← België

ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061128.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061128.16 Rolnummer: 2005AR3057 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-25 Raadplegingen: 148 - laatst gezien 2026-07-02 14:45 Fiche Artikel 41 WLVO heeft betrekking op bepalingen eigen aan de verzekeringen tot vergoeding van schade. De vergoedingsplicht die krachtens artikel 1382 BW rust op degene door wiens schuld aan een ander schade wordt veroorzaakt kan zich uitstrekken tot de kosten die de benadeelde partij dient te besteden met het oog op de vaststelling van de schade en de omvang ervan. De uitgave die de rechtsbijstandverzekeraar heeft gedaan is een uitgave die strekt tot vergoeding van schade, nu de kosten die te dezen dienden te worden besteed met het oog op de vaststelling van schade en de omvang ervan, deel uitmaken van de schade in hoofde van de benadeelde. Die kosten zijn niet slechts verhaalbaar in zover zij het noodzakelijk gevolg zijn van een normale uitvoering van een overeenkomst. Die kosten zijn ook verhaalbaar ingeval van aansprakelijkheid buiten overeenkomst. Krachtens artikel 41 WLVO is de verzekeraar gesubrogeerd in de rechten van de verzekerde voor het bedrag dat door de verzekeraar aan de verzekerde werd betaald. De uitgaven die de rechtsbijstandverzekeraar heeft gedaan dienen niet definitief voor haar rekening te blijven, nu artikel 41 WLVO wettelijke indeplaatsstelling in de rechten van de verzekerde tegen de aansprakelijke derden voorziet voor de verzekeraar, die schadevergoeding heeft betaald. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Landverzekeringscontract in het algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Rechtsbijstandverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Algemeen Vrije woorden: Verzekeringen - rechtsbijstandverzekering - subrogatierecht verzekeraar - art. 41 WLVO - noodzakelijke vaststellingskosten Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/3057

  1. R. J., landbouwer, wonende te
  2. AGF BELGIUM INSURANCE NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, H.R. Brussel nr. 574 appellanten, beiden vertegenwoordigd door Mr. M.R. DE SMET loco Mr. VAN DEN BERGH Bart, advocaat te 3650 DILSEN, Arnold Sauwenlaan 3 tegen het vonnis gewezen op 02 november 2005 door de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren tegen
  3. D. F. , administratief bediende, wonende te
  4. L. L. , huishoudhulp, wonende geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. Pierre FRANSSEN loco Mr. FRANSSEN Alfred, advocaat te 3700 TONGEREN, Albertwal 23 ***
  5. Wat voorafgaat. 1.
  6. R.J. en AGF Belgium Insurance NV lieten op 17 juni 2003 dagvaarding betekenen aan D.F. en zijn echtgenote L. L. om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Zij voeren in de inleidende dagvaarding aan dat : - verweerders bewoners zijn van een huis met tuin en aanhorigheden, grenzend aan de weide van eerste eiser, - verweerders op 14 oktober 2002 tuinafval, waaronder afval van het snoeien van de taxushaag, stapelden op de composthoop achteraan in hun tuin tot tegen de grenslijn met de weide van eerste eiser, - een deel van de tuinafval op een gegeven ogenblik in de weide van eerste eiser is terechtgekomen, - in deze weide koeien staan, - een aantal koeien van de tuinafval hebben gegeten, - een drachtige koe overleed, - vijf andere koeien ziek werden en veterinaire verzorging nodig hadden, - over de feiten een strafdossier werd opgesteld. Volgens eisers is de oorzaak van het schadegeval gelegen in het eten van taxussnoeisel van verweerders. De in de inleidende dagvaarding aan verweerders verweten fout is dat verweerders hadden moeten voorzien en beseffen dat het stapelen van taxusafval vlak bij de scheidingslijn met de weide reële risico's in het leven riep voor de dieren van de buurman. De verweten fout is tuinafval zo dicht bij de scheidingslijn te stapelen. Eerste eiser vraagt de veroordeling in betaling van schadevergoeding van euro 2.695,
  7. Tweede eiser, rechtsbijstandsverzekeraar, beweerdelijk gesubrogeerd in de rechten van eerste eiser, heeft de expertisekosten van de autopsie van de drachtige koe betaald ten belope van euro 272,25 en vordert de betaling van euro 272,25 ten titel van schadevergoeding. Verweerders betwisten een fout te hebben begaan. Verweerders betwisten de oorzaak van het schadegeval. Indien veroorzaakt door de taxus dan is, volgens verweerders, de enige werkelijke oorzaak de onvoldoende afsluiting van de weide door eerste eiser. 1.
  8. In het niet beroepen vonnis van 2 juni 2004 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren een plaatsbezoek en een verhoor van de verweerders en van eerste eiser ter plaatse bevolen. 1.
  9. De eerste rechter aanvaardt in het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 2 november 2005 dat de autopsie bewijst dat de dode koe vergiftigd werd door de toxiciteit van de opgegeten Taxus Baccata. De eerste rechter aanvaardt dat verweerders een onvoorzichtigheid hebben begaan door op de composthoop tegen een lamentabele afsluiting dergelijk giftig tuinafval te storten, wetende dat er koeien liepen in de aanpalende weide. De eerste rechter overweegt dat eerste eiser wegens risicoaanvaarding in hoofde van eerste eiser de helft van de schade zelf dient te dragen. Eerste eiser heeft zelf een onvoorzichtigheid begaan door zijn dieren te laten grazen in een weide met een lamentabele afsluiting. De eerste rechter evalueert de bewezen schadeposten op euro 1.625 ( euro 1.400 drachtige koe en euro 225 medische kosten zieke koeien). De eerste rechter veroordeelt verweerders in solidum tot betaling aan eerste eiser van een schadevergoeding van euro 812,50 , meer de vergoedende interesten sedert 14 oktober 2002 De eerste rechter wijst de eis van tweede eiseres af omdat er geen wettelijke subrogatie in hoofde van een bijstandsverzekeraar bestaat en omdat tweede eiseres ook geen conventioneel subrogatierecht in haar voordeel bewijst. De eerste rechter verwijst elk van de partijen tot de helft van de gedingkosten en slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen partijen om. 1.
  10. Met een verzoekschrift, neergelegd op 7 december 2005, hebben R.J. en NV AGF Belgium Insurance, hierna geheten eerste en tweede appellant, een naar vorm en termijn regelmatig en toelaatbaar hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 2 november
  11. Het hoger beroep is ingesteld lastens D.F.en L. L., hierna geheten geïntimeerden.
  12. De eisen in hoger beroep. 2.
  13. Eerste appellant vraagt om bij wijziging van het beroepen vonnis geïntimeerden solidair, minstens in solidum te veroordelen, om aan hem te betalen de som van euro 2.695, meer de vergoedende interesten vanaf 14 oktober 2002, meer de gerechtelijke interesten. Tweede appellant vraagt om bij wijziging van het beroepen vonnis geïntimeerden solidair, minstens in solidum te veroordelen om aan haar te betalen de som van euro 272,25, meer vergoedende interesten vanaf 14 oktober 2002, meer de gerechtelijke interesten. Beide appellanten vragen om geïntimeerden te verwijzen in de kosten van beide aanleggen. 2.
  14. Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep van appellanten. Geïntimeerden hebben een toelaatbaar incidenteel beroep ingesteld ertoe strekkende bij wijziging van het beroepen vonnis de eis van eerste appellant ongegrond te verklaren en appellanten te verwijzen in de kosten van beide aanleggen.
  15. Beoordeling van de grief van geïntimeerden, gesteund op het gezag van gewijsde van de overwegingen in het niet-beroepen vonnis van 2 juni 2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, dat een plaatsopneming beveelt. 3.
  16. Standpunt geïntimeerden. Geïntimeerden concluderen tot de wijziging van het beroepen vonnis in die zin dat de eis van eerste appellant bij wijziging van het beroepen vonnis ongegrond zou worden verklaard en dat het beroepen vonnis zal bevestigd worden wat betreft de eis van tweede appellante tegen hen gericht, zij het met een andere redengeving. Geïntimeerden voeren aan dat gezag van gewijsde kleeft aan hetgeen de rechter in de consideransen van het niet-beroepen vonnis van 2 juni 2004 heeft beslist omtrent de bewijswaarde van de door eisers overgelegde stukken. De eerste rechter heeft overwogen dat de overgelegde stukken eenzijdig en onduidelijk zijn en heeft overwogen dat, gezien de actuele ontstentenis van voldoende beoordelingselementen, het gepast voorkomt een plaatsopneming op de belendende eigendommen en een verhoor van eerste appellant en van geïntimeerden ter plaatse te gelasten. Geïntimeerden voeren aan dat de overtuigingsstukken, die appellanten ter staving van hun eis aan het Hof overleggen dezelfde zijn als deze voorafgaand aan het vonnis van 2 juni 2004 aan de rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren overgelegd. Over deze overtuigingsstukken is reeds beslist in het vonnis van 2 juni 2004 dat zij eenzijdig en onduidelijk zijn en zij de eis onvoldoende staven. Het beroepen vonnis dient dus hervormd te worden, gelet op het gezag van gewijsde van de consideransen van het niet-beroepen vonnis van 2 juni
  17. 3.
  18. Beoordeling van deze grief. De rechter heeft in het vonnis van 2 juni 2004 overwogen : " Overwegende dat de aanleggers aan verweerders de volledige verantwoordelijkheid toeschrijven voor het kwestige schadegeval d.d. 14 oktober 2002, waarbij een drachtige koe van eerste aanlegger overleed en vijf andere ziek werden door het eten van tuinafval, waaronder taxussnoeisel, afkomstig van de verweerders. Dat aanleggers voorhouden dat verweerders deze tuinafval over de draadafsluiting hadden geworpen, minstens op een composthoop tegen de grenslijn met de aanpalende weide van eerste aanlegger onoordeelkundig hebben gedeponeerd zodat deze in de weide van eerste aanlegger is terecht gekomen. Dat verweerders een verantwoordelijkheid inzake formeel betwisten stellende dat eerste aanlegger nagelaten heeft zijn weide met een adequate, op voldoende veilige afstand geplaatste en aangespannen prikkeldraad af te sluiten zodat zijn koeien niet aan de kwestige afvalhoop konden geraken. Overwegende dat deze beide stellingen en versies tegenstrijdig zijn en de overgelegde stukken eenzijdig en onduidelijk zijn. Overwegende dat, gezien de actuele ontstentenis van voldoende beoordelingselementen, het gepast voorkomt een plaatsopneming, zoals hierna bepaald, op de belendende eigendommen van partijen te gelasten, waarop eerste aanlegger en verweerders in persoon aanwezig dienen te zijn" Met deze overwegingen heeft de rechter in het vonnis van 2 juni 2004 noch expliciet noch impliciet beslist dat het overgelegde verslag van dierenarts MITCHAUX van 29 november 2002 geen bewijswaarde heeft met betrekking tot de daarin gedane vaststellingen dat resten van taxus in de maag van de overleden koe aanwezig waren. De eerste rechter heeft noch expliciet noch impliciet beslist dat niet is aangetoond dat koeien ziek zijn geworden door het eten van taxussnoeisel. Immers met de overwegingen in het vonnis van 2 juni 2004 heeft de eerste rechter enkel vastgesteld dat de beide stellingen en versies zoals die geformuleerd zijn in het vonnis van 2 juni 2004 tegenstrijdig zijn en heeft hij enkel beslist dat de overgelegde stukken eenzijdig en onduidelijk zijn in die zin dat zij onvoldoende de versies in het vonnis van 2 juni 2004 expliciet aangehaald bewijzen. Deze expliciet aangehaalde versies zijn: - dat volgens appellanten geïntimeerden tuinafval over de draadafsluiting hadden geworpen minstens tuinafval op een composthoop tegen de grenslijn met de aanpalende weide van eerste appellant hadden gedeponeerd, zodat deze in de weide van eerste aanlegger is terechtgekomen, - dat volgens geïntimeerden eerste appellant nagelaten heeft zijn weide met een adequate, op voldoende veilige afstand geplaatste en aangespannen prikkeldraad af te sluiten, zodat zijn koeien niet aan de kwestige afvalhoop konden geraken. In de expliciet aangehaalde tegenstrijdige versies is geen sprake van tegenstrijdigheid over de bewering van appellanten dat de drachtige koe overleden is en vijf andere koeien ziek werden door het eten van taxussnoeisel, afkomstig van geïntimeerden. De eerste rechter heeft enkel beslist dat de overgelegde stukken eenzijdig en onduidelijk zijn in die zin dat zij zonder bijkomende onderzoeksmaatregel van plaatsopneming en verhoor van partijen geen uitsluitsel geven : - noch over de bewering van appellanten dat geïntimeerden deze tuinafval (het taxussnoeisel) over de draadafsluiting hadden geworpen, minstens op een composthoop tegen de grenslijn met de aanpalende weide van eerste appellant onoordeelkundig hebben gedeponeerd, zodat deze in de weide van eerste appellant is terechtgekomen, - noch over de bewering van geïntimeerden dat eerste appellant nagelaten heeft zijn weide met een adequate, op voldoende veilige afstand geplaatste en aangespannen prikkeldraad af te sluiten, zodat zijn koeien niet aan de kwestige afvalhoop konden geraken. De beoordeelde versies, die volgens de rechter in het vonnis van 2 juni 2004 niet bewezen geraken door de overtuigingsstukken vertrekken van de premisse dat aangetoond is dat de koe is overleden door het eten van taxussnoeisel en dat 5 andere koeien ziek zijn geworden door het eten van taxussnoeisel. In het niet-beroepen vonnis van 2 juni 2004 wordt een plaatsopneming bevolen om de toestand ter plaatse, in het bijzonder van de afsluitingen, te kunnen vaststellen. Deze grief van geïntimeerden is ongegrond. De consideransen in het niet beroepen vonnis van 2 juni 2004 hebben niet de draagwijdte die geïntimeerden er aan toekennen.
  19. Beoordeling van de grief van geïntimeerden, dat de eerste rechter had moeten oordelen dat zij de algemene zorgvuldigheidsnorm niet hebben overtreden. Appellanten verwijten aan geïntimeerden dat zij het taxussnoeisel op de composthoop grenzend aan een lamentabele afsluiting hebben gedeponeerd. Het Hof stelt vast dat in de plaatsopneming wordt vastgesteld dat er : - tussen de belendende percelen van geïntimeerden en eerste appellant er een niveauverschil is van 20 à 30 cm, met dien verstande dat de weide van eerste appellant lager ligt dan de tuin van geïntimeerden, - beide belendende percelen elk apart omheind zijn met deels houten en deels betonnen palen met prikkel- en ursusdraad, - tussen beide afsluitingen er een afstand van de 50 cm à 60 cm is, - beide afsluitingen lamentabel zijn, de palen losstaan, de prikkeldraad los hangt en de ursusdraad een hoogte heeft van 75 cm. - de composthoop zich in de tuin van geïntimeerden bevindt tot tegen hun afsluiting. Het Hof stelt vast dat bij het verhoor van partijen tijdens de plaatsopneming tweede geïntimeerde verklaard heeft dat het tuinafval zich op het ogenblik van het schadegeval tot tegen de afsluiting lag en deels bestond uit snoeiafval van taxus. Het Hof stelt vast dat bij verhoor van partijen tijdens de plaatsopneming eerste geïntimeerde opgemerkt heeft, wat door eerste appellant werd beaamd, dat op het ogenblik van het schadegeval de afsluiting van de weide van eerste appellant enkel bestond uit prikkeldraad: vier prikkeldraden met een afstand van 15 cm tussen iedere draad. Het Hof is van oordeel dat redelijke en voorzichtige personen weten dat taxus giftig is, nu zulks van algemene bekendheid is. In de concrete omstandigheden, te weten deze van een redelijk en voorzichtig persoon: - die een composthoop heeft die gelegen is op de grens van zijn tuin, die grenst aan een weide waarin koeien lopen, - in zijn tuin een taxusstruik heeft, die hij gesnoeid heeft, - die een tuin heeft, die grenst aan een weide die lamentabel is afgesloten en die weet dat in die weide koeien lopen, - die een tuin heeft die zelf lamentabel is afgesloten met een afsluiting niet hoger dan 75 cm, - die weet of moest weten dat tussen beide afsluitingen, enerzijds zijn afsluiting en anderzijds de afsluiting van eerste appellant, er een afstand is van 50 à 60 cm, oordeelt het Hof dat een redelijk en voorzichtig persoon geen taxussnoeisel op de composthoop zou deponeren, omdat een redelijk en voorzichtig persoon redelijkerwijze voorziet dat de koeien van eerste appellant in de concrete omstandigheden van het lamentabel zijn van beide afsluitingen en de beperkte afstand tussen beide afsluitingen van het snoeisel zullen gaan eten en dienvolgens schade zullen ondervinden. Geïntimeerden betwisten niet dat zij beiden taxussnoeisel op de composthoop hebben gedeponeerd. Zij zijn daarom in solidum gehouden. De grief van geïntimeerden dat de eerste rechter had moeten oordelen dat zij geen fout hebben begaan is ongegrond.
  20. Beoordeling van de grief van geïntimeerden dat de eerste rechter had moeten oordelen dat het oorzakelijk verband tussen de fout van geïntimeerden en het overlijden van de koe niet bewezen is. Deze grief is ongegrond. Het Hof is van oordeel dat de vaststaande feiten dat : - geïntimeerden taxussnoeisel op de composthoop hebben achtergelaten, - de beide afsluitingen lamentabel zijn, - de afstand tussen beide afsluitingen niet meer bedraagt dan 50 à 60 cm, - de schade zich heeft voorgedaan op het ogenblik dat de taxusstruik gesnoeid was op 14 oktober 2002, - dierenarts MITCHAUX verklaart vastgesteld te hebben op 16 oktober 2002 dat er nog resten van taxus in de maag zaten, van welke resten in de maag van de koe hij een foto heeft genomen, - dierenarts SNIEKERS op 14 oktober 2002 bij vijf koeien de ziekte van kolieken heeft vastgesteld, gewichtige bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen dat de overleden koe van appellant van het taxussnoeisel van geïntimeerden heeft gegeten en dat de vijf andere koeien van het snoeisel hebben gegeten. Zowel dierenarts SNIEKERS als dierenarts MITCHAUX verklaren dat het overlijden van de koe te wijten is aan taxusvergiftiging en het is van algemene bekendheid dat taxus giftig is. Het Hof is in die omstandigheden van oordeel dat bewezen is dat het overlijden van de koe en de ziekte van de koeien, zoals die schade zich in concreto heeft voorgedaan zich niet zou hebben voorgedaan indien de koeien niet van het taxussnoeisel hadden gegeten en indien geïntimeerden niet de onvoorzichtigheid hadden begaan om in de beschreven concrete omstandigheden taxussnoeisel op een composthoop te deponeren.
  21. Beoordeling van de grief van eerste appellant dat de eerste rechter had moeten oordelen dat hij geen onvoorzichtigheid heeft begaan in oorzakelijk verband met de schade door ter plaatse zijn koeien te laten grazen. De eerste rechter heeft terecht overwogen dat eerste appellant een onvoorzichtigheid heeft begaan door ter plaatse in een dergelijke weide met zulke lamentabel en gebrekkige afsluiting zijn dieren te laten grazen. Het Hof is van oordeel dat een normaal en redelijk gebruiker van een weide waarin koeien grazen in de concrete omstandigheden dat de weide grenst aan een siertuin redelijker voorziet dat zijn koeien zullen trachten te eten van wat op de eigendom van de gebuur ligt en redelijkerwijs voorziet dat daardoor schade kan ontstaan bij de gebuur en voor zijn eigen koeien. Een normaal redelijk gebruiker van een weide waarin koeien grazen zal daarom zijn weide minstens ter hoogte van die siertuin zodanig afsluiten dat zijn koeien niet kunnen grazen van afval en snoeisel en hagen, die aan de gebuur toebehoren. Bij de plaatsopneming is vastgesteld dat de afsluiting van de weide van eerste appellant lamentabel is, en dat de palen losstaan en de prikkeldraad los hangt en slechts op een afstand staat van 50 à 60 cm van de gebuur. Dergelijke afstand is voor een koe, gelet op de lengte van hals en hoofd en gelet op de lengte van de uitstekende tong gemakkelijk overbrugbaar om in de siertuin van de buren te grazen. Een normaal voorzichtig en redelijk persoon zou in dezelfde concrete omstandigheden voor een duurzamer en efficiënter afsluiting hebben gezorgd, zodanig dat zijn koeien niet zouden kunnen grazen van snoeisel en goederen gelegen op het eigendom van de gebuur. Indien eerste appellant voor een duurzame en efficiëntere afsluiting had gezorgd, zoals een voorzichtig persoon in dezelfde concrete omstandigheden zou hebben gedaan, had de schade zich niet voorgedaan zoals ze in concreto heeft voorgedaan. Deze grief van eerste appellant is ongegrond.
  22. Beoordeling van de ondergeschikte grief van appellanten dat de eerste rechter had moeten oordelen dat het grootste deel van de aansprakelijkheid alleszins bij geïntimeerden dient te liggen. 7.
  23. De eerste rechter oordeelde dat appellanten wegens risicoaanvaarding in hoofde van eerste appellant de helft van de schade zelf dienden te dragen. 7.
  24. Appellanten voeren ondergeschikt aan dat de eerste rechter het grootste deel van de aansprakelijkheid, minstens ¾ bij geïntimeerden had dienen te leggen, nu zonder hun initiële fouten de schade zich nooit had voorgedaan. 7.
  25. Het Hof is van oordeel dat beide fouten, enerzijds de fout van geïntimeerden en anderzijds de fout van eerste appellant, in gelijke mate hebben bijgedragen tot de totstandkoming van de schade. Daaruit volgt dat eerste appellant slechts recht heeft op de helft van zijn schade. Het is juist dat zonder de fout van geïntimeerden de schade zich niet had voorgedaan, maar het is ook juist dat zonder de fout van eerste appellant de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. Indien eerste appellant geen fout had begaan door zijn weide zo lamentabel af te sluiten had de schade zich niet voorgedaan zoals ze in concreto heeft voorgedaan. Het gaat hier niet om de risicoaanvaarding, maar wel om een pluraliteit van fouten en een pluraliteit van oorzaken van de schade. De redengeving van de eerste rechter wordt in die zin aangepast. 7.
  26. De ondergeschikte grief van appellanten dat de eerste rechter had moeten oordelen dat het grootste deel van aansprakelijkheid alleszins bij geïntimeerden dient te liggen is ongegrond.
  27. Nieuwe beoordeling van de omvang van de schade. Appellanten voeren aan dat de eerste rechter de schade te laag heeft geëvalueerd en ten onrechte schadeposten heeft afgewezen. Geïntimeerden voeren aan dat de eerste rechter de schade te hoog heeft geëvalueerd. 8.
  28. Ten aanzien van de evaluatie door eerste appellant van de schadepost dode koe op een bedrag van euro 1300 en ten aanzien van de evaluatie door eerste appellant van de schadepost dood kalf op euro
  29. De eerste rechter heeft deze schadeposten ex aequo bono begroot, gezien de schadebegroting eenzijdig gebeurde en hij heeft deze beide schadeposten samen geëvalueerd op euro
  30. Eerste appellant voert aan dat de waarderaming van de dode koe en van het kalf deskundig is gebeurd door een erkend dierenarts, in acht genomen de gangbare prijzen op dat ogenblik. Het Hof is van oordeel dat de berekeningswijze van eerste appellant niet kan worden gevolgd, omdat zij onvoldoende waarborgen biedt in zake objectiviteit. De berekeningswijze steunt enkel op een waardebepaling door dierenarts Jean SNIEKERS bij wie eerste appellant klant is. De berekeningswijze is niet gemotiveerd. Ook daarom aanvaardt het Hof deze berekeningswijze niet. Het Hof aanvaardt het bestaan van schade door de verliezen van een drachtige koe en evalueert die schade naar billijkheid op euro 1400 conform de evaluatie door de eerste rechter. 8.
  31. Ten aanzien van de schade-eis met betrekking tot de medische kosten ten bedrage van euro
  32. De eerste rechter heeft deze schadepost voor medische kosten inzake zieke koeien aanvaard. Geïntimeerden voeren aan dat deze schadepost niet bewezen is en dat het oorzakelijk verband tussen deze uitgaven en het schadegeval niet bewezen is. Het Hof stelt vast dat eerste appellant niet bewijst dat hij een uitgave heeft moeten doen van euro 225 aan dierenarts Jean SNIEKERS. De uitgaven treffen beweerdelijk 5 bezoeken en medicatie. Daarover ligt geen ereloonnota, noch een betalingsbewijs voor. Deze schadepost wordt door het Hof als niet bewezen ongegrond verklaard. 8.
  33. Ten aanzien van de schade-eis ten bedrage van euro 500 voor melkverlies. De eerste rechter heeft deze schadepost als niet bewezen afgewezen. Eerste appellant voert als bewijs van deze schadepost een brief aan van dierenarts SNIEKERS, waarin geponeerd wordt melkverlies door zieke koeien : 500 euro . Geïntimeerden voeren aan dat deze schadepost niet bewezen is. Het Hof is van oordeel dat niet aangetoond is dat er melkverlies door de ziekte is ontstaan. De eenzijdige bewering van de dierenarts van eerste appellant is daartoe onvoldoende bewijs. Het Hof bevestigt ter zake de beslissing van de eerste rechter. 8.
  34. Ten aanzien van de schade-eis van euro 200 voor morele schade. Deze schade-eis werd door de eerste rechter ongegrond verklaard, omdat eerste appellant niet bewijst morele schade te hebben geleden. Ook in hoger beroep bewijst eerste appellant niet dat hij morele schade heeft geleden ingevolge de fout van geïntimeerden. Het kweken van dieren in hoofde van een landbouwer is een loutere economische doelstelling. De genegenheidsschade of de morele schade is niet aangetoond. Het Hof bevestigt de beslissing ter zake van de eerste rechter. 8.
  35. Ten aanzien van de schade-eis ten bedrage van euro 100 voor administratiekosten. De eerste rechter heeft de schadepost administratiekosten ongegrond verklaard wegens niet bewezen. Eerste appellant voert aan dat hij administratiekosten heeft gemaakt door aangifte te doen bij de politie, door een veearts in te schakelen, door het toedienen van medicijnen, door het feit dat hij de ziektetoestand van koeien moest volgen, door het feit dat hij aanwezig was bij de autopsie van de dode koe. Het Hof is van oordeel dat eerste appellant niet bewijst dat de door hem aangehaalde feiten administratiekosten hebben veroorzaakt. Bij gebrek aan bewijs van het bestaan van administratiekosten in oorzakelijk verband met de fouten van geïntimeerden is dit onderdeel van de schade-eis ongegrond.
  36. Recapitulatie. De beweerde schade in hoofde van eerste appellant wordt door het Hof begroot op het hoofdbedrag van euro 1.
  37. Nu eerste appellant slechts recht heeft op de helft van zijn schade, gelet op de eigen fout van eerste appellant in oorzakelijk verband met de schade, is de eis van eerste appellant in hoofdsom gegrond voor een bedrag van euro
  38. Op dit bedrag zijn vergoedende interesten verschuldigd aan de wettelijke interestvoet wegens vertraging in de nakoming van de herstelverbintenis vanaf 14 oktober 2002, datum van ontstaan van de schade tot op heden en vanaf heden te vermeerderen met de gerechtelijke interesten.
  39. Beoordeling van de grief van tweede appellante tegen de beslissing van de eerste rechter dat haar eis ongegrond is. 10.
  40. De eerste rechter oordeelde dat de door tweede appellante gevorderde expertisekosten niet geheel of deels ten laste van geïntimeerden kunnen gelegd worden, gezien er geen wettelijke subrogatie in hoofde van een rechtsbijstandverzekeraar bestaat en gezien tweede appellante ook geen conventioneel subrogatierecht ten haren voordele bewijst. 10.
  41. Tweede appellante voert artikel 41 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst aan ter ondersteuning van haar eis met betrekking tot de uitgaven voor de autopsie van de dode koe. Tweede appellante voert aan dat de rechtsbijstandverzekering een schadeverzekering is, die het vermogensverlies dekt veroorzaakt door de kosten die voortvloeien uit een geschil waarin de verzekerde betrokken is. Tweede appellante voert aan dat de expertisekosten deel uitmaken van de schade, nu de kosten welke noodzakelijk zijn tot vaststelling van de schade deel uitmaken van de schade. 10.
  42. Geïntimeerden voeren aan dat de kosten slechts verhaalbaar zijn zoverre zij het noodzakelijk gevolg zijn van een wanuitvoering van een overeenkomst, wat te dezen niet het geval is. Geïntimeerden voeren aan dat tweede appellante niet bewijst dat haar uitgave inzake rechtsbijstand niet definitief voor haar rekening moet blijven. 10.
  43. Artikel 41 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst heeft betrekking over bepalingen eigen aan de verzekeringen tot vergoeding van schade. Dit artikel bepaalt: "de verzekeraar die schadevergoeding betaald heeft, treedt ten belope van het bedrag van de vergoeding in de rechten en rechtsvorderingen van de verzekerde of de begunstigde tegen de aansprakelijke derden." Het bedrag van euro 272,25 werd door tweede appellante aan BVBA Dierenartspraktijk MITCHAUX op 24 januari 2003 betaald in het kader van de waarborg rechtsbijstand met het oog op de vaststelling van de schade. De artikelen betreffende de rechtsbijstandverzekering staan in de wet op de landverzekeringsovereenkomst onder de titel schadeverzekeringen en artikel 41 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst staat bij de bepalingen eigen aan de verzekering tot vergoeding van schade. De vergoedingsplicht die krachtens artikel 1382 burgerlijk wetboek rust op degene door wiens schuld aan een ander schade wordt veroorzaakt kan zich uitstrekken tot de kosten die de benadeelde partij dient te besteden met het oog op de vaststelling van de schade en de omvang ervan. Het Hof is van oordeel dat de uitgave die tweede appellante heeft gedaan een uitgave is die strekt tot vergoeding van schade, nu de kosten die te dezen dienden te worden besteed met het oog op de vaststelling van schade en de omvang ervan, deel uitmaken van de schade in hoofde van de benadeelde. Die kosten zijn niet slechts verhaalbaar in zover zij het noodzakelijk gevolg zijn van een normale uitvoering van een overeenkomst. Die kosten zijn ook verhaalbaar ingeval van aansprakelijkheid buiten overeenkomst, zoals te dezen. Het Hof is dienvolgens van oordeel dat tweede appellante krachtens artikel 41 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst gesubrogeerd is in de rechten van eerste appellant voor het bedrag van euro 272,25 dat door tweede appellante op 24 januari 2003 aan eerste appellant werd betaald. De uitgaven die tweede appellante heeft gedaan dienen niet definitief voor haar rekening te blijven, nu artikel 41 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst wettelijke indeplaatsstelling in de rechten van de verzekerde tegen de aansprakelijke derden voorziet voor de verzekeraar, die schadevergoeding heeft betaald. Vermits tweede appellante gesubrogeerd is in de rechten van eerste appellant en eerste appellant zelf slechts recht heeft op een vergoeding van de helft van zijn schade, nu hij zelf een fout begaan heeft in oorzakelijk verband met de schade, is de eis van tweede appellante tegen geïntimeerden slechts gegrond voor de helft van het bedrag van euro 272,25, hetzij euro 136,
  44. Tweede appellant heeft recht op vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet op dit bedrag vanaf de datum van de uitgave van het bedrag, zijnde 24 januari
  45. Ten aanzien van de gedingkosten in eerste aanleg. De eerste rechter heeft elk van de partijen tot de helft van de kosten van dagvaarding en rolstelling verwezen en heeft de rechtsplegingsvergoedingen tussen partijen ongeslagen, omdat de eis slechts gedeeltelijk gegrond was. De eis blijft slechts gedeeltelijk gegrond zodat het Hof deze beslissing van de eerste rechter bevestigt.
  46. Ten aanzien van de gedingkosten hoger beroep. Het hoger beroep van tweede appellante is zeer gedeeltelijk gegrond. Het hoger beroep van geïntimeerden is zeer gedeeltelijk gegrond. Het hoger beroep van eerste appellant is ongegrond. Rekening houdend met die omstandigheden verwijst het Hof elk der gedingpartij in haar eigen kosten in hoger beroep. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van R.J. toelaatbaar, doch wijst het af als ongegrond. Verklaart het hoger beroep van NV AGF BELGIUM INSURANCE toelaatbaar en zeer gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van D.F. en L.L. toelaatbaar en zeer gedeeltelijk gegrond. Het beroepen vonnis wijzigend : Verklaart de eis van R.J. tegen D.F. en L.L. toelaatbaar en als volgt gegrond: Veroordeelt D.F. en L.L. in solidum om aan R.J. een schadevergoeding te betalen van euro 700, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 14 oktober 2002 tot op heden en meer de gerechtelijke interesten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling. Verklaart de eis van NV AGF BELGIUM INSURANCE toelaatbaar en als volgt gegrond: Veroordeelt D.F. en L.L. in solidum om aan NV AGF BELGIUM INSURANCE te betalen de som van euro 136,13, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 24 januari 2003 tot op heden, meer de gerechtelijke interesten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling. Bevestigt de beslissing van de eerste rechter over de gedingkosten in eerste aanleg. Verwijst elk van de partijen in de eigen gedingkosten in hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 28 november
  47. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer B. CATTOIR Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2006:ARR.20061128.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.