← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060906.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060906.14 Rolnummer: 78 p 2006 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-01 04:43 Fiche Noch de artikelen 246 tot 248 van het wetboek van strafvordering noch enige andere wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat, wanneer de buitenvervolgingstelling van één of meerdere wel of niet-nominatief aangewezen verdachten gepaard gaat met een verwijzing naar de correctionele rechtbank van één of meerdere andere verdachten, de benadeelden een tot dan toe niet vermelde persoon rechtstreeks kan dagvaarden wegens een wanbedrijf waarvoor de correctionele rechtbank ingevolge de verwijzing is gevat. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Procedure - Buitenvervolgingstelling STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Rechtstreekse dagvaarding Vrije woorden: Artikelen 246-248 Sv. - Rechtstreekse dagvaarding - Niet-nominatieve buitenvervolgingstelling Nota: (vgl. en na te volgen: Cass. 15 maart 2005, www.cass.be met andersluidende conclusie advocaat-generaal T. Werquin). Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, Te Antwerpen, negende kamer, [...] BETICHT VAN: te Essen, op 19 april 2003, Hetzij door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd; A. de eerste Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan een minderjarige, namelijk N.K., geboren te ..., de slagen, of verwondingen hebbende hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge gehad; B. de tweede Verzuimd te hebben hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen, de verzuimer kunnende helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen, de in groot gevaar verkerende persoon minderjarig zijnde, namelijk N.K.,geboren te ....; [...]

  1. De procedure Het Hof heeft de zaken met parketnummer 78P2006 en 645P2005 behandeld op de openbare terechtzitting van 7 juni
  2. Het hof aanhoorde in de zaak met parketnummer 78P2006 : - de burgerlijke partijen C.P. en K.N. in hun middelen voorgedragen door hun raadsman Mr. C. Quintelier, advocaat bij de balie te Antwerpen ; - het openbaar ministerie in zijn vordering m.b.t. de beklaagden G.D.S. en Q.D.S.; - de beklaagde G.D.P. in zijn middelen van verdediging voorgedragen door hemzelf en door zijn raadsman Mr. J. Maes, advocaat bij de balie te Antwerpen ; - de beklaagde Q.D.P. in zijn middelen van verdediging voorgedragen door zijn raadsman Mr. J. Maes, advocaat bij de balie te Antwerpen. Het hof nam tevens kennis van de door de burgerlijke partijen neergelegde beroepsbesluiten. Het hof aanhoorde in de zaak met parketnummer 645P2005 : - de rechtstreeks dagende partijen C.P. en K.N. in hun middelen voorgedragen door hun raadsman Mr. C. Quintelier, advocaat bij de balie te Antwerpen ; - het openbaar ministerie in zijn vordering m.b.t. de rechtstreeks gedaagde J.V.d.S. ; - de rechtstreeks gedaagde J.V.d.S. in zijn middelen van verdediging voorgedragen door hemzelf en door zijn raadsman Mr. A. Souidi loco Mr. J.A. Vercraeye, advocaat bij de balie te Antwerpen. Het hof nam kennis van de namens de rechtstreeks dagende partijen en de namens de rechtstreeks gedaagde neergelegde beroepsbesluiten. [...]
  3. De strafvordering voorzover gericht tegen de beklaagde G.D.P. en de beklaagde Q.D.P. 4.
  4. De beweerde onregelmatigheid van de verwijzingsbeschikking Door de raadsman van deze beklaagden werd voorgehouden dat de beschikking d.d. 5 mei 2004, waarbij de raadkamer de beklaagde G.D.P. wegens opzettelijke verwondingen of slagen aan de minderjarige burgerlijke partij K.N. met de verzwarende omstandigheid van hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan hetzij een zware verminking en de beklaagde Q.D.P. wegens schuldig verzuim heeft verwezen naar de correctionele rechtbank, door onregelmatigheden was aangetast. Dit hof heeft als vonnisgerecht echter niet te oordelen over eventuele onregelmatigheden die zouden kleven aan de verwijzingsbeschikking (en die geen betrekking hebben op de bevoegdheid van de eerste rechter en thans van dit het hof) en moet zich dan ook uitspreken over de aanhangig gemaakte feiten. 4.2.
  5. De omschrijving van het aan de beklaagde G.D.P. ten laste gelegde feit De raadkamer heeft deze beklaagde naar het vonnisgerecht verwezen wegens een inbreuk op de artikelen 66, 392, 400 lid 1 en 405bis, 5° van het strafwetboek. [...]
  6. De rechtstreekse dagvaarding gericht tegen de rechtstreeks gedaagde J.V.d.S. 5.
  7. De ontvankelijkheid van de rechtstreekse dagvaarding De burgerlijke partijen hebben zich op 16 mei 2003 voor de onderzoeksrechter burgerlijke partij gesteld tegen de beklaagden G. en Q.D.S. wegens belaging, zware slagen en schuldig verzuim (st. 34-39). Het openbaar ministerie nam op 28 mei 2003 een aanvullende vordering lastens G.D.S. wegens opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheden (st. 41). Op 21 november 2003 (st. 67-69) vorderde het openbaar ministerie, de verwijzing van G.D.S. naar de correctionele rechtbank wegens opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheden, te verklaren dat er geen reden was tot vervolging van Q.D.S. wegens deze tenlastelegging en ten slotte te verklaren dat de onderzoeksrechter werd ontlast van verder onderzoek wat betreft de derde inverdenkinggestelde (één of meer onbekenden). Het openbaar ministerie was verder van oordeel dat de feiten van belaging en schuldig verzuim vermeld in de klacht met burgerlijke partijstelling zich vereenzelvigden met de feiten waarvoor de verwijzing werd gevraagd. Bij beschikking d.d. 5 mei 2004 (st. 66) heeft de raadkamer G.D.S. verwezen naar de correctionele rechtbank wegens opzettelijke slagen met verzwarende omstandigheden, wat betreft Q.D.S. de feiten geherkwalificeerd naar schuldig verzuim en verklaard dat de onderzoeksrechter werd ontlast van verder onderzoek lastens de derde inverdenkinggestelde. De burgerlijke partijen hebben vervolgens (onder meer) J.V.d.S. rechtstreeks voor de correctionele rechtbank gedagvaard wegens schuldig verzuim ten nadele van K.N. De rechtstreeks gedaagde heeft geconcludeerd tot de onontvankelijkheid van de rechtstreekse dagvaarding. Die stelling moet worden verworpen. Noch de artikelen 246 tot 248 van het wetboek van strafvordering noch enige andere wettelijke bepaling staat eraan in de weg dat, wanneer de buitenvervolgingstelling van één of meerdere wel of niet-nominatief aangewezen verdachten gepaard gaat met een verwijzing naar de correctionele rechtbank van één of meerdere andere verdachten, de benadeelden een tot dan toe niet vermelde persoon rechtstreeks kan dagvaarden wegens een wanbedrijf waarvoor de correctionele rechtbank ingevolge de verwijzing is gevat (vgl. en na te volgen : Cass. 15 maart 2005, www.cass.be met andersluidende conclusie advocaat-generaal T. Werquin). In het dossier dat thans ter beoordeling voorligt werd door de raadkamer bij beschikking van 5 mei 2004 voor het wanbedrijf van schuldig verzuim de beklaagde Q.D.S. verwezen naar de correctionele rechtbank terwijl een niet-nominatieve buitenvervolgingstelling werd verleend (de onderzoeksrechter werd immers ontlast van verder onderzoek naar één of meerdere onbekenden) voor het feit van opzettelijke slagen (met verzwarende omstandigheden) dat zich volgens het openbaar ministerie en wat betreft de beklaagde G.D.S. en de onbekende(n) vereenzelvigde met belaging en schuldig verzuim. De dagvaarding door de rechtstreeks dagende partijen van de rechtstreeks gedaagde - die in het gerechtelijk onderzoek niet was in verdenking gesteld en die evenmin het voorwerp uitmaakte van de klacht met burgerlijke partijstelling of van een vordering van het openbaar ministerie - voor het misdrijf schuldig verzuim waarvoor Q.D.S. was verwezen door de raadkamer, was dan ook wel degelijk mogelijk. De andersluidende stellingen van partijen in dit dossier (beroepsbesluiten rechtstreeks gedaagde, p. 4-8 ; beroepsbesluiten burgerlijke partijen op rechtstreekse dagvaarding, p. 7-13 en 17-18) moeten worden verworpen hetzij als een onjuiste uitlegging van de artikelen 246 tot 248 van het wetboek van strafvordering hetzij als gesteund op rechtspraak die betrekking heeft op niet vergelijkbare situaties. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20060906.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.