← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070124.16

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070124.16 Rolnummer: 2004AR3278 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-07-31 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 15:13 Fiche 1. Elektriciteit is een product zoals bedoeld door de wet productaansprakelijkheid 2. De toepasbaarheid van de wet productaansprakelijkheid vereist dat het product in het verkeer is gebracht na de inwerkingtreding van de wet. (art. 16) Het product ‘elektriciteit' is in het verkeer gebracht van zodra de consument de elektriciteit kan gebruiken, d.i. van zodra de ter beschikkinggestelde elektrische energie is omgezet in door de consument bruikbaar elektrisch vermogen. 3. De verdeler van elektriciteit is ook fabrikant van een eindproduct in de zin van de wet productaansprakelijkheid wanneer deze de door hem van de elektriciteitsproducent betrokken primaire elektrische energie middels spanningswijziging omzet tot een voor de consument bruikbaar eindproduct. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KWALITEIT VAN GOEDEREN EN DIENSTEN - Productaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor diensten - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - KWALITEIT VAN GOEDEREN EN DIENSTEN - Productaansprakelijkheid en aansprakelijkheid voor diensten - Begrippen Vrije woorden: Wet productaansprakelijkheid 1. begrip product - elektriciteit 2. werking in tijd - tijdstip van het in verkeer brengen - begrip in verkeer brengen 3. begrip producent - verdeler van elektriciteit Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2004/AR/3278 VERBRAEKEN CONSTRUCTION NV, met maatschappelijke zetel te 9250 WAASMUNSTER, Kuilstraat 18, ingeschreven in het handelsregister te Dendermonde onder het nummer 48.983, appellante, vertegenwoordigd door Mr. Daniël PETERFREUND loco Mr. VAN DER STEICHEL Guy, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 15 tegen het vonnis gewezen op 05 oktober 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen 1. V. F., gepensioneerde, 2. D. C. J., huisvrouw, geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. JANS C. loco Mr. JANS Christiane, advocaat te 2520 BROECHEM, Pertendonckstraat 42 3. FORTIS AG NV, voorheen genaamd NV AG 1824, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 345.622, KBO-nummer 0404.494.849, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Sophie TORFS loco Mr. SCHUERMANS Luc, advocaat te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112 4. C.I.V. Gemeentehuis Intercommunale Vereniging voor de Energiedistributie in de Kempen en het Antwerpse (I.V.E.K.A.), met zetel te 2390 MALLE, Antwerpsesteenweg 246, Reg. Burg. Venn. Antwerpen 58 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DEVROE Dirk, advocaat te 2900 SCHOTEN, Grote Singel 1 *** Voorgaanden 1. Het Hof heeft met tussenarrest van 8 maart 2006 de heropening der debatten bevolen op basis van de volgende motivering: "Partijen laten het Hof in het ongewisse welk product precies gebrekkig zou zijn noch wijden partijen uit over de werking in de tijd van de door hen ingeroepen wet productenaansprakelijkheid en meer bepaald over het tijdstip waarop het vermeend gebrekkig product in het verkeer zou zijn gebracht, opdat voornoemde wet van toepassing zou zijn. Het behoort partijen hun middelen dienaangaande verder te ontwikkelen, waarvoor de debatten worden heropend". Het Hof werkt dit tussenarrest als volgt uit. Beoordeling in hoger beroep na tussenarrest A. Grondslag van de eisen van eerste, tweede en derde geïntimeerde in hoger beroep Eisen ten aanzien van appellante 2. Derde geïntimeerde spreekt appellante op incidenteel beroep aan, op basis van de wet productenaansprakelijkheid doch dit enkel in ondergeschikte orde, m.n. in zoverre er door het Hof zou geoordeeld worden dat appellante geen fout in oorzakelijk verband met de schade zou kunnen verweten worden of indien zou besloten worden dat vierde geïntimeerde niet zou kunnen beschouwd worden als producent van de hoofdzekeringskast. Eerste en tweede geïntimeerde stellen geen incidenteel beroep tegen het eerste vonnis zodat zij worden geacht in hoger beroep niet meer verder aan te dringen op de veroordeling van appellante op basis van de wet productenaansprakelijkheid. Eisen ten aanzien van vierde geïntimeerde 3. Eerste tot derde geïntimeerde spreken vierde geïntimeerde in hoofdorde aan op basis van de wet productenaansprakelijkheid. Ondergeschikt indien het hof van oordeel zou zijn dat de eerste rechter ten onrechte besloot tot de aansprakelijkheid van vierde geïntimeerde op basis van de wet productenaansprakelijkheid, verzoekt derde geïntimeerde de aansprakelijkheid van vierde geïntimeerde te beoordelen op basis van artikel 1382 en artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek en op basis van het Reglement voor de aftakking het ter beschikking stellen en het afnemen van elektriciteit in laagspanning (hierna genoemd: het Reglement). Eerste en tweede geïntimeerde uiten geen grieven op het eerste vonnis en vragen de bevestiging. Zij hebben geen incidenteel beroep ingesteld tegen het eerste vonnis. Zij worden zodoende geacht hun eis m.b.t. de foutaansprakelijkheid in hoofde van vierde geïntimeerde niet meer te herhalen in hoger beroep. B. De beoordeling van de aansprakelijkheid van appellante 4. Het komt aan eerste, tweede en derde geïntimeerde toe om een fout in hoofde van appellante aan te tonen. Wat de beweerde fouten betreft begaan door appellante bij het uitvoeren van haar werken wordt door partijen het verslag van gerechtsdeskundige DE BUYST voorgebracht. Er bestaat betwisting tussen partijen over de waarde die aan de besluitvorming van de deskundige moet gegeven worden in het kader van het bewijs van een fout in hoofde van appellante. De gerechtsdeskundige stelt met zekerheid vast dat de brand in de hoofdzekeringskast, i.e. de kast waarin partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION de aansluiting van een nieuwe kabel heeft gerealiseerd, is ontstaan (p. 20 deskundigenverslag). Over de oorzaak van de brand zelf stelt de deskundige dat hij geen absolute zekerheid heeft maar dat hij tot zijn besluit is gekomen op basis van de theorie van de "deductie" waarbij hij de volgende formulering heeft gebruikt: "De reden voor de ontvlamming in de hoofdzekeringskast kan niet meteen eenduidig worden bepaald. De kans is wel beduidend dat de oorzaak van de brand terug te vinden is in de tussenkomst van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION op 14. 01. 1998". (p. 36 van de aanvullingen op het voorverslag). Opdat de door de gerechtsdeskundige weerhouden waarschijnlijke oorzaak door het Hof zou kunnen aanvaard worden en tevens in verband zou kunnen gebracht worden met een fout in hoofde van appellante en/of vierde geïntimeerde, dienen er voldoende ernstige, nauwkeurige en samenlopende vermoedens te bestaan die de stelling van de waarschijnlijke oorzaak ondersteunen. Het Hof baseert zijn oordeel desbetreffend op de volgende overwegingen. 5. De volgende objectieve vaststellingen zijn door de deskundige gemaakt: - kort voor de brand werd de bovengrondse leiding vervangen door een ondergrondse leiding. Deze leiding gaat via een wachtbuis naar boven tot de eerste verdieping. De werkzaamheden van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION uitgevoerd op 14 januari 1998 bestonden erin om de bestaande voedingskabel te vervangen door een nieuwe, ondergrondse kabel. Deze kabel vertrok vanuit de moederleiding onder het voetpad tot aan de hoek van de voor- en zijgevel van het pand, om aldaar via klemmen verticaal naar boven te gaan, tot in de teller onder het dak. Deze werken werden uitgevoerd met materiaal van IVEKA. - bij onderzoek van de ingang van de voeding in het pand, aan de zijgevel buiten, werd een blessure aan de kabel vastgesteld. - bij onderzoek van de tellerkast en de koperen aders eraan verbonden, en nadat vastgesteld werd dat de hoofdzekeringskast zelf niet meer aanwezig was, doch enkel de uitgaande messen, werd door de gerechtsdeskundige vastgesteld dat er geen brandhaard in de teller kon worden vastgesteld (p. 20 voorverslag). - op twee van de verbindingsaders tussen de teller en de hoofdzekeringkast (i.e. het gedeelte van Electrabel) worden parels gevonden. T.h.v. de messen van de hoofdverzekeringen worden roet- en kortsluitingsporen gevonden, hetgeen volgens de deskundige definitief aantoont dat de brand wel degelijk in de hoofdzekeringskast moet zijn ontstaan. Het is in deze kast dat partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION de aansluiting van een nieuwe kabel heeft gerealiseerd (p. 20 voorverslag). - de deskundige neemt in zijn verslag op dat eerste geïntimeerde geklaagd heeft dat, na de interventie van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION, vele lampen van de lusters (peervormige gloeilampen met smalle sokket, type 25, 40 of 60W) regelmatig sprongen, dat het TV toestel niet correct aan en uitging en dat de lampen regelmatig flikkerden. Dit gegeven werd ook opgenomen door de verbalisanten in het strafdossier (p. 8 voorverslag). Wat de oorzaak van de brand betreft stelt de deskundige in zijn verslag: - "de invloed van de blessure aan de kabel onderaan de koker, waarvan de deskundige aanvaardt op basis van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION deze heeft aangebracht tijdens de montage, op dergelijk fenomeen is niet meteen voordehandliggend, maar in driefasige wisselspanningssystemen kunnen de optredende fenomenen derwijze complex zijn (homo- en heteropolaire velden) dat een verband tussen enerzijds de blessure aan de kabel onderaan de koker en anderzijds de pinkende lichten en zelfs de ontvlammingsoorzaak anderzijds niet uitgesloten zijn .... De precieze invloed van de blessure aan de kabel onderaan de koker is m.i. op basis van het onderzoek van de teller ondergeschikt geworden aan het feit dat er kortsluitingsparels zijn gevonden in de fasedraden tussen de hoofdzekeringskast en de teller (p. 21 voorverslag) - aangezien partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION in de dagen voor het sinister de toevoerleidingen heeft vervangen, en hierbij in de hoofdzekeringskast heeft gewerkt (waarbij één rij van de klemmen werd losgemaakt en opnieuw aangespannen) is de kans beduidend dat de oorzaak van de brand terug te vinden is in de tussenkomst van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION. - er zijn mij analoge gevallen bekend waarbij in oude types van verdeelkast/hoofdzekeringskast plots brand ontstaat om ongekende redenen (p. 20 voorverslag) - het klagen over pinkende lichten is een typisch verschijnsel bij het niet correct aanspannen c.q. het loskomen van de nulgeleider in een driefasig systeem" Het besluit van de deskundige luidt als volgt: "De reden voor de ontvlamming in de hoofdzekeringskast kan niet meteen eenduidig worden bepaald. De kans is wel beduidend dat de oorzaak van de brand terug te vinden is in de tussenkomst van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION op 14. 01. 1998. Het falen van de hoofdzekeringskast is eveneens een mogelijkheid, al is deze oorzaak m.i. ondergeschikt aan de hierbovengenoemde , en wel omdat er juist nà de werken van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION typische klachten werden geuit die duiden op een incorrecte montage van de kabel in de hoofdzekeringskast. Ik wijs er evenwel op dat partij IVEKA haar klachtenregister niet heeft overgemaakt, zodat dit aspect niet volledig werd onderzocht. De Bodemrechter zal hiermee uiteraard rekening dienen te houden" De deskundige besluit dat de oorzaak van de brand (

  1. i)hetzij de werken zijn die partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION heeft uitgevoerd, (
  2. ii)hetzij ondergeschikt, het falen van de hoofdzekeringskast, waarbij hij uitdrukkelijk stelt dat deze oorzaak ondergeschikt is aan de werken uitgevoerd door partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION. De gerechtsdeskundige heeft immers de tweede "mogelijke" oorzaak niet kunnen uitsluiten in zijn besluitvorming vermits zijn besluitvorming tot aansprakelijkheid in hoofde van partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION gebaseerd is op basis van een "deductie" zodat hij de reden van de ontvlamming in de hoofdzekeringskast op deze wijze heeft dienen te formuleren (p. 36 van de aanvullingen op het voorverslag). 6. Het Hof besluit op basis van de analyse van de feiten en van het gerechtelijk deskundigenverslag, dat er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan om te besluiten tot een fout in hoofde van appellante bij de uitvoering van de kwestieuze werken, fout die kennelijk in oorzakelijk verband staat met het schadegeval m.n. de brand van 14 februari 1998 en dit op basis van de volgende elementen: · de installatie heeft blijkbaar tientallen jaren feilloos gewerkt, · partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION is de enige die recentelijk voor de brand werken had uitgevoerd · deze werken werden door partij VERBRAEKEN CONSTRUCTION uitgevoerd aan de hoofdzekeringskast, · het staat vast dat aan de hoofdzekeringskast de brand ontstaan is · de deskundige stelt in zijn oordeelkundige redengeving, die het Hof tot de zijne maakt, dat er typische klachten werden geuit die duiden op een incorrecte montage van de kabel in de hoofdzekeringskast · vierde geïntimeerde betwist enkel dat deze klachten aan haar geuit werden, doch betwist het bestaan van deze problemen op zich niet, en · de besluitvorming van gerechtelijke politie in het strafdossier verwijst tevens naar het slecht aansluiten van de nulleiding die vermoedelijk een vlamboog heeft doen ontstaan in de schakelkast en waardoor door oververhitting van deze geleiders brand is ontstaan. De vordering gesteld door eerste, tweede en derde geïntimeerde ten laste van appellante op basis van een fout op grond van art. 1382 B.W. komt om bovenvermelde redenen zodoende gegrond voor. De aansprakelijkheid van appellant op basis van de wet productenaansprakelijkheid, die slechts in ondergeschikte orde werd voorgehouden door derde geïntimeerde, staat zodoende niet meer ter beoordeling, te meer daar deze beoordeling in casu niet zou leiden tot een ander besluit. C. De beoordeling van de aansprakelijkheid van vierde geïntimeerde a. op basis van de wet productenaansprakelijkheid 7. Vierde geïntimeerde wordt zowel door eerste, tweede, als door derde geïntimeerde aangesproken op basis van haar aansprakelijkheid op grond van de wet productenaansprakelijkheid. Het tussenarrest van 8 maart 2006 heropende de debatten opdat partijen hun middelen verder zouden ontwikkelen over de door derde geïntimeerde lastens appellante in ondergeschikte orde en door eerste, tweede en derde geïntimeerde lastens vierde geïntimeerde in hoofdorde ingeroepen rechtsgrond gebaseerd op de wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid van producten met gebreken, meer bepaald m.b.t. de aanduiding welk product onder deze wet gebrekkig werd geacht en het tijdstip waarop dit vermeend gebrekkig product in het verkeer zou zijn gebracht. In conclusies na heropening der debatten hebben eerste tot derde geïntimeerde gesteld dat "zowel de elektriciteit, als de hoofdzekeringskast, als samengestelde producten" gebrekkige producten zijn in de zin van de wet productaansprakelijkheid, daar zij niet de veiligheid boden die ervan mocht worden verwacht, met het schadegeval als gevolg. 8. De wet productenaansprakelijkheid (Wet van 25 februari 1991 betreffende de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, B.S. 22 maart 1991) regelt de vergoeding van schade veroorzaakt door gebrekkige producten, die na haar inwerkingtreding in het verkeer zijn gebracht (art. 16). Er is in de inleidende dagvaarding van 12 en 28 april 2000 geen uitdrukkelijke verwijzing opgenomen naar deze wet. Vierde geïntimeerde wordt aangesproken "als leverancier die een gebrekkige installatie ter beschikking stelde en als verdeler die het elektrisch vermogen ter beschikking stelde". Geredelijk kan hieruit afgeleid worden dat in de inleidende dagvaarding reeds de aanspraak van eerste, tweede en derde geïntimeerde op grond van de wet productenaansprakelijkheid t.o.v. vierde geïntimeerde vervat zit. Het gebrekkige product wordt in conclusies verder geëxpliciteerd en er wordt gesteld dat zowel (
  3. i)de hoofdzekeringskast, als (
  4. ii)de elektriciteit gebrekkige producten zijn in de zin van de wet productenaansprakelijkheid. Voorwaarde voor de toepasselijkheid van de wet productenaansprakelijkheid is dat het beweerde gebrekkig product "in verkeer is gebracht" en dit na de inwerkingtreding van de wet (artikel 16 wet productenaansprakelijkheid). 9. (
  5. i)De hoofdzekeringskast De hoofdzekeringskast die door vierde geïntimeerde ter beschikking werd gesteld betrof een oude installatie, waarvan de deskundige zelf stelde dat deze reeds tientallen jaren voor de kwestieuze brand in de woning stond (en zelfs nog gedeeltelijk uit bakeliet bestond), wat ook in conclusies van vierde geïntimeerde wordt gesteld en waartegen geen verweer wordt gevoerd. Er dient vastgesteld te worden dat de wet productenaansprakelijkheid een regeling inhoudt ter vergoeding van schade veroorzaakt door gebrekkige producten, doch dit enkel voor de producten die na haar inwerkingtreding (publicatie B.S. 22 maart 1991) "in het verkeer zijn gebracht" (art. 16). Overeenkomstig artikel 6 wet productenaansprakelijkheid wordt onder "in het verkeer brengen", verstaan "de eerste daad waaruit de bedoeling van de producent blijkt om aan het product de bestemming te verlenen die hij aan dat product geeft door overdracht aan derden of door gebruik ten behoeve van laatstgenoemden". De wet productenaansprakelijkheid werd gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 22 maart 1991. De plaatsing van de verzekeringskast geschiedde zodoende voor de inwerkingtreding van de wet. Derde geïntimeerde kan immers niet gevolgd worden wanneer zij voorhoudt dat het "in verkeer brengen van de hoofdzekeringskast" in de tijd vastgelegd wordt op eenzelfde ogenblik waarop de elektriciteit wordt geleverd. Derde geïntimeerde verwijst desbetreffend onterecht naar het "samengesteld product" van de elektriciteit en de hoofdzekeringskast. Het "in verkeer brengen van de hoofdzekeringskast" geschiedde op het ogenblik dat de zekeringskast werd geplaatst bij eerste en tweede geïntimeerde voor hun gebruik ervan zijnde op een ogenbik dat de wet productenaansprakelijkheid nog niet in werking was. 10. De elektriciteit (
  6. ii)Wat de elektriciteit betreft, moet geacht worden dat het "in verkeer brengen" in de zin van artikel 6 van de wet productenaansprakelijkheid, is geschied van zodra de consument het product kan gebruiken of verbruiken. De levering van dit product zoals het door de consument aangewend kan worden geschiedt nadat de ter beschikking gestelde elektrische energie omgezet is in een voor de consument bruikbaar elektrisch vermogen, i.e. nadat het een spanningswijziging heeft ondergaan, en het bij de consument binnenkomt. Vierde geïntimeerde stelt zelf op blz. 5 van haar besluiten na heropening der debatten dat, "gezien de elektriciteit al geproduceerd was en de problemen enkel ontstaan zijn bij ontvangst van de elektriciteit in de woning (meterkast) geschiedde de ‘inverkeerbrenging' vóór het ontstaan van het gebrek". Vierde geïntimeerde betwist zodoende niet dat de elektriciteit reeds was ontvangen door de gebruiker, zodat de elektriciteit op het ogenblik van het schageval geacht moet worden reeds "in verkeer te zijn gebracht" zodat op basis van artikel 16 wet productenaansprakelijk deze wet van toepassing geacht moet worden op het door vierde geïntimeerde geleverde product elektriciteit op het ogenblik van het schadegeval van 24 februari 1998. De exceptie van verjaring faalt derhalve vermits de eis impliciet werd gesteld in de inleidende dagvaarding van 12 april 2000 (zoals hiervoor reeds door het Hof aanvaard), zodoende binnen de 3 jaar na het voorval (artikel 12 §2 Wet productenaansprakelijkheid). 11. Het Hof acht bovendien de toepassingsvoorwaarden die leiden tot een aansprakelijkheid in hoofde van vierde geïntimeerde onder deze wet, vervuld vermits (
  7. i)de elektriciteit een product is volgens voornoemde wet, (
  8. ii)deze elektriciteit in het verkeer werd gebracht en (iii) deze elektriciteit gebrekkig was en dit op basis van de volgende overwegingen: (
  9. i)Ten onrechte verschuilt vierde geïntimeerde zich achter haar ingeroepen hoedanigheid van (louter) leverancier van elektriciteit om te ontsnappen aan de toepassing aan de wet op de productenaansprakelijkheid. Inderdaad behoort het vierde geïntimeerde ook als producent in de zin van artikel 3 wet productenaansprakelijkheid te beschouwen. Onder producent wordt immers ondermeer de fabrikant van het eindproduct verstaan, wat inhoudt dat de consument dit product kan gebruiken of verbruiken zonder dat het nog enige wijziging moet ondergaan. De primaire elektrische energie die vierde geïntimeerde van de N.V. Electrabel betrok is niet te beschouwen als een eindproduct vermits deze primaire elektrische energie door vierde geïntimeerde middels spanningvermindering wordt omgezet tot een voor de abonnee consument (eerste en tweede geïntimeerde) bruikbaar product. Het Hof oordeelt dan ook dat het niet louter om transport van elektriciteit gaat, doch dat vierde geïntimeerde naast de verdeling van elektriciteit ook deelneemt aan de productie van verbruikbare elektriciteit. (
  10. ii)Zoals voormeld, is er sprake van een "in het verkeer brengen" in de zin van artikel 8, b WPA op het ogenblik dat de verbruikbare elektriciteit bij de consument binnenkomt en werd hierboven al geoordeeld dat deze "inverkeerbrenging" zich in casu reeds had gerealiseerd. (iii) Deze elektriciteit moet tenslotte geacht worden gebrekkig te zijn, vermits het niet de veiligheid bood die eerste en tweede geïntimeerde gerechtigd waren ervan te verwachten, waarbij de oorzaak van het gebrek (in casu het handelen van appellante) de aansprakelijkheid van de vierde geïntimeerde onder de wet productenaansprakelijkheid niet wegneemt, doch enkel relevant is bij de beoordeling van de vrijwaringsvordering tussen vierde geïntimeerde en appellante. b. Eigen aansprakelijkheid van eerste en tweede geïntimeerde 12. Vierde geïntimeerde beroept zich op artikel III.A.2 van het Reglement om te stellen dat er een verdeling van aansprakelijkheid is tussen haar en eerste en tweede geïntimeerde, vermits (
  11. i)deze laatsten de storingen niet zouden gemeld hebben en (
  12. ii)de brand waarschijnlijk is ontstaan door ontvlamming van brandbare materialen in de buurt van de zekeringskast (pagina 12 deskundigenverslag). (
  13. i)De gerechtsdeskundige vermeldt op blz. 8 van zijn verslag dat "partij V." na de interventie van de N.V. Verbraeken klaagde dat

(1)vele lampen van de lusters regelmatig sprongen,
(2)het TV toestel niet correct aan en uitging en
(3)dat de lampen regelmatig flikkerden. Het voorschrift omschreven in art III A punt 2 van het Reglement betreft de verplichtingen die op de abonnee van de aftakking rusten. De meldingsplicht die hierin is opgenomen voor deze abonnee betreft beschadigingen en afwijkingen aan deze aftakking. Het Hof beoordeelt de hierboven vermelde klachten niet als van die aard dat zij beantwoorden aan de definitie van "beschadigingen of afwijkingen" aan de vertakking noch dat zij aanleiding waren om in casu bij eerste en tweede geïntimeerde het besef te doen ontstaan dat zij in verband stonden met een beschadiging aan deze aftakking. (ii) De deskundige stelt op p. 12 van zijn verslag dat "de brand in deze kleine ruimte moet zijn ontstaan, waarschijnlijk door het ontbranden van brandbaar materiaal (zoals textiel en papier) ingevolge vonken en het gloeien van kabels in kortsluiting". Artikel III,A.2 van het reglement stelt dat de "abonnee of eigenaar van het gebouw, als bewaarder van de aftakking, de nodige schikkingen dient te treffen om iedere oorzaak van beschadiging te vermijden". Eerste en tweede geïntimeerde stellen terecht dat dit brandbaar materiaal als oorzaak van de brand een loutere veronderstelling is in hoofde van de deskundige, die in het verdere verloop van het verslag hierop niet is teruggekomen en in zijn besluitvorming dit gegeven zelfs niet als mogelijke oorzaak heeft opgegeven. Integendeel, vastgesteld wordt dat
(1)de deskundige besluit dat er geen factoren aanwezig waren die de brand abnormaal hebben doen uitbreiden (p. 41 verslag) en
(2)het verslag van de brandweer stelt dat de plafondbekleding als eerste materiaal ging branden (stuk 7 bundel derde geïntimeerde). Met dit verweer vermag het Hof dan ook geen rekening te houden, bij gebreke aan bewijs van de waarachtigheid van aanwezigheid van brandbaar materiaal.
  1. Besluit Het Hof aanvaardt zodoende een aansprakelijkheid van vierde geïntimeerde op basis van de wet productenaansprakelijkheid. De oorspronkelijke eis van eerste tot derde geïntimeerde komt zodoende gegrond voor en het eerste vonnis dient te worden bevestigd. Voorts moeten eerste en tweede geïntimeerde geacht worden geen aanspraak meer te maken op de franchise voorzien in ‘het reglement voor aftakking, het ter beschikking stellen en het afnemen van elektriciteit in laagspanning', die door de eerste rechter van hun schadevergoeding werd afgetrokken vermits zij de bevestiging vragen van het beroepen vonnis. Gelet op de aansprakelijkheid van vierde geïntimeerde op basis van de wet productenaansprakelijkheid en geen andere of meerdere schade wordt gevorderd dan deze die onder voornoemd aansprakelijkheidsregime eisbaar is, wordt de beoordeling van de toepassingsvereisten voor de aansprakelijkheid in de zin van art. 1382, artikel 1384 Burgerlijk Wetboek en voornoemd reglement, niet meer dienend voor de oplossing van het geschil. Het door derde geïntimeerde aangeboden getuigenbewijs dat de bewoners van de Oude Vaartstraat te Ranst onmiddellijk na de werken uitgevoerd door appellante wederkerende problemen hebben ondervonden met de elektriciteitsvoorzieningen en dit hebben gemeld aan vierde geïntimeerde, welke alsdan nagelaten heeft hierop te reageren, evenmin als het aanbod om eerste en tweede geïntimeerde en de sectorverantwoordelijke van IVEKA cq de houder van het klachtenregister van IVEKA persoonlijk te laten verschijnen en de aanvullende eed op te leggen aan eerste en tweede geïntimeerde m.b.t. het hierboven vermelde feit, is zodoende ook niet meer dienend. D. de vrijwaringseis van vierde geïntimeerde ten aanzien van appellante
  2. Vierde geïntimeerde vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis in zoverre haar vrijwaringsvordering ten aanzien van appellante werd gegrond verklaard. Het Hof besluit tot de bevestiging vermits op afdoende wijze is aangetoond dat appellante een fout heeft begaan in de uitvoering van de werken waartoe zij was beopdracht door vierde geïntimeerde, en die in oorzakelijk verband staat met het schadegeval. In het kader van deze vrijwaringsvordering stelt appellante dat de zekeringskast gebrekkig was. Deze vordering blijkt, alhoewel niet uitdrukkelijk gesteld, gebaseerd te zijn op art. 1384 B.W. Dit gebrek zou volgens appellante bestaan in het feit dat de zekeringskast reeds ontvlambare materialen bevatte voordat zij eraan heeft gewerkt. Dit gebrek aan de zekeringskast wordt geenszins aannemelijk gemaakt en wordt ook niet feitelijk onderbouwd en werd bovendien hierboven door het Hof niet aanvaard, onder verwijzing naar het deskundigenverslag (p. 41) en het verslag van de brandweer. Het Hof wijst dit verweer af. E. de schadecijfers
  3. De schadecijfers blijken op zich niet te zijn betwist door partijen. Derde geïntimeerde sluit onder stuk 8 van haar bundel der overtuigingsstukken het proces verbaal van minnelijke schadeschatting in. De gevorderde bedragen zijn hierop gebaseerd. Er is ook geen betwisting over het feit dat derde geïntimeerde als brandverzekeraar van eerste en tweede geïntimeerde, is overgegaan tot betaling van euro 44.025,69 (1.775.992 BEF) en dat zij voor dit bedrag in de rechten van eerste en tweede geïntimeerde gesubrogeerd is. Er wordt niet betwist dat eerste en tweede geïntimeerde onderverzekerd waren voor een bedrag van 2.585,36 EUR. Er blijkt ook geen betwisting m.b.t. de verwijlinteresten zoals deze worden gevorderd door eerste, tweede en derde geïntimeerde. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verleent akte aan derde geïntimeerde dat zij zich, wat betreft de vordering in vrijwaring van vierde geïntimeerde tegen appellante, naar de wijsheid van het Hof gedraagt. Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de incidentele beroepen van derde en vierde geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis. Legt de kosten van het hoger beroep van eerste, tweede, derde en vierde geïntimeerde ten laste van appellante en begoot deze kosten aan de zijde van eerste en tweede geïntimeerde op euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, aan de zijde van derde geïntimeerde op euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en aan de zijde van vierde geïntimeerde op euro 485,87 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 24 januari
  4. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070124.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.