id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070129.19 Rolnummer: 2005AR621 Rechtsgebied: Handelsrecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2009-08-14 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 15:14 Fiche
(304)op 30 april 2003 vanuit Antwerpen naar Kingston (Ja-maica). II. In conclusie d.d. 15 mei 2004 werd de nietigheid van de dagvaar-ding d.d. 10 september 2003 op grond van een schending van de wet van 15 juni 1935 erkend door geïntimeerden en de eerste rechter verklaarde, na samenvoeging van beide zaken, de dag-vaarding d.d. 10 september 2003 nietig. De eerste rechter deed recht op grond van de dagvaarding d.d. 26 mei 2004, verklaarde het Belgisch recht van toepassing op de overeenkomst van vervoer en de eruit voortspruitende vordering wegens foutvracht. De eerste rechter verklaarde de vordering, bij toepassing van art. 120 Z.W., ingesteld door geïntimeerde sub 1 SPLIETHOFF ten aanzien van ASE METALS toelaatbaar en ge-grond tot beloop van de tegenwaarde in EUR van US $ 79.623,51 aan de hoogste koers de dag van betaling doch niet lager dan de koers de dag van dagvaarding, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten. De vordering ingesteld door NICHOLE SHIPPING werd toelaat-baar doch ongegrond verklaard. Dit aspect maakt het voorwerp uit van het incidenteel beroep. III. Appellante verzoekt het Hof, bij hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden on-ontvankelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren. Ondergeschikt verzoekt appellante om de vordering ‘te herleiden tot de werkelijk bewezen schade, maximaal 32.132,58 US $' en de vordering tot omzetting van munteenheid af te wijzen. Appellante tot slot concludeert tot de ongegrondheid van het inci-denteel beroep. * Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en beogen met het incidenteel beroep opdat de vordering ‘eveneens in hoofde van tweede geïntimeerde ontvankelijk en ge-grond zou worden verklaard'. * IV. De relevante feiten en antecedenten zijn, bondig samengevat, de volgende: 1. ASE METALS boekt via haar expediteur OVERSEAS SHIPPERS in april 2003 bij TRS, zijnde de agente van SPLIETHOFF te Ant-werpen, scheepsruimte aan boord van het ms. EGLANTIERS-GRACHT / ‘sub' (‘substitute' / ‘vervangend schip') voor een partij van 1.400 ton tot max 1.630 ton bobijnen staalplaten met het oog op het vervoer van de lading naar Kingston (Jamaica) (stukken 2, 3, 4 en 5 bundel appellante). Voor de verscheping en vervoer werd door SPLIETHOFF het ms. ALCHIBA genomineerd, dat op 29/30 april 2003 te Antwerpen laad-bereid zou zijn. Er werd door VAN AMEYDE op 29 april 2003 voor rekening van SPLIETHOFF een pre-belading inspectie uitgevoerd van de te verschepen goederen. (stuk B.7, p. 3 in fine - bundel geïntimeer-den) 2. De voorwaarden van bevrachting waren onder andere de volgen-de: tegen een vrachtprijs van 59 US $ per metrieke ton en ‘coils fully stackable, no tierlimitations' (‘stalen rollen volledig stapelbaar en zonder beperking in de hoogte'- stuk 2 bundel appellante). 3. Tijdens de belading van het ms. ALCHIBA op 30 april 2003, onge-veer na een half uur laden van de derde tier (rij) werd vastgesteld dat minstens één bobijn in een onder gelegen rij, ‘geovaliseerd' was (verder door partijen omschreven als een ovale vorm aanne-mend, eivormig, afgeplat, platgedrukt, verbogen, vervormd). OVERSEAS SHIPPING werd in kennis gesteld. De belading werd stopgezet. De belanghebbende bij de goederen werden uitgenodigd tot te-gensprekelijke vaststellingen aan boord van het ms. ALCHIBA. De heer NUYTS van het expertisebureau ATLANT begaf zich na-mens OVERSEAS/ASE METALS ter plaatse. VAN AMEYDE deed vaststellingen nopens SPLIETHOFF. Ook een expert, zekere GROSSO, was aanwezig namens de FOB-leverancier van de coils. Er werd onder meer vastgesteld dat één bobijn op de onderste rij duidelijk ‘geovaliseerd' (afgeplat) was en ‘enkele bobijen op de onderste rijen achterin enkele indicaties vertoonden van ‘ovalisa-tie' (verslag ATLANT, p. 2 § 3 en 4 - stuk 6 bundel appellante) (zie ook verslag VAN AMEYDE, p. 3 § 3 en § 5 - stuk B 7 bundel geïntimeerde). 4. Besloten werd door de (wal)kapitein van SPLIETHOFF om het deel van de reeds geladen bobijnen, drie hoog gestapeld, te ont-laden tot maximaal twee hoog en geen verdere bobijnen te laden aan boord van het ms. ALCHIBIA. Aldus werden slechts 63 bobijnen van de partij van 376 bobijnen geladen en verscheept per ms. ALCHIBA. Een cognossement ANT-KIN-002 onder hoofding NICHOLE SHIPPING werd uitge-steld te Antwerpen op 30 april 2003 met betrekking tot ‘63 aluzinc coils' (stuk 8 bundel appellante). Het schip vertrok op 30 april 2003 rond 17h.00 vanuit Antwerpen. De rest of 304 bobijnen werd op kade/in magazijn achtergelaten en op 4 juni 2003 per ms. EMMSGRACHT verscheept. 5. SPLIETHOFF heeft ASE METALS verantwoordelijk gesteld voor de gedeeltelijke niet-verscheping van de bobijnen aan boord van het ms. ALCHIBA (stuk E.11 bundel geïntimeerden) en vordert op grond van art. 120 Z.W. een foutvracht tot beloop van 79.623,51 US $. ASE METALS heeft deze aanspraak betwist zoals blijkt uit haar e-mail van 7 mei 2003 (stuk 11 bundel appellante). V. GRIEVEN Appellante heeft de volgende grieven geuit tegen het bestreden vonnis:
- a)de eerste rechter is ten onrechte tot het besluit gekomen dat Belgisch recht van toepassing is: volgens appellante is Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst
- b)art. 120 Z.W. is enkel van toepassing op overeenkomsten van bevrachting, terwijl er ter zake enkel sprake is van een vervoerovereenkomst
- c)aan de voorwaarden om art. 120 Z.W. toe te passen is niet voldaan, nu ASE METALS de volledige lading op kade heeft gebracht
- d)de rederij besliste eenzijdig een deel van de lading te wei-geren, zonder aanmaning, ingebrekestelling, zonder voor-afgaande opmerking
- e)de beslissing tot weigering was onterecht, nu de goederen wel degelijk 3 tot 4 tier hoog konden gestapeld worden
- f)de overige lading werd nadien verscheept, waardoor SPLIETHOFF afstand deed van haar vorderingsrecht
- g)het verlies/schade in hoofde van SPLIETHOFF is niet aan-getoond Geïntimeerde heeft ook een grief in verband met het bestreden vonnis, met name waar de eerste rechter stelde dat NICHOLE SHIPPING over geen vorderingsrecht beschikt (de boeking van ASE METALS via OVERSEAS SHIPPING geschiedde met SPLIETHOFF via TRS). VI. BEOORDELING A. Met betrekking tot de het toepasselijk recht In de regel wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is (art. 4.1 van het Verdrag van 19 juni 1980 - hierna ook EVO-Verdrag of EVO). Het vermoeden van de meest kenmerkende prestaties, vermeld in art. 4.2 geldt niet ingeval van een overeenkomst tot vervoer over zee, zijnde in casu een (partiële) bevrachting voor een reis tussen Antwerpen en Kingston (zie infra V.B). Art. 4.4 EVO bepaalt dat de overeenkomst wordt vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land waarvan de vervrachter (SPLIETHOFF) zijn hoofdvestiging (Amsterdam, Nederland) heeft ten tijde van de sluiting van de overeenkomst, indien dit tevens het land is waar de plaats van inladen (België) of lossing (Jamai-
- ca)is, dan wel de hoofdvestiging van de verzender (België) is. Art. 4.4 EVO voorziet in een cumulatie van criteria. Deze zijn ter zake niet vervuld, zodat er dient te worden teruggegrepen naar art. 4.1 EVO, met name het recht van het land waarmee de vorde-ring de nauwste binding heeft. De overeenkomst in kwestie kwam tot stand te Antwerpen, het schip was laad-bereid te Antwerpen, de goederen werden ter be-lading aangeboden door de te Antwerpen gevestigde verscheper / bevrachter ASE METALS te Antwerpen, de reis nam een aanvang te Antwerpen en de vracht was betaalbaar bij de agente van SPLIETHOFF te Antwerpen. Al deze elementen wegen zwaarder door dan het feit dat ‘de rede-rij gevestigd is te Amsterdam (Nederland). De kwestieuze verbin-tenissen in verband met het aanbieden van de lading in een zee-waardige toestand, respectievelijk het in zeewaardige en laad- bereide toestand aanbieden van het schip, alsook met het vervoer van de goederen zelf zijn het nauwst verbonden met België en dientengevolge is het Belgisch recht van toepassing op de verbin-tenissen voortspruitend uit de overeenkomst. De eerste grief van appellante snijdt geen hout. De eerste rechter kan gevolgd worden in zijn oordeel (p 4/5). B. Met betrekking tot de kwalificatie van de overeenkomst Partijen sloten per april 2003 - zie supra IV.1 en 2 - een (partiële) bevrachtingovereenkomst voor één bepaalde reis : · tussen partijen was overeenstemming nopens de aard en het vervoer van de koopwaar en omtrent de naam van het schip / vervangend schip · er was overeenstemming nopens de verschepingshaven (Antwerpen) en bestemmingshaven (Kingston) · er was overeenstemming nopens de laadbereidheid van het schip en het tijdstip waarop de belading diende te ge-beuren · er was overeenstemming nopens de vrachtprijs Als een bevrachter/verlader plaats reserveert aan boord van een schip voor een bepaalde koopwaar met het oog op een welbe-paalde reis tegen een overeengekomen prijs, bevestigd door de rederij/vervrachter of diens agent, komt een rechtsgeldige be-vrachtingovereenkomst tot stand. Aan al deze voorwaarden is ter zake voldaan. Een onderscheid tussen een bevrachtingovereenkomst (midde-lenovereenkomst) en een vervoerovereenkomst (resultaatover-eenkomst) behoort niet tot het Belgisch positief recht. De over-eenkomst tot bevrachting van een deel van het schip impliceert, grof geschetst, van de zijde van de vervrachter een (resultaat) verbintenis tot vervoer van de goederen en van de zijde van de bevrachter een verbintenis tot de aanbieding van de lading. Naar Belgisch positief recht wordt aangenomen dat elke overeen-komst van vervoer van goederen per zeeschip, ook indien dit on-der dekking van een cognossement is geschied, als een bevrach-tingovereenkomst dient te worden aangezien. Dit heeft als gevolg dat de bepalingen van Titel III van Boek II Wb. Kph. (‘Charterpartij of overeenkomst van scheepshuur') van toepassing zijn, tenzij er uitdrukkelijk zou zijn van afgeweken. Onder hoger geciteerde be-paling bevindt zich art.120 Z.W. Ten overvloede merkt het Hof op dat de door appellante geciteer-de casus (Brussel, 4 mei 1962, JPA,1962, 324) een geval van halve vracht (art. 120.4 Z.W.) betrof, te onderscheiden van fout-vracht (art. 120.2 Z.W.). De tweede grief, ontwikkeld door appellante, kan evenmin worden aangenomen. C. Met betrekking tot de vorderingsgerechtigheid van NICHOLE SHIPPING Dit onderdeel heeft betrekking op het contractueel verband tussen partijen. Niet betwist wordt dat de overeenkomst tot bevrachting van een deel van ms. ALCHIBA tot stand kwam tussen SPLIETHOFF en ASE METALS, via hun lasthebbers te Antwer-pen. Dat NICHOLE SHIPPING mede de vordering instelde om een mogelijke tegenwerping te ondervangen in hoofde van ASE ME-TALS - met name de afwezigheid van een contractueel verband tussen haar en SPLIETHOFF - moge dan al ingegeven zijn door tactische overwegingen, maar laat onverlet dat er geen contractu-eel bewezen verband is tussen NICHOLE SHIPPING en ASE METALS. De eerste rechter verklaarde de vordering in hoofde van NICHO-LE SHIPPING terecht ongegrond. Het incidenteel beroep faalt. D. Met betrekking tot art. 120.2 Z.W. Het Hof constateert dat de standpunten inzake de feitelijke toe-dracht van de zaak grondig verschilt naargelang het relaas van ASE METALS, dan wel dit van SPLIETHOFF. ASE METALS houdt voor dat zij correct, tijdig en volkomen vol-gens de gangbare normen de volledige lading aangeboden heeft ter verscheping, de desbetreffende bobijnen perfect 3-hoog kon-den worden gestapeld en de beslissing om ze niet hoger te stape-len dan 2-hoog eenzijdig door de scheepsleiding werd genomen. SPLIETHOFF daarentegen stelt dat bij aanvang van de belading en de stuwing van de 3de tier (rij) er ‘ovalisatie' van één, zelfs meerdere bobijnen werd vastgesteld; er overleg was tussen de diverse experts en zowel zijdens de supercargo van het schip / VAN AMYEDE als zijdens de expert van de producent van de bo-bijnen (GROSSO) als de expert van OVERSEAS / ASE METALS (de heer NUYTS) overeenstemming was dat het verder stapelen op 3-niveau of hoger het desbetreffend schip ALCHIBA en diens lading in gevaar had kunnen brengen, respectievelijk de kans op verdere en ernstige schade aan andere bobijnen/andere cargo aanzienlijk toenam. Alvorens verder recht te doen acht het Hof het aangewezen de hiernavolgende onderzoeksmaatregel te bevelen. Beide partijen zijn gehouden de provisie van de ereloon- en on-kostenstaat van de deskundige bij helft te voldoen. OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep in huidige stand van wijzen toelaatbaar en ongegrond zoals hierna aangegeven, het incidenteel beroep toelaatbaar en ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat de eerste rechter voor recht zegde dat Belgisch recht van toepassing is op de over-eenkomst en de vordering ingesteld door NICHOLE SHIPPING toelaatbaar doch ongegrond is. Zegt in huidige stand van wijzen voor recht dat deze overeen-komst als een partiële overeenkomst van bevrachting van een schip voor een bepaalde reis dient te worden gekwalificeerd. Beveelt een deskundigenonderzoek alvorens verder ten gronde recht te doen en stelt kapitein DE SMEDT van de Nautische Commissie bij de rechtbank van koophandel te Antwerpen, p/a Groenendaallaan 103/105 te 2170 Merksem aan met als op-dracht: "kennis te nemen van alle stukken, onder meer en zonder beper-kend te zijn, het rapport pre-loading, de technische rapporten van de diverse experts, desgevallend over te gaan tot verhoor van deze experts, technisch advies te geven over de lading en het desbetreffend schip, te zeggen of het technisch-nautisch verant-woord was om de belading van de desbetreffende coils op 30 april 2003 aan boord van ms. ALCHIBA stop te zetten, advies te geven of deze beslissing te maken heeft met de staat van de lading zoals aangeboden door ASE METALS en/of er andere factoren spelen die geen verband houden met de aard van deze lading, advies te geven over wat onder ‘ovalisatie' van de stalen bobijnen precies dient te worden verstaan, verder het Hof en partijen van advies te zijn of, gegeven een in principe eventueel te rechtvaardigen be-slissing om niet hoger dan 2-niveau te laden, hoeveel bobijnen alsdan konden geladen worden, gegeven de reis en de andere lading aan boord, te zeggen of er desgevallend meer dan 63 bo-bijnen konden geladen worden op 30 april 2003 dan wel dit, ge-geven de omstandigheden, een maximum was, verder te ant-woorden op alle vragen van partijen ..." Van zijn bevindingen een behoorlijk beëdigd verslag (art. 979 Ger.W.) op te stellen en dit, na het aan partijen in voorlezing te hebben gezonden om hen de gelegenheid te geven hun opmer-kingen te formuleren, ter griffie van het Hof neer te leggen binnen de zes maanden nadat hem overeenkomstig art. 965 Ger.W., op verzoek van de meest gerede partij, kennis zal zijn gegeven van zijn opdracht en hij per brief aan de rechter en de partijen de plaats, de dag en het uur waarop hij zijn werkzaamheden zal aan-vangen ter kennis heeft gebracht. De staat van kosten en erelonen onder aan de verslagen te stel-len. Zegt voor recht dat in toepassing van artikel 973 Ger.W. het des-kundigenonderzoek doorgaat onder toezicht van de rechter, zodat de deskundige, na zijn opdracht te hebben aanvaard, gehouden is bij gewone brief het Hof in te lichten van de inwerkingstelling door de partijen en van het verloop van de expertiseverrichtingen, en zorg te dragen het definitief verslag binnen de toegekende termijn neer te leggen. In geval van niet naleving van deze termijn be-hoort het krachtens artikel 975 Ger.W. aan de deskundige om een met redenen bekleed schrijven om verlenging van de termijn te verzoeken. Verzendt inmiddels de zaak voor verdere beslechting naar de bij-zondere rol en houdt de kosten aan. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter de Heer P. DE BAETS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier M. Van Ammelen P. Renaers B. Ponet P. De Baets PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070129.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div