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. De objectief onrechtmatige daad in hoofde van de kinderen van geïntimeerden en de fout in hoofde van L.F., hebben naar het oordeel van het Hof in gelijke mate bijgedragen (met name ieder voor de helft) in de totstandkoming van de schade, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. 20. eis van appellante op basis van art. 1382 Burgerlijk Wetboek De eis van appellante wat betreft het weddeverlies ten aanzien van geïntimeerden is niet gebaseerd op een subrogatie in de rechten van haar aangestelde, L.F., doch op een eigen geleden schade (art. 1382 B.W.). Het bestaan van een wettelijke, reglementaire of contractuele verplichting sluit niet uit dat schade in de zin van art. 1382 B.W. ontstaat, tenzij wanneer, blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten (art. 1382 en 1383 B.W.). Krachtens de Wet Arbeidsongevallen was appellante verplicht haar personeelslid uit te betalen. Het wordt immers niet betwist dat het ongeval een arbeidsongeval was en geschied is in de uitvoering van haar werkzaamheden. Overeenkomstig de Wet Arbeidsongevallen van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg van en naar het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, diende appellante over te gaan tot vergoeding van haar personeelslid. Het getroffen personeelslid kon daarbij niet uitgesloten worden van vergoeding, tenzij in de gevallen bepaald in art. 14 van deze wet. Enkel de opzettelijke daad van dit personeelslid had vergoeding kunnen uitsluiten. De wetgever heeft zodoende door de bepalingen van de arbeidsongevallenwet de schadelijke gevolgen van het feit dat het personeelslid het slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval definitief ten laste van de werkgever willen leggen, behoudens in geval van een opzettelijke fout van de aangestelde. Dat de arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk te wijten is aan de schuld van het personeelslid zelf, behoudens in geval van opzettelijke daad, is een risico dat de wetgever definitief ten laste van de werkgever heeft willen leggen. De werkgever lijdt zodoende slechts een vergoedbare schade, voor zover en in de mate waarin de aansprakelijkheid voor het ongeval berust bij de fout van de derde, behoudens in geval van opzettelijke fout van haar personeelslid. Deze vergoedbare schade is zodoende 50 % van de door appellante geleden schade, vermits het Hof de bijdrage van de eigen fout van de aangestelde van appellante in het ongeval voor 50% heeft aanvaard. De eis van appellante komt gegrond voor, voor dit aandeel van 50 %, t.a.v. geïntimeerden, die in solidum tot betaling daartoe gehouden zijn. 21. omvang van de schade-eis De schade-eis van appellante, zijnde geen subrogatoire eis, omvat in beginsel alle uitgaven die de werkgever heeft moeten doen zonder arbeidsprestaties te ontvangen: niet alleen de netto wedde, doch ook de bedrijfsvoorheffing, de werknemers- en werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, het pro rata gedeelte van het vakantiegeld en de eindejaarspremie en eventueel ook andere toelagen. Op grond van de voor echt en waar verklaarde loonstaten, voorgebracht door appellante onder stuk 4 van haar bundel,maakt appellante aannemelijk dat het brutoloon dat ze heeft uitgekeerd aan haar aangestelde bruto 22.866,49 EUR (922.432 BEF) bedraagt. Dit bedrag is berekend over de periode vanaf 3 februari 1997 tot 10 mei 1998, zijnde 462 kalenderdagen. De berekening van de wedde ligt niet voor, voor de door het Hof aanvaarde periode van 3 februari 1997 tot 28 april 1997, zijnde 85 dagen. De schade dient proportioneel toegekend te worden zijnde euro 22.866,49 x 85 dagen/462 dagen = euro 4.207,04. Hierop dienen de vergoedende interesten toegekend te worden vanaf de gemiddelde datum zijnde vanaf 17 februari 1997. 22. Verplegingskosten In tegenstelling tot haar eis wegens schade als gevolg van niet geleverde arbeidsprestaties door L.F., stelt appellante deze eis als gesubrogeerde in de rechten van haar aangestelde (art. 14 § 3 arbeidsongevallenwet). Bij gebreke aan verweer m.b.t. deze schadepost en met verwijzing naar de overtuigingsstukken (stuk 5 bundel appellante) dient deze schadepost te worden toegekend, weliswaar rekening houdende met de eigen fout van de aangestelde van appellante ten belope van de helft. De eis van appellante is gegrond t.a.v. geïntimeerden voor 50 % van deze kosten t.b.v. euro 3.507,77 hetzij euro 1.753,89. Bij gebreke aan betalingsbewijzen, worden de vergoedende interesten toegekend vanaf de inleidende dagvaarding van 22 februari 2001. 23. vrijwaringseisen tussen geïntimeerden De objectief onrechtmatige daden van beide kinderen hebben in gelijk mate bijgedragen tot de schade, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. De ouders zijn elk voor ¼ gehouden. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis als volgt. Verklaart de oorspronkelijke eis van appellante gegrond, doch dit slechts in de hierna bepaalde mate Zegt voor recht dat eerste, tweede, derde en vierde geïntimeerde in solidum tot betaling gehouden zijn aan appellante van de wedde die zij aan haar aangestelde heeft betaald ingevolge haar verplichting om het loon door te betalen gedurende de periode vanaf 3 februari 1997 tot 28 april 1997, en dit ten belope van 50% zijnde euro 4.207,04 x 50% = euro 2.103,52, meer de vergoedende interesten vanaf de gemiddelde datum zijnde 17 februari 1997 en de gerechtelijke interesten vanaf onderhavig arrest. Veroordeelt verder eerste, tweede, derde en vierde geïntimeerde in solidum tot betaling aan appellante van de som van euro 1.753,89, meer de vergoedende interesten vanaf 22 februari 2001 en de gerechtelijke interesten vanaf onderhavig arrest. Verklaart de tussenvordering van eerste en tweede geïntimeerde ten aanzien van derde en vierde geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelt derde en vierde geïntimeerde tot terugbetaling van ieder ¼ van de bedragen in hoofdsom, interesten en kosten die eerste en tweede geïntimeerde dienen te betalen. Verklaart de tusseneis van derde geïntimeerde ten aanzien van eerste, tweede en vierde geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelt eerste, tweede en vierde geïntimeerde tot terugbetaling van ieder ¼ van de bedragen, in hoofdsom, interesten en kosten, die derde geïntimeerde dient te betalen. Verklaart de tusseneis van vierde geïntimeerde ten aanzien van eerste, tweede en derde geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelt eerste, tweede en derde geïntimeerde tot terugbetaling van ieder ¼ van de bedragen, in hoofdsom, interesten en kosten, die vierde geïntimeerde dient te betalen. Verwijst geïntimeerden in solidum in de kosten van beide aanleggen begroot aan de zijde van appellante op: - euro 312,94 dagvaardingskosten - euro 349,53 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg - euro 186 rolrecht hoger beroep - euro 60,73 uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep - euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 28 juni 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Raadsheer K. VAN HAELST mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Ger.W., wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer K. ALLEGAERT, hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 van het Ger.W., bij bevelschrift van de Heer Eerste Voorzitter C. DE VEL van het Hof van Beroep te Antwerpen in datum van 28 juni 2006. PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060628.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.