← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061018.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061018.14 Rolnummer: 2004AR1073 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-02 Raadplegingen: 136 - laatst gezien 2026-07-02 14:32 Fiche Door de rechtsgeldige overeenkomst van partijen tot een bindende derdenbeslissing zijn partijen akkoord gegaan hun beslissingsmacht over de aan de derdenbeslissing onderworpen feiten bij uitvoering van hun overeenkomst aan die derden over te dragen. De bindende derdenbeslissing gaat deel uitmaken van de overeenkomst van partijen zodat daarop art. 1134 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Rekening houdend met de aldus gedelegeerde wil van partijen blijft de rechter slechts de marginale toetsing over, inzonderheid bij een onvolledige beslissing, materiële vergissingen en kennelijke onredelijkheid of onbillijkheid. De deskundige die in uitvoering van het contract van partijen is aangesteld om een expertise met bindend advies uit te brengen, moet bij de uitvoering van zijn opdracht, die tot de uitvoering van de overeenkomst zelf behoort, de bewijsregels in acht nemen die tussen de contractpartijen gelden. De beperking tot het louter boekhoudkundig bewijs werd te dezen niet bedongen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Gevolgen verbintenissen tussen partijen - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BEWIJS VAN VERBINTENISSEN - Algemeen (bewijs van verbintenissen) Vrije woorden: Overeenkomsten - bindende derdenbeslissing - marginale rechterlijke toetsing - band tussen derden-beslisser en de overeenkomst Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/1073 EUROPEAN AND AFRICAN SOCIETY OF INVESTMENT AND EXPORT NV, in 't kort NV EASIE, met zetel te 2018 ANTWERPEN, Vestingstraat 1, KBO nummer 0436.001.637, appellante, vertegenwoordigd door Mr. WILLE Karel, advocaat te 2930 BRASSCHAAT, Bredabaan 63 tegen het vonnis gewezen op 13 januari 2004 door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen tegen

  1. BRACHT, DECKERS & MACKELBERT NV, in 't kort NV BDM, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Lange Nieuwstraat 17, KBO nummer 0404.458.128,
  2. CONTINENTALE VERZEKERINGEN NV, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Lange Nieuwstraat 17, KBO nummer 0404.454.168
  3. C.G.U. NV, met zetel te 1160 BRUSSEL, Hermann Debrouxlaan 54, KBO nummer 0402.237.917
  4. SPARKASSEN VERSICHERUNG - ALGEMEINE VERSICHERUNG, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Lange Nieuwstraat 17, KBO nummer 0445.768.250 geïntimeerden, allen vertegenwoordigd door Mr. D. FRERIKS loco Mr. DIERCXSENS Alexandre, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 ***
  5. Wat voorafgaat. 1.
  6. Op 19 september 1998 werd een gewapende roofoverval gepleegd in de kantoren van de n.v. European and African Society of Investment and Export (in 't kort: EASIE) aan de Appelmansstraat 23 te Antwerpen. Meerdere goederen (edelstenen) werden gestolen, inclusief goederen die door derden in consignatie waren gegeven. EASIE had een diefstalverzekering gesloten door middel van een polis opgesteld door de n.v. Bracht, Deckers & Mackelbert, optredend namens (of ook namens) de n.v. Continentale Verzekering, de n.v. C.G.U. en de Sparkassen Versicherung. De verzekeraars keerden vergoedingen uit aan derden-slachtoffers, die goederen in consignatie hadden gegeven aan EASIE, ten belope van euro 266 761,59 (10.761.136,- : 40,3399). EASIE vorderde echter zelf ook vergoeding voor gestolen goederen die, volgens haar, eveneens in consignatie aan haar gegeven waren doch die na de diefstal door de eigenaars aan haar werden gefactureerd. Zij vorderde daarvoor van de verzekeraar de som van 155 750 US$. De verzekeraars hebben betwist dat afdoende werd aangetoond dat het goederen in consignatie betrof. Overeenkomstig de polisvoorwaarden hebben beide partijen ieder een expert aangesteld om een boekhoudkundig onderzoek te doen. Toen de aangestelde experten niet tot overeenstemming kwamen, werd, eveneens volgens de polis, de aanstelling van een deskundige gevorderd en verkregen in kort geding. Op 13 augustus 1999 werd expert De Weerdt aangesteld. De deskundige De Weerdt kwam tot het besluit dat de verzekeraars nog een som van euro 16 086,73 moesten vergoeden. Deze som is samengesteld uit: - een som van euro 11 237,29 (453.311,- : 40,3399) voor ontvreemde juwelen zonder stenen, - een som van euro 4 849,44 (195.626,- : 40,3399) voor edelstenen waarvan de beweerde consignatie werd verantwoord door een factuur van Uhr Diamond. De verzekeraars bleken bereid deze som onder aftrek van een franchise van euro 14 165,57 te betalen. Voor het meer gevorderde meende de deskundige geen overeenstemming te hebben kunnen vaststellen tussen de door appellante als gestolen opgegeven goederen en deze die haar na de overval werden gefactureerd. 1.
  7. EASIE meende gerechtigd te zijn op meer en vorderde na dagvaarding van 30 augustus 2001 de veroordeling, solidair, in solidum, minstens de een bij gebreke van de ander tot de betaling van 175.750 US$ en van de som van euro 11 239,77, vermeerderd met de moratoire rente vanaf 19 september 1998, de gerechtelijke rente, de kosten van haar eigen expert Brauner en de proceskosten. 1.
  8. Het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 13 januari 2004 heeft de oorspronkelijke eis van de n.v. EASIE onontvankelijk verklaard ten opzichte van de n.v. Bracht, Deckers & Mackelbert en slechts gedeeltelijk gegrond ten opzichte van de andere verweerders door deze, ieder voor het deel waarvoor zij de polis onderschreven, te veroordelen tot de betaling aan de aanlegster van de som van euro 13 311,42, vermeerderd met de conventionele rente naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 6 augustus 2001 en met de gerechtelijke interesten vanaf 31 augustus 2001, tenminste in zoverre deze som nog niet werd betaald. De oorspronkelijke eiseres werd verwezen in de proceskosten. De eerste rechter oordeelde dat de n.v. Bracht; Deckers & Mackelbert slechts was opgetreden als lasthebber van de verzekeraars en dus niet persoonlijk kon gehouden zijn tot de verzekeringswaarborg. Er werd in eerste aanleg geoordeeld dat partijen gebonden zijn door het advies van expert De Weerdt dat krachtens de polis "doorslaggevend, soeverein en onherroepelijk" zou zijn. Aldus zou, volgens de eerste rechter, geen overeenstemming bewezen zijn tussen de door EASIE als gestolen opgegeven goederen en de goederen die na de overval aan haar werden gefactureerd. Dergelijk bewijs zou niet voortspruiten uit het deskundigenonderzoek en zou ook niet op enige ander wijze door EASIE geleverd zijn. 1.
  9. De n.v. EASIE, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 9 april
  10. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 6 september
  11. De eisen in hoger beroep. 2.
  12. Appellante vordert dat geïntimeerden solidair, in solidum, minstens de een bij gebreke van de ander, bij hervorming van het beroepen vonnis, zouden worden veroordeeld tot de betaling van de tegenwaarde in euro, aan de hoogste koers sedert de dagvaarding, van een som van 175.750 US$ en tot de betaling van een som van euro 11 239,77, vermeerderd met de moratoire rente vanaf 19 september 1998 en met de gerechtelijke interesten onder aftrek van de sommen die inmiddels door geïntimeerden werden betaald. Appellante verzoekt tevens geïntimeerden te verwijzen in alle proceskosten. Ondergeschikt verzoekt appellante, vooraleer over de grond te oordelen: - met toepassing van art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek aan de heer Charly Sand of het Sand Expertise Bureau, Louisalaan 149/34 te 1050 Brussel de overlegging te bevelen van het origineel van alle aan hem door appellante zelf overhandigde stukken, zoals de schadeaangifte, de lijst van gestolen goederen, kopieën van alle commissiebonnen, kopieën van certificaten, intern productieboek, enz... en van zijn verslaggeving aan BDM, - haar toe te laten om te bewijzen met alle middelen van recht, het getuigenbewijs inbegrepen : - "dat op 2/10/1998 om 17u00, Appelmansstraat 23 , 2018 Antwerpen, een bijeenkomst plaatsvond tussen de heer Dirk Gryspeerdt, de heer Norbert Van Durme en de heer Charly Sand alwaar aan de heer Sand het volledige dossier met fotokopieën van alle commissiebonnen, en certificaten, alsook een lijst van al de gestolen goederen werd overhandigd, - dat op 9/11/1998 om 10u00, Lange Nieuwstraat 17, 2000 Antwerpen, ter zetel van nv BDM, een bijeenkomst plaats vond tussen de heer Dirk Gryspeerdt, de heer Norbert Van Durme, de heer R. Van De Voorde (hoofd productie BDM), mevr. Brabandts (aangestelde BDM), en de heer Charly Sand al waar nogmaals door de heer Van De Voorde aan expert Sand de bestaande overeenkomst betreffende de voldoende bewijslevering door middel van commissiebonnen, zonder enig onderscheid, bevestigd werd, - dat op 13/11/1998 om 11u00, Vestingstraat 1, 2018 Antwerpen, ter zetel van nv EASIE, appellante, een bijeenkomst plaats vond tussen de heer Dirk Gryspeerdt, de heer Norbert Van Durme, accountant Dirk Ballon en de heer Sand, al waar de heer Sand volledige inzage van de boekhouding van nv EASIE heeft genomen, alle geclaimde (=gestolen) goederen heeft geverifieerd in het intern productieboek, een kopie van dat productieboek heeft meegenomen ter overhandiging aan mevr. D. Brabandts van nv BDM en een snelle schaderegeling heeft beloofd," - ambtshalve het getuigenverhoor te bevelen van de relevante feiten. - met toepassing van art. 987 Ger.W. gerechtsdeskundige P. De Weerdt ter terechtzitting te horen of en hoe hij in het kader van zijn onderzoek de zogenaamde "eigen goederen" heeft geverifieerd bij de leveranciers naar de in hun bezit zijnde originele commissiebriefjes. 2.
  13. De n.v. Bracht, Deckers & Mackelbert, de n.v. Continentale Verzekering, de n.v. C.G.U. en de Sparkassen Versicherung, hierna geïntimeerden genoemd, concluderen tot de onontvankelijkheid minstens tot de ongegrondheid van het hoger beroep van appellante. Eerste geïntimeerde heeft een tegeneis ingesteld tot de veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding van euro 5 000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Geïntimeerden verzoeken appellante te verwijzen in alle proceskosten.
  14. De beoordeling. Het hoger beroep van appellante tegen eerste geïntimeerde - de toelaatbaarheid/gegrondheid van de oorspronkelijke eis van appellante tegen eerste geïntimeerde - de tegeneis van eerste geïntimeerde. 3.
  15. Appellante heeft de B.D.M.-polis "Handelszaken en kantoren" nr. 3019075 ten grondslag gelegd van haar eis tegen de oorspronkelijke gedaagden tot het verstrekken van de verzekeringswaarborg naar aanleiding van de voormelde diefstal van 19 september
  16. Het is niet betwist dat enkel de verzekeraars, die tot deze polis zijn toegetreden onder de voorwaarden van de overeenkomst kunnen gehouden zijn tot de verzekeringsprestatie. Eerste geïntimeerde heeft voorgehouden dat zij niet als verzekeraar tot de polis is toegetreden en slechts als lasthebber van de onderschrijvers is tussengekomen. In eerste aanleg werd het verweer van eerste geïntimeerde aangenomen. De eis van appellante werd onontvankelijk verklaard in zoverre deze werd ingesteld tegen eerste geïntimeerde. 3.
  17. Appellante vecht deze beoordeling aan en houdt voor dat eerste geïntimeerde medeverzekeraar was, minstens de schijn heeft gewekt dit te zijn, waaruit zij afleidt dat eerste geïntimeerde gehouden is tot nakoming van de voormelde verzekeringsovereenkomst. Eerste geïntimeerde levert evenwel het afdoende bewijs door onderhands geschrift, met name de polis in kwestie, dat deze werd onderschreven als verzekeraars door de n.v. Asco Continentale Verzekeringen (77,90%), de n.v. Commercial Union Belgium (11,90%) en Sparkassen (10,20%), terwijl eerste geïntimeerde haar tussenkomst in de bijzondere polisvoorwaarden heeft aangeduid als "B.D.M. nv, handelend in naam van en voor rekening van de betrokken maatschappijen" en in die hoedanigheid de polis ook ondertekende. Deze duidelijke vermelding van haar hoedanigheid laten geen twijfel bestaan over haar hoedanigheid zodat geenszins de schijn werd gewekt of redelijkerwijze bij appellante de schijn is kunnen ontstaan dat eerste geïntimeerde ook zelf de verzekeraar zou zijn. Eerste geïntimeerde is derhalve slechts tussengekomen als lasthebber van de verzekeraars en heeft zich niet in eigen naam noch voor eigen rekening verbonden tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst. De eis van appellante is dan ook in ieder geval op grond van de verzekeringsovereenkomst niet toewijsbaar zodat deze eis ongegrond moest worden verklaard. De afwezigheid van het beweerde subjectieve recht raakt immers de grond van de zaak en slaat niet op de toelaatbaarheidsvereisten van de ingediende eis. 3.
  18. Eerste geïntimeerde voert aan dat het hoger beroep van appellante in zoverre dit tegen haar werd ingesteld tergend en roekeloos is. Zij laat gelden dat de beslissing van de eerste rechter juist en redelijkerwijze niet voor betwisting vatbaar is en dat appellante tegen deze beslissing geen enkele grief heeft geformuleerd. Zij vordert een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van euro 5
  19. Eerste geïntimeerde toont aan wat overigens door appellante niet is betwist, dat zij steeds voor de verzekeraars is tussengekomen, dat de verzekerde alleen met haar contact had en dat de polis op haar briefhoofd werd opgemaakt. Ook al leidt dit alles niet tot de gehoudenheid van eerste geïntimeerde en vergist appellante zich desbetreffende in rechte, toch brengen deze omstandigheden mee dat niet is aangetoond dat het hoger beroep van appellante een tergend en een roekeloos karakter heeft. De tegeneis van eerste geïntimeerde is ongegrond. De derdenbeslissing van de deskundigen. 3.
  20. De verzekeraars, zijnde tweede, derde en vierde geïntimeerde, hebben te dezen niet betwist dat het schadegeval, te weten de diefstal van goederen op 19 september 1998 in de lokalen van appellante, in de regel onder de dekking van de polis valt en er niet van uitgesloten is. Het blijkt dat zij de verzekeringswaarborg hebben uitgekeerd aan die derden-schadelijders die door appellante zelf waren aangewezen als eigenaars/consignatiegevers van gestolen goederen (lijst van 12 consignatiegevers - stuk 1 dossier geïntimeerde) en die de desbetreffende consignatiebriefjes of commissiebriefjes hebben voorgelegd. De verzekeraars keerden aldus een som uit van euro 266 761,59 (10.761.136,- : 40,3399). Volgens appellante werden echter nog meer goederen gestolen waarvan zij zelf vergoeding onder de polis vordert. Het betreft de zogenaamde "eigen goederen". Dit begrip werd aanvankelijk door appellante omschreven als het verlies door diefstal van eigen niet in consignatie gehouden goederen (brief van de raadsman van appellante van 31 januari 1999 aan eerste geïntimeerde - stuk 4 dossier appellante; brief van de raadsman van appellante aan haar eigen expert Brauner van 9 en van 16 februari 1999 - stuk 7 en 9 dossier appellante). Nadien werd omtrent de desbetreffende "eigen goederen" verklaard dat het ontvreemde goederen waren die op het ogenblik van de diefstal wel in consignatie waren, doch waarvan de eigenaars-consignatiegevers rechtstreeks van appellante zelf vergoeding wensten en daarvoor facturen uitreikte enige tijd na de diefstal. Op deze facturen werden, volgens appellante overeenkomstig de gebruiken in de sector, meerdere verkopen, waaronder deze van de gestolen goederen in kwestie, gegroepeerd (conclusie appellante in kort geding - stuk 25.2 dossier appellant). De verzekeraars hebben betwist dat appellante op afdoende wijze aantoonde dat de "eigen goederen" voorwerp waren van de diefstal. Zij hielden voor dat deze goederen als "eigen goederen" behoorden tot de voorraad van appellante waarvan het bewijs niet kon geleverd worden door de door appellante zelf voorgelegde commissiebriefjes. Partijen hebben daarop wegens hun betwisting over de omvang van de schade uitvoering gegeven aan art. 3 van Hoofdstuk 6 van de Algemene Polisvoorwaarden NL 9406 door ieder een deskundige aan te stellen met het oog op een overeenkomst. De aangestelde experten Brauner aan de zijde van appellante en Sand aan de zijde van de verzekeraars zijn niet tot overeenstemming gekomen. Partijen slaagden er niet in, conform voormeld art. 3, in der minne een derde deskundige aan te stellen. Op vordering van appellante werd bij beschikking van 13 augustus 1999 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen bedrijfsrevisor Paul De Weerdt als derde deskundige aangesteld. Expert De Weerdt is tot het sub 1.
  21. voormelde besluit gekomen. Volgens geïntimeerden is dit besluit als bindend voor partijen. Zij aanvaarden het en hebben er uitvoering aan gegeven. Appellante verwerpt het verslag en het besluit van expert De Weerdt. 3.
  22. In het beroepen vonnis werd geoordeeld conform het besluit van deskundige De Weerdt om reden dat: "... partijen geacht moeten worden gebonden te zijn door het advies van deze deskundige die in de polis als ‘doorslaggevend, ... soeverein en onherroepelijk' wordt aangemerkt". Partijen hebben de regelmatigheid en toepasbaarheid van dit beding van de polis (art. 3, Hoofdstuk 6 van de Algemene Polisvoorwaarden) niet betwist. Appellante, die de conclusie van expert De Weerdt verwerpt, voert aan dat partijen en de rechter slechts gebonden zijn door de materiële boekhoudkundige vaststellingen van de deskundige De Weerdt, dat het verslag steunt op een onvolledig onderzoek en dat de conclusie van de deskundige er niet aan in de weg staat dat zij nog steeds vermag haar verlies te bewijzen door middel van de commissiebriefjes. 3.
  23. Het art. 3 van Hoofdstuk 6 van de Algemene Polisvoorwaarden NL 9406 bevat de overeenkomst van verzekerde en verzekeraars m.b.t. een "soevereine en onherroepelijke" derdenbeslissing over de omvang van de schade aan de verzekerde goederen, de waarde van deze goederen en de waardevermindering door slijtage. Het betreft m.a.w. een bindende derdenbeslissing. Partijen betwisten niet dat deskundige De Weerdt in uitvoering van dit beding werd aangesteld en zijn opdracht in dit kader heeft uitgevoerd. Zij hebben de regelmatigheid van de uitvoering van de deskundigenopdracht naar de vorm niet aangevochten. Zij hebben geen nietigheid van het deskundigenverslag ingeroepen wegens eventuele schending van hun rechten van verdediging. Door de rechtsgeldige overeenkomst van partijen tot een bindende derdenbeslissing zijn partijen akkoord gegaan hun beslissingsmacht over de aan de derdenbeslissing onderworpen feiten bij uitvoering van hun overeenkomst aan die derden over te dragen. De bindende derdenbeslissing gaat deel uitmaken van de overeenkomst van partijen zodat daarop art. 1134 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Rekening houdend met de aldus gedelegeerde wil van partijen blijft de rechter slechts de marginale toetsing over, inzonderheid bij een onvolledige beslissing, materiële vergissingen en kennelijke onredelijkheid of onbillijkheid. 3.
  24. Het voorlopig verslag van deskundige De Weerdt van 21 februari 2000 (stuk 33.
  25. dossier appellante) gaat ervan uit dat partijen in hun verzekeringsovereenkomst overeenkwamen dat de verzekerde zich verbond tot het bijhouden van gedetailleerde gegevens over alle aan-, verkopen en andere transacties en in het licht daarvan de verzekeraar bij een schadegeval dan ook de voorlegging van die boekhouding vermocht te vragen. Hiervan werd door de deskundige uitgegaan na onderzoek van de "Bijzondere Voorwaarden" van de polis. Uit de citaten uit deze voorwaarden blijkt evenwel dat de deskundige zich steunde op de Engelstalige voorwaarden die deel uitmaakten van de nieuwere polis nr 3026717 die slechts na het schadegeval door partijen werd gesloten. Terecht heeft de eerste rechter hierover beslist dat deze polis te dezen niet toepasbaar is en dat de terzake dienende contractuele relaties van partijen werden vastgesteld in de oudere polis nr.
  26. Voortgaand op de vermeende noodzaak van louter boekhoudkundig bewijs heeft deskundige De Weerdt zijn onderzoek verder gezet. Hij bakende zijn onderzoek vervolgens af als volgt: "
  27. Nazicht van de boekhouding van het jaar van de overval om na te gaan op welke wijze de eigendomsrechten over de geclaimde gestolen voorraad in de boekhouding waren gereflecteerd in de periode vóór en na de overval;
  28. Analytisch nazicht van het vorige boekjaar om na te gaan of de toegepaste registratiewijze van dergelijke voorraad consistent werd toegepast en de reeds vastgestelde abnormale bewegingen kunnen verklaard worden." Op grond van dit onderzoek is deskundige De Weerdt tot de conclusie gekomen dat: "- de boekhouding de eigendomsrechten van de geclaimde gestolen voorraad niet reflecteert in de periode voor en na de overval, - het analytisch nazicht van de toegepaste registratiewijze van dergelijke voorraad niet kon aantonen, - de aan-, en verkopen van de vennootschap op basis van de voorgelegde stukken geen consistentie vertoonde en geenszins de geclaimde voorraad aantoonde" . Tegelijk nam deskundige De Weerdt evenwel aan dat een na de overval ontvangen factuur (Uhr Diamond van 6 oktober 1998) wel in de inventaris werd teruggevonden en voor vergoeding in aanmerking kwam. Bovendien verwees deskundige De Weerdt naar de "gebruiken in de sector door de verzekeraar goed gekend" om tot het regelingsvoorstel te komen dat de verzekeraar een bijkomende vergoeding van euro 24 789,35 (1.000.000,- 40,3399) zou betalen daar waar hoogstens euro 16 086,73 (648.937,- : 40,3399) door de boekhouding werd verantwoord. 3.
  29. Aldus blijkt het onderzoek van de deskundige op grond waarvan deze als doorslaggevende derde deskundige zijn bindend advies heeft verleend, te steunen op een beperking van de bewijsmiddelen waarvan niet is aangetoond dat partijen deze overeenkwamen. Dergelijke beperking van bewijsmiddelen blijkt niet uit de toepasbare polis. Door de betaling door de verzekeraars aan derden-schadelijders van de bij aanvang als consignatiegoederen omschreven, gestolen waren, louter op basis van de overlegging van commissiebriefjes, wordt door de uitvoering van de overeenkomst door geïntimeerden zelf aangetoond dat een ruimere bewijsvoering dan door de boekhouding alleen conventioneel niet werd uitgesloten. De deskundige die zoals te dezen in uitvoering van het contract van partijen is aangesteld om een expertise met bindend advies uit te brengen, moet bij de uitvoering van zijn opdracht, die tot de uitvoering van de overeenkomst zelf behoort, de bewijsregels in acht nemen die tussen de contractpartijen gelden. De beperking tot het louter boekhoudkundig bewijs werd te dezen niet bedongen. 3.
  30. Nu blijkt dat de derde deskundige, aangesteld in uitvoering van Hoofdstuk 6, art. 3 van de Algemene Polisvoorwaarden van de verzekeringsovereenkomst van partijen, zijn opdracht niet volledig heeft uitgevoerd, behoort het partijen, vooraleer het Hof verder oordeelt, standpunt in te nemen ten aanzien van de eventuele voortzetting van de expertise door het college van deskundigen, dan wel van een eventuele andere uitvoering van voormeld contractueel beding. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar. Verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond in zoverre dit is gericht tegen eerste geïntimeerde. Bevestigt het beroepen vonnis met dien verstande dat de oorspronkelijke eis van appellante tegen eerste geïntimeerde ongegrond i.p.v. onontvankelijk wordt verklaard. Verklaart de tegeneis van eerste geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond. Vooraleer verder recht te doen over het hoger beroep van appellante. Beveelt de heropening van de debatten ter terechtzitting van 23 januari 2007 om 11.00 uur teneinde er partijen te horen in hun middelen en verweer m.b.t. de voormeld sub 3.9 gestelde kwestie. Houdt de beslissing over de proceskosten aan. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 18 oktober
  31. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer D. VAN OVERLOOP Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061018.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.