id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070117.29 Rolnummer: 2006AR1477 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2008-04-08 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 15:11 Fiche Enkel het geadieerde onderzoeks- of vonnisgerecht in strafzaken is bevoegd om kennis te nemen van een eis op grond van art. 159, 191 en 212 Wb. Strafvordering. Deze bepalingen beogen enkel de schade-eis van de in verdenking gestelde of van de beklaagde tegen de burgerlijke partij of de rechtstreeks dagende partij en impliceren niet deze van de burgerlijke of rechtstreeks dagende partij tegen de beklaagde wegens tergende en roekeloze proceshouding. Dergelijke eis is immers niet geënt op een regelmatig bij de strafrechter aanhangig gemaakte strafvordering. Naast de schadeclaim gegrond op art. 191 Wb. Strafvordering voor de strafrechter kan de in verdenkinggestelde of beklaagde een gemeenrechtelijke eis wegens procesrechtsmisbruik en/of wegens quasi-delictuele aansprakelijkheid indienen tegen de burgerlijke of rechtstreeks dagende partij voor de burgerlijke rechter. Het verbod van rechtsmisbruik geldt als algemeen rechtsbeginsel dat zich onderscheidt van de aansprakelijkheid zoals bedoeld in art. 1382 e.v. B.W.. Het uitoefenen van een recht kan bezwaarlijk een fout zijn in de zin van art. 1382 B.W. Wel is de uitoefening van een recht niet grenzeloos en kan een rechtsuitoefening kennelijk buiten de grenzen van dat recht een rechtsmisbruik zijn. Daaraan staat niet in de weg dat de uitoefening van een subjectief recht steeds een algemene zorgvuldigheidsverplichting impliceert zodat het rechtsmisbruik hieraan marginaal moet worden getoetst, te weten bij kennelijke normoverschrijding. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Algemeen (verbintenis uit onrechtmatige daad) STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Algemeen (bevoegdheid - rechtspleging - rechtsmiddelen strafgerechten) GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Rechtsmisbruik Vrije woorden: Bevoegdheid strafrechter - vordering in schadevergoeding van beklaagde tegen rechtstreeks dagende partij - art. 191 Wb. Strafvord. Bevoegdheid burgerlijke rechtbank - gemeenrechtelijke eis tot schadevergoeding van vrijgesproken beklaagde tegen de rechtstreeks dagende partij wegens tergend en roekeloze proceshouding - gegrond op rechtsmisbruik en/of 1382 B.W. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2006/AR/1477 V. D. V. L., appellant, vertegenwoordigd door Mr. MORTIER Pascal, advocaat te 9000 GENT, Hoogstraat 53 tegen het vonnis gewezen op 02 mei 2006 door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen tegen P. D., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Jerry VAN BELLEGHEM loco Mr. GEERTS Jan, advocaat te 2880 BORNEM, Sint-Amandsesteenweg 76 ***
- Wat voorafgaat. 1.
- Op 26 november 2003 werd door L. V. d. V. een rechtstreekse dagvaarding in strafzaken uitgebracht tegen D. P. met als betichting: - laster en eerroof (art. 443,444 en 448 Strafwetboek) - opzettelijke slagen en verwondingen met tijdelijke arbeidsongeschiktheid tot gevolg (art. 398, 399 Strafwetboek). De correctionele rechtbank te Mechelen sprak D. P. evenwel vrij van de ten laste gelegde feiten bij vonnis van 16 februari
- Hiertegen heeft L. V. d. V. hoger beroep ingesteld. De vrijspraak van D. P. werd evenwel bevestigd bij arrest van dit Hof van 5 januari
- 1.
- D. P. heeft vervolgens L. V. d. V. op 24 augustus 2005 gedagvaard om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen tot veroordeling van laatstgenoemd tot de betaling van een morele schadevergoeding van euro 1 000 en een vergoeding van advocaatkosten in het strafgeding van euro 1
- De eis werd gesteund op de tergende en roekeloze procesvoering in strafzaken (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek). L. V. D. V. stelde een tegeneis in en vorderde de veroordeling van D. P. tot de betaling van een morele schadevergoeding van euro 250 en tot een provisionele vergoeding van euro 1 wegens advocaatkosten. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 2 mei 2006 heeft de eis van D. P. gedeeltelijk gegrond verklaard door L. V. D. V. te veroordelen tot de betaling van een morele schadevergoeding van euro 250 en van een materiële schadevergoeding (advocaatkosten) van euro 1 provisioneel. De tegeneis van L. V. D. V. werd ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde dat L. V. D. V. misbruik had gemaakt van het recht tot rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter. Deze proceshouding werd gekwalificeerd als tergend en roekeloos, en derhalve als foutief. De gedeeltelijke afwijzing van de advocaatkosten werd gemotiveerd door de vaststelling dat geen staat van ereloon en onkosten noch enig bewijs van betaling werd voorgebracht. De afwijzing van de tegeneis van L. V. D. V. werd gesteund op het strafrechtelijk gewijsde dat kleeft aan het voormelde arrest van dit Hof in strafzaken waaruit werd afgeleid dat geen bewijs geleverd is van de beweerde laster (uitschelden voor "pedofiel") waarvan L. V. D. V. meent het slachtoffer te zijn geweest. 1.
- L. V. D. V., hierna appellant genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 15 mei
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 19 december
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellant vordert dat de oorspronkelijke eis van geïntimeerde bij hervorming van het beroepen vonnis geheel zou worden afgewezen als onontvankelijk wegens onbevoegdheid van de eerste rechter, minstens als ongegrond en dat zijn oorspronkelijke tegeneis zou worden toegekend. Hij vraagt geïntimeerde te verwijzen in de proceskosten van beide aanleggen. 2.
- D. P., hierna geïntimeerde genoemd, heeft incidenteel beroep ingesteld en vordert zijn oorspronkelijke eis integraal toe te kennen.
- De beoordeling. Exceptie van onbevoegdheid 3.
- Appellant heeft in zijn conclusie in hoger beroep van 3 juli 2006 een exceptie van onbevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg of m.a.w. van de eerste rechter ingediend. Hij voert aan dat enkel de strafrechter, in dit geval de correctionele rechtbank te Mechelen en dit Hof, zitting houdend in strafzaken, met toepassing van art. 191 Wetboek Strafvordering, respectievelijk art. 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd was om kennis te nemen van de schade-eis van geïntimeerde. 3.
- In strijd met art. 191 Wetboek Strafvordering houdt geïntimeerde voor dat dit wetsartikel de vorderingen zou beogen van de burgerlijke partij of van de rechtstreeks dagende partij in het strafgeding. Hij besluit daaruit dan ten onrechte dat art. 191 Wetboek Strafvordering niet kan slaan op zijn onderhavige vordering omdat die een vordering tot schadevergoeding van de oorspronkelijke beklaagde tegen de oorspronkelijke burgerlijke partij betreft. De strafrechter is bevoegd om kennis te nemen van de burgerlijke vordering van het slachtoffer in zoverre deze is gesteund op het, door de regelmatig aanhangig gemaakte strafvordering, ter beoordeling gesteld misdrijf. De strafrechter kan geen kennis nemen van een eis van de burgerlijke of rechtstreeks dagende partij wegens tergend en roekeloos beroep van de in verdenking gestelde of de beklaagde, noch van enige andere schade-eis van deze partij wegens tergende en roekeloze proceshouding van de in verdenking gestelde of van de beklaagde omdat dergelijke eis tot schadeloosstelling niet gesteund is op het vervolgde misdrijf. Art. 159, 191 en 212 Wetboek Strafvordering beogen wel degelijk enkel de schade-eis van de in verdenking gestelde of van de beklaagde tegen de burgerlijke partij, of de rechtstreeks dagende partij. 3.
- Enkel het geadieerde onderzoeksgerecht of vonnisgerecht in strafzaken is bevoegd om kennis te nemen van een eis op grond van art. 159, art. 191 en 212 Wetboek Strafvordering. Geïntimeerde heeft thans een gemeenrechtelijke eis tot schadeloosstelling ingediend, die zich onderscheidt van de in voormelde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering bedoelde vordering. De rechtbank van eerste aanleg neemt krachtens art. 568 van het Gerechtelijk Wetboek kennis van alle vorderingen behoudens deze die rechtstreeks voor het hof van beroep of voor het hof van cassatie komen. Deze voorwaardelijke volheid van bevoegdheid impliceert dat de omissie van de in verdenking gestelde of van de beklaagde zijn schade-eis in te dienen met toepassing van art. 191 Wetboek strafvordering in de tegen hem ingediende strafzaak bij de strafrechter, er niet aan in de weg staat dat deze, na de strafzaak, een gemeenrechtelijke eis wegens procesrechtsmisbruik en/of wegens quasi-delictuele aansprakelijkheid vermag in te dienen voor dezelfde rechtbank van eerste aanleg, doch alsdan zitting houdend in burgerrechtelijke geschillen. De eerste rechter was dan ook materieel bevoegd om kennis te nemen van de eis van geïntimeerde. De oorspronkelijke eis tot schadevergoeding van geïntimeerde. 3.
- Geïntimeerde houdt voor dat appellant een fout beging in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek door procesrechtsmisbruik, meer bepaald door een tergende en roekeloze rechtstreekse dagvaarding in strafzaken tegen hem uit te brengen en vervolgens, na zijn vrijspraak in eerste aanleg, dan nog op tergende en roekeloze wijze tegen deze vrijspraak hoger beroep in te stellen. De eerste rechter oordeelde dat appellant op grond van de elementen van het geseponeerde strafdossier had moeten weten dat zijn rechtstreekse dagvaarding tegen geïntimeerde en a fortiori zijn hoger beroep tegen de vrijspraak van geïntimeerde geen kans maakten zodat hij de algemene zorgvuldigheidsnorm miskende door misbruik te maken van het procesrecht. 3.
- Rechtsmisbruik is aan te nemen wanneer bewezen wordt dat een persoon zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon. Het verbod van rechtsmisbruik geldt als algemeen rechtsbeginsel dat zich onderscheidt van de aquiliaanse aansprakelijkheid zoals bedoeld in art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Het uitoefenen van een recht kan bezwaarlijk een fout zijn in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Wel is de uitoefening van een recht niet grenzeloos en kan een rechtsuitoefening kennelijk buiten de grenzen van dat recht een rechtsmisbruik zijn. Het aanvoeren door geïntimeerde van de algemene zorgvuldigheidsnorm, bedoelend: "een fout in de zin van art. 1382 BW) als rechtsgrond voor het beweerde rechtsmisbruik te dezen is dan ook niet adequaat. Daaraan staat niet in de weg dat uitoefening van een subjectief recht steeds een algemene zorgvuldigheidsverplichting impliceert zodat om het aangevoerde rechtsmisbruik te beoordelen deze verplichting in aanmerking te nemen is, met name als een marginaal te toetsen norm. 3.
- Door zijn rechtstreekse dagvaarding in strafzaken heeft appellant een subjectief recht uitgeoefend met toepassing van art. 182-183 Wetboek Strafvordering. Hij heeft daarbij volgende feiten ten grondslag van zijn eis tot schadeloosstelling gelegd: - op 12 augustus 2002 om 16u45 te Bornem, Kasteeldreef, slachtoffer geweest te zijn van een door geïntimeerde toegebrachte slag op zijn rechterhand met letsels tot gevolg (art. 398 en 399 Strafwetboek), - op 12 augustus 2002 om 16u45 te Bornem, Kasteeldreef, slachtoffer geweest te zijn van aanranding door geïntimeerde van zijn eer en goede naam door hem uit te schelden voor "pedofiel" (art. 443, 444 en 448 Strafwetboek). De dagvaarding werd uitgebracht nadat zijn strafrechtelijke klacht wegens dezelfde feiten na onderzoek door het Openbaar Ministerie werd geseponeerd om reden van: "...andere prioriteiten bij vervolgings- en opsporingsbeleid". Tijdens het strafonderzoek had geïntimeerde een verklaring afgelegd waarin hij toegaf in het incident betrokken geweest te zijn, dat hij appellant had uitgescholden voor: "pedofiel" en dat hij ook geslagen had naar appellant. Hij betwistte evenwel appellant bij het slaan geraakt te hebben en verklaarde zijn scheldwoorden als een repliek op een belediging uitgaande van appellant zelf. Appellant bleek tevens in het bezit van een medisch attest van Dr. M. De Bondt van 12 augustus 2003 die om 20u15 een contusie van de rechterhand vaststelde. Rekening houdend met het sepot door het Openbaar Ministerie op grond van beleidsoverwegingen en met voormelde verklaringen van geïntimeerde zelf en het medisch bewijsstuk, handelde appellant niet kennelijk in strijd met het optreden van een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon, in dezelfde omstandigheden geplaatst, door zijn recht op rechtstreekse dagvaarding in strafzaken uit te oefenen met het oog op schadeloosstelling. De bewering van geïntimeerde dat appellante moest weten dat zijn rechtstreekse dagvaarding geen enkele kans op slagen had wegens het ontbreken van het beweerde recht, minstens van het bewijs van het bestaan van dat recht, is niet aannemelijk gemaakt. 3.
- Geïntimeerde werd vrijgesproken voor de hem ten laste gelegde feiten bij vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 16 februari
- De vrijspraak werd gesteund op volgende redengeving: - m.b.t. de slagen en verwondingen: "...dat het bewijs van het strafbaar feit onder tenlastelegging A niet afdoende naar recht blijkt,.....", - m.b.t. laster en eerroof: "...uit het bundel niet blijkt dat aan de openbaarheidsvereiste werd voldaan, zodat de constitutieve elementen van het misdrijf niet afdoende naar recht bewezen zijn...". Geïntimeerde betwist niet dat appellant het recht had hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 16 februari
- Hij houdt evenwel voor dat de uitoefening van dit recht te dezen een fout was die hem gerechtigd maakte vergoeding te vorderen voor de hierdoor veroorzaakte schade. Zoals voormeld wordt door geïntimeerde ten onrechte de aquiliaanse aansprakelijkheid van appellant aangehaald maar kan rechtsmisbruik, indien bewezen, ten grondslag van zijn eis worden gelegd, zoals overigens door de eerste rechter gedaan, weze het dat rechtsmisbruik door de eerste rechter werd beschouwd als een fout in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Appellant werd door het vonnis van 16 februari 2004 geconfronteerd met de zwakte van zijn bewijsvoering. Desalniettemin werd geen afwezigheid van bewijs geconstateerd en bleef het al dan niet afdoende karakter van het bewijs een feitelijke beoordeling door de rechter. Het loutere feit dat appellant wist dat hij aan de appelrechter geen nieuwe en bijkomende bewijsstukken kon voorleggen, houdt nog niet noodzakelijk in dat hij wist of moest weten dat hij volstrekt kansloos was in hoger beroep. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie het hoger beroep van appellant niet volgde, heeft laatstgenoemde slechts kunnen vaststellen nadat hij hoger beroep had ingesteld. Geïntimeerde komt dan ook tekort aan zijn bewijslast, meer bepaald dat de (proces-)rechtsuitoefening door appellant door het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 16 februari 2004, kennelijk in strijd was met de rechtsuitoefening van een normaal zorgvuldig en bedachtzaam persoon in dezelfde omstandigheden. 3.
- Bij gebrek aan bewijs van een fout noch van rechtsmisbruik van appellant moet de oorspronkelijke eis van geïntimeerde tot schadeloosstelling ongegrond worden verklaard. Het hoger beroep van appellant is in dit onderdeel gegrond. De oorspronkelijke tegeneis van appellant (morele schadevergoeding). 3.
- Appellant heeft in eerste aanleg bij tegeneis vergoeding gevorderd van de schade die hij beweert geleden te hebben door het feit dat geïntimeerde hem heeft beledigd door hem ("pedofiel") te noemen. Hij laat zijn eis steunen op de quasi-delictuele aansprakelijkheid van geïntimeerde (art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek) Hij vordert, na de afwijzing van deze eis door de eerste rechter als onontvankelijk, thans opnieuw de veroordeling van geïntimeerde tot de betaling van een morele schadevergoeding van euro
- De eerste rechter heeft, het verweer van geïntimeerde aannemend, geoordeeld dat het rechterlijk gewijsde, verbonden aan het arrest van dit Hof van 5 januari 2005, er aan in de weg staat dat appellant opnieuw een schade-eis kan indienen op grond van dezelfde feiten, te weten de beweerde belediging. 3.
- In het arrest van dit Hof van 7 januari 2005 werd het hoger beroep van appellant, gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 16 februari 2004, onontvankelijk verklaard in zoverre het de bestreden beschikkingen op strafgebied betrof. Deze beslissing van de appelrechter in strafzaken is niet meer door enig rechtsmiddel bestreden. De vrijspraak van geïntimeerde door het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen van 16 februari 2004 is tussen partijen in kracht van gewijsde gegaan. Dit Hof oordeelde in zijn arrest van 7 januari 2005 dat de motieven door de eerste rechter aangehaald op strafgebied ook gelden ten aanzien van de burgerlijke schuld van geïntimeerde. Het gezag van gewijsde in strafzaken dat aan deze vrijspraak toekomt, geldt voor al hetgeen de strafrechter op de strafvordering zeker en noodzakelijk heeft beslist, met inachtneming van de redenen waarop die beslissing noodzakelijkerwijze steunt, ten aanzien van het bestaan van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten, ongeacht de omschrijving ervan. Het gezag van gewijsde van een vrijspraak bindt de burgerlijke rechter ten aanzien van alle mogelijke kwalificaties van hetzelfde feit. De strafbare feiten die ter beoordeling van de strafrechter stonden verschillen wat de oorspronkelijke telastelegging B betreft niet van de feiten, waarop appellant thans zijn eis tot schadevergoeding laat steunen. De juridische omschrijving die appellant thans aan de feiten in kwestie geeft, te weten een onrechtmatige daad in de zin van art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek, stemt overeen met een inbreuk op een strafrechtelijke norm, meer bepaald de strafrechtelijke omschrijving van de mondelinge, strafbare belediging zoals bedoeld in (oud) art. 561,7° Strafwetboek. De vrijspraak van geïntimeerde geldt ook deze strafrechtelijke kwalificatie van het telastegelegde feit en bindt de burgerlijke rechter. Het hoger beroep van appellant is in dit onderdeel ongegrond. De oorspronkelijke tegeneis van appellant (verdedigingskosten) 3.
- Appellant vordert de veroordeling van geïntimeerde tot de betaling van een vergoeding van euro 1 provisioneel wegens kosten van zijn verdediging. Appellant laat na de fout van geïntimeerde aan te wijzen waarop hij zijn aanspraak zou kunnen laten steunen. Hij toont niet aan dat geïntimeerde een fout beging of rechtsmisbruik pleegde door zijn eis in te dienen. Appellant bewijst evenmin schade te hebben geleden. Hij is wel bijgestaan door een raadsman en het is aannemelijk dat de tussenkomst van een raadsman kosten veroorzaakt, doch hij toont niet aan dat deze kosten op enigerlei wijze door hem zijn gedragen. Hij verwijst trouwens zelf naar de tussenkomst van zijn rechtsbijstandverzekeraar. De eventuele uitgaven van deze verzekeraar voor de rechtsbijstand van appellant treffen zijn eigen vermogen niet. Het hoger beroep van appellant is in dit onderdeel ongegrond. Incidenteel beroep van geïntimeerde 3.
- Geïntimeerde vecht door middel van een incidenteel beroep de toekenning in eerste aanleg aan van een morele schadevergoeding van euro 250 en van een vergoeding voor de rechtsbijstand van een advocaat van euro 1 provisioneel. Nu de oorspronkelijke hoofdeis van geïntimeerde evenwel ongegrond wordt bevonden bij gebreke van bewijs van de beweerde onrechtmatige daad van appellant, is de daarop gesteunde schade-eis eveneens ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellant L. V. D. V. toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde D. P. toelaatbaar doch ongegrond. Wijzigt het beroepen vonnis m.b.t. de oorspronkelijke hoofdeis van D. P. Verklaart de oorspronkelijke hoofdeis van D. P. ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis m.b.t. de afwijzing van de oorspronkelijke tegeneisen van L. V. D. V. Verwijst geïntimeerde in 2/3de en appellant in 1/3de van de proceskosten van beide aanleggen vereffend in totaal: - aan de zijde van appellant op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 178,48, op de rolrechten in hoger beroep van euro 186, en op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 242,94, - aan de zijde van geïntimeerde op de kosten van dagvaarding en rolstelling in eerste aanleg van euro 207,69, op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 178,48 en op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 242,
- PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070117.29 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div