id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060628.9 Rolnummer: 2006RK191 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-19 Raadplegingen: 283 - laatst gezien 2026-07-03 19:04 Fiche De voorbereidende behandeling van de wet van 28 januari 2003 voorziet uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de rechter met het oog op deze toewijzing van de gezinswoning het advies in te winnen van het parket, dat hem kan inlichten over de eventueel nog hangende zaken en geseponeerde dossiers. Het openbaar ministerie, wanneer het aan een burgerlijke procedure deelneemt, kan immers alle inlichtingen die het dienstig acht voor de beslechting van het geschil, inclusief het strafdossier, overleggen (Cass., 20 juni 1961, Pas.,1961, I, 1157). De wet op het partnergeweld van 28 januari 2003 voorziet in het artikel 6 (B.S., 12 februari 2003) dat indien er ernstige aanwijzingen bestaan voor dergelijke gedragingen, de echtgenoot die het slachtoffer is, behalve bij uitzonderlijke omstandigheden, het genot toegewezen krijgt van de echtelijke verblijfplaats indien hij daarom verzoekt. Het begrip uitzonderlijke omstandigheden die door de rechter moet ingevuld worden, geeft die rechter juist de mogelijkheid in te spelen op een buitengewoon brede waaier van mogelijke situaties. Zodoende kan de verzoening tussen de echtgenoten opgetreden na de feiten van partnergeweld gelden als uitzonderlijke omstandigheid die het de rechter toelaten af te wijken van het wettelijk criterium. Vrije woorden: VOORLOPIGE MAATREGELEN - BEWIJSVOERING - PARTNERGEWELD Nota: artikel 1280 Gerechtelijk wetboek inzake het partnergeweld zoals ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 28 januari 2003. Parlementaire documenten DOC 50 - 1693/006 Tekst van de beslissing HET HOF; Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, op 19 mei 2006 op tegenspraak tussen de partijen uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zitting houdend in kort geding, waarvan geen betekening voorligt en waartegen tijdig en geldig naar de vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 juni 2006. Gelet op het akkoord van partijen op de inleidingzitting van 13 juni 2006 om de zaak voor pleidooien te stellen enkel wat betreft het verblijf en de omgangsregeling met de kinderen. Gelet op het afschrift van een gedeelte van het strafdossier in het gerechtelijk onderzoek gekend op het parket van de procureur des Konings te Antwerpen onder AN43.L4.004241-05 wegens (
- a)mondelinge bedreigingen, (
- b)slagen aan partner, (
- c)slagen met werkonbekwaamheid en (
- d)bedreigingen met gebaren en zinnebeelden door de heer F. B. op datum van 29 augustus 2005. 1.- De partijen zijn gehuwd op datum van 10 april 1992 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Kapellen en uit hun huwelijk werd twee nog minderjarige kinderen geboren met name: -F. B. geboren op 2 september 1994 -T. B. geboren op 30 maart 1998. Er ontstonden echtelijke moeilijkheden aangezien de heer F. B. zich regelmatig brutaal zou opstellen ten aanzien van mevrouw M. E. wat uiteindelijk geleid heeft tot de straf-klacht waarvoor hij onder aanhoudingsmandaat geplaatst werd door onderzoeksrechter B. De Hous. Op 27 maart 2006 heeft mevrouw M. E. een procedure in echtscheiding ingeleid en de heer F. B. gedagvaard om te verschijnen voor de voorzitter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen in kort geding teneinde voorlopige maatregelen te horen uitspreken, wat aanleiding gaf tot de bestreden beschikking. Tot op heden is nog geen echtscheiding tussengekomen. 2.- Het debat is thans beperkt tegen de navolgende maatregelen genomen in de bestreden beschikking van 19 mei 2006, die ter betwisting staan: Ø Een afzonderlijk verblijf van de heer F. B. in de echtelijke woning gelegen te S., J. d. H. 28, bij uitsluiting van de andere partij, Ø Het ouderlijk gezag over de minderjarige dochters gezamenlijk door beide ouders, Ø De beide minderjarige dochters ingeschreven in het bevolkingsregister bij de heer F. B., Ø Het verblijf van de beide minderjarige dochters de ene week bij mevrouw M. E. en de andere week bij de heer F. B. met wisseling op vrijdag te 18.00 uur (periode van 1 september tot 30 juni van ieder jaar). 3.- Het hoger beroep behelst evenwel bij hervorming van de bestreden beschikking zowel het afzonderlijk verblijf van partijen als het ouderlijk gezag, het verblijf van de kinderen, de onderhoudsbijdrage voor de kinderen, het persoonlijk onderhoudsgeld voor de vrouw, het voorlopig gebruik en genot van de goederen, de hypothecaire lening, de personenwagen VW, Golf en de mobilhome. 4.- De geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging van de bestreden beschikking. BEOORDELING EXCEPTIE VAN ONBEVOEGDHEID EN DE WERING VAN DE BEWIJSSTUKKEN. 5.- In de eerste plaats werpt de heer F. B. op dat het Hof niet de bevoegdheid heeft om het ambt van de Procureur-generaal de overlegging te bevelen van een strafdossier. Het zou indruisen tegen de beginselen van het bewijsrecht die de partijen opdraagt zelf het bewijs bij te brengen van de feiten waarop men zich baseert. Als dusdanig gaat de heer F. B. voorbij aan het feit dat het de gedingpartijen zelf waren die op de inleidingszitting gewag gemaakt hebben van het bestaan van dit strafdossier. In hun conclusies verwijzen zij trouwens naar het belang van het strafdossier die zij in de beoordeling van het partnergeweld verwerkt hebben. Bovendien kon de heer F. B. geen genoegen nemen met de eigen notities uit dit strafdossier genomen door de raadsman van M. E. zoals die opgenomen zijn in haar stuk 8, waarvan de wering gevraagd wordt. 6.- Enkel op uitnodiging van het Hof, mede gezien de korte tijdspanne ingevolge de hoogdringende behandeling waar partijen zich op beroepen hebben, heeft de heer advocaat-generaal zich ter zitting bereid bevonden een afschrift van het strafdossier te bezorgen teneinde het Hof in staat te stellen zich een volledig beeld te vormen nuttig en noodzakelijk voor haar beoordeling. Het artikel 764, laatste lid Gerechtelijk wetboek voorziet trouwens in die facultatieve mogelijkheid dat het openbaar ministerie mededeling krijgt van alle andere zaken die hij dienstig acht en daarin zitting houdt. In die gevallen oordeelt het openbaar ministerie volledig vrij op welke wijze en in welke vorm er advies zal gegeven worden. Het overleggen van een strafdossier behoort daartoe. De beide partijen hebben bovendien verklaart kennis te hebben gekregen van dit strafdossier. Het geheim van het strafrechtelijk onderzoek vindt trouwens een uit-zondering in artikel 125 Tarief in strafzaken (K.B. van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken), waarbij de procureur-generaal beslist wie inzage en/of afschrift wordt verleend. Het openbaar ministerie, wanneer het aan een burgerlijke procedure deelneemt, kan immers alle inlichtingen die het dienstig acht voor de beslechting van het geschil, inclusief het strafdossier, overleggen (Cass., 20 juni 1961, Pas.,1961, I, 1157). Bovendien voorziet de voorbereidende behandeling uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de rechter met het oog op deze toewijzing van de gezinswoning het advies in te winnen van het parket, dat hem kan inlichten over de eventueel nog hangende zaken en geseponeerde dossiers (parlementair document: doc 50/1693/006). In die omstandigheden kan er geen gevolg gegeven worden aan het verzoek tot wering van het bewijsstuk 8 uitgaande van mevrouw M. E. De persoonlijke weergave van de inhoud van een strafdossier geeft op zich geen grond tot wering van het stuk. 7.- Eveneens vraagt de heer F. B. ten onrechte de wering van stuk 9 inhoudende de agenda van de sporthal daar deze hem zou gestolen zijn. Tussen gehuwden die dan nog dezelfde woning delen gaat men uit van een recht op nieuwsgierigheid dat tussen de echtgenoten bestaat en dat moet wijken voor de vertrouwelijkheid. De vertrouwelijkheid van een brief of een ander bericht levert bovendien doorgaans op zichzelf geen bezwaar op tegen het gebruik ervan in rechte, zolang voldaan is aan de dubbele voorwaarde dat men op rechtmatige wijze in bezit is gekomen van het stuk en dat er geen schending is van het beroepsgeheim (Cass. 27 januari 2000, C980364N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000127.5, www.juridat.be). De onrechtmatigheid van de verkrijging moet bewezen worden door diegene die zich er op beroept en de heer F. B. slaagt niet in deze bewijslast. OMTRENT HET ADAGIUM 'LE CRIMINEL TIENT LE CIVIL EN ETAT'. 8.- Het adagium 'le criminel tient le civil en état' kan geen toepassing vinden in de procedure op artikel 1280 Gerechtelijk wetboek omdat deze bij uitstek gericht is op een snelle en voorlopige behandeling van geschillen. Het gezag van rechterlijk gewijsde, dat eigenlijk bedoeld wordt, strekt zich bovendien niet uit naar een beslissing van de raadkamer, die als een onderzoeksgerecht geen uitspraak gedaan heeft over de grond van de zaak. Een beslissing van buitenvervolgingstelling die wordt gewezen op basis van onvoldoende bezwaren heeft derhalve voor de burgerlijke rechter geen gezag van gewijsde, zodat diegene die beweert benadeeld te zijn door een misdrijf de mogelijkheid behoudt zijn vordering te staven met bijkomende bezwaren. OMTRENT DE AFZONDERLIJKE WOONST 9.- Mevrouw M. E. vraagt op basis van het strafdossier afzonderlijk te mogen verblijven in de echtelijke woonst te Stabroek met uitsluiting van de heer F. B. Zij beroept zich dienaangaande op de bepaling van artikel 1280 Gerechtelijk wetboek inzake het partnergeweld zoals ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 28 ja-nuari 2003. Aldus verwijst zij naar het feit dat reeds diverse klachten neergelegd zijn ten laste van de heer F. B. wegens slagen en verwondingen; met in het bijzonder het feit dat hij door de onderzoeksrechter te Antwerpen op 29 augustus 2005 onder aanhou-dingsmandaat geplaatst is in gevolge ondermeer het toebrengen van slagen en verwondingen aan mevrouw M. E. in het kader van familiale moeilijkheden. Bij de eerste verschijning voor de raadkamer op 2 september 2005 is hij voorlopig in vrijheid gesteld onder voorwaarde van een absoluut contactverbod met mevrouw M. E. voor de duur van drie maanden. De onderzoeksrechter heeft bij beslissing van 4 november 2005 de opgelegde maatregelen verlengd voor een periode van drie maanden met ingang van 2 december 2005. Op datum van 1 februari 2006 werd hij bij beslissing van de raadkamer te Antwerpen buiten vervolging gesteld aangezien er generlei bezwaren bestaan in hoofde van de in verdenking gestelde wat be-treft de tenlasteleggingen. 10.- Volgens de heer F. B. zijn de feiten volledig uit hun context gehaald en enkel met de bedoeling om ten laste van hem een dossier op te bouwen. Naar zijn oordeel is de ontwrichting van de relatie uitsluitend te wijten aan het feit dat hij twintig jaar ouder is dan haar. Het zijn voor hem valse verklaringen die louter en alleen afgelegd zijn met het bedrieglijk inzicht teneinde onrechtmatige bevoordeling te bekomen in de door haar reeds lang beraamde echtscheidingsprocedure. 11.- De wet op het partnergeweld van 28 januari 2003 voorziet in het artikel 6 (B.S., 12 februari 2003) dat indien er ernstige aanwijzingen bestaan voor dergelijke gedragingen, de echtgenoot die het slachtoffer is, behalve bij uitzonderlijke omstandigheden, het genot toegewezen krijgt van de echtelijke verblijfplaats indien hij daarom verzoekt. De wet preciseert niet wat onder ernstige aanwijzingen van geweld dient te worden verstaan. Doch werd er reeds geoordeeld dat een eenzijdige verklaring van het slachtoffer, aangevuld met medische attesten die haar versie ondersteunen, een voldoende bewijs kan vormen dat er minstens ernstige aanwijzingen van schuld in hoofde van de andere echtgenoot voorhanden zijn. In haar klacht aan de politie verklaard mevrouw M. E. dat hun relatie de laatste drie jaar zodanig verslechterd is dat er ruzies waren in het gezin die aanvankelijk enkel verbaal waren doch ook soms escaleerden tot slagen omdat de heer F. B. jaloers is op haar. Op het verzoek zich te onderwerpen aan een ge-rechtelijk geneeskundig onderzoek wenste mevrouw M. E. echter niet in te gaan. De verklaringen in het strafdossier bevestigen verder dat er de laatste tijd regelmatig echtelijke ruzies waren in het gezin die uitmonden in strubbelingen met slagen, trekken en duwen tot gevolg. De meerderjarige dochter N. is dan het slachtoffer van deze geweldplegingen omdat zij tracht tussen te komen. Zodoende kan het dan ook niet ontkend worden dat er minstens aanwijzingen zijn van partnergeweld door de man. 12.- Evenwel een eenmalige gewelddaad als reactie op een provocatie geldt niet als een voldoende bewijs om te beslissen over de toewijzing van de gezinswoning. Vaak kan het zijn dat de echtgenoot zich mateloos ergerde aan het onverantwoord gedrag van zijn wispelturige echtgenote en die zich dan niet meer heeft kunnen be-dwingen. Daarbij is het niet onbelangrijk vast te stellen dat de partijen nog steeds samenleven onder hetzelfde dak en zij dezelfde woning delen. Het begrip uitzonderlijke omstandigheden die door de rechter moet ingevuld worden, geeft die rechter juist de mogelijkheid in te spelen op een buitengewoon brede waaier van mogelijke situaties. Zodoende kan de verzoening tussen de echtgenoten opgetreden na de feiten van partnergeweld gelden als uitzonderlijke omstandigheid die het de rechter toelaten af te wijken van het wettelijk criterium. Naar de kinderen toe is er immers geen sprake van agressief gedrag en het psychiatrisch verslag laat niet toe te besluiten dat de man een gevaar zou uitmaken voor zijn zichzelf of voor zijn gezin. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Gehoord Substituut-Procureur-generaal P. Van Ingelgem in zijn advies dat omwille van de omstandigheden van de zaak onmiddellijk mondeling ter terechtzitting werd gegeven en waarop partijen mon-deling hebben kunnen repliceren; Zegt voor echt dat het debat beperkt wordt tot het verzoek tot afzonderlijk woonst, het ouderlijk gezag, het verblijf en de omgangsregeling over de minderjarige dochters; Verklaart het aldus beperkt hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt dienaangaande de bestreden beschikking; Heropent voor het overige de debatten op zitting van deze kamer d.d. 25 OKTOBER 2006 TE 14.40 UUR. Houdt de uitspraak over de kosten aan. PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060628.9 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000127.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div