← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061114.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061114.10 Rolnummer: 2005AR2078 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-02 14:40 Fiche

  1. De 30-jarige termijn, vermeld in artikel 10 van de verjaringswet van 10 juni 1998 loopt vanaf het schadeverwekkend feit. Het schadeverwekkend feit bestaat van zodra alle constitutieve elementen van de buitencontractuele aansprakelijkheid verenigd zijn.
  2. (Materiële) schade uit onrechtmatige daad ontstaat van zodra een persoon een vermogenvermindering ondergaat t.o.v. de toestand waarin datzelfde vermogen zich zou bevinden zonder die onrechtmatige daad. In het kader van de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering moet die schade zich noodzakelijkerwijze voordoen aan de zijde van een ander persoon dan de aansprakelijke. Het plegen van een onrechtmatige daad en de daaruit voortkomende schade vallen niet noodzakelijk samen in de tijd. Er is, integendeel, steeds een chronologie in de gebeurtenissen. Het ontstaan van schade hangt niet af van de kennis die de schadelijder daarvan heeft of redelijkerwijze moet hebben. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid
  3. Verjaring - overgangsbepalingen verjaringswet ( Wet 10 juni 1998) - aanvang termijn - schadeverwekkend feit
  4. artikel 1382 B.W. - tijdstip van ontstaan van schade en van de rechtsvordering Nota: Voorziening in cassatie afgewezen (Cass. 19/06/2008, C.07.0091.N) Tekst van de beslissing Nummer: Rep. nr.: 2006/ Zitting van: 14 november 2006 Eindarrest Voorziening in Cassatie de dato 28 februari 2007 (C.07.0091.N) Voorziening in Cassatie verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie de dato 19 juni 2008 Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/2078 BANIMMO REAL ESTATE NV, met maatschappelijke zetel te 1932 ZAVENTEM, Hippokrateslaan 16, KBO-nummer 0471.745.642, appellante, vertegenwoordigd door Mr. FRANCOIS Alain EN Mr. MAERTENS Ann-Sofie, advocaten te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99 tegen het vonnis gewezen op 18 april 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout tegen SIEMENS NV, met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL 7, Marie Curiesquare 30, KBO-nummer 0404.284.716, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. SERVAIS Ciska en Mr. NEUTS Jurgen, advocaten te 2018 ANTWERPEN, Generaal Lemanstraat 55 ***
  5. Wat voorafgaat. 1.
  6. De n.v. Banimmo Real Estate zegt de eigenares te zijn van een onroerend goed te Antwerpen, district Berchem, gekend onder de naam Albert Building, op de hoek van de Coveliersstraat en de Belpairestraat, kadastraal perceel sectie B nr. 248x
  7. Zij verkreeg dit goed op 23 juni 2000 door inbreng van algemeenheid door de n.v. Banimmo in de commanditaire vennootschap Banimmo Real Estate, later omgevormd tot de n.v. Banimmo Real Estate. Omwille van de vroeger op dit terrein uitgevoerde industriële activiteiten ontstond bij deze eigendomsoverdracht met toepassing van art. 37 Bodemsaneringsdecreet de verplichting tot een voorafgaand oriënterend bodemonderzoek. Banimmo Real Estate houdt voor dat tijdens dit oriënterend bodemonderzoek een historische bodemverontreiniging aan het licht is gekomen. Het rapport van AIB-Vinçotte, die als bodemsaneringsdeskundige het onderzoek uitvoerde, maakt melding van de verontreiniging van het grondwater door zware metalen en trichlooretheen. Daaraan werd o.m. toegevoegd: "...de vervuiling van het grondwater is afkomstig van de vroegere activiteiten van ATEA op het terrein. Bijgevolg is de vervuiling historisch. De vervuiling komt slechts zeer plaatselijk voor. De vervuiling met trichlooretheen dient afgeperkt te worden. Er dient een beschrijvend bodemonderzoek te worden uitgevoerd." 1.
  8. Het blijkt dat het terrein in kwestie en het aangrenzend perceel sectie B 248S2 destijds eigendom was geworden van de vennootschap, ter plaatse het laatst gekend onder de naam GTE ATEA, die daar tot in het begin van de jaren 1970 een industriële activiteit uitbaatte. In die periode

(1972)verplaatste GTE Atea haar activiteit en haar zetel naar Herentals. Zij werd later de n.v. Siemens. GTE ATEA verkocht het terrein te Berchem op 16 april 1973 aan de n.v. Covelier Building, waarna meerdere eigendomsoverdrachten plaatsvonden aan de n.v. Salenco Beheer
(1981), vervolgens aan de n.v. Unisystems
(1985), aan de n.v. OTIMA
(1988)en aan de n.v. Banimmo
(1996)om uiteindelijk in 2000 door voormelde inbreng eigendom te worden van de n.v. Banimmo Real Estate. Volgens het oriënterend bodemonderzoek ging de bodemverontreiniging dus terug tot de industriële activiteit van GTE ATEA of van haar rechtsvoorgangers. 1.3. Op 19 januari 2000 verbond de n.v. Banimmo zich tegenover OVAM tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en het opstellen van een bodemsaneringsproject. (over de opportuniteit van deze houding is er tussen partijen betwisting - gemotiveerd stilzitten, tegenover het statuut van onschuldig bezitter - art. 38 Bodemsaneringsdecreet) 1.4. Aanvankelijk werd dit beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd door AIB-Vinçotte. De opdracht werd later verder gezet door Deloitte & Touch. In het verslag van 8 maart 2001 met betrekking tot het luik historisch onderzoek schreef deze bodemsaneringsdeskundige: "Uit een historisch onderzoek is gebleken dat in 1962 aan ATEA een vergunning werd verleend voor o.a. het gebruik van trichlooretheen voor ontvettingsdoeleinden. Twee ontvettingsinrichtingen bevonden zich in een zone die thans deel uitmaakt van het perceel 248x2 (saneringsplichtige: Banimmo). Nabij die zone was er - in een kelder - een opslagplaats voor verven en verdunningsmiddelen. Op de plannen is er sprake van een opslag van vaten. Het is niet uitgesloten dat opslag van gechloreerde solventen in die kelder gebeurde. De hoogste gehalten aan perchlooretheen en trichlooretheen in het grondwater zijn aangetroffen respectievelijk in en stroomafwaarts van die zone. Er werd geen vergunning gevonden voor het gebruik van perchlooretheen. Een ontvettingsinrichting bevond zich in een gebouw dat thans behoort tot perceel 248s2 (eigenaar Provincie) Nabij die locatie worden vandaag zeer hoge gehalten aan trichlooretheen zowel in de grond als in het grondwater aangetroffen. Redelijkerwijze besluiten wij dan ook dat minstens een gedeelte van de bodemverontreiniging ontstaan is in een zone die thans deel uitmaakt van het perceel 248s2". Saneringsplichtige Banimmo Real Estate leidde hieruit af dat de verontreiniging werd veroorzaakt door GTE ATEA, rechtsvoorganger van de n.v. Siemens, die evenwel aansprakelijkheid afwees. 1.5. OVAM heeft het beschrijvend bodemonderzoek op 29 maart 2002 conform verklaard waarna Banimmo Real Estate opdracht gegeven heeft aan Deloitte & Touch over te gaan tot de voorbereiding van het bodemsaneringsproject. Banimmo Real Estate diende een definitief bodemsaneringsproject in bij OVAM die het project conform verklaarde bij besluit van 11 december 2002 mits evenwel een regeling met bijkomende voorwaarden uit te werken die, volgens Banimmo Real Estate, er op neerkwam dat zij voor de gehele sanering moest instaan. 1.6. Banimmo Real Estate diende op 9 januari 2003 tegen deze conformverklaring van OVAM een administratief beroep in bij de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Landbouw. Dit administratief beroep werd bij besluit van 10 maart 2003 ongegrond verklaard. Op 5 mei 2003 werd een beroep tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State. Hierover werd nog geen arrest gewezen. 1.7. Op 24 juli 2003 heeft de n.v. Banimmo Real Estate dan een dagvaarding uitgebracht om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout tegen de n.v. Siemens Atea en OVAM. Zij vorderde: - te zeggen voor recht dat Siemens Atea aansprakelijk is voor de bodemverontreiniging van het perceel te Antwerpen, district Berchem, Belpairestraat 20, sectie B nr 248x2, - Siemens Atea te veroordelen tot de betaling van de reeds gemaakte kosten van bodemsanering van euro 434 008,04, en tot betaling van de nog te maken kosten van bodemsanering geraamd op euro 3 300 000, - Siemens Atea bovendien te veroordelen tot vergoeding van de schade wegens de blokkering van het gebouw, geraamd op euro 265 000 per jaar vanaf 1 januari 2000, - de op te leggen sommen te verhogen met de vergoedende interesten, - het tussen te komen vonnis gemeen te verklaren aan OVAM, - Siemens Atea en OVAM te verwijzen in de proceskosten, - het te wijzen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement. Banimmo Real Estate liet haar eisen steunen op de aansprakelijkheid die zijn grondslag vindt in een inbreuk op de exploitatievergunning en in quasi-delictuele fout (art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek). De n.v. Siemens heeft de exceptie van de verjaring tegengeworpen. Ondergeschikt verzocht zij de eis van Banimmo Real Estate ongegrond te verklaren. Zij heeft laten gelden dat te dezen geen aansprakelijkheid voor historische bodemverontreiniging kan worden gesteund op het Bodemsaneringsdecreet en derhalve slechts haar quasi-delictuele aansprakelijkheid in aanmerking te nemen is, in welk geval zij meent te moeten vaststellen dat geen afdoend bewijs geleverd werd van haar beweerde fouten. 1.8. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 18 april 2005 heeft de vordering van Banimmo Real Estate tegen Siemens onontvankelijk verklaard wegens verjaring. De eis tot gemeenverklaring tegen OVAM werd eveneens onontvankelijk verklaard bij gebreke van het vereiste belang. Banimmo Real Estate werd verwezen in de proceskosten. De eerste rechter oordeelde de verjaringswet van 10 juni 1998 te moeten toepassen, inzonderheid de regels inzake verjaring van de persoonlijke vorderingen tot vergoeding van schade voortkomend uit de buitencontractuele aansprakelijkheid en de overgangsbepaling van art. 10 van deze wet. Er werd geoordeeld dat de rechtsvordering in kwestie ontstond vóór de inwerkingtreding van de wet. De verjaringstermijn begon, volgens de eerste rechter, reeds te lopen vanaf 1 januari 1973, dag waarop de beweerdelijk verontreinigende ontvettingsinstallatie en galvanisatie-installatie was verhuisd, zodat de verjaring alleszins bereikt was op 1 januari 2003. De dagvaarding werd uitgebracht op 24 juli 2003, wat, aldus de eerste rechter, laattijdig was. 1.9. De n.v. Banimmo Real Estate, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 22 juli 2005. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 26 september 2006. 2. De eisen in hoger beroep. 2.1. Appellante vordert dat haar oorspronkelijke eis bij hervorming van het beroepen vonnis integraal zou worden toegekend . Zij verzoekt de n.v. Siemens op grond van art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk te stellen voor de grondwater- en bodemverontreiniging op het perceel te Antwerpen, district Berchem, Belpairestraat 20, sectie B nr. 248x2, en de n.v. Siemens te veroordelen tot de betaling aan haar van: - de som van euro 887 932,22 voor reeds gemaakte kosten van bodemsanering, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, - de som van euro 125 000 als provisie voor de kosten van sanering van de kern van de verontreiniging onder perceel 248x2, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, - de som van euro 1 242 000 als provisie op de kosten van sanering van de bodemverontreinigingspluim onder perceel 248x2, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, - de som van euro 25 000 als provisie op haar advocatenkosten, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, - (bij wijze van eisuitbreiding) tot het verstrekken van een bankgarantie in haar voordeel ten belope van 77% van de totale kostprijs van de door Ovam aangehouden saneringstechniek, hetzij euro 956 340, onder de verbeurte van een dwangsom van euro 2 500 per dag vertraging vanaf de betekening van het te vellen arrest, - met voorbehoud van alle toekomstige schade, - vermeerderd met de vergoedende interesten en de gerechtelijke interesten, - de n.v. Siemens te veroordelen tot vrijwaring van haar tegen elke schade die voor haar uit het gehele bodemsaneringsproject zou voortvloeien. Ondergeschikt vordert appellante dat het Hof een deskundigenonderzoek zou bevelen vooraleer over de grond van de zaak te oordelen. Zij verzoekt de aan te stellen deskundige volgende opdracht te geven: "Kennis te nemen van de door de erkende bodemsaneringsdeskundige opgestelde rapporten, zoals daar zijn (
  1. i)het verslag van oriënterend bodemonderzoek d.d. 18 november 2001, (
  2. ii)het verslag van historisch onderzoek risicoactiviteiten d.d. 8 maart 2001, (iii) het eindverslag inzake beschrijvend bodemonderzoek d.d. 9 januari 2002 en (
  3. iv)het bodemsaneringsproject d.d. 10 september 2002. Kennis te nemen van de conformverklaring van OVAM, van het beschrijvend bodemonderzoek d.d. 29 maart 2002 enerzijds en de conformverklaring van het bodemsaneringsproject d.d. 9 december 2002 anderzijds, In het algemeen, naast de in lid 1 en 2 bedoelde rapporten, kennis te nemen van alle stukken en van alle bescheiden die volgens partijen in het kader van zijn opdracht dienstig zijn, Beide partijen te horen en hun verzoening in de mate van het mogelijke te bevorderen, Zich ter plaatse te begeven te Berchem, Belpairestraat 20 (Albert-building) na partijen hiertoe behoorlijk te hebben opgeroepen om hierbij aanwezig te zijn, De samenstelling van de bodem onder percelen 248x2 en 248s2 uitvoerig te analyseren en te beschrijven, Aan te duiden welke de locatie is van de reeds door de erkende bodemsaneringsdeskundige aangetroffen verontreinigingskernen, Na te gaan welke de samenstelling is van deze verontreinigingskernen, alsmede te beschrijven in welke mate deze kernen aanleiding geven tot de reeds door de erkende bodemsaneringsdeskundige in kaart gebrachte verontreinigingspluim, Na te gaan in welke mate de vastgestelde verontreiniging in haar totaliteit (i.e. bestaande uit zowel de verontreinigingskernen als de verontreinigingspluim) is gerelateerd aan, en veroorzaakt door de door geïntimeerde ontwikkelde industriële activiteiten, In het bijzonder doch niet uitsluitend, na te gaan (
  4. i)in welke mate de door geïntimeerde geëxploiteerde ontvettingsinstallaties, en haar industriële activiteiten in het algemeen, aan de oorzaak hebben gelegen van de aanwezigheid van de stoffen TER en PRI, alsmede van alle andere verontreinigende stoffen onder perceel 248x2 enerzijds en onder perceel 248s2 anderzijds, Na te gaan in welke mate de onder percelen 248x2 en 248s2 aangetroffen verontreinigende stoffen zijn terug te vinden in de reeds door de erkende bodemsaneringsdeskundige in kaart gebrachte verontreinigingspluim, alsmede na te gaan in welke mate de aanwezigheid van deze stoffen in de pluim is te wijten aan de door geïntimeerde ontwikkelde industriële activiteiten, De exploitatievergunning van geïntimeerde d.d. 8 mei 1962 uitvoerig te analyseren en in het bijzonder doch niet uitsluitend alle elementen aan te reiken die het Hof moeten toelaten om met kennis van zaken uitspraak te doen over het al dan niet vergunde gebruik van de schadelijke stof PER, Na te gaan in welke mate de omgang door geïntimeerde met chloorhoudende stoffen, verven en/of alle andere verontreinigende stoffen in het algemeen overeenkomstig de voorwaarden van de exploitatievergunning d.d. 8 mei 1962 het ontstaan van de in kaart gebrachte verontreiniging had moeten voorkomen, Na te gaan en uitvoerig te beschrijven wanneer geïntimeerde ten allerlaatste al haar activiteiten op de percelen 248x2 en 248s2 heeft verhuisd naar de exploitatiesite te Herentals, De door appellante reeds gedragen en nog verder te dragen kosten van de volledige bodemsanering te ramen en uitvoerig te beschrijven, De door appellante geleden schade te ramen en te beschrijven, Binnen de grenzen van art. 962 Ger.W. technisch advies te verstrekken over de aansprakelijkheid van geïntimeerde voor de door appellante reeds geleden en nog verder te lijden schade." Appellante verzoekt geïntimeerde alleszins te verwijzen in de proceskosten. 2.2. De n.v. Siemens, hierna geïntimeerde genoemd, verzoekt het hoger beroep van appellante onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. Zij verzoekt de vordering van appellante volledig af te wijzen, minstens rekening te houden met haar opmerkingen m.b.t. de schadebegroting. Zij vraagt appellante te verwijzen in de proceskosten. 3. De beoordeling. De toepasbare verjaringswet. 3.1. Geïntimeerde heeft de exceptie van de verjaring van de rechtsvordering van appellante ingeroepen. In eerste aanleg werd de rechtsvordering van appellante verjaard verklaard na eerst te hebben vastgesteld dat te dezen toepassing moet worden gemaakt van art. 10 van de overgangsbepalingen van de verjaringswet van 10 juni 1998. Deze vaststelling wordt door appellante aangevochten. Zij houdt voor dat haar rechtsvordering is ontstaan na de inwerkingtreding op 27 juli 1998 van de verjaringswet van 10 juni 1998, in welk geval niet art. 10 van de overgangsbepalingen van de wet toepasselijk zou zijn maar wel art. 2262bis, §1 van het Burgerlijk Wetboek. Geïntimeerde is daarentegen van mening dat de eerste rechter terecht toepassing maakte van de overgangsbepaling van art. 10 van de verjaringswet van 10 juni 1998 na vastgesteld te hebben dat de rechtsvordering van appellante ontstond vóór de inwerkingtreding van deze wet. 3.2. De verjaringswet van 10 juni 1998 heeft de toepassing van de overgangsbepaling, omschreven in haar art. 10, verbonden met het tijdstip waarop de rechtsvordering ontstond, hetzij na dan wel vóór de inwerkingtreding van de wet. De rechtsvordering van appellante strekt tot de schadeloosstelling wegens historische bodemverontreiniging, het betreft een aanspraak op schadeloosstelling wegens onrechtmatige daad. De aanspraak op schadeloosstelling ontstaat met de schade uit onrechtmatige daad. Aldus rijst de vraag wanneer de schade te dezen ontstond. Schade uit onrechtmatige daad ontstaat van zodra een persoon een vermogensvermindering ondergaat t.o.v. de toestand waarin datzelfde vermogen zich zou bevinden zonder de onrechtmatige daad. Vermits de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering de aanspraak omvat van de schadelijder t.o.v. van de aansprakelijke, moet noodzakelijkerwijze de vermogensvermindering zich voordoen aan de zijde van een ander persoon dan de aansprakelijke zelf. Ten tijde van de beweerde bodemverontreiniging was geïntimeerde eigenaar van de verontreinigde grond. Het is niet beweerd, laat staan aangetoond dat geïntimeerde hierdoor schade zou hebben aangericht aan een ander erf dan aan haar eigen erf. Bij gebrek aan een derde-schadelijder op dat tijdstip is er ten tijde van de schadeverwekkende feiten geen rechtsvordering tot schadeloosstelling op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaan. Daarenboven moet worden opgemerkt dat het plegen van de onrechtmatige daad, zijnde het schadeverwekkend feit, en het ontstaan van de schade niet noodzakelijk in de tijd samenvallen. Vermits de schade het gevolg is van de fout zou zelfs kunnen aangenomen worden dat er steeds een chronologie in de gebeurtenissen is vast te stellen door de opeenvolging van fout en schade. Soms veruitwendigt de schade zich pas geruime tijd na het schadeverwekkend feit. Zelfs indien te dezen zou worden aangenomen, wat nog te bewijzen is, dat de bodemverontreiniging die in het voormelde erf van appellante werd aangetroffen, veroorzaakt werd door de fout van geïntimeerde begaan bij zijn industriële activiteit ter plaatse, meer in het bijzonder door het lozen in de bodem van verontreinigende stoffen (perchlooretheen en trichlooretheen) afkomstig van ontvettingsinstallaties en/of opslag van deze stoffen in vaten, laten de feiten dat geïntimeerde de beweerde vervuilende activiteit zou hebben stopgezet op het einde van 1972 en dat zij zelfs geen eigenaar en ook geen gebruiker meer was van de gronden in kwestie vanaf 16 april 1973, derhalve niet zonder meer toe te besluiten dat de rechtsvordering van appellante niet later kan ontstaan zijn dan vóór 16 april 1973. De aanspraak op schadeloosstelling die ontstaat uit de schade veroorzaakt door de fout van een ander beoogt de verwezenlijking van een persoonlijk recht. Het betreft een persoonlijke schuldvordering die behoudens wettelijke of conventionele indeplaatsstelling of overdracht van schuldvordering, niet overgedragen wordt door de loutere eigendomsoverdracht van het beschadigde goed. Appellante zal dan ook in het kader van het debat over de grond van de zaak moeten aantonen in het bezit te zijn van de beweerde aanspraak of schuldvordering. Vooralsnog abstractie makend van dit aspect van het bodemgeschil, kan de rechtsvordering van appellante niet ontstaan zijn vóór het tijdstip waarop de schade zich in haar vermogen heeft gemanifesteerd. Volgens appellante is dit tijdstip te situeren op 29 maart 2002, zijnde de dag waarop het beschrijvend bodemonderzoek door OVAM conform werd verklaard en de saneringsplicht met de daaraan verbonden kosten vaststond. Volgens appellante bestond er voordien geen vermogensverlies en vormde de bodemverontreiniging op zich geen schade. Zoals voormeld ontstaat de aanspraak op schadeloosstelling met de schade uit onrechtmatige daad. Schade onderscheidt zich evenwel van schadeloosstelling, die een wijze van herstel van schade is. De schadeloosstelling kan, nadat de schade is veruitwendigd, naar omvang beïnvloed worden door diverse externe factoren, zoals te dezen door een wettelijke saneringsplicht. Deze laatste doet echter niet af aan het vooraf bestaan van schade door bodemverontreiniging en het daaruit, eventueel voortkomende recht op schadeloosstelling. De verontreiniging van de bodem, zoals te dezen, brengt ontegensprekelijk schade toe aan de bodem, vermogensbestanddeel van zijn eigenaar, zodat een vermogensvermindering ontstaat en wegens de onrechtmatigheid van haar oorzaak ook het recht op herstel. Het ontstaan van de schade is niet afhankelijk van de kennis die de schadelijder daarvan heeft of redelijkerwijze moest hebben. Appellante is de rechtsopvolgster van de n.v. Banimmo door inbreng van de algemeenheid van het vermogen van deze laatste op 23 juni 2000. Aldus heeft zij in het ingebrachte vermogen de beweerde rechtsvordering tot schadeloosstelling aangetroffen die de n.v. Banimmo eventueel in haar bezit had, van zodra zij het gekochte goed, beschadigd door een gebrek dat volgens haar alsdan nog verborgen was, had verworven. Deze aankoop geschiedde op 11 september 1996. Aldus blijkt dat de rechtsvordering die appellante uitoefent, ontstond vóór de inwerkingtreding op 27 juli 1998 van de verjaringswet van 10 juni 1998. De overgangsbepalingen van de verjaringswet van 10 juni 1998 zijn dan ook te dezen van toepassing. De toepassing van art. 10 van de wet van 10 juni 1998. 3.3. Naar luid van art. 10 van de wet van 10 juni 1998 beginnen de nieuwe verjaringstermijnen, in de gevallen waarin de rechtsvordering ontstond vóór de inwerkingtreding van de wet, slechts te lopen vanaf deze inwerkingtreding, met dien verstande dat de totale duur van de verjaringstermijn niet meer dan 30 jaar mag bedragen. Volgens de eerste rechter moet als vertrekpunt van de oude 30-jarige termijn (oud art. 2262 van het Burgerlijk Wetboek) het tijdstip worden aangenomen waarop de fout, de schade en het causaal verband aanwezig waren, waaruit werd besloten dat het ontstaan van de schade als het aanvangspunt van de verjaring in acht te nemen is. De eerste rechter heeft dit tijdstip gesitueerd ten laatste op 1 januari 1973, zodat werd aangenomen dat de verjaring werd bereikt op 1 januari 2003. Appellante verwerpt deze beoordeling. Zij houdt voor dat de verjaringstermijn onder het oude gemeenrechtelijke regime pas begon te lopen vanaf het ogenblik waarop de rechtsvordering opeisbaar was, te weten, wat een aanspraak tot schadeloosstelling wegens onrechtmatige daad betreft, vanaf het ogenblik waarop fout, schade en oorzakelijk verband verenigd waren. Zij voert aan dat dit te dezen niet het geval was op de dag van het schadeverwekkend feit (de bodemverontreiniging) maar wel op het ogenblik waarop haar schade is ontstaan, volgens haar op 29 maart 2002 (conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek), en alleszins ten vroegste op 18 november 1999 (oriënterend bodemonderzoek). Geïntimeerde houdt staande dat het schadeverwekkend feit, de schade en het oorzakelijk verband zich ten laatste in oktober 1972 hebben verenigd. 3.4. Volgens art.10, in fine van de verjaringswet van 10 juni 1998 mag de totale duur van de verjaringstermijn in het overgangsregime niet meer bedragen dan 30 jaar. De wet heeft de aanvang van deze dertigjarige termijn evenwel niet in de wettekst gepreciseerd. Uit de parlementaire voorbereidende werken blijkt evenwel dat de wetgever de termijn van de oude wet beoogde die dan werd begrepen als een termijn van 30 jaar vanaf de dag van het schadeverwekkend feit. ( Parl.St.Kamer,1996-1997, nr. 1087/1,17) Appellante houdt niet voor dat de bodemverontreiniging die haar thans tot sanering noopt, ontstaan is nadat geïntimeerde het terrein in kwestie definitief verlaten had. Volgens dat standpunt beging geïntimeerde voordien een onrechtmatige daad door lozing van giftige stoffen in de bodem waardoor deze bodem werd verontreinigd, wat geldt als schade. Zelfs indien wordt aangenomen dat het schadeverwekkend feit slechts bestaat van zodra de constitutieve elementen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid verenigd zijn, en indien men zou aannemen dat de contractuele band tussen geïntimeerde als verkoper en haar koper (n.v. Coveliers Building) en de daaropvolgende kopers de uitoefening van de buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering niet in de weg zou staan, dan nog blijkt dat het schadeverwekkend feit alleszins bestond vanaf 16 april 1973, zijnde de dag waarop de n.v. Coveliers Building eigenaar werd van het reeds beschadigde goed. Geïntimeerde toont afdoende aan dat haar productie, inclusief de installaties en voorraad, die door appellante worden aangewezen als bronnen van de vervuiling, naar de nieuwe vestiging te Herentals werd overgebracht op het einde van 1972, ten laatste in maart-april 1973. Daartoe volstaat het tijdschema van de verhuizing (stuk 16 van haar dossier) aangevuld met geschreven verklaringen van oud-werknemers (stukken 14 en 15 dossier geïntimeerde) en met de "Derde informatiemap -ATEA - vestiging Herentals" met de daarin vermelde verhuisplanning (stuk 3 dossier geïntimeerde). Dit bewijs wordt niet weerlegd door appellante die verwijst naar de onderhandse akte van verkoop van 7 maart 1973 en naar een verklaring van dame Potters. In die onderhandse akte heeft de koper aan geïntimeerde beloofd nog nader te bepalen, delen van het verkochte gebouw in huur te geven tot het einde van 1973. Daardoor wordt evenwel niet bewezen welke uitvoering hieraan werd gegeven noch dat een eventuele daaraan gegeven uitvoering strijdig zou zijn met het door geïntimeerde geleverde bewijs. De verklaring van dame Potters is betwist door geïntimeerde die aanvoert dat zij deze persoon niet terugvindt in haar personeelsadministratie zodat zij meent de waarachtigheid van deze verklaring te kunnen aanvechten. De verklaring draagt in ieder geval niet bij tot het tegenbewijs vermits de door haar aangehaalde werkzaamheden van productcontrole niet uitsluiten noch onwaarschijnlijk maken dat de vervuilende activiteit reeds vroeger werd beëindigd te Berchem en was overgebracht naar Herentals. Aldus toont geïntimeerde aan dat de termijn van dertig jaar vermeld in art. 10, in fine van de verjaringswet van 10 juni 1998 en lopend vanaf 16 april 1973 verstreken was toen appellante op 24 juli 2003 haar dagvaarding heeft uitgebracht. De toepassing van art. 12 van de verjaringswet van 10 juni 1998. 3.5. Appellante roept eveneens nog de toepassing in van art. 12 van de verjaringswet van 10 juni 1998. Zij houdt daarbij voor dat haar schade is verzwaard sedert de inwerkingtreding van die wet, meer in het bijzonder vanaf 11 december 2002 toen zij door de conformverklaring van het bodemsaneringsproject vernam dat zij alleen moet instaan voor de sanering van de verontreinigingskern en van de verontreinigingspluim. Het is evenwel niet omdat appellante heeft vastgesteld dat haar saneringsplicht, waarvan zij de omvang trouwens zelf nog steeds aanvecht voor de Raad van State, meer kosten zal meebrengen dan zij aanvankelijk zelf dacht op basis van het oriënterend bodemonderzoek, dat de schade die mogelijkerwijze door de onrechtmatige daad van geïntimeerde zou zijn veroorzaakte, is toegenomen. Het op punt stellen van de schaderaming impliceert nog geen verzwaring van de schade. De toepasbaarheid te dezen van art. 12, voormeld, is dan ook niet aangetoond. Ten andere ook bij toepassing daarvan geldt de dertigjarige verjaringstermijn die, zoals voormeld, was verstreken toen de dagvaarding werd uitgebracht. Toepassing van art. 6 EVRM en art. 13 Grondwet. 3.6. Appellante laat gelden dat de toepassing van de verjaringswet te dezen haar vrije toegang tot de rechter niet kan verhinderen zonder in strijd te zijn met de rechtsbescherming die wordt verleend door art. 6 EVRM en art. 13 Grondwet. Zij meent dat de verjaringswet dan zonder toepassing moet worden gelaten wegens de gelding van de hogere rechtsnorm. Indien het al zo zou zijn dat degene, die door opeenvolgende contractuele eigendomsoverdrachten eigenaar is van een gebrekkig goed, zoals te dezen een erf aangetast door bodemverontreiniging, en daardoor benadeelde geworden is wegens de niet-nakoming van de contractuele vrijwaringsplicht t.a.v. verborgen gebreken van het verkochte goed, naast de contractuele gronden tot herstel toch nog een recht op schadeloosstelling zou kunnen laten gelden op buitencontractuele grondslag, dan moet toch vastgesteld worden dat alle kopers in de keten tussen geïntimeerde en appellante hun vorderingsrecht hadden kunnen uitoefenen en de rechtsvoorganger van geïntimeerde (n.v. Banimmo) dit zelfs nog nuttig en tijdig had kunnen doen toen zij in 1996 eigenaar werd. De verjaringstermijn, zoals toegepast te dezen, is een beschermende termijn tegen laattijdige vordering tot waarborging van rechtszekerheid en tot voorkoming van onrecht dat kan ontstaan wanneer een procespartij meer dan dertig jaar na de relevante feiten tot verweer en bewijs zou worden gedreven. De toepassing van de verjaringstermijn in kwestie lijdt dan ook niet tot de aantasting van de rechtsnorm van de vrije toegang tot de rechter. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante n.v. Banimmo Real Estate toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis mits voormelde aangepaste redengeving. Verwijst appellante in de gedingkosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 485,87. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 14 november 2006. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061114.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.