← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070129.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070129.20 Rolnummer: 2005AR2950 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-08-14 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 15:14 Fiche De FOB-koper werd voorafgaand de totstandkoming van de bevrachting- en vervoerovereenkomst én in kennis gesteld van de cognossementvoorwaarden van de rederij én heeft deze voorwaarden onderschreven, nu er eveneens uitdrukkelijk naar verwezen wordt op het mate's receipt, deeluitmakend van de laadbrief. Het cognossement is in casu niet te aanzien als een verhandelbare titel, maar als een niet-verhandelbaar vervoerdocument en een niet-verhandelbaar ontvangstbewijs. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verordening EG nr. 44/2001 van 22 december 2000 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Bevoegdheid HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - SCHIP EN SCHEEPVAART - Cognossement Vrije woorden: Cognossement - bevoegdheidsbeding op keerzijde - art. 23 EEX-Verordening - kennis en aanvaarding voor contractsluiting Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2005/AR/2950 : vennootschap naar Amerikaans recht ZEPPELIN SYSTEMS USA Inc, met vennootschapszetel te U.S.A., Houston, Texas 77041, 6125 W. Sam Houston Parkway N, Suite 503; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 9 juni 2005; vertegenwoordigd door Meester F. Van Bellinghen, advocaat te 2018 Antwerpen, Isabella Brantstraat 63; tegen :

  1. de vennootschap naar Nederlands recht C.V. SCHEEP-VAARTONDERNEMING POTTERSGRACHT, met vennoot-schapszetel te Nederland, 1042 AA Amsterdam, Radarweg 36, (zie stuk 15);
  2. de vennootschap naar Nederlands recht B.V. SPLIETHOFF'S BEVRACHTINGSKANTOOR, met vennootschapszetel te Neder-land, 1042 AA Amsterdam, Radarweg 36; geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester M. Cornette, advocaat te 2000 Antwerpen, Nationalestraat 4 bus 2; De door de wet vereiste procedurestukken worden overgelegd, waaronder het bestreden op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 9 juni 2005, waarte-gen hoger beroep werd aangetekend door middel van een akte van hoger beroep betekend op 7 oktober 2005 door het ambt van gerechtsdeurwaarder MARIA WELLENS met standplaats te Ant-werpen en neergelegd ter griffie op 25 november
  3. Er wordt een akte van betekening d.d. 28 juli 2005 overgelegd. Het hoger beroep is naar vorm en termijn regelmatig. Het is toe-laatbaar. Bij conclusie d.d. 30 juni 2006 werd door geïntimeerden inciden-teel beroep ingesteld. Appellante werpt de niet-toelaatbaarheid op van het incidenteel beroep. I. Bij exploot d.d. 12 december 2003 dagvaardde huidige vennoot-schap naar Amerikaans recht ZEPPELIN SYSTEMS USA INC.(hierna ook ZEPPELIN USA) huidig eerste geïntimeerde C.V. SCHEEPVAARTONDERNEMING POTTERSGRACHT (hierna ook POTTERSGRACHT) en tweede geïntimeerde B.V. SPLIETHOFF BEVRACHTINGSKANTOOR (hierna ook SPLIETHOFF) ter solidaire veroordeling tot betaling van 41.315,60 US $ ofwel de tegenwaarde in EUR aan de hoogste koers de dag van betaling. De vordering heeft betrekking op een beweerde schade aan een aluminium silo die aan boord van het ms. LOOIERSGRACHT werd vervoerd tussen Antwerpen en Houston (Texas, USA). II. Bij bestreden vonnis verklaarde de rechter zich bevoegd om ken-nis te nemen van het geschil. De eerste rechter onderzocht of het bevoegdheidsbeding voorko-mend op de rugzijde van het cognossement, ingeroepen door POTTERSGRACHT/SPLIETHOFF beantwoordt aan de vereisten van art. 23 EEX. Na analyse oordeelde de eerste rechter dat "verweersters in gebreke blijven aan te tonen dat aan de voor-waarden van het reeds eerder geciteerde arrest van 19 juni 1984 van het Hof van Justitie is voldaan". De eerste rechter preciseerde dat het vervoerdocument geen verhandelbaar cognossement be-treft "zodat eiseres ook niet de hoedanigheid van derde cognos-sementhouder heeft". Vervolgens onderzocht de eerste rechter de bevoegdheid in het licht van art. 2 en 5.1 EEX-V°. Volgens de eerste rechter is niet art. 5.1 b) van toepassing, maar art. 5.1a), zodat dient te worden vastgesteld volgens de collisieregels van de aangezochte rechter welk recht van toepassing is op de betwiste verbintenis, waarna volgens dat recht de plaats, waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, bepaald dient te worden. De eerste rechter komt via art. 4.5 EVO tot het besluit "dat de ver-voerovereenkomst nauwer verbonden is met België". Volgens de eerste rechter gaat de betwisting over "de interpretatie van de vervoerovereenkomst die in Antwerpen werd gesloten, met name werd overeengekomen dat de silo op dek zou worden geladen en de plaats van inlading Antwerpen is die als plaats van uitvoering dient te worden genomen", ergo de eerste rechter verklaarde zich bevoegd. Wat de grond van de zaak betreft stelde de eerste rechter dat het "bevoegdheidsbeding vermeld in art. 25 van de zeevrachtbrief niet geldig is, dus ook niet het rechtskeuzebeding", zodat via het EVO tot de toepassing van het toepasselijk recht dient te worden beslo-ten, zijnde het Belgisch recht, aldus de eerste rechter. De zeevervoerder geniet, volgens de eerste rechter, contractsvrij-heid en overeenkomstig de specifieke dekclausule en ook op ba-sis van art. 9 van de zeevrachtbrief hebben verweerders, aldus de eerste rechter, zich op rechtsgeldige wijze geëxonereerd voor elke aansprakelijkheid ten gevolge van verlies of schade aan dekla-ding. De eerste rechter verklaarde de vordering van ZEPPELIN USA bijgevolg toelaatbaar (ontvankelijk) doch ongegrond. III. Appellante verzoekt het Hof, bij hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering ten aanzien van POT-TERSGRACHT en SPLIETHOFF te horen toewijzen en hen soli-dair te veroordelen tot betaling van de tegenwaarde in EUR van 41.315,60 US $ aan de hoogste koers de dag van betaling doch geenszins lager dan die van 10 januari 2003, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke intresten. Appellante stelt in het overwegend gedeelte van de synthesecon-clusie d.d. 30 november 2006 dat het incidenteel beroep niet- toe-laatbaar is, nu geïntimeerden geen belang (zouden) hebben "daar ten gronde de rechtbank de eis heeft afgewezen". Geïntimeerden beogen met hun incidenteel beroep opdat voor recht zou gezegd worden dat de eerste rechter zich ten onrechte bevoegd verklaarde, dus om de exceptie van onbevoegdheid / het - zonder-rechtsmacht - zijn gegrond te verklaren, minstens de vordering slechts ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren tot beloop van 50% ten aanzien van tweede geïntimeerde SPLIETHOFF. Ondergeschikt verzoeken geïntimeerden het eerste vonnis te be-vestigen - zij concluderen dus tot de ongegrondheid van het ho-ger beroep - minstens (ondergeschikt, ten gronde) de aansprake-lijkheidsbeperking toe te passen tot 500 US $ per collo, minstens tot beloop van 31.000 SDR. IV. De feiten en antecedenten zijn, kort samengevat, de volgende:
  4. Per e-mail van 28 november 2002 doet TRS, agente te Antwer-pen van SPLIETHOFF, opgave aan TRANSMARCOM van de specificaties/voorwaarden in verband met een vervoer per schip van een ‘alu silo on craddle' (‘een silo in aluminium op draagstoel') van ca 15 ton vanuit Antwerpen naar Houston. TRS geeft daarbij onder meer aan dat ‘deck shipment at mer-chants risk' ("deklading op risico van de goederenbelanghebben-de'') geschiedt en ‘carriers BN/BL to be used (as attached) (boe-king nota/cognossement van de vervoerder zal worden gebruikt (zoals bijgevoegd) (stuk 8 bundel geïntimeerden).
  5. Op 2 december 2002 plaatst TRANSMARCOM, voor rekening van zijn opdrachtgever ZEPPELIN, bij TRS, agente te Antwerpen van SPLIETHOFF, een boeking voor een niet-verpakte silo aan boord van het ms. LOOIERSGRACHT met het oog op een vervoer van Antwerpen naar Houston (Texas, USA) De ‘booking order' ver-meldt dat het gaat om scheepsruimte onder dek (stuk 1 bundel appellante).
  6. Tussen 6 en 8 december 2002 vond de belading van het ms. LOOIERSGRACHT plaats. De kwestieuze silo werd via lichter aangeleverd en ging, gebed in een houten zadel, in rechtstreekse overslag aan boord van het ms. LOOIERSGRACHT, meer be-paald bovendeks op het achterschip (zie de maatbrief en het na-mens de kapitein ondertekende mate's receipt alsook een rapport van VAN AMEYDE met beschrijving van de belading en stuwage van de silo op het achterdek (stukken 2, 3 en 4, pagina 3 bundel geïntimeerden).
  7. Een cognossement d.d. 8 december 20002 onder referte SFF-VLOOIANTHOU 06 d.d. 2002 wordt door TRS, in naam van de vervoerder POTTERSGRACHT, uitgereikt te Antwerpen met ZEPPELIN BELGIUM als verscheper en DOW USA als bestem-meling en te verwittigen partij (stuk 1 bundel geïntimeerden). Op de voorzijde werd vermeld "express b/l, no original issued" ("express cognossement, geen originelen uitgegeven").
  8. Per e-mail van 13 december 2002 verzoekt TRANSMARCOM om het cognossement als volgt te wijzigen "Consignee: ZEPPELIN USA" (‘bestemmeling: ZEPPELIN USA') in plaats van DOW USA. De andere bepalingen van het cognossement SFFVLOOIANT-HOU 06 konden ongewijzigd blijven (stuk 10 bundel geïntimeer-den). Er wordt een aangepaste versie van het desbetreffend cognos-sement (B/L) uitgereikt, dit met ZEPPELIN USA als bestemmeling (stuk 2 bundel appellante - stuk 11 bundel geïntimeerden).
  9. Klaarblijkelijk had dit te maken met de onderliggende koop-verkoop van de kwestieuze silo. Per kooporder van 3 september 2002 had ZEPPELIN BELGIUM aan ZEPPELIN USA de kwesti-euze silo verkocht op FOB-basis (‘free on board - vrij aan boord'), hetgeen inhoudt dat onder meer de koper instaat voor de kosten van vervoer. De koopsom werd in twee schijven voldaan (stukken 9 en 10/1 en 2 bundel appellante). De kosten met betrekking tot het zeevervoer werden door ZEP-PELIN USA aan ZEPPELIN BELGIUM betaald (bijlage 10/3 bun-del appellante).
  10. De silo werd gelost te Houston (Texas) op 10 januari
  11. Appel-lante brengt onder stuk 5 een - bijzonder slecht - leesbaar docu-ment bij waaruit zou blijken dat er op 10 januari 2003 (01-10-2003) schade werd vastgesteld aan de silo. Partijen hebben vaststellingen laten doen via eigen experts : ex-pert 3 D MARINE trad op voor SPLIETHOFF (stuk 6 bundel geïn-timeerden) en EWIG voor rekening van ZEPPELIN USA/DOW (stuk 4 bundel appellante). Vaststaat is dat het schip tijdens de overtocht van de Atlantische oceaan slecht en ruw weder ondervond. Het rapport 3D MARINE spreekt van winden tot 9 Beaufort. 3 D MARINE concludeert in haar rapport dat "de fysieke schade aan de silo overeenkwam met schade die zou zijn veroorzaakt tijdens de periodes van zwaar weer, als gevolg van onvoldoende verpakking van de silo - o.a. de wieg onvoldoende vastgemaakt aan de silo - en niet opgewassen tegen een vervoer over de oce-aan" (p.16). In het rapport EWIG wordt geconcludeerd dat "de lashings (zijnde riemen en/of spanbanden - in casu staalbanden - aangewend om de lading vast te sjorren) onvoldoende waren om de silo te zeke-ren en bijkomend de zadels van een minimum wijdte waren" (p.15).
  12. De schade aan de silo werd, kosten vervoer inbegrepen, begroot op 31.500 US $. (rapport 3D MARINE, p.15). Er is een herstelfac-tuur tot beloop van dit bedrag (stuk 8 bundel appellante). ZEPPELIN USA vordert tevens bijkomende kosten voor werkuren en verplaatsing tot beloop van 9.815,60 US $, samen 41.315,60 US $. V. BEOORDELING A. Met betrekking tot de toelaatbaarheid van het incidenteel be-roep. Geïntimeerden hebben ten aanzien van de eerste rechter de ex-ceptie van onbevoegdheid (rechtsmacht) voorgedragen en werden afgewezen. Geïntimeerden beogen met het incidenteel beroep opdat voor recht zou worden gezegd dat de Belgische rechter geen rechts-macht heeft. In civiele zaken kan een partij hoger beroep - zelfstandig dan wel incidenteel - instellen wanneer zij partij was en op één of ander punt in het ongelijk is gesteld. Het incidenteel beroep is bijgevolg toelaatbaar. B. Met betrekking tot de exceptie van onbevoegdheid (rechts-macht) Voorwerp van het debat is clausule 25 voorkomend op de keerzij-de van het cognossement, zowel in origineel (Engels) als in verta-ling door de eerste rechter geciteerd (p.2 vonnis a quo). Volledigheidshalve wordt hier de kwestieuze clausule in niet be-twiste Nederlandse vertaling geciteerd: "elke betwisting die uit dit cognossement ontstaat zal worden beslecht in overeenstemming met het Nederlands recht, tenzij hierin elders anders bepaald, en voor de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, aan wiens uit-sluitende bevoegdheid de vervoerder en handelaar zich onder-werpen". Geïntimeerden houden voor dat appellante gebonden is door het forumbeding, nu zij bij de contractsluiting ingestemd heeft met dit beding. Bij toepassing van art. 23 EEX- V° - ten dezen van toe-passing - is er sprake van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de zin van art. 23.1 a EEX-V°. Niet betwist is dat geïntimeerden "woonplaats" hebben op het grondgebied van een lidstaat, met name Nederland. Hoger IV 1 en 2 werd in de feiten uiteengezet hoe de boeking/ reservering plaatsruimte aan boord van ms. LOOIERSGRACHT is geschied: · bij bekendmaking van het aanbod tot vervrachting van scheepsruimte op één van de schepen, uitgebaat door SPLIETHOFF, door TRS, agente van SPLIETHOFF te Antwerpen, op 28 november 2002 wordt uitdrukkelijk ver-wezen naar ‘BN/BL: carriers BN/BL to be used (as atta-ched) (boeking nota/cognossement van vervoerder zal worden gebruikt (zoals aangehecht); · deze specifieke term van het aanbod werd door TRANS-MARCOM bij bevestiging van de boeking op 2 december 2002 niet gecontesteerd; · niet betwist wordt dat de hoger geciteerde clausule voor-komt onder nummer 25 van de voorwaarden voorkomend op het desbetreffend cognossement (b/l); · TRANSMARCOM manifesteert zich ‘voor rekening van on-ze opdrachtgevers' - in fine van de boeking d.d. 2 decem-ber 2002 wordt dit geëxpliciteerd als ZEPPELIN - zonder enige verdere toevoeging; · TRANSMARCOM bezorgt naar aanleiding van de belading van het ms. LOOIERSGRACHT een set ‘laadbrief' aan de agent TRS van het ms. LOOIERSGRACHT, waaronder een mate's receipt dat, na belading door of namens de kapitein van het ms. LOOIERSGRACHT wordt afgetekend en waar-op vermeld staat "aan de voorwaarden op de keerzijde aangeduid, de hierboven vermelde goederen te vervoeren overeenkomstig de clausules en voorwaarden van de lijn"; · ZEPPELIN USA is de FOB-koper van de silo zodat zij in principe instaat voor het vervoer (via TRANSMARCOM) · in dagvaarding d.d. 12 december 2003 stelt ZEPPELIN USA overigens op pagina 2 § 4 ondubbelzinnig "dat de N.V. TRANSMARCOM in naam en voor rekening van ZEPPELIN USA scheepsruimte onder dek boekte op het ms. LOOIERSGRACHT voor afvaart op 6 december 2002"; Uit deze elementen, in hun onderling verband, volgt dat ZEPPE-LIN USA door middel van haar lasthebber TRANSMARCOM te Antwerpen wel degelijk voorafgaand de totstandkoming van de bevrachting- en vervoerovereenkomst én in kennis werd gesteld van de cognossementvoorwaarden van de rederij én deze voor-waarden had onderschreven, nu er eveneens uitdrukkelijk naar verwezen wordt op het mate's receipt, deeluitmakend van de laadbrief, die te Antwerpen wordt aangereikt door TRANSMAR-COM/ZEPPELIN USA. Overigens is het cognossement in casu niet te aanzien als een verhandelbare titel, maar als een niet-verhandelbaar vervoerdo-cument en een niet-verhandelbaar ontvangstbewijs, zoals de eer-ste rechter terecht aangaf (vonnis a quo p. 7 § 2 en 3; zie ook su-pra IV. 4 en 5). Uit dit alles volgt dat terzake bewezen is dat ZEPPELIN USA in-stemming heeft betuigd met en gehouden is door het hoger geci-teerde bevoegdheidsaanwijzend beding opgenomen op de keer-zijde van het desbetreffend cognossement. Deze aanwijzing van bevoegdheid is exclusief. Partijen zijn niet anders overeengekomen. Besluit De eerste rechter heeft zich ten onrechte bevoegd verklaard. Het incidenteel beroep treft doel. Er wordt voor recht gezegd dat de eerste rechter zich zonder rechtsmacht had dienen te verklaren. OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni
  13. Verklaart het incidenteel beroep toelaatbaar en gegrond, hervormt het bestreden vonnis in die zin dat de eerste rechter zich zonder rechtsmacht had dienen te verklaren. Verwijst appellante in de kosten van beide aanleggen aan de zijde van geïntimeerden vereffend op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 342,09 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 485,87 EUR Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGENENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter de Heer P. DE BAETS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier M. Van Ammelen P. Renaers B. Ponet P. De Baets PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070129.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.