← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070207.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070207.12 Rolnummer: 864 P 2006 Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-10-31 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 15:17 Fiche 1° De scheepsagent (rederij-agent) vertegenwoordigt op permanente basis de zeevervoerder of scheepseigenaar ter zake een aantal -met betrekking tot het aandoen van, het verblijf in en het vertrek van het schip uit de haven- te stellen havengebonden handelingen, zoals, onder meer, het verrichten van administratieve handelingen betreffende de vereiste aangiften bij de haven- en douaneautoriteiten. Hij handelt in eigen naam, doch voor rekening van de rederij/zeevervoerder. De scheepsagent heeft niet alleen de rechten doch ook de plichten van de rederij/zeevervoerder voor wiens rekening zij optrad, met de gebeurlijke hieraan verbonden risico's en gevolgen. 2° Op de scheepsagent in haar voormelde hoedanigheid en als titularis van de vrachtlijst 126E, rustte aldus de verplichting om de goederen onder hun juiste benaming binnen te brengen in het douanegebied van de Gemeenschap en aldus te waken over de juistheid van de op de summiere aangifte vermelde gegevens. Het te dezen geviseerde misdrijf vereist geen bijzonder opzet. Op de scheepsagent rust aldus een professionele zorgvuldigheidsplicht. Hij dient te handelen met de diligentie die in de gegeven omstandigheden als inherent zijnde aan de eigen organisatie- en beleidsverantwoordelijkheid van de voorzichtige en vooruitziende scheepsagent moet worden beschouwd, zodat er geen sprake mag zijn van een abnormale, buiten enig toedoen van betrokkene ingetreden omstandigheid waarvan de gevolgen niet te vermijden waren, alle diligentie ten spijt. 3° Goederen die bij de douane zijn aangebracht met vermelding van een onjuiste benaming in de aan de bevoegde autoriteiten overgelegde documenten zijn niet op regelmatige wijze in de Gemeenschap binnengebracht, zodat artikel 202 van het Communautair Douanewetboek met de nadere regels inzake het ontstaan van de douaneschuld van toepassing is en bijgevolg de douaneschuld voor deze verrichting noodzakelijkerwijze op grond van dit artikel 202 ontstaat. Het louter materiële feit van het op onregelmatige wijze binnenbrengen van de aan rechten bij invoer onderworpen goederen volstaat om als schuldenaar van de op grond van artikel 202, eerste lid van het Communautair Douanewetboek ontstane douaneschuld bij invoer te worden aangemerkt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT FISCAAL RECHT - DOUANE EN ACCIJNZEN - Algemene wet inzake douane en accijnzen Vrije woorden: 1° Strafrecht - douane - artikel 23 van de A.W.D.A. - summiere aangifte - scheepsagent - verantwoordelijkheid 2° Strafrecht - douane- artikel 202 CD - onregelmatig binnenbrengen - juistheid van de op de summiere aangifte vermelde gegevens - geen bijzonder opzet - professionele zorgvuldigheidsplicht - omvang 3° Strafrecht - douane - artikel 202 CD - ontstaan van de douaneschuld - schuldenaar - materiële feit van het onregelmatig binnenbrengen - Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 7 februari 2007 te Antwerpen, veertiende kamer (...) Krachtens artikel 23 van de A.W.D.A. dient het binnenbrengen van goederen over zee, te geschieden langs de eerste wachten, welke in de monden der zeegaten reeds bestaan, of verder mochten worden aangewezen. Artikel 24 §1 van de A.W.D.A. bepaalt dat alle schippers, alvorens te mogen verder varen, gehouden zijn, binnen 24 uren na hun aankomst ter eerste wacht tot inklaring, aldaar hun generale verklaring te doen aan de daartoe gestelde ambtenaren, onder vertoning van hun scheeps- en ladingspapieren. Zowel het materiële als het formele binnenbrengen van de goederen in de Gemeenschap, waarvan de Antwerpse haven een buitengrens vormt, geschieden aldus langs de eerste wacht alwaar de generale verklaring moet worden gedaan. De douaneautoriteiten kunnen trouwens bezwaarlijk een douanetoezicht organiseren op volle zee. Artikel 24 §2 van de A.W.D.A. bepaalt dat de algemene aangifte mag ondertekend worden door de scheepsagent of door iedere andere persoon die daartoe door de kapitein behoorlijk is gemachtigd, in welk geval die (scheeps)agent (in casu de N.V. U. A. A.) of die persoon de verantwoordelijkheid draagt die deze wet op de kapitein legt. Artikel 25 van de A.W.D.A. bepaalt dat de generale verklaring de lijst moet inhouden van al de ingeladen goederen, met opgave van hun soort, getal en merken der vaten, balen, kisten, enzovoort, en de losplaats(

  1. en)van het schip, alwaar, ten kantore van betaling, de nadere aangifte tot lossing moet geschieden. De generale verklaring kan ook geschieden door afgifte van een dubbel van dezelfde manifesten of andere publieke akten van de lading (artikel 28 van de A.W.D.A.). Krachtens de ten tijde van de feiten toepasselijke tekst van artikel 40 van het Communautair Douanewetboek, dienen goederen, die overeenkomstig artikel 38, eerste lid, letter a (cfr. supra), bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, bij de douane te worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht. Voormelde regelgeving komt er aldus, in essentie samengevat, op neer dat de persoon die goederen binnenbrengt of diegene die zich met het verdere vervoer belast, die goederen naar de door de douane aangegeven plaats moet brengen en ze aan de douane moet vertonen. Overeenkomstig artikel 37 van het Communautair Douanewetboek bevinden die goederen zich aldaar onder douanetoezicht, zolang nodig en totdat zij een douanebestemming krijgen. Het binnenbrengen impliceert de verplichting tot een summiere aangifte. Krachtens het ten tijde van de feiten toepasselijke artikel 43, eerste lid van het Communautair Douanewetboek dient immers, onder voorbehoud van artikel 45, van de overeenkomstig artikel 40 bij de douane aangebrachte goederen een summiere aangifte te worden gedaan. Het ten tijde van de feiten toepasselijke artikel 43, tweede lid van het Communautair Douanewetboek bepaalt: - dat de summiere aangifte wordt ingediend zodra de goederen bij de douane zijn aangebracht. - dat de douaneautoriteiten voor de indiening van deze aangifte uitstel kunnen verlenen gedurende een termijn die verstrijkt uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop de goederen bij de douane zijn aangebracht. Het ten tijde van de feiten toepasselijke artikel 44, eerste lid van het Communautair Douanewetboek bepaalt: - dat de summiere aangifte moet worden opgesteld op een formulier dat in overeenstemming is met het door de douaneautoriteiten vastgestelde model. - dat de douaneautoriteiten evenwel kunnen aanvaarden dat als summiere aangifte elk handels- of administratief bescheid wordt gebruikt dat de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevat. Artikel 22/3 van de A.W.D.A. bepaalt: - dat de summiere aangifte, bedoeld in de verordeningen van de Europese Gemeenschappen, bestaat uit een vrachtlijst naar het model vastgelegd door de Minister van Financiën. - dat, onder de voorwaarden bepaald door de gewestelijke directeur der douane en accijnzen, de in het eerste lid bedoelde vrachtlijst kan worden vervangen, hetzij door een opgave op blanco papier, vervaardigd met behulp van een computer, hetzij door een handels-of administratief document dat de nodige gegevens bevat voor de identificatie van de goederen. De scheepsagent (rederij-agent) vertegenwoordigt op permanente basis de zeevervoerder of scheepseigenaar ter zake een aantal -met betrekking tot het aandoen van, het verblijf in en het vertrek van het schip uit de haven- te stellen havengebonden handelingen, zoals, onder meer, het verrichten van administratieve handelingen betreffende de vereiste aangiften bij de haven- en douaneautoriteiten. De scheepsagent is geen aangestelde, noch een uitvoeringsagent. Aldus trad beklaagde de N.V. U.A.A. te dezen op als vertegenwoordiger van de rederij/zeevervoerder U.A.S.C.SAG uit de Verenigde Arabische Emiraten, ter vervulling van de formaliteiten met betrekking tot het binnenbrengen, het aanbrengen en het onder tijdelijke opslag plaatsen van de goederen. Middels het indienen bij de douane van de voormelde vrachtlijst 126E, deed deze beklaagde de summiere aangifte waardoor de goederen zich in tijdelijke opslag bevinden [tot maximaal 45 dagen na aankomst van het zeeschip, termijn waarbinnen aan de via zee binnengebrachte goederen een geoorloofde douanebestemming moet worden gegeven (cfr. artikel 49 van het Communautair Douanewetboek)]. Beklaagde was aldus als vertegenwoordiger van de rederij/zeevervoerder aansprakelijk voor het binnenbrengen van de goederen in de Gemeenschap, vanaf het passeren van de eerste wacht (cfr. supra) en zolang de goederen, op grond van de door haar ondertekende vrachtlijst 126E, in tijdelijke opslag waren geplaatst. Beklaagde bleef het aanspreekpunt van de douaneautoriteiten zolang de goederen geen toegestane douanebestemming kregen. Krachtens de voormelde regelgeving dienen de summiere aangifte, respectievelijk de vrachtlijst 126E, de nodige gegevens te bevatten voor de identificatie van de goederen, hetgeen te dezen, zoals uiteengezet, niet het geval was. Krachtens artikel 261, lid 1, eerste en derde deelstreepje, van de A.W.D.A. in zijn ten tijde van de feiten toepasselijke versie, worden gestraft met een geldboete van 5.000,- tot 50.000,- frank (thans 125,00 tot 1.250,00 euro), voor zover zij niet worden beteugeld door een andere sanctie inzake douane en accijnzen, de inbreuken: - op verordeningen en beschikkingen van algemene aard van de Raad of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. - in het algemeen, op de wetten en besluiten inzake douane en accijnzen. Artikel 261, tweede lid van de A.W.D.A. bepaalt dat de goederen ten aanzien waarvan die inbreuken zijn gepleegd, worden in beslag genomen en verbeurd verklaard. Artikel 202 van het Communautair Douanewetboek bepaalt, onder meer: "1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
  2. a)indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht of ....". Onder "op onregelmatige wijze binnenbrengen" van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje. "3. Schuldenaren zijn: - de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht; - de personen die aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde; - de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht". Artikel 4, punt 19 van het Communautair Douanewetboek definieert het begrip "aanbrengen bij de douane" als volgt: "mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats". Het Hof verwijst, met betrekking tot de verplichting om de goederen op de summiere aangifte (in tijdelijke opslag) onder hun juiste benaming te vermelden, tevens naar het arrest de dato 3 maart 2005 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zaak C - 195/ 03 - inzake M. Papismedov), gewezen ingevolge verzoek om prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van, onder meer, voormeld artikel 202 van het Communautair Douanewetboek. Het Hof van Justitie overwoog, onder meer: In de overweging sub 30: - dat de in artikel 40 van het douanewetboek geformuleerde verplichting om goederen bij de douane aan te brengen, gelet op de artikelen 43 en 45 van dit wetboek gepaard gaat met de verplichting om onverwijld een summiere aangifte in te dienen of binnen dezelfde termijn de formaliteiten te vervullen om de betrokken goederen een douanebestemming te geven, dit wil zeggen dat indien gevraagd wordt de goederen onder een douaneregeling te plaatsen, een aangifte voor een douaneregeling moet worden gedaan. - dat uit de bewoordingen van artikel 43, tweede alinea, van dit wetboek volgt dat beide handelingen doorgaans tegelijkertijd worden verricht, nu het uitstel dat de douaneautoriteiten kunnen verlenen voor de indiening van deze aangifte, verstrijkt uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop de goederen bij de douane zijn aangebracht. - dat bovendien artikel 44, eerste lid van het Communautair Douanewetboek bepaalt dat de summiere aangifte de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevat. In de overweging sub 31: - dat, wanneer overeenkomstig artikel 40 van het douanewetboek, goederen bij de douane worden aangeboden en tegelijkertijd een summiere aangifte of een aangifte voor een douaneregeling met een niet met de werkelijkheid strokende beschrijving van het soort goederen wordt ingediend, de mededeling aan de douaneautoriteiten van de aankomst van de goederen in de zin van artikel 4, punt 19 van hetzelfde wetboek ontbreekt. - dat in deze omstandigheden niet kan worden aangenomen dat alleen door de overlegging van bepaalde documenten de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens aan genoemde autoriteiten zijn verstrekt. - dat het immers ook vereist is dat de verklaringen in de documenten die bij de aanbieding van de goederen aan de douane zijn overgelegd, juist zijn. - dat wanneer in deze verklaringen geen melding wordt gemaakt van een groot deel van de bij de douane aangeboden goederen, moet worden aangenomen dat deze op onregelmatige wijze zijn binnengebracht. Beklaagde de N.V. U.A.A. vertegenwoordigde te dezen als scheepsagent de rederij/zeevervoerder, handelend in eigen naam doch voor rekening van de rederij/zeevervoerder. Beklaagde had bijgevolg niet alleen de rechten doch ook de plichten van de rederij/zeevervoerder voor wiens rekening zij optrad, met de gebeurlijke hieraan verbonden risico's en gevolgen. Op deze beklaagde, in haar voormelde hoedanigheid en als titularis van de vrachtlijst 126E, rustte aldus de verplichting om de goederen onder hun juiste benaming binnen te brengen in het douanegebied van de Gemeenschap en aldus te waken over de juistheid van de op de summiere aangifte vermelde gegevens. Zoals gezegd werd in de door beklaagde ingediende, als summiere aangifte geldende, vrachtlijst 126E met betrekking tot de goedereninhoud van de container UACU 325 474-7 enkel meldinggemaakt van 433 zakken rijst en niet van de zich in deze container achter de zakken

(286)rijst bevindende 1.800.000 stuks sigaretten "Superkings". Gelet op wat voorafgaat staan het materiële element en de wederrechtelijkheid van de aan beklaagde de N.V. U.A.A. sub B ten laste gelegde feiten (zoals thans aangehouden) vast. Het te dezen geviseerde misdrijf vereist geen bijzonder opzet. Beklaagde beroept zich, in ondergeschikte orde, op overmacht en/of op onoverwinnelijke dwaling, en voert desbetreffend, onder meer, aan: - dat het te dezen ging om een FCL-container (Full Container Load, volledige containerlading), zijnde een container die door de verscheper werd beladen en gestuwd in het land van vertrek en die nadien in de ladingshaven, in volledig afgesloten en verzegelde toestand werd afgeleverd aan de zeevervoerder voor verscheping, in welk geval, aldus beklaagde, het, op grond van nationale en internationale gebruiken in de scheepvaart, voor de zeevervoerder, kapitein of scheepseigenaar onmogelijk en zelfs verboden is om de inhoud van de container te controleren. - dat zij (beklaagde) de op de vrachtlijst vermelde gegevens rechtstreeks ontving vanwege de rederij/zeevervoerder, die op haar beurt voor deze gegevens volledig steunde op en afhankelijk was van de door de verscheper in de laadhaven verstrekte informatie. Verder verwijst beklaagde naar de te dezen op het door de zeevervoerder uitgestelde cognossement gebezigde onbekendheidsclausule (voorbehoudsclausule) "said to contain" (beweerdelijk bevattende ...). Het Hof is van oordeel dat in alle redelijkheid niet kan worden aangenomen dat (onder meer) de zeevervoerder en de haar vertegenwoordigende scheepsagent, ook wanneer het een FCL- container betreft, niet zouden dienen te weten en/of niet zouden kunnen weten welk soort goederen in de al dan niet -commercieel en/of douanetechnisch- verzegelde containers daadwerkelijk vervoerd worden, al ware het maar ter verzekering van de veiligheid aan boord van het schip en in het land en op de plaats van bestemming. Beklaagde kan dan ook niet worden bijgetreden in haar stelling dat elke controle omtrent de aard van de goederen die aan boord van het schip worden of werden geladen -al dan niet in aanwezigheid van de douane die de container in de haven van vertrek verzegelt- op absolute wijze zou zijn uitgesloten in de door haar ingeroepen omstandigheden. De omstandigheid dat een desbetreffende controle wellicht de taken van de vervoerder kan verzwaren en/of kan leiden tot vertraging en/of repercussies zou kunnen hebben met betrekking tot de kostprijs, maakt controle niet onmogelijk en vormt evenmin een schulduitsluitingsgrond. De gebezigde "said to contain"-clausule houdt geen vrijbrief in voor het niet-vervullen van de op de voormelde partijen rustende, niet onredelijke, plicht tot nazicht, temeer nu te dezen niet blijkt of aannemelijk wordt gemaakt dat enigerlei omstandigheid de desbetreffende controle, al dan niet in samenspraak tussen de scheepsagent en de rederij, onmogelijk maakte, en deze clausule eerder van aard is te wijzen op het bestaan van ernstige redenen om de door de verscheper opgegeven aard van de lading of een gedeelte ervan in twijfel te trekken. Beklaagde, economisch actief zijnde als scheepsagent, kende de regelgeving die ten tijde van de feiten toepasselijk was op de activiteiten van de sector waarin zij als marktdeelnemer opereerde of diende deze regelgeving te kennen. Beklaagde heeft te dezen niet voldaan aan de ook op haar rustende professionele zorgvuldigheidsplicht en heeft door het plegen van de haar sub B ten laste gelegde feiten, wetens en willens (dit is zonder dwaling of dwang) mede ten grondslag gelegen aan het onregelmatig binnenbrengen van de sigaretten in het douanegebied van de Europese Unie. Er is te dezen geen sprake van een abnormale, buiten enig toedoen van beklaagde ingetreden omstandigheid waarvan de gevolgen niet te vermijden waren, alle diligentie ten spijt. Beklaagde heeft, als rechtspersoon, niet gehandeld met de diligentie die in de gegeven omstandigheden als inherent zijnde aan de eigen organisatie- en beleidsverantwoordelijkheid van de voorzichtige en vooruitziende scheepsagent moet worden beschouwd. (...) Betreffende de douaneschuld en beklaagde de N.V. U.A.A. als douaneschuldenaar. Zoals hierboven uiteengezet, heeft beklaagde, handelend als gemachtigde van de rederij/zeevervoerder en als titularis van de door haar ingediende vrachtlijst 126E, geldend als summiere aangifte, de sigaretten materieel en formeel binnengebracht in het douanegebied van de Gemeenschap. Goederen die bij de douane zijn aangebracht met vermelding van een onjuiste benaming in de aan de bevoegde autoriteiten overgelegde documenten, in casu "witte rijst" in plaats van "sigaretten", zijn niet op regelmatige wijze in de Gemeenschap binnengebracht, zodat artikel 202 van het Communautair Douanewetboek met de nadere regels inzake het ontstaan van de douaneschuld van toepassing is en bijgevolg de douaneschuld voor deze verrichting noodzakelijkerwijze op grond van dit artikel 202 ontstaat. Derhalve ontstaat de douaneschuld voor onder een onjuiste benaming bij de douane aangebrachte en aangegeven goederen op grond van artikel 202 van het Communautair Douanewetboek (cfr. de overwegingen sub 35 en 36 van voormeld arrest "Papismedov"). Zoals gezegd onderscheidt artikel 202, derde lid van het Communautair Douanewetboek drie categorieën van mogelijke schuldenaren van een krachtens artikel 202, eerste lid van het Communautair Douanewetboek ontstane douaneschuld bij invoer. Artikel 202, derde lid, eerste deelstreepje, viseert aldus vooreerst de persoon die de goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht. Deze persoon (natuurlijke persoon of rechtspersoon) is uiteraard de persoon die ertoe gehouden is bij het binnenbrengen van de goederen de hoger vermelde regelgeving na te leven (cfr. de voormelde artikelen 38, eerste lid, letter a en lid 2 en artikel 40 van het Communautair Douanewetboek). Het betreft derhalve de persoon die de goederen daadwerkelijk heeft binnengebracht, of elke persoon die zich met het vervoer van de goederen heeft belast nadat deze in dit douanegebied zijn binnengebracht. In hoofde van deze personen bestaat dan ook een objectieve gehoudenheid om de krachtens artikel 202, eerste lid van het Communautair Douanewetboek ontstane douaneschuld bij invoer te voldoen wanneer de goederen op onregelmatige wijze in dit douanegebied worden binnengebracht. Dit betekent dat voor deze personen het louter materiële feit van het op onregelmatige wijze binnenbrengen van de aan rechten bij invoer onderworpen goederen volstaat om als schuldenaar van de op grond van artikel 202, eerste lid van het Communautair Douanewetboek ontstane douaneschuld bij invoer te worden aangemerkt. Gelet op wat voorafgaat is beklaagde de N.V. U.A.A. die wegens haar wijze van handelen mede ten grondslag heeft gelegen aan het op onregelmatige wijze binnenbrengen van de goederen, douaneschuldenaar in de zin van artikel 202, derde lid, eerste deelstreepje van het Communautair Douanewetboek. Het Hof verwijst in dit verband tevens naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de dato 4 maart 2004 (Viluckas en Jonusas - C - 238/02 en C - 246/02 ), waarin, met betrekking tot de uitlegging van de voormelde bepaling werd geoordeeld dat, ook al kunnen andere personen op basis van de andere bepalingen van artikel 202, derde lid, voor dezelfde goederen als schuldenaren worden aangemerkt, de persoon die de goederen materieel heeft binnengebracht zonder deze aan te geven (de ware aard van de aangebrachte goederen niet in de douanedocumenten vermeld zijnde en de douaneautoriteiten door de betrokkenen niet van die aard op de hoogte gebracht zijnde) op grond van het eerste streepje van dat lid schuldenaar blijft. PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070207.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.