id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070207.11 Rolnummer: 2003/AR/1822 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2007-09-20 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 15:16 Fiche De arbeidsongevallenwet is niet van toepassing op een uitkeringsgerechtigde VDAB-cursist die een ongeval overkomt tijdens de beroepsopleiding. Het slachtoffer kan aanspraak maken op de waarborg van de verplichte ongevallenverzekering van de VDAB en is gerechtigd op dezelfde vergoedingen als bij de arbeidsongevallenwet (art. 95 §1 Besluit Vl. Reg. d.d. 21.12.1988). De gelijkstelling van de vergoedingen impliceert dat het slachtoffer hetzelfde voordeel moet krijgen als in de arbeidsongevallenwet. Dit houdt niet in dat de sociale zekerheidsbijdragen in de berekeningsbasis moeten worden begrepen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Arbeidsongevallenverzekering - Algemeen SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Arbeidsongeval - Bijzondere regelingen Vrije woorden: verzekering - arbeidsongeval - ongeval van uitkeringsgerechtigde VDAB-cursist op weg naar het werk - verplichte ongevallenverzekering bij beroepsopleiding - recht op vergoeding - art. 95 §1 Besluit Vl. Reg. d.d. 21.12.1988 - gelijkstelling van de vergoeding met de arbeidsongevallenwet - berekeningsbasis Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Executieve - 21-12-1988 - 95 §1 - 1988122136/N Link Justel databank 19881221-1988122136/N Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2003/AR/1822 ETHIAS voorheen De ONDERLINGE MAATSCHAPPIJ DER OPENBARE BESTUREN (O.M.O.B.), met maatschappelijke zetel te LUIK, Rue des Croisiers 24, en met uitbatingszetel voor Vlaanderen te 3500 HASSELT, Prins Bisschopssingel 73, appellante, vertegenwoordigd door Mr. Erik BOFFIN loco Mr. ZIMMERMANN Marijke, advocaat te 3500 HASSELT, Paul Bellefroidlaan 12 tegen het vonnis gewezen op 07 maart 2000 door de Arbeidsrechtbank te Hasselt en na arrest van het Arbeidshof Antwerpen, afdeling Hasselt, van 25 juni 2003, waarbij de zaak werd verzonden naar het Hof van Beroep te Antwerpen tegen D. B., wonende te X geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Hilde TIELENS loco Mr. VAN DER GRAESEN Arne, advocaat te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 *** Gelet op het tussenarrest van dit Hof en deze Kamer, gewezen op 21 april 2004, waarbij het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gegrond werd verklaard voor zover de vernietiging van het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 7 maart 2000 werd gevorderd, waarbij dienvolgens het bestreden vonnis werd vernietigd en tevens voor recht werd gezegd dat de wet op de arbeidsongevallen van 10 april 1971 in casu niet van toepassing is, en tenslotte alvorens verder recht te doen, dokter P. HENROTTE als deskundige werd aangesteld met welbepaalde opdracht. Gezien het verslag van deskundige HENROTTE, neergelegd ter griffie van het hof op 12 december
- Gehoord de partijen in hun middelen en conclusies ter terechtzitting van 3 januari
- Appellante streeft na dat voor recht zou worden gezegd dat het basisloon dient begroot te worden onder aftrek van de sociale zekerheidsbijdragen en dat het basisloon in casu zou worden bepaald op 11.978,49 EUR. Dienvolgens streeft appellante na dat geïntimeerde een gelijkaardig voordeel zou worden toegekend als gewaarborgd in de wet op de arbeidsongevallen, met name vergoedingen gebaseerd op het te berekenen basisloon, maar verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen hetzij 11.978,49 EUR en dit rekening houdend met de besluiten van de deskundige d.d. 7 december
- Geïntimeerde streeft na dat voor recht zou worden gezegd dat zij ingevolge het ongeval van 2 april 1992 getroffen is door een tijdelijke arbeidsongeschiktheid à 100% vanaf 2 april 1992 t/m 29 april 1997, dat de consolidatiedatum werd bereikt op 30 april 1997, dat de graad van de fysieke blijvende ongeschiktheid 60% bedraagt en de graad van blijvende economische arbeidsongeschiktheid 100% i.p.v. 70% sedert 30 april
- Verder dat de hulp van derden definitief zou worden bepaald op 6 uren per week, dat de kinesitherapeutische behandelingen van 3 X per week definitief en niet degressief zouden worden behouden voor de toekomst, dat de prothesen en orthopedische toestellen weergegeven in het verslag van dokter HENROTTE eveneens in aanmerking zouden worden genomen en dat voorbehoud zou worden verleend voor de toekomst voor wat de noodzakelijke behandelingen betreft in de pijnkliniek. Verder streeft geïntimeerde na dat appellante zou worden veroordeeld om in toepassing van artikel 877 Ger.W. de berekening van het basisloon voor te leggen zoals beschreven in haar beroepsconclusies, en dat ze zou worden veroordeeld de vergoedingen uit te keren rekening houdende met de bepalingen van artikel 95 § 1 van het Besluit van 21 december 1998, momenteel begroot op 1 EUR provisioneel. Tenslotte streeft geïntimeerde na dat appellante zou worden veroordeeld tot betaling van de esthetische schade t.b.v. 25.000 EUR, meer de vergoedende interesten vanaf de datum van het ongeval tot de datum der integrale betaling, meer de kosten van het geding. I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VORDERING - VOORGAANDE. Geïntimeerde volgde als RVA-gerechtigde een beroepsopleiding bij de VDAB en dit als "bejaarden- en gezinshelpster" - beroepsopleiding welke kadert in de Besluiten van de Vlaamse Regering d.d. 21 december 1988 betreffende de Organisatie van de Arbeidsbemiddeling en de Beroepsopleiding. Dit Besluit voorziet in artikel 95 §1: "Met uitzondering van de onder artikel 89 §2 bedoelde cursisten sluit de Dienst inzake ongevallen tijdens de opleiding en op de weg van en naar de opleidingsplaats een verzekeringscontract af dat bij ongevallen dezelfde voordelen waarborgt aan de cursist als die welke in het aangeleerd beroep worden verleend aan een meerderjarige werknemer in loondienst, zoals voorzien in de wet van 10 april 1971 betreffende de Arbeidsongevallen en haar uitvoeringsbesluiten". De V.D.A.B. sloot aldus met ingang van 1 januari 1992 een polis af bij appellante. Tijdens haar opleiding, meer bepaald op 2 april 1992, raakte geïntimeerde betrokken in een zwaar verkeersongeval, dit op een ogenblik dat zij zich met de auto verplaatste van de ene bejaarde naar de andere, in opdracht van de VDAB. Geïntimeerde werd hierbij zeer ernstig gekwetst, was 10 dagen in coma en diende daarna gedurende 2,5 jaren intensief revalidatie te volgen te Lanaken en bijkomende kinesitherapie aan huis, waar zij bovendien hulp in het huishouden behoefde. Ingevolge het onderzoek door haar raadgevend geneesheer, die geïntimeerde onderzocht in het kader van de hoger vermelde polis, was appellante van oordeel dat de letsels konden worden geconsolideerd op 1 september 1999 met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 60%, en waarbij nog maximaal hulp van derden moest worden voorzien van 2u per dag en 2 à 3 maal per week kinesitherapie. Geïntimeerde kon zich hiermee niet akkoord verklaren en dagvaardde appellante voor de arbeidsrechtbank te Hasselt, teneinde appellante te horen veroordelen, in afwachting van de definitieve consolidaite, tot terugbetaling van de kinesitherapeutische behandelingen à 5 dagen per week en de hulp in het huishouden à 5 halve dagen in de week, te presteren door het OCMW en volledig terug te betalen door appellante. Tevens werd aangedrongen op de aanstelling van een college van deskundigen met de welomschreven opdracht. Bij vonnis d.d. 7 maart 2000 stelde de arbeidsrechtbank vast dat "partijen het erover eens zijn dat in casu de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing is" en stelde, alvorens nader ten gronde te statueren dokter P. HENROTTE aan als geneesheer-deskundige met welbepaalde opdracht. ETHIAS ging in hoger beroep tegen deze beslissing, meer bepaald in zoverre de arbeidsrechtbank de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 als dusdanig en zonder meer van toepassing verklaarde op het ongeval in kwestie. Volgens ETHIAS valt geïntimeerde geenszins onder het toepassingsgebied van de arbeidsongevallenwet. Bij arrest d.d. 25 juni 2003 verklaarde het Arbeidshof zich materieel onbevoegd onder de motivering dat in deze zaak de vordering niet steunt op de toepassing van de arbeidsongevallenwet, maar op een verzekeringsovereenkomst die haar oorsprong vindt in het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december
- De zaak werd dienvolgens bij toepassing van artikel 643 Ger.W. naar het Hof van Beroep te Antwerpen, zitting houdend in burgerlijke zaken, verzonden. Bij tussenarrest gewezen op 17 december 2003 stelde dit Hof en deze Kamer vast dat door akte te nemen van het uitdrukkelijk akkoord van partijen dat ter oplossing van hun geschil de bepalingen van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen in de private sector van toepassing waren, de eerste rechter enkel vorm heeft gegeven aan dit akkoord/de overeenkomst tussen partijen en dat tegen dergelijk akkoordvonnis in principe geen hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de overeenkomst niet wettelijk tot stand is gekomen (artikel 1043 lid 2 Ger.W.). Het Hof stelde dat hoger beroep enkel mogelijk is om de nietigverklaring van een ongeldig akkoordvonnis te bekomen, niet om de hervorming van een wettelijk tot stand gekomen akkoordvonnis na te streven. Het Hof oordeelde dat in casu het akkoord/de overeenkomst tussen partijen niet wettelijk tot stand is gekomen - want tegen de openbare orde (het komt partijen niet toe overeen te komen dat de arbeidsongevallenwetgeving al dan niet van toepassing is) - en dat dit derhalve ongeldig is. Omdat het Hof evenwel geconfronteerd werd met de vaststelling dat appellante in haar beroepsconclusies niet met zoveel woorden de nietigverklaring van het (ongeldig) akkoordvonnis vorderde (dit in tegenstelling tot wat zij in haar beroepsakte nastreefde), maar enkel verzocht dat voor recht zou worden gezegd dat de wet op de Arbeidsongevallen van 10 april 1971 niet van toepassing is, werden, alvorens over de ontvankelijkheid van het hoger beroep te oordelen, de debatten heropend teneinde meer duidelijkheid te krijgen omtrent de juiste draagwijdte van het hoger beroep en partijen toe te laten over de door het Hof gestelde kwestie standpunt in te nemen. Bij tussenarrest dd 21 april 2004 werd, zoals reeds hierboven aangehaald, het hoger beroep ontvankelijk verklaard, werd het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank vernietigd, werd voor recht gezegd dat de wet op de arbeidsongevallen van 10 april 1971 in casu niet van toepassing is, en werd tenslotte alvorens verder recht te doen, dokter P. HENROTTE als deskundige aangesteld met welbepaalde opdracht. Deskundige HENROTTE legde zijn definitief verslag neer ter griffie van het hof op 12 december
- II. BESLUITEN DESKUNDIGE. In zijn definitief verslag komt deskundige HENROTTE tot de volgende conclusies: - tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% vanaf 2 april 1992 tot en met 29 april 1997 - consolidatie op 30 april 1997 - graad van fysische blijvende ongeschiktheid: 60% - graad van economische arbeidsongeschiktheid: 75% - er is geen evolutie van de letsels te verwachten - kinesitherapeutische behandelingen na consolidatie nog in aanmerking te nemen: · 3 zittingen per week tot 31 augustus 2005 · 2 zittingen per week tot 31 augustus 2006 · 1 zitting per week van 1 september 2006 tot 31 augustus 2007 en dan stopzetting - prothesen en orthopedische toestellen: · ophoging van de linkerschoen met 0,5 cm · wagenaanpassing: stuurbekrachtiging en automatische versnellingsbak - hulp van derden: 6 uren per week voor onderhoud van woonst en het verrichten van boodschappen - littekens: komen niet meer in aanmerking voor plastische correctie. III. BEOORDELING IN RECHTE.
- Betreffende de graad van economische arbeidsongeschiktheid. Geïntimeerde betwist de door de gerechtsdeskundige in zijn definitief verslag weerhouden graad van economische arbeidsongeschiktheid van 75%. Zij is van oordeel dat deze op 100% dient te worden bepaald en verwijst hiertoe in de eerste plaats naar een verslag van de gerechtsdeskundige d.d. 27 december 2000, waarbij de graad van blijvende economische ongeschiktheid werd bepaald op 100%. Het Hof merkt vooreerst op dat dit verslag niet wordt voorgelegd. Blijkbaar betreft het hier een verslag dat tot stand kwam ingevolge het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 7 maart 2000 - vonnis dat evenwel werd vernietigd bij arrest van ons Hof en deze Kamer d.d. 21 april 2004, hetgeen voor gevolg heeft dat dit verslag van 27 december 2000 als niet bestaande dient te worden aanzien. Evenmin kan de verwijzing door geïntimeerde naar de verslagen van haar behandelende geneesheren worden aangenomen als weerlegging van de bevindingen van de gerechtsexpert, nu het hier louter eenzijdige verslagen betreffen. Ook de verwijzing naar het loutere feit dat geïntimeerde door de mutualiteit als "volledig werkonbekwaam" wordt erkend tot 30 september 2029, kan niet als argument worden aanvaard, teneinde ook in onderhavige procedure te komen tot een volledige blijvende arbeidsongeschiktheid. Immers is de beslissing van de medisch adviseur van het ziekenfonds gebaseerd op de criteria zoals deze werden weergegeven in de gecoördineerde ZIV-Wet van 14 juli 1994, die in casu geenszins toepasselijk zijn. Invaliditeit volgens de ziekte- en de invaliditeitsverzekering is gerelateerd aan een verlies van verdienvermogen, terwijl in het kader van de arbeidsongevallenwet, of meer algemeen in professioneel risico, het gaat om een verlies van concurrentievermogen op de (algemene) arbeidsmarkt. De erkenning als zijnde arbeidsongeschikt door de mutualiteit houdt enkel in dat de betrokkene zijn verdienvermogen verminderd is tot 1/3 of minder dan 1/3 dan datgene wat de refertepersoon bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde ZIV-Wet kan verdienen, zodat de erkenning door de mutualiteit hoogstens kan inhouden dat geïntimeerde werd erkend als zijnde minimaal 66%, hetgeen uiteraard niet tegenstrijdig is met de besluitvorming van de gerechtsdeskundige, die besluit tot 75%, zoals appellante terecht oppert. De gerechtsdeskundige baseert zijn besluit op de bevindingen van ergoloog Dullers, die stelde dat de reële mogelijkheden op tewerkstelling voor mevrouw D. herleid worden tot beschutte tewerkstelling en dat het realiseerbare salarisniveau wordt herleid tot het gemiddeld gewaarborgd minimum maandloon. Hiermee geeft de gerechtsdeskundige - op basis van de bevindingen van ergoloog Dullers - aan dat geïntimeerde nog wel degelijk over tewerkstellingsmogelijkheden beschikt, zij het beperkt, nl. nog voor 25%. In tegenstelling tot wat geïntimeerde stelt, kan niet zonder meer worden gesteld dat een "beschutte werkplaats" niet kan ondergebracht worden in de "algemene arbeidsmarkt". In dit verband dient te worden verwezen naar het schrijven van de heer Dullers d.d. 10 november 2005 aan de gerechtsdeskundige (bijlage aan stuk 15 bundel geïntimeerde), waarin deze antwoordt op de zienswijze van de raadsman van geïntimeerde dat voor een persoon met tewerkstellingskansen beperkt tot beschermde tewerkstelling de arbeidsongeschiktheidsgraad gelijkgesteld moet worden met 100%. DULLERS geeft hierin aan dat er thans - en dit in tegenstelling met de beginperiode van deze "beschermde werkplaatsen" - niet zonder meer een grens valt te trekken tussen deze werkplaatsen en andere bedrijven, tussen werknemers van beschutte werkplaatsen en van andere bedrijven. Zo merkt de heer DULLERS op dat de werknemers in dergelijke werkplaatsen tewerkgesteld zijn middels een arbeidsovereenkomst en waarop minstens het gewaarborgd minimummaandloon van toepassing is, terwijl zij eveneens zijn onderworpen aan de sociale zekerheid. Tevens merkt hij op dat dergelijke werkplaatsen functioneren onder de vorm van een rechtspersoon en een personeelsbeleid hanteren dat gelijklopend is aan dat van een gewoon bedrijf (met tewerkstelling van zowel gehandicapten als niet gehandicapten) terwijl verder rendabiliteit, kwaliteitszorg enz... onontbeerlijk zijn. Anderzijds wijst ergoloog DULLERS op het feit dat in het gewone arbeidscircuit ook gesubsidieerde tewerkstellingsmogelijkheden voor "gehandicapten" mogelijk zijn. Met andere woorden blijkt uit de bijkomende verduidelijking door ergoloog DULLERS het onderscheid dat geïntimeerde tracht te maken tussen enerzijds de weerhouden tewerkstelling in een "beschermde werkplaats" en anderzijds de algemene arbeidsmarkt, louter kunstmatig te zijn en niet te kunnen worden aangenomen. Gezien het voor het slachtoffer blijkbaar mogelijk is om op regelmatige basis een arbeidsinkomen te verwerven in een dergelijke werkplaats, heeft de gerechtsdeskundige dan ook terecht nog een resterende economische geschiktheid weerhouden, zij het beperkt tot 25% . Het advies van deskundige HENROTTE m.b.t. de graad van blijvende economische ongeschiktheid van 75% dient dan ook te worden gevolgd.
- Hulp van derden. Het Hof stelt vast dat geïntimeerde in haar beroepsconclusies akkoord gaat met het voorstel van de gerechtsdeskundige, zodat deze hulp van derden kan bepaald worden op 6 uren per week en uitgevoerd door niet gespecialiseerd personeel.
- Kinesitherapeutische behandelingen. Geïntimeerde gaat niet akkoord met de degressieve herleiding en de afschaffing per 31 augustus 2007 van de kinesitherapeutische behandelingen en zij vraagt het behoud van 3 kinesitherapeutische behandelingen per week. Geïntimeerde baseert zich op een verklaring van de behandelende kinesist alsmede op een eenzijdige verklaring van dokter Puylaert teneinde een verderzetting van de kine te vorderen. De gerechtsdeskundige heeft terzake bijkomend advies ingewonnen van dokter Drossaer, dienst "Fysische geneeskunde en revalidatie" te Genk, die formeel stelt dat kine kan worden afgebouwd zoals uiteindelijk overgenomen door de gerechtsdeskundige Henrotte in zijn definitief verslag, zoals hierboven opgegeven. Er is geen enkele objectieve reden voorhanden om hiervan af te wijken en het Hof sluit zich dan ook aan bij het onderbouwde en gemotiveerde advies terzake van de deskundige.
- Voorbehoud voor behandelingen in de pijnkliniek. Geïntimeerde is van oordeel dat eveneens de eventuele toekomstige behandelingen in de pijnkliniek ten laste dienen te worden genomen, minstens dat hiervoor een voorbehoud dient te worden verleend. Evenwel dient te worden opgemerkt dat door de gerechtsdeskundige nergens dergelijke behandeling wordt voorzien, zodat, wat dit onderdeel betreft, de vordering van geïntimeerde dient te worden afgewezen.
- Betreffende de uit te keren vergoedingen. Zoals reeds beslecht in het tussenarrest van het Hof en deze Kamer d.d. 21 april 2004 is in casu de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet van toepassing. Appellante, bij wie de V.D.A.B. overeenkomstig artikel 95 § 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988 een polis heeft afgesloten ten behoeve van de cursisten, is uit hoofde van deze polis aan geïntimeerde, slachtoffer van een ongeval, wél dezelfde vergoedingen verschuldigd als die vastgesteld bij de Arbeidsongevallenwet van
- Om te voldoen aan het Besluit van de Vlaamse regering, moet worden nagegaan welke voordelen door de polis aan de cursist dienen te worden gewaarborgd om gelijkaardig te zijn aan deze die ten laste vallen van de verzekeraar door de Arbeidsongevallenwet van
- De waarborgen die door de Arbeidsongevallenwet worden geboden, worden, voor wat de arbeidsongeschiktheid betreft, bepaald in artikel 22 e.v. van deze wet. Artikel 22: "Wanneer een ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, heeft de getroffene, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 procent van het gemiddelde dagloon". Artikel 24: "Indien de arbeidsongeschiktheid blijvend is of wordt, vervangt een jaarlijkse vergoeding van 100 procent, berekend op het basisloon en de graad van ongeschiktheid, de dagelijkse vergoeding vanaf de dag waarop de ongeschiktheid een bestendig karakter vertoont..." Waar aldus in toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving, het slachtoffer bij blijvende arbeidsongeschiktheid, een vergoeding bekomt, berekend op het basisloon en de graad van ongeschiktheid, moet appellante derhalve aan geïntimeerde, slachtoffer van een ongeval, een "zelfde voordeel" verschaffen. De betwisting tussen partijen betreft de vraag of de sociale zekerheidsbijdragen in de berekeningsbasis voor het begroten van het basisloon dienen te worden opgenomen, zoals is voorzien in de (niet toepasselijke) wetgeving op de arbeidsongevallen, of niet. Geïntimeerde verwijst naar artikel 35 van de Arbeidsongevallenwet dat bepaalt dat voor de toepassing van deze wet als loon beschouwd wordt: "ieder bedrag of ieder in geld waardeerbaar voordeel dat rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever aan zijn werknemer wordt toegekend ingevolge de tussen hen bestaande arbeidsverhouding ...". Volgens geïntimeerde dient zij de vergoedingen te krijgen die zij als meerderjarige bejaardenhelpster zou ontvangen. Hierin zijn volgens haar dan ook in het basisloon begrepen in de eerste plaats het vakantiegeld, maar ook moet volgens haar met het loon de bedrijfsvoorheffing en de sociale zekerheidsbijdrage, met uitsluiting van de werkgeversbijdrage inzake sociale zekerheid, worden bijgevoegd. Evenzo dienen eindejaarspremies, dertiende maand ook in aanmerking genomen te worden, aldus geïntimeerde. Volgens appellante daarentegen bestaat het gelijkaardig voordeel voor de cursiste in de som die het slachtoffer, waarop de arbeidsongevallenwetgeving wél van toepassing is, in handen zou krijgen en dit is, volgens haar, een vergoeding, berekend op het basisloon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen. Zij verwijst in dit verband naar artikel 43 van de Arbeidsongevallenwet m.b.t. de betaling van de vergoeding of rente krachtens de artikelen 22 tot 24 van diezelfde wet, waarin wordt gesteld dat de door een arbeidsongeval getroffene die een vergoeding of rente krachtens de artikelen 22 tot 24 geniet, verplicht is de krachtens de sociale zekerheidswetten verschuldigde bijdragen te betalen. Artikel 32 van het KB van 21 december 1971, dat voormelde regelen van inning en verdeling van deze bijdragen nader uitwerkt, bepaalt dat de bedoelde bijdragen worden afgehouden door de debiteur van de wettelijke vergoedingen, zonder hierbij rekening te houden met de bijdragen die door de getroffene verschuldigd zijn wegens prestaties die aanleiding geven tot toepassing van één van de sociale zekerheidsregelingen bedoeld bij artikel
- En verder "De debiteur stort ze aan de instelling belast met de inning van de bijdragen van de regeling waarin de getroffene bijdrageplichtig was op het ogenblik van het ongeval. Die instelling verdeelt de bijdragen volgens de regelen die werden vastgesteld krachtens de sociale zekerheidswetten." Appellante wijst er op dat de wettelijke verplichting voor de getroffene van een arbeidsongeval om een deel van de vergoeding af te staan aan de sociale zekerheid, leidt tot een vermindering van de voor de getroffene beschikbare vergoeding. Zij is dan ook van oordeel dat, waar zij aan geïntimeerde, slachtoffer van een ongeval, een "zelfde voordeel" dient te verschaffen, zij slechts kan gehouden zijn tot een vergoeding, berekend op het basisloon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen. Terecht merkt appellante op dat zij slechts gehouden kan zijn tot datgene waartoe zij zich verbond, nl. gelijkaardige voordelen waarborgen aan de cursiste, slachtoffer van een ongeval, als aan een getroffene van een arbeidsongeval. In tegenstelling tot de gemeenrechtelijke schadevergoeding is de arbeidsongevallenvergoeding een forfaitaire vergoeding waarvan de berekeningswijze uitsluitend wordt bepaald door de Arbeidsongevallenwet. In beginsel bedraagt zij een percentage van het basisloon. De wet verplicht de getroffene bovendien een deel van die vergoeding af te staan aan de sociale zekerheid. Die verplichting leidt uiteraard tot een vermindering van de voor de getroffene beschikbare vergoeding. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 43 van de Arbeidsongevallenwet leert ons dat de bedoeling van deze bepaling kennelijk niet is de sociale zekerheidsrechten van de getroffene te vrijwaren, maar het bedrag van de arbeidsongevallenvergoeding in een betere verhouding te brengen tot het bedrag van het verloren loon. Immers, zo de wetgever de vrijwaring van de sociale zekerheidsrechten op het oog had gehad, had hij moeten voorschrijven dat niet alleen de werknemersbijdrage, maar ook de veel hogere bijdrage van de werkgever moest worden betaald. Om gerechtigd te zijn op de voordelen van de sociale zekerheid moet de werknemer in beginsel arbeid in loondienst verrichten of hebben verricht. Blijft de door een arbeidsongeval getroffene aan het werk, dan blijft hij meteen gerechtigd. Moet hij zijn arbeid geheel of gedeeltelijk stopzetten, dan worden de dagen waarop hij geen arbeid verricht, door de toepasselijke wetgeving met arbeidsdagen gelijkgesteld zonder dat daarbij als voorwaarde wordt gesteld dat sociale zekerheidsbijdragen voor die dagen zijn betaald. (cfr conclusie advocaat-generaal Lenaerts onder Cass. 16 september 1985, R.W. 1985-1986, 1072 e.v.) . De afhouding van sociale zekerheidsbijdragen op de arbeidsongevallenvergoedingen strekt er met andere woorden niet toe het behoud van sociale voordelen te waarborgen. De sociale zekerheidsregelingen bevatten inderdaad bepalingen waardoor dagen van arbeidsongeschiktheid gelijk worden gesteld met arbeidsdagen zodat de betaling van sociale zekerheidsbijdragen niet noodzakelijk is om de sociale zekerheidsrechten te vrijwaren. Gelet op wat voorafgaat, dient de vraag of appellante gehouden is tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, dan ook negatief te worden beantwoord. Er bestaat immers geen wettelijke grondslag hiervoor en zij is evenmin volgens de afgesloten polis gehouden om sociale zekerheidsbijdragen in te houden en door te storten. Zoals appellante terecht opmerkt, werd het toepassingsgebied van de sociale zekerheidswet immers niet verruimd tot de verzekeraars die aan de personen in beroepsopleiding een verzekering inzake ongevallen verstrekken (artikel 3 enig lid, 7° van het KB van 28 november 1969). Naar artikel 32 van het KB van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, kan evenmin worden verwezen, nu deze Wet, zoals reeds hiervoor werd beslist, niet van toepassing is. Er dient dan ook te worden besloten dat het bieden van gelijkaardige voordelen door appellante wordt gerealiseerd door op de vergoedingen die aan de cursist dienen te worden uitgekeerd, de sociale zekerheidsbijdragen in mindering te brengen. Anders oordelen zou er op neerkomen dat de cursist meer voordelen zou genieten dan wanneer de arbeidsongevallenwetgeving op hem of haar van toepassing zou zijn geweest, hetgeen dan ook met zich mee zou brengen dat appellante tot hogere vergoedingen zou worden veroordeeld dan degene waartoe zij zich contractueel heeft verbonden. Volgens appellante bedraagt het basisloon waarop de vergoedingen, die zij dient uit te keren, aldus 11.978,49 EUR (hetzij 549.541 BF - 12,07% RMZ, hetzij 66.330 BF = 483.211 BF - cfr stuk 1 van het bundel van appellante). Aangezien evenwel door appellante omtrent de berekening van het basisloon geen nadere gegevens worden verstrekt, en anderzijds geïntimeerde haar vordering tot het veroordelen van appellante beperkt tot 1 EUR provisioneel, komt het gepast voor om inderdaad de veroordeling van appellante tot dit laatste provisioneel bedrag te beperken, in afwachting van eventuele nadere gegevens omtrent de berekening van het basisloon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vergoedingen uit te keren rekening houdende met de bepalingen van artikel 95 § 1 van het Besluit van 21 december
- Esthetische schade. Geïntimeerde stelt in beroepsconclusies na deskundig verslag eveneens een vordering wegens esthetische schade en zulks ten belope van 25.000 EUR. De vordering is, wat dit onderdeel betreft, alleszins ongegrond. Immers overeenkomstig artikel 95 § 1 Besluit Vlaamse Regering d.d. 21 december 1988 is appellante gelijkaardige voordelen verschuldigd zoals deze voorzien in de Arbeidsongevallenwet. Welnu, de vergoeding voor esthetische schade is geen voordeel dat voortvloeit uit de arbeidsongevallenwet, zodat appellante, wat deze schade betreft, noch wettelijk noch contractueel tot vergoeding gehouden is. De vordering van geïntimeerde dient dan ook, wat dit onderdeel betreft, te worden afgewezen. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Het tussenarrest gewezen door dit Hof en deze Kamer op 21 april 2004 verder uitwerkende. Verklaart de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en reeds in de volgende mate gegrond: Zegt voor recht dat geïntimeerde ingevolge het ongeval van 2 april 1992 getroffen is door een tijdelijke arbeidsongeschiktheid à 100% vanaf 2 april 1992 tot en met 29 april 1997, dat de consolidatiedatum werd bereikt op 30 april 1997, dat de graad van fysieke blijvende ongeschiktheid 60% bedraagt en de graad van blijvende economische arbeidsongeschiktheid 75% sedert 30 april
- Zegt tevens voor recht dat de volgende kinesitherapeutische behandelingen na consolidatie nog in aanmerking dienen te worden genomen: · 3 zittingen per week tot 31 augustus 2005 · 2 zittingen per week van 1 september 2005 tot 31 augustus 2006 · 1 zitting per week van 1 september 2006 tot 31 augustus 2007 en dan stopzetting. Zegt tevens voor recht dat rekening zal moeten worden gehouden met de prothesen en orthopedische toestellen weergegeven in het deskundig verslag van dokter Henrotte en tevens met hulp van derden à rato van 6 uren per week, uitgevoerd door niet gespecialiseerd personeel. Zegt tenslotte voor recht dat appellante gehouden is aan geïntimeerde een gelijkaardig voordeel toe te kennen als gewaarborgd in de Wet op de Arbeidsongevallen, met name vergoedingen gebaseerd op het te berekenen basisloon, maar verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen, voorlopig begroot op 1 EUR provisioneel, bedrag waartoe appellante reeds wordt veroordeeld. Zendt de zaak naar de bijzondere rol in afwachting en/of in zoverre partijen nog betwisting zouden voeren omtrent de berekening van de vergoedingen waartoe appellante gehouden is aan geïntimeerde te betalen op basis van de principes uiteengezet in huidig arrest. Houdt de kosten voorlopig aan. PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070207.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div