← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070219.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070219.9 Rolnummer: 2004AR2510 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 281 - laatst gezien 2026-07-02 15:21 Fiche 1. Noch het begrip inontvangstneming noch aflevering zijn gedefinieerd in het CMR-Verdrag. Met inontvangstneming wordt bedoeld het geheel van handelingen waarbij de afzender / belader bereid is om de goederen onder de controle van de vervoerder te plaatsen en deze laatste bereid is de controle over te nemen. 2. De fout die de contaminatie van de lading suiker heeft veroorzaakt, met name het onvoldoende reinigen van de tank van de oplegger, is (uitsluitend) een contractuele fout. 3. De term 'gebrek aan het voertuig' omvat de ongeschiktheid van het voertuig niet, maar de al dan niet geschiktheid van het voertuig in geval van contaminatie van bulkgoederen door achtergebleven restanten van vorige lading houdt verband met de specifieke rechten en verplichting van de betrokken partijen, meer bepaald de verplichtingen te reinigen, de wijze van instructie of gebrek eraan dan wel het eventueel gebrek aan nazicht, kortom het geheel van taken / verplichtingen die verlader / vervoerder / geadresseerde vervullen of niet vervullen bij de uitvoering van de overeenkomst. 4. De vervoerder kan zijn aansprakelijkheid niet beperken, indien de schade voortspruit uit opzet of uit schuld die met opzet gelijkgesteld wordt, volgens de wet van het gerecht waar de vordering aanhangig is (art. 29 CMR). Naar Belgisch recht houdt dit de beoordeling in van een intentioneel element in hoofde van de vervoerder (diens aangestelde), in die zin dat het inzicht om schade te berokkenen in hoofde van de vervoerder moet blijken uit het geheel van de voorliggende feiten. 5. Gevolgschade die door de beschadigde en vervoerde lading aan opgeslagen goederen werd toegebracht valt binnen het bereik van de art. 17 en 23 lid 4 CMR. Zelfs indien de beschadiging, verlies of vertraging, ontstaan in de loop van het aan dit Verdrag onderworpen vervoer volgens de toepasselijke wet kan leiden tot een vordering, die niet op de vervoerovereenkomst is gegrond - hetgeen ter zake niet het geval is - kan de vervoerder zich (toch) beroepen op de bepalingen van het Verdrag die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of de verschuldigde schadevergoedingen vaststellen of beperken (art. 28 CMR). Gevolgschade veroorzaakt door verlies of beschadiging valt niet onder de noemer van art. 23 lid 4 CMR : gevolgschade heeft niet het karakter van ‘overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten'. Art. 23.4 in fine CMR stelt dat verdere schadevergoeding niet verschuldigd is, hetgeen inhoudt dat de gevolgschade aan de in vlaksilo opgeslagen goederen in casu niet voor vergoeding in aanmerking komt. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Wegvervoer - Internationaal vervoer - C.M.R.-Verdrag Vrije woorden: CMR-vervoer - aansprakelijkheid vervoerder - schade aan vervoerde goederen - contaminatie van lading suiker 1. CMR-verdrag - begrip inontvangstneming 2. art. 17.4 c CMR-verdrag - geen bijzonder gevaar tijdens behandeling, lading, stuwing of lossing van goederen door afzender of geadresseerde - onvoldoende reiniging tank oplegger - contractuele fout 3. art. 17.3 CMR-verdrag - geen gebrek aan het voertuig bij achtergebleven restanten 4. art. 29 CMR-verdrag - opzet/schuld gelijkgesteld aan opzet - intentioneel element - inzicht om schade te berokkenen5. schade aan opgeslagen goederen in vlaksilo door vermenging met (gecontamineerde) vervoerde goederen - gevolgschade - toepassing art. 17 en 23.4 CMR-verdrag - vervoerder niet aansprakelijk Tekst van de beslissing Voorziening in Cassatie de dato 25 juni 2007 Cassatiearrest dd. 16.01.2009 (C.07.0300.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.4), www.cass.be Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : I. - 2004/AR/2510 : N.V. DE DIJCKER, gevestigd te 9520 Sint-Lievens-Houtem (Vlier-zele), Gentsesteenweg 1, met ondernemingsnummer 0400.135.193; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 4 juni 2004; vertegenwoordigd door Meester L. Wijffels, advocaat te 2018 Antwerpen, Maria-Henriëttalei 1 en door Meester J. De Schepper loco Meester J. Van Kerckhoven, advocaat te 2000 Antwerpen, Tolstraat 24; tegen : 1. N.V. SONATRA, met vennootschapszetel te 5140 Ligny, rue de la Tombe 24, met ondernemingsnummer 0407.544.708, keuze van woonst doende bij haar raadsman Meester Thierry Van DOOSSELAERE, hierna vermeld; eerste geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester T. Van Doosselaere en Meester R. De Wit, advocaten te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 27; 2. N.V. AXA BELGIUM, voorheen N.V. AXA-ROYALE BELGE, gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, met ondernemingsnum-mer 0404.483.367; tweede geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester D. Noels, advocaat te 2018 Ant-werpen, Mechelsesteenweg 196; 3. N.V. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ, gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 182, met ondernemingsnummer 0436.410.522; 4. N.V. AGF BELGIUM INSURANCE, verzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht, gevestigd te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, met een uitbatingszetel te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 43, als rechtsopvolgster in alle rechten en plichten van ‘Allianz Versi-cherungs-A.G.', verzekeringsmaatschappij gevestigd in Duitsland, 8000 München, Koninginstrasse 28; 5. N.V. AIG EUROPE, verzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht, gevestigd te 1000 Brussel, Kortenbergstraat 168/170; 6. N.V. HAMPDEN INSURANCE, voorheen N.V. SAMPO INDU-STRIAL INSURANCE, verzekeringsmaatschappij naar Nederlands recht, met zetel in Nederland, 3062 MB Rotterdam, K.P. Van der Mandelaan 90, met een uitbatingszetel te 2000 Antwerpen, Sui-kerrui 5 - B1; 7. N.V. AVERO BELGIUM INSURANCE, voorheen N.V. ROYAL EN SUN ALLIANCE, verzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht, met zetel te 1200 Brussel, Woluwelaan 64, bijkantoor van Avéro Schadeverzekering Benelux N.V., met zetel te Rivium, Bou-leverd 211, 2909 LK Capelle aan den Ijsel, Nederland, met onder-nemingsnummer 0459.005.681; - allen keuze van woonst doende op het kantoor van Meester José R. GUNZBURG, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelse-steenweg 195; derde t/m zevende geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester E. Vangoidsenhoven, advocaat te 2800 Mechelen, Veemarkt 80; en de zaak : II. - 2004/AR/2525 : N.V. SONATRA, met vennootschapszetel te 5140 Ligny, rue de la Tombe 24, met ondernemingsnummer 0407.544.708, keuze van woonst doende bij haar raadsman Meester Thierry VAN DOOS-SELAERE, hierna vermeld; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 4 juni 2004; vertegenwoordigd door Meester T. Van Doosselaere en Meester R. De Wit, advocaten te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 27; tegen : 1. N.V. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ, gevestigd te 1150 Brus-sel, Tervurenlaan 182, met ondernemingsnummer 0436.410.522; 2. N.V. AGF BELGIUM INSURANCE, verzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht, gevestigd te 1000 Brussel, Lakensestraat 35, met een uitbatingszetel te 2650 Edegem, Prins Boudewijnlaan 43, als rechtsopvolgster in alle rechten en plichten van ‘Allianz Versi-cherungs-A.G.', verzekeringsmaatschappij gevestigd in Duitsland, 8000 München, Koninginstrasse 28; 3. N.V. AIG EUROPE, verzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht, gevestigd te 1000 Brussel, Kortenbergstraat 168/170; 4. N.V. HAMPDEN INSURANCE, voorheen N.V. SAMPO INDU-STRIAL INSURANCE, verzekeringsmaatschappij naar Nederlands recht, met zetel in Nederland, 3062 MB Rotterdam, K.P. Van der Mandelaan 90, met een uitbatingszetel te 2000 Antwerpen, Sui-kerrui 5 - B1; 5. N.V. AVERO BELGIUM INSURANCE, voorheen N.V. ROYAL EN SUN ALLIANCE, verzekeringsmaatschappij naar Belgisch recht, met zetel te 1200 Brussel, Woluwelaan 64, bijkantoor van Avéro Schadeverzekering Benelux N.V., met zetel te Rivium, Bou-leverd 211, 2909 LK Capelle aan den Ijsel, Nederland, met onder-nemingsnummer 0459.005.681; - allen keuze van woonst doende op het kantoor van Meester José R. GUNZBURG, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelse-steenweg 195; eerste t/m vijfde geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester E. Vangoidsenhoven, advocaat te 2800 Mechelen, Veemarkt 80; 6. N.V. DE DIJCKER, gevestigd te 9520 Sint-Lievens-Houtem (Vlierzele), Gentsesteenweg 1, met ondernemingsnummer 0400.135.193; zesde geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester L. Wijffels, advocaat te 2018 Antwerpen, Maria-Henriëttalei 1 en door Meester J. De Schepper loco Meester J. Van Kerckhoven, advocaat te 2000 Antwerpen, Tolstraat 24; 7. N.V. AXA BELGIUM, voorheen N.V. AXA-ROYALE BELGE, gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan 25, met ondernemingsnum-mer 0404.483.367; zevende geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester D. Noels, advocaat te 2018 Ant-werpen, Mechelsesteenweg 196; * * * * * * * De door de wet vereiste procedurestukken worden overgelegd, waaronder het bestreden op tegenspraak gewezen tussenvonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 4 juni 2004, waartegen hoger beroep werd aangetekend door middel van : · een verzoekschrift neergelegd ter griffie door N.V. DE DIJCKER op 10 september 2004 (2004/AR/2510) · een verzoekschrift neergelegd ter griffie door N.V. SONA-TRA op 13 september 2004 (2004/AR/2525) Er wordt een akte van betekening van het bestreden vonnis d.d. 11 augustus 2004 ten verzoeke van AXA BELGIUM aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & me-deverzekeraars overgelegd. De ingestelde hoger beroepen zijn naar vorm en termijn regelma-tig. Ze zijn toelaatbaar. Bij conclusie d.d. 20 januari 2006 stelt AXA BELGIUM een impli-ciet doch zeker incidenteel beroep in. Er zijn geen opmerkingen aangaande de toelaatbaarheid ervan. I. Bij exploot d.d. 16 mei 2000 dagvaardden N.V. TIENSE SUI-KERRAFFINADERIJ (hierna ook TIENSE SUIKERRAFFINADE-RIJ, derde geïntimeerde inzake 2004/AR/2510 / eerste geïnti-meerde inzake 2004/AR/2525) + de verzekeraars N.V. AGF BEL-GIUM INSURANCE, N.V. AIG EUROPE, SAMPO INDUSTRIAL INSURANCE, thans N.V. HAMPDEN INSURANCE en N.V. RO-YAL & SUN ALLIANCE, thans N.V. AVERO BELGIUM INSU-RANCE (hierna ook AGF BELGIUM INSURANCE & medeverze-keraars)

  1. a)N.V. DE DIJCKER (hierna ook DE DIJCKER, appellante in-zake 2004/AR/2510 / zesde geïntimeerde inzake 2004/AR/2525)
  2. b)N.V. SONATRA (hierna ook SONATRA, eerste geïntimeer-de inzake 2004/AR/2510 / appellante inzake 2004/AR/2525) in solidaire betaling aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en/of AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars - elk voor het aandeel vermeld in aanhef van de dagvaarding - van 30.000.000 BEF provisioneel, meer de intresten sinds de datum der feiten en de kosten. De vordering heeft betrekking op een beweerd door TIENSE SUI-KERRAFFINADERIJ geleden schade aan een partij suiker ver-voerd door DE DIJCKER / SONATRA op 17 november 1999 van Genappe naar Antwerpen (Manufert - kaai 518 der dokken). Bij conclusie d.d. 2 juni 2000 stelde DE DIJCKER een vordering in vrijwaring en ‘rechtstreekse eis' in tegen SONATRA teneinde haar te veroordelen tot 30.000.000 BEF provisioneel, minstens voor alle bedragen waartoe zij in hoofdsom, intresten en kosten zou worden veroordeeld. Bij dagvaarding d.d. 3 november 2000 stelde SONATRA een eis in tussenkomst en vrijwaring in tegen N.V. AXA BELGIUM, B.A. verzekeraar van SONATRA, (hierna ook AXA BELGIUM, tweede geïntimeerde inzake 2004/AR/2510 / zevende geïntimeerde inza-ke 2004/AR/2525) teneinde tussen te komen in het geding en haar verzekerde te vrijwaren tegen alle veroordelingen zo in hoofdsom, intresten als kosten. Bij conclusie d.d. 14 augustus 2001, respectievelijk 12 augus-tus 2002 hebben TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BEL-GIUM INSURANCE & medeverzekeraars hun vorderingen als volgt gepreciseerd en verzoeken om DE DIJCKER en SONATRA solidair te veroordelen tot de volgende bedragen :
  3. a)aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ : 160.546,93 EUR, bestaande uit de vrijstelling (eigen risico) tot beloop van 123.946,76 EUR en 36.600,17 EUR (terug te vorderen commissie bij verkoop), plus intresten van 17 november 1999 tot 27 november 2000 en vervolgens op het saldo de-gressief volgens de uitkering van de verzekeraars
  4. b)aan AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars, gesubrogeerd in de rechten van TIENSE SUIKERRAFFI-NADERIJ, elk voor het aandeel, een gezamenlijk bedrag van 776.244,56 EUR, bestaande uit de uitkeringen wegens schade aan de suiker tot beloop van 653.808,96 EUR en kosten met betrekking tot opslag en redding tot beloop van 122.435,60 EUR, vermeerderd met intresten ‘cumulatief te rekenen vanaf de data van de uitkeringen' Bij conclusie d.d. 15 februari 2002 stelde DE DIJCKER een eis tot vrijwaring en ‘rechtstreekse eis' in tegen AXA BELGIUM tot betaling van het eventueel door haar verschuldigd bedrag * Resumerend kan gesteld worden dat de volgende vorderingen gesteld werden:
  5. a)een hoofdvordering d.d. 16 mei 2000 van TIENSE SUI-KERRAFFINADERIJ / AGF BELGIUM INSURANCE & me-deverzekeraars tegen DE DIJCKER / SONATRA wegens contaminatie van een partij suiker vervoerd op 17 novem-ber 1999
  6. b)een door DE DIJCKER op 2 juni 2000 ingestelde eis tot vrijwaring en subsidiaire ‘rechtstreekse eis' tegen SONA-TRA
  7. c)een door SONATRA op 3 november 2000 tegen haar ver-zekeraar B.A. AXA BELGIUM ingestelde eis in tussenkomst en vrijwaring
  8. d)een door DE DIJCKER op 15 februari 2002 tegen AXA BELGIUM ingestelde eis tot vrijwaring en subsidiaire ‘recht-streekse eis' (art. 20.9 Hyp.W. / 86 WLVO) Bij Beschikking d.d. 27 november 1999 heeft de heer Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen kapitein Bart Desmet, lid van de Nautische Commissie, met een expertise be-last. De eerste rechter heeft in extenso de conclusie van de gerechts-deskundige zoals weergegeven in het rapport. Het Hof verwijst hiervoor naar het rapport (pagina‘s 53 tot en met 55) en het vonnis a quo (pagina's 4/6). II. Bij bestreden tussenvonnis heeft de eerste rechter als volgt ge-oordeeld: · de hoofdvordering werd toelaatbaar verklaard en er werd voor recht gezegd, ten gronde, dat DE DIJCKER en SO-NATRA hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de ver-voerovereenkomst; het debat werd heropend om ‘aanleg-gers in de gelegenheid te stellen de gevorderde bedragen nader toe te lichten, de volledige met kapitein Desmet ge-voerde correspondentie te produceren en documenten voor te leggen waaruit blijkt dat de bij MANUFERT opgeslagen suiker die op 17 november 1999 door mono -ammoniumfosfaat gecontamineerd werd eigendom was van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ' · de vordering in vrijwaring van DE DIJCKER ten aanzien van SONATRA werd niet behandeld, gelet op de bevolen heropening van de debatten · de vordering in tussenkomst en vrijwaring van SONATRA tegen AXA BELGIUM werd toelaatbaar doch ongegrond verklaard · de vordering tot vrijwaring en subsidiaire rechtstreekse eis van DE DIJCKER tegen AXA BELGIUM werd toelaatbaar doch ongegrond verklaard Volgens de eerste rechter is het CMR-verdrag van toepassing op het kwestieuze transport en is SONATRA toegetreden tot de ver-voerovereenkomst. De contaminatie van de suiker door restanten van mono-ammoniumfosfaat houdt, volgens de eerste rechter, geen verband met de wijze waarop de suiker is geladen of gelost. De ladingschade houdt verband, niet met de aard van de tankwa-gen, maar met de reiniging van de tank. De eerste rechter was van oordeel dat niet bewezen is dat SO-NATRA enig strafbaar feit zou hebben gepleegd en de vordering, ingesteld door de belanghebbenden uit onrechtmatige daad niet gegrond is, nu de fout die de contaminatie van de in de silo opge-slagen suiker veroorzaakte van contractuele aard is, zodat DE DIJCKER / SONATRA (enkel) op grond van de vervoerovereen-komst aansprakelijk kunnen gesteld worden, maar dat ze zich niet kunnen beroepen op de aansprakelijkheidsbeperkingen van de CMR. De eerste rechter was verder van oordeel dat MANUFERT geen schuld heeft aan de contaminatie. In verband met de hoogte van het gevorderd bedrag werd het de-bat heropend en werd ingegaan op het verzoek van DE DIJCKER / SONATRA om documenten in verband met het bewijs van ei-gendom van de bevuilde goederen te produceren. In verband met de vordering van SONATRA tegen AXA BELGIUM kwam de eerste rechter tot besluit dat, gelet op het feit dat SO-NATRA gehouden is op grond van de vervoerovereenkomst, er geen dekking is onder de polis ‘plan multirisques saphir'. In verband met de vordering van DE DIJCKER tegen AXA BEL-GIUM werd geoordeeld door de eerste rechter dat de exceptie van niet-dekking kan worden tegengeworpen aan DE DIJCKER. III. Appellante DE DIJCKER (2004/AR/2510) verzoekt het Hof, bij hervorming van het bestreden vonnis, om : · de vordering van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars af te wijzen als niet-toelaatbaar : - wegens gebrek aan belang om een vordering te stel-len voor schade aan suiker die geen eigendom was - voor zover gesteund op buitencontractuele grond om reden dat de vordering geen grond vindt in een feit uit de dagvaarding en deze ook niet in de loop van het geding kan worden gesteld - wegens verjaring van de vordering op grond van art. 32 CMR, de vordering eerst gesteld zijnde in conclu-sie van 13 augustus 2001 - voor zover schadevergoeding gevorderd wordt voor schade geleden aan andere suikereigenaars, aan-gezien dergelijke vordering niet voor het eerst in ho-ger beroep kan worden gesteld en bovendien ver-jaard is op grond van art. 32 CMR · de vordering van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars ongegrond te verklaren, minstens bij gebrek aan bewijs van persoonlijke schade in hoofde van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ · ondergeschikt vraagt zij bij toepassing van art. 870 Ger.W. om de overlegging te bevelen van de schriftelijke documen-tatie met de beschrijving van de veiligheidsanalyse en de voorschriften met betrekking tot het laden van de vrachtwa-gens waarover zij op grond van art. 4 van het KB van 7 fe-bruari 1997 moet beschikken · ondergeschikt, voor zover het Hof zou oordelen dat DE DIJCKER geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk is, te zeg-gen voor recht dat SONATRA en AXA BELGIUM solidair gehouden zijn DE DIJCKER te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij zouden gehouden zijn, zo in hoofdsom, intres-ten en kosten · volstrekt ondergeschikt, de vordering te herleiden tot 19.986,54 EUR, minstens 340.993,56 EUR * Appellante SONATRA (2004/AR/2525) verzoekt het Hof, bij her-vorming van het bestreden vonnis, om : · de vordering van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars niet-toelaatbaar (minstens niet gegrond) te verklaren wegens gebrek aan belang en hoedanigheid, daar TIENSE SUI-KERRAFFINADERIJ niet bewezen heeft noch eigenaar te zijn, noch voor rekening van andere eigenaars de vordering in te hebben gesteld · de vordering ongegrond te verklaren op grond van art. 17 § 2 CMR, gezien de fouten begaan door de andere in het ge-ding betrokken partijen, minstens de aansprakelijkheid on-der vier partijen te verdelen (DE DIJCKER, SONATRA, TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en MANUFERT) : - voor recht te zeggen dat DE DIJCKER aansprakelijk is ten aanzien van SONATRA door de onvolledig-heid en ontoereikendheid van de instructies en in-lichtingen en/of het niet doorgeven van de instruc-ties, c.q. gewijzigde instructies - voor recht te zeggen dat TIENSE SUIKERRAFFI-NADERIJ zelf fouten heeft begaan die in causaal verband staan met de ontstane schade, door niet na te gaan of het vervoermiddel wel geschikt was voor transport van voedingsmiddelen voor menselijke consumptie en door het aanvaarden van een voer-tuig dat manifest niet aangepast was aan dit type vervoer, terwijl geweten was dat het voertuig de dag voordien MAP vervoerd had, TIENSE SUIKERRAF-FINADERIJ op niet correcte wijze vaststellingen heeft gedaan die zij onder het K.B. van 7 februari 1997 verplicht was te doen - voor recht te zeggen dat MANUFERT fouten heeft begaan bij lossing door geen enkele controle te or-ganiseren van het te storten product · ondergeschikt voor recht te zeggen dat de schade die TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM IN-SURANCE & medeverzekeraars beweren te hebben gele-den uitsluitend binnen het toepassingsgebied van de CMR te situeren is, zodat de omvang beperkt is tot 19.986,54 EUR · de vordering van DE DIJCKER in tussenkomst en vrijwaring ongegrond te verklaren · de vordering van SONATRA ten aanzien van AXA BELGI-UM ontvankelijk en gegrond te verklaren en AXA BELGIUM te veroordelen tot vrijwaring van alle ten nadele van SO-NATRA uitgesproken veroordelingen * TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars concluderen tot de ongegrondheid van de hoger beroepen en verzoeken om DE DIJCKER en SONATRA solidair te veroordelen om te betalen:
  9. a)aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ een bedrag in hoofd-som van 160.546,93 EUR (vrijstelling en commissie ver-koop), plus intresten op 123.946,76 EUR aan wettelijke in-trestvoet aan 5% per jaar vanaf 17 november 1999 tot de dag van volledige betaling en de gerechtelijke intresten op 36.600,17 EUR sedert 16 mei 2000 tot de dag der betaling
  10. b)aan AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars elk voor hun aandeel voor een gezamenlijk bedrag van 652.297,82 EUR, plus alle intresten sedert 17 november 1999 tot dagvaarding en van dan af met de gerechtelijke in-tresten TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars vragen ook betaling van de kosten van ex-pertise tot beloop van 13.604,89 EUR en de gerechtskosten. * AXA BELGIUM concludeert tot de ongegrondheid van de hoger beroepen: zij vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis in de mate dat de vordering in vrijwaring van SONATRA ongegrond werd verklaard en de vordering van DE DIJCKER zo rechtstreeks als in vrijwaring ongegrond werd verklaard door de eerste rechter. Ondergeschikt, in zoverre er dekking zou zijn op grond van de BA-na-levering, de vordering ongegrond te verklaren met betrek-king tot de kosten en maatregelen om het product te vernietigen en/of om schade vast te stellen. Met het impliciete incidentele beroep beoogt zij te horen zeggen voor recht om de hoofdeis toelaatbaar doch ongegrond te verkla-ren, minstens alvorens recht te doen, de TIENSE SUIKERRAFFI-NADERIJ / AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars in rechte te bevelen om stukken over te leggen waaruit blijkt welke partijen suiker de eigendom van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ waren ten tijde van het schadevoorval en deel uitmaakten van de bij MANUFERT opgeslagen gecontamineerde suikerhoop, min-stens de vordering te beperken tot 19.986,54 EUR, zoniet tot 340.993,56 EUR. IV. De relevante feiten en antecedenten kunnen, bondig, als volgt worden weergegeven: 1. In november 1999 geeft TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ tijdens de jaarlijkse ‘suikercampagne' aan transportonderneming DE DIJCKER opdracht tot vervoer van diverse partijen suiker van Ge-nappe naar Antwerpen (MANUFERT / kaai 518). Volgens de instructies van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ d.d. 1 juni 1996 mogen alleen tankwagens worden gebruikt die ge-schikt zijn voor het vervoer van voedingswaren (bijlage 22 rapport Desmet). DE DIJCKER, die een langlopende handelsrelatie met TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ had, betwist dat deze instructies haar ooit ter kennis zouden zijn gebracht. 2. DE DIJCKER besteedt het vervoer van bepaalde partijen uit aan SONATRA. Bij fax van 16 november 1999 specificeert zij ten aan-zien van SONATRA "zoals overeengekomen laadt u met een pro-pere, droge silo (met reinigingsattest) (bijlage 3 rapport DESMET). Bij de inontvangstneming van de goederen te Genappe op 17 no-vember 1999 geeft de chauffeur van SONATRA, zekere LE-GRAND, een attest inzake (eigen) reiniging af : "tank ULG 083, laatst vervoerd product: ‘MAP', te vervoeren product : suiker, naam chauffeur : Legrand" (bijlage 6 rapport DESMET). Het betreft een partij van 28.540 kg witte kristalsuiker, vervoerd onder dekking van een CMR-vrachtbrief, met vermeldingen "af-zender: TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ; geadresseerde: MA-NUFERT, vervoerder : SONATRA, plaats van inontvangstneming : Genappe en plaats van aflevering: Antwerpen" (bijlage 4a rapport DESMET). 3. Bij het einde van de lossing - bij het ‘doorblazen' - van de partij in de vlaksilo van MANUFERT wordt op 17 november 1999 conta-minatie vastgesteld van de suiker door mestkorrels (mono-ammoniumfosfaat of MAP-korrels) . Er wordt voorbehoud gemaakt door MANUFERT op de CMR- vrachtbrief ("meststoffen in suiker, hoeveelheid onbekend, houden u verantwoordelijk voor alle kosten en gevolgen die kunnen voort-komen uit deze contaminatie") . De mestkorrels blijken, na grondig onderzoek, afkomstig te zijn van een ladingrestant MAP vervoerd in de silowagen met num-merplaat ULG 083. Het zou, naar schatting van de gerechtsdes-kundige, gaan om ca 40 kg (bijlagen 9 en 10 rapport DESMET, p. 41, 44, 48 en 54 rapport DESMET). De dag voordien had dit voertuig in zijn silo een partij MAP ver-voerd van Rotterdam naar Tertre (bijlage 1 rapport DESMET). 4. Volgens deskundige Desmet kan de contaminatie slechts ver-klaard worden door een slechte reiniging van de silowagen (ULG 083) na lossing van de meststof (rapport DESMET p. 54). 5. Voor belading overhandigde de chauffeur aan de aangestelde van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ een ‘certificat de propreté'. Voor de lossing bij MANUFERT werd van de suiker een staal genomen ‘met hooguit een indicatieve waarde over de zuiverheidtoestand van de silowagen' (rapport DESMET p. 50). 6. Na het vaststellen van de contaminatie werd, na overleg met en tussen privé-experts, ca 4.418 metrieke ton uit de vlaksilo afge-voerd en in twee duwbakken overgeladen om de overige suiker - ca 6.000 ton - te vrijwaren (bijlagen 7 en 26 rapport DESMET). De bezoedelde suiker werd door de Algemene Eetwareninspectie ongeschikt bevonden voor menselijke consumptie (bijlage 13 rap-port DESMET) en in noodverkoop van de hand gedaan aan de meest biedende. 7. De schade werd door expert Desmet becijferd als volgt: · contaminatie van 4.417.854 kg suiker : 26.374.589 BEF (653.808,98 EUR) · kosten MANUFERT : 4.939.040 BEF (122.435,60 EUR) * V. BEOORDELING A. Met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdvordering A.1 Toelaatbaarheid Zowel DE DIJCKER als SONATRA - supra III - houden voor dat de vordering van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ / AGF BELGI-UM INSURANCE & medeverzekeraars (hierna ook soms nog la-dingbelanghebbenden genoemd) niet toelaatbaar zou zijn. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ is opdrachtgever / afzender- medecontractant van de contractuele (hoofd)vervoerder DE DIJCKER. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ wordt op de CMR- vrachtbrief als afzender vermeld. Zij was effectief opdrachtgever van DE DIJCKER en medecontractant. SONATRA, die de vracht-brief uitstelde, is toegetreden tot het vervoer. Enkel TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ heeft de vordering inge-steld, tezamen met de in haar rechten (gedeeltelijk) gesubrogeer-de verzekeraars. Zij houden in dagvaarding op aannemelijke wijze voor dat zij drager zijn van subjectieve rechten die door DE DIJCKER / SONATRA geschonden zouden zijn en zij beogen her-stel van de daarbij opgelopen schade ten aanzien van de ver-voerders (DE DIJCKER / SONATRA) ten gevolge van een bezoe-deling van een partij suiker door mestkorrels naar aanleiding van een vervoer over de weg op 17 november 1999 van Genappe naar Antwerpen. Hierdoor laten de ladingbelanghebbenden op zich blijken van én belang én hoedanigheid in de zin van art.17 en 18 Ger.W. De afzender is op grond van art. 17 CMR gerechtigd de aanspra-kelijkheidsvordering in te stellen tegen de vervoerder(s), zonder dat hij hiertoe het bestaan van schade in eigen vermogen dient te bewijzen (Cass. 29 september 2006 inzake C.04.0203 N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10/1), laat staan dat hij dient aan te tonen dat hij eigenaar is van de te ver-voeren partij. * DE DIJCKER houdt voor dat de vordering, in zoverre gestoeld op buitencontractuele grondslag, evenmin toelaatbaar is, want ver-jaard. In dagvaarding d.d. 16 mei 200 werden door TIENSE SUIKER-RAFFINADERIJ / AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzeke-raars summier de feiten aangegeven als grondslag van de vorde-ring (oorzaak) en het voorwerp (datgene dat wordt gevorderd, la-ter gepreciseerd - zie supra I). De vordering in dagvaarding heeft een contractuele grondslag - dit is niet ter discussie - en bij conclusie d.d. 14 augustus 2001 stel-den de ladingbelanghebbenden dat ‘DE DIJCKER als vervoeron-dernemer aansprakelijk is voor de vergoeding van alle schade ... zulks zowel op contractuele grond als op grond van art. 1382 en 1384 B.W.'. Hierdoor hebben de ladingbelanghebbenden / oorspronkelijke ei-sers in casu noch het voorwerp noch de oorzaak van hun vorde-ring gewijzigd (Cass. 14 april 2005, JLMB, 2005/20, 857). Boven-dien hebben de vervoerders/oorspronkelijke verweerders zich verdedigd tegen de door de ladingbelanghebbenden ingeroepen rechtsgronden - zo op contractuele als op buitencontractuele grondslag. Er is bijgevolg geen sprake van een ingestelde vordering die door verjaring ex art. 32 CMR zou getroffen zijn, zoals DE DIJCKER (conclusie p. 18 in fine) alsook SONATRA (conclusie p.11 § 1) ten onrechte voorhouden. Besluit De grieven in verband met de beweerde niet-toelaatbaarheid van de hoofdvordering snijden geen hout. De beide hoger beroepen falen, wat dit onderdeel betreft. De eerste rechter heeft de hoofdvordering ingesteld door TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ / AGF BELGIUM INSURANCE & mede-verzekeraars terecht toelaatbaar verklaard. * A.2 Met betrekking tot de grond van de hoofdvordering A.2.1 TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ / AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars stellen vooreerst dat DE DIJCKER en SO-NATRA solidair, dan wel in solidum gehouden zijn op grond van de vervoerovereenkomst, dit is op contractuele grondslag. Niet betwist wordt dat op het (binnenlands) transport de bepalin-gen van het CMR-Verdrag van toepassing zijn en krachtens art. 3 CMR DE DIJCKER aansprakelijk is voor de daden en fouten van SONATRA aan wie het transport werd uitbesteed (vonnis a quo p.10 II 1 en 2). Verworven is dat SONATRA als vervoerder is toegetreden tot de oorspronkelijke transportovereenkomst tussen DE DIJCKER (con-tractueel vervoerder) en TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ (op-drachtgever en afzender). Hoofdvervoerder en toegetreden ver-voerder kunnen door de ladingbelanghebbenden rechtstreeks worden aangesproken en zijn hoofdelijk aansprakelijk. * DE DIJCKER argumenteert dat de contaminatie gebeurde vooraf-gaand de vervoerovereenkomst, dus buiten de opdracht (tot ver-voer) van DE DIJCKER aan SONATRA. De contouren van het vervoercontract mogen niet worden verward met de tijdspanne vermeld in art. 17.1 CMR, zijnde de periode waarvoor het vermoeden van aansprakelijkheid van de vervoerder speelt, met name tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering. Noch het begrip inontvangstneming noch aflevering zijn gedefini-eerd in het CMR-Verdrag. Met inontvangstneming wordt bedoeld het geheel van handelin-gen waarbij de afzender / belader bereid is om de goederen onder de controle van de vervoerder te plaatsen en deze laatste bereid is de controle over te nemen. De belading van de citerne/silo van de oplegger zelf heeft nauwe-lijks 10 à 15 minuten in beslag genomen volgens chauffeur LE-GRAND, waarna de ‘préposé de chargement a signé mon CMR' (‘de aangestelde van de verlader mijn CMR- vrachtbrief heeft af-getekend') (rapport DESMET, p.14). De inontvangstneming van de goederen greep dus plaats onmid-dellijk na het materiële inladen en aldus mag gesteld worden dat het begin van het proces van bezoedeling - zoals nadien is vast-gesteld - zich met zekerheid situeert kort na de belading, hetzij bij of na de inontvangstneming en de bezoedeling gecontinueerd werd tot het einde van de lossingoperatie, dus voor de aflevering aan MANUFERT (rapport DESMET, p. 39; zie het voorbehoud bij lossing op de CMR vrachtbrief aangebracht door MANUFERT - supra IV. 3 ), dus binnen de periode vermeld in art.17.1 CMR. * Ten onrechte houden TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars voor dat het voer-tuig ‘gebrekkig' was en bijgevolg de vervoerder zich niet aan zijn aansprakelijkheid kan onttrekken. De eerste rechter heeft ter zake (p.12.5) terecht overwogen dat de term "gebrek aan het voertuig" de ongeschiktheid van het voertuig niet omvat, maar dat de al dan niet geschiktheid van het voertuig in geval van contaminatie van bulkgoederen door achtergebleven restanten van vorige lading verband houdt met de specifieke rech-ten en verplichting van de betrokken partijen, meer bepaald de verplichtingen te reinigen, de wijze van instructie of gebrek eraan dan wel het eventueel gebrek aan nazicht, kortom het geheel van taken / verplichtingen die verlader / vervoerder / geadresseerde vervullen of niet vervullen bij de uitvoering van de overeenkomst. * DE DIJCKER / SONATRA kunnen bovenstaand vermoeden ex art. 17.1 CMR weerleggen door het bewijs te leveren van één van de omstandigheden vermeld in art. 17.2 CMR, dan wel door aan te tonen dat de schade mogelijk het gevolg is van één van de om-standigheden voorzien in art. 17.4 CMR. Zij beroepen zich in het laatste geval op art. 17.4.c CMR · art. 17.2 CMR, meer bepaald schuld van de rechthebben-de, in casu TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ: - TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ wordt verweten geen specifieke instructie te hebben gegeven in ver-band met de reinheid van de silo, hetgeen, naar oordeel van het Hof, een ongeloofwaardige stelling is, enerzijds omdat er sprake is van een niet betwiste jarenlange intense samenwerking tussen TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en DE DIJCKER inzake het suikertransport - 40 bulktransporten in 1999 alleen - en anderzijds omdat het moeilijk verklaarbaar is hoe DE DIJCKER, bij beweerde afwezigheid van instruc-tie, toch zijn ondervervoerder specifieke en precieze instructie gaf in dit verband, meer bepaald ‘te laden in een propere, droge silo (met reinigheidsattest)' - TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ wordt verweten in-structie te hebben gegeven die niet conform was met het K.B. van 7 februari 1997 betreffende de al-gemene voedingswarenhygiëne : dit beweerde wordt door DE DIJCKER niet bewezen, integendeel uit het hierboven gestelde mag worden afgeleid dat DE DIJCKER wel degelijk weet had dat de suiker van de campagne 1999 diende vervoerd te worden in citer-nes die ‘schoon en in goede staat van onderhoud gehouden worden' (art. 3.6 van desbetreffend K.B.); het feit dat de silo van SONATRA geen vermelding had ‘uitsluitend voor voedingsmiddelen' doet geen afbreuk aan het feit dat TIENSE SUIKERRAFFINA-DERIJ de vereiste om te werken met een reine of gereinigde silo - waarvoor trouwens een attest dien-de voorgelegd - had bedongen bij zijn medecontrac-tant - contractuele vervoerder DE DIJCKER, en de-ze laatste deze verplichting en instructie doorgaf aan SONATRA; - zelfs indien de niet vermelding op het voertuig ‘uit-sluitend voor voedingsmiddelen' op zich een inbreuk zou vormen op het geciteerde K.B. kan niet gesteld worden dat deze inbreuk de schade, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, heeft veroorzaakt; - TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ wordt eveneens verweten onvoldoende nazicht te hebben gedaan omtrent de aangeboden ‘gereinigde' silo door SO-NATRA / LEGRAND. De deskundige stelde dat de silowagen, voor belading, ‘inwending niet diepgaand geïnspecteerd werd op zuiverheid door de aange-stelde van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ", maar voegt in één adem eraan toe dat ‘er betrouwd werd op het reinheidcertificaat van de chauffeur' (p. 55 /7) - het ‘certificat de propreté' is een document op naam van SONATRA met de vermelding ISO 9002, waarin chauffeur LEGRAND, aangestelde van SONATRA, aangaf dat de citerne ULG083 het voorwerp was van adequate reiniging en, na verificatie, geen spoor meer vertoonde van het product dat voorafgaand werd vervoerd. De eerste rechter kan gevolgd wor-den in zijn beoordeling dat TIENSE SUIKERRAFFI-NADERIJ, gelet op dit certificaat, in de bewoordin-gen zoals gesteld, er rechtmatig mocht op vertrou-wen dat de silo beantwoordde aan hetgeen het do-cument, waarin trouwens gepronkt werd met de ISO 9002, aangaf; - dat in de praktijk de chauffeur LEGRAND, zoals na-derhand uit een intensief en doorgedreven onder-zoek is gebleken (supra IV.3), enkel met de grove borstel te werk was gegaan kan de aangestelde van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ niet worden verwe-ten; - de door de aangestelde van SONATRA toegepaste methode van reiniging kan bezwaarlijk adequaat worden genoemd, nu uit later doorgedreven onder-zoek gebleken is dat, naar schatting, ca 40 kilo res-tanten van het mono-ammoniumfosfaat konden worden verondersteld te zijn achtergebleven op de bodem van de silo (rapport DESMET p. 41 en 48). Dit is op een lading van 28.540 kg 1/713ste, dit om de proportie aan te geven; - aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ kan bezwaar-lijk worden verweten dat DE DIJCKER een onder-aannemer inschakelde die een oplegger met si-lo/citerne ter beschikking stelt die op 16 november 1999 eerst suiker vervoerde, vervolgens en aanslui-tend een meststoffen-transport uitvoerde en zich 's anderendaags opnieuw aanbood met diezelfde oplegger om suiker te vervoeren, weliswaar met het reinheidcertificaat, waarvan sprake. * · art. 17.4 c CMR, meer bepaald het bijzonder gevaar tijdens behandeling, lading, stuwing of lossing van goederen door afzender of geadresseerde: - in zoverre het TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ be-treft kan verwezen worden naar het hierboven ge-stelde: DE DIJCKER / SONATRA maken niet aan-nemelijk dat de schade het gevolg is kunnen zijn van het beweerde maar niet bewezen gebrek aan toe-zicht door TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en/of diens aangestelde; - in zoverre het MANUFERT betreft ziet het Hof niet in wat aan de geadresseerde MANUFERT kan worden verweten, nu de contaminatie reeds een feit was na belading en de contaminatie pas bij einde van de lossing werd vastgesteld bij het ‘leegblazen van de leidingen' (rapport DESMET, p. 44); het feit dat het voorafgaand de lossing genomen en conform be-vonden staal (rapport DESMET, p. 51) slechts indi-catief was voor de zuiverheid van de lading, is op zich onvoldoende om aan te nemen dat door een gebrek aan toezicht van het aangeboden voertuig bij lossing de schade, geheel of gedeeltelijk, is kunnen ontstaan; Resumerend kan gesteld worden dat DE DIJCKER / SONATRA zich niet met succes op een ontheffing van aansprakelijkheid kun-nen beroepen ex art. 17.2, respectievelijk 17.4.c CMR, noch dat er sprake is van fouten in oorzakelijk verband met de schade door de afzender of door derden, zodat een verdeling van de aansprake-lijkheid niet aan de orde is (art.17.5 CMR). Bewezen is dat beide vervoerders - op contractuele grondslag - aansprakelijk zijn voor de beschadiging/het verlies van de goede-ren ten aanzien van de afzender/verzekeraars (art. 17.1 CMR). * A.2.2 Zoals hoger aangegeven baseren TIENSE SUIKERRAFFINADE-RIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars hun aanspraken ook op buiten-contractuele grondslag. Het Hof onderschrijft ten dezen de oordeelkundige motieven van de eerste rechter op pagina 16/17 randnummer 3. Deze motieven worden door de ladingbelanghebbenden niet weerlegd. De fout die de contaminatie van de lading suiker heeft veroor-zaakt, met name het onvoldoende reinigen van de tank van de oplegger, is (uitsluitend) een contractuele fout. Niet bewezen is dat DE DIJCKER / SONATRA een andere dan contractuele fout hebben begaan. A.2.3 TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars houden verder voor dat DE DIJCKER en/of SONATRA zich niet kunnen beroepen op de beperking van aan-sprakelijkheid, nu de schade voortspruit uit opzet of uit schuld die met opzet gelijkgesteld wordt, volgens de wet van het gerecht waar de vordering aanhangig is (art. 29 CMR). Naar Belgisch recht houdt dit de beoordeling in van een intentio-neel element in hoofde van de vervoerder (diens aangestelde), in die zin dat het inzicht om schade te berokkenen in hoofde van de vervoerder moet blijken uit het geheel van de voorliggende feiten. Hoger IV.2 werd aangegeven dat de chauffeur LEGRAND een onvolledige reiniging van de citerne van de oplegger heeft door-gevoerd; dat zijn attest, na doorgedreven onderzoek, niet over-eenstemde met wat onder een adequate reiniging mag worden verstaan, maar niet dat hij zou gehandeld hebben met het inzicht de contaminatie te veroorzaken. Dat het attest vals zou zijn is niet bewezen. Overigens hebben de ladingbelanghebbenden bij de behandeling van de zaak voor de eerste rechter laten acteren dat zij niet meer stellen dat het reini-gingsattest d.d. 17 november 1999 een valsheid in geschrifte op-levert. Op deze stelling kan bezwaarlijk nog worden teruggeko-men, bijaldien er geen enkel bewijs wordt geleverd van het gestel-de. Ladingbelanghebbenden falen bijgevolg in het te leveren bewijs dat de vervoerder en/of diens aangestelde met opzet of met een schuld die met opzet wordt gelijkgesteld gehandeld heeft. A.2.4 TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars scharen zich achter de eerste rechter die stelt dat, naast de schade aan de vervoerde en verontreinigde goederen, ook de schade ten gevolge van de verontreiniging van de bij MANUFERT opgeslagen goederen en de door MANUFERT aangerekende kosten - zeg maar de gevolgschade - op grond van het gemeen recht, verhaalbaar zijn buiten de context van art. 23 lid 4 CMR. TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars stellen dat "een aansprakelijkheid voor schade door toevoeging van bezoedelde stortgoederen aan de reeds in de silo aanwezige goederen niet specifiek in CMR is voorzien, hoewel ook deze schade ten laste van de vervoerder valt" (conclusie p. 31 IX.1). DE DIJCKER / SONATRA en AXA BELGIUM betwisten deze stel-ling en houden voor dat de aansprakelijkheid van de CMR-vervoerder voor de schade aan de niet-vervoerde goederen in een opslagplaats eveneens en uitsluitend beheerst wordt door het CMR-Verdrag. "Het CMR wil een volledige regeling zijn van de aansprakelijkheid binnen de vervoerovereenkomst", aldus DE DIJCKER (conclusie p. 27). Zij stellen dat zij maximaal aansprakelijk zijn tot beloop van de waarde van de partij suiker (28.540 kg x 28,25 BEF / kg = 806.255 BEF of 19.986,54 EUR. Hoe dit te beoordelen? De vordering in kwestie strekt tot de reparatie van de schade niet alleen aan de vervoerde goederen, maar ook aan de goederen die reeds in de vlaksilo waren opgeslagen en waarmee de vervoerde goederen werden vermengd. De vordering situeert zich volledig binnen het contractuele ver-voerkader dat dwingendrechtelijk door het CMR-Verdrag beheerst wordt. De schade is ter zake ontstaan tijdens het vervoer, dat on-derworpen is aan het CMR-Verdrag (supra V.A.2.1) en de scha-de, ook diegene die betrekking heeft op de goederen opgeslagen in de vlaksilo van MANUFERT, is het gevolg van de foutieve uit-voering van de overeenkomst door de vervoerder(
  11. s)(supra V.A.2.2). Gevolgschade die door de beschadigde en vervoerde lading aan goederen van de bij MANUFERT opgeslagen goederen werd toe-gebracht valt, anders dan de eerste rechter beoordeelde en de ladingbelanghebbenden voorhouden, wel binnen het bereik van de art. 17 en 23 lid 4 CMR. Het CMR-Verdrag beoogt de aansprakelijkheid van de vervoerder te regelen op uitputtende wijze ten aanzien van de andere partijen betrokken bij de overeenkomst, met name de afzender en/of de geadresseerde, dit voor beschadiging, verlies en vertraging. Zelfs indien de beschadiging, verlies of vertraging, ontstaan in de loop van het aan dit Verdrag onderworpen vervoer volgens de toepasselijke wet kan leiden tot een vordering, die niet op de ver-voerovereenkomst is gegrond - hetgeen ter zake niet het geval is - kan de vervoerder zich (toch) beroepen op de bepalingen van het Verdrag die zijn aansprakelijkheid uitsluiten of de verschuldig-de schadevergoedingen vaststellen of beperken (art. 28 CMR). Gevolgschade veroorzaakt door verlies of beschadiging valt niet onder de noemer van art. 23 lid 4 CMR : gevolgschade heeft niet het karakter van ‘overige met betrekking tot het vervoer gemaakte kosten'. Art. 23.4 in fine CMR stelt dat verdere schadevergoeding niet verschuldigd is, hetgeen inhoudt dat de gevolgschade aan de in vlaksilo opgeslagen goederen in casu niet voor vergoeding in aanmerking komt. * A.2.5 Welke is de omvang van de schade? Voor de beschadiging aan de vervoerde goederen geldt als uit-gangspunt dat de volledige partij, vervoerd in de kwestieuze op-legger, aangetast was door de restanten van de meststofkorrels. De schade aan de vervoerde goederen wordt berekend naar de waarde van de goederen op de plaats en het tijdstip van de inont-vangstneming (art. 23.1 CMR). Niet betwist is dat de prijs per kilo 28,25 BEF bedraagt, zodat de schadevergoeding ten gevolge de beschadiging van de partij van 28.540 kg bestaat uit het aantal kg vermenigvuldigd met de hoger vermelde per kilo-waarde, hetzij 806.255 BEF of 19.986,54 EUR. Vraag is of er bovenop dit bedrag nog kosten zijn die vallen bin-nen de toepassing van art. 23.4 CMR, met name overige met be-trekking tot het vervoer der goederen gemaakte kosten. De kosten in verband met de conditionering van de vervoerde goederen na lossing ex vlaksilo, de opslag in duwbak en de kos-ten die verband houden met het behoud ervan met het oog op noodverkoop komen, pro rata, daartoe in aanmerking, met name tot beloop van 28.540 / 4.417.854ste of 0,0065, hetzij 32.103,76 BEF of 795,83 EUR. De globale schadevergoeding bedraagt bijgevolg 20.782,37 EUR, te vermeerderen met een intrest van 5% vanaf de dag waarop de schriftelijke vordering werd ingediend en indien niet vanaf de dag waarop zij in rechte aanhangig is gemaakt (art.27.1 CMR). Er is het Hof geen schriftelijke vordering alsdusdanig bekend, al-thans het blijkt niet uit de overgelegde stukken, zodat de rente eerst verschuldigd is vanaf 16 mei 200 tot de datum van betaling. Besluit DE DIJCKER en SONATRA zijn hoofdelijk gehouden om aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ/ AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars een bedrag van 20.782,37 EUR te betalen, vermeerderd met een intrest van 5% per jaar vanaf 16 mei 2000 tot de dag van algehele betaling. Betaling door DE DIJCKER/ SONATRA aan één van de oorspronkelijke partijen - bedoeld wordt TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ dan wel AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars - hier als afzonderlijke groep te aanzien - is bevrijdend ten aanzien van de andere. * B. Met betrekking tot de vordering in vrijwaring / ‘rechtstreekse eis' van DE DIJCKER tegen SONATRA SONATRA kan niet gevolgd worden in haar bewering dat DE DIJCKER foutieve instructie zou hebben gegeven aan SONATRA in verband met de staat van zuiverheid van het voertuig en de aard van de te vervoeren goederen, respectievelijk DE DIJCKER wist dat SONATRA niet over ‘gespecialiseerde vrachtwagens' be-schikt (conclusie p. 13). Uit het bovenstaande onder V.A.2.1 blijkt dat de aangestelde van SONATRA zijn verplichting om ‘te laden met een propere droge silo (met reinigingsattes)' niet nagekomen is ten aanzien van zijn opdrachtgever DE DIJCKER, met de schade tot gevolg, zoals ho-ger aangegeven. Uitsluitend de fouten van de aangestelde van SONATRA liggen aan de basis van de vastgestelde en bewezen schade, zoals ho-ger bepaald. SONATRA is bijgevolg gehouden haar opdrachtgever DE DIJCKER te vrijwaren voor het bedrag, zo in hoofdsom, intresten als onkosten, waartoe zij op hoofdvordering werd veroordeeld. C. Met betrekking tot de vordering van SONATRA tegen AXA BELGIUM SONATRA onderschreef bij AXA BELGIUM een polis 730.074.380 ‘Plan Multirisk Safir'. Deze polis omvat drie luiken, met name een luik ‘brand', een luik ‘burgerlijke aansprakelijkheid-uitbating' en een luik ‘burgerlijke aansprakelijkheid na levering producten'. De polis wordt overge-legd (stuk 1 bundel AXA BELGIUM). Hoger werd aangegeven dat SONATRA aansprakelijk is voor de schade aan de partij suiker die zij voor vervoer in ontvangst had genomen en gecontamineerd werd aangetroffen tijdens lossing bij MANUFERT. Zij is uitsluitend aansprakelijk binnen het kader van het vervoercontract ten aanzien van de ladingbelanghebbenden met betrekking tot de schade ontstaan tijdens de uitvoering van de overeenkomst van vervoer en niet op buitencontractuele grond-slag, noch ten aanzien van derden, noch ten aanzien van de me-decontractanten / ladingbelanghebbenden. Het luik ‘burgerlijke aansprakelijkheid na levering producten' komt dus niet in aanmerking, wel het luik ‘burgerlijke aansprakelijkheid uitbating'. De schade houdt verband met risico's verbonden aan haar uitbating van vervoeronderneming. Het voorwerp van dekking onder dit laatste luik is - in niet betwiste vrije vertaling in het Nederlands - het volgende ‘wij verzekeren ten beloop van de bedongen bedragen aan de Bijzondere Voorwaar-den de buitencontractuele verantwoordelijkheid uit hoofde van de schadegevallen aan derden veroorzaakt ter gelegenheid van de bedrijfsuitbating in het kader van uw in de bijzondere voorwaarden omschreven activiteiten' (clausule 1.A.1). De tekst vervolgt met ‘bovendien is de contractuele aansprakelijk-heid gedekt indien zij voortvloeit uit een feit dat op zich tot buiten-contractuele aansprakelijkheid kan leiden, met dien verstande dat de dekking dan beperkt is tot de schadevergoeding die zou zijn verschuldigd als de vordering niet op de overeenkomst was ge-grond' (clausule 1. A.2). In het kader van huidige problematiek houdt SONATRA voor dat ‘er niet ernstig kan betwist worden dat, in geval de fout van de aangestelde van concluante als bewezen wordt beschouwd, deze dan een inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsplicht heeft ge-pleegd in de zin van de art. 1382 e.v. B.W.' (conclusie p. 22 § 5). Hoger werd besloten tot de aansprakelijkheid van SONATRA op contractuele grondslag en haar aansprakelijkheid op grond van buiten-contractuele grondslag werd niet weerhouden. Volgens SONATRA betekent clausule 1.A.2 dat het volstaat aan te tonen dat het schadegeval aanleiding kan geven tot buitencon-tractuele aansprakelijkheid als zodanig - zonder dat hiermee de verzekeringnemer (verzekerde) wordt geviseerd - zo wordt gear-gumenteerd - om te besluiten tot dekking, bij uitbreiding dan, in geval van contractuele aansprakelijkheid van ... de verzekering-nemer (conclusie p. 21 § 7). Deze interpretatie kan het Hof niet onderschrijven De lezing van de tekst onder clausule § 1.A.2 kan niet los gekop-peld worden van de lezing van de tekst van clausule § 1. A.1, die betrekking heeft op ‘assuré' (‘verzekerde') zodat § 1.A.2 eveneens betrekking heeft op de situatie van de buitencontractuele aan-sprakelijkheid van de verzekerde. Hoger werd aangegeven dat het schadegeval geen aanleiding heeft gegeven, respectievelijk kon geven in hoofde van SONA-TRA tot buitencontractuele aansprakelijkheid, zodat van enige uitbreiding van dekking onder clausule 1.A.2 geen sprake is. Er is met andere woorden geen dekking onder het luik ‘B.A. Uitba-ting'. Of suiker al dan niet valt onder de opgesomde - al dan niet limita-tieve opsomming - van de lijst van producten of het vervoer van suiker onder de gedekte activiteiten valt, is irrelevant. Ook een onderzoek naar de beweerde ‘grove schuld' van verzekerde als uitsluitinggrond is niet (meer) aan de orde. Het schadeverwekkend feit is niet gedekt onder de polis. Het hoger beroep van SONATRA treft geen doel, wat dit onder-deel betreft. * D. Met betrekking tot de vordering van DE DIJCKER tegen AXA BELGIUM AXA BELGIUM wordt aangesproken op grond van art. 86 WLVO. De toelaatbaarheid van de vordering wordt opnieuw aangevoerd (conclusie DE DIJCKER p. 33 § 4). Het vonnis a quo verklaarde de vordering terecht toelaatbaar (p. 24). Het Hof sluit zich hierbij aan. Er zijn in dit verband geen ar-gumenten die de motieven van de eerste rechter weerleggen. De desbetreffende polis dekt geen (contractuele) transportschade. Er is, zoals hoger aangegeven, dekking voor activiteiten van de exploitatie van SONATRA waarvoor zij op burgerrechtelijke grond ten aanzien van derden aansprakelijk is. Uit niets blijkt dat AXA BELGIUM in de fout is gegaan omtrent enige mededelingsplicht bij het afsluiten van de polis en/of er sprake is van een foutieve aangifte van het risico. Dergelijk verwijt werd door SONATRA niet eens geformuleerd en DE DIJCKER was niet betrokken bij de totstandkoming van de polis en de risi-co-bespreking, respectievelijk de dekkingmodaliteiten. AXA BELGIUM kan DE DIJCKER alle excepties, nietigheden en verval van recht voortvloeiend uit de wet of overeenkomst tegen-werpen voor zover deze hun oorzaak vinden in een feit dat het schadegeval voorafgaat (art. 87 § 2 lid 1 WLVO). Hoger werd tot niet-dekking van het sinister besloten in de relatie AXA BELGIUM-SONATRA. Er is geen dekking. Dit kan aan DE DIJCKER worden tegengeworpen. De vordering van DE DIJCKER is derhalve toelaatbaar doch on-gegrond. De eerste rechter kan worden bijgetreden in zijn beoor-deling. Het hoger beroep faalt, wat dit onderdeel betreft. E. Met betrekking tot de expertisekosten De expertisekosten in verband met het gerechtelijke onderzoek zijn gerechtskosten.Ter zake is het billijk de kosten van expertise, die zowel een uitgebreid onderzoek naar de oorzaak als de om-standigheden en de omvang van het sinister betreft, ten laste te leggen van DE DIJCKER / SONATRA ten belope van ½ of 6.802,44 EUR. * OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Voegt de zaken gekend onder 2004/AR/2510 en 2004/AR/2525 samen en doet recht bij één arrest. Verklaart het hoger beroep ingesteld door DE DIJCKER toelaat-baar en gegrond in de hierna bepaalde mate; het hoger beroep ingesteld door SONATRA toelaatbaar en gegrond in de hierna bepaalde mate; het impliciet doch zeker incidenteel beroep inge-steld door AXA BELGIUM toelaatbaar en gegrond in de hierna bepaalde mate; Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat er voor recht werd gezegd dat: · de hoofdvordering van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars toelaat-baar is; · DE DIJCKER en SONATRA hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van de vervoerovereenkomst; · de vordering in vrijwaring van SONATRA tegen AXA BEL-GIUM toelaatbaar, maar ongegrond is; · de vordering in vrijwaring en subsidiaire ‘rechtstreekse eis' van DE DIJCKER tegen AXA BELGIUM toelaatbaar, maar ongegrond is; Hervormt het bestreden vonnis in de mate dat er voor recht werd gezegd dat de schade door verontreiniging van de bij MANUFERT opgeslagen goederen en de kosten in dit verband volgens het gemeen recht dienen te worden beoordeeld en DE DIJCKER / SONATRA zich terzake niet op de aansprakelijkheidsbeperkingen van de CMR kunnen beroepen. Verder recht doende krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep, zegt thans voor recht dat de oorspronkelijke hoofd-vordering van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en AGF BELGI-UM INSURANCE & medeverzekeraars ten aanzien van DE DIJCKER en SONATRA gegrond is tot beloop van 20.782,37 EUR, vermeerderd met een intrest van 5% per jaar vanaf 16 mei 2000 tot de dag van algehele betaling, veroordeelt DE DIJCKER en SONATRA hoofdelijk tot betaling van dit bedrag met aankle-ven, met dien verstande dat betaling door DE DIJCKER en/of SONATRA aan één van de oorspronkelijke partijen - bedoeld wordt TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ dan wel AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars - hier als afzonderlijke groep te aanzien - bevrijdend is. Doet verder recht op de door DE DIJCKER ingestelde vordering tot vrijwaring ten aanzien van SONATRA, verklaart deze vordering toelaatbaar en gegrond, veroordeelt SONATRA om DE DIJCKER te vrijwaren zo in hoofdsom, intresten en kosten die DE DIJCKER desgevallend betaalt aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en/of AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars. Legt de kosten van expertise voor ½ ten laste van DE DIJCKER en SONATRA en veroordeelt hen hoofdelijk om 6.802,44 EUR te betalen aan TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ en/of AGF BELGI-UM INSURANCE & medeverzekeraars. Verwijst DE DIJCKER en SONATRA in de overige kosten van het geding, zo in eerste aanleg als hoger beroep, aan de zijde van TIENSE SUIKERRAFFINADERIJ / AGF BELGIUM INSURANCE & medeverzekeraars vereffend op 747,05 EUR (dagvaarding kort geding), 716,78 EUR (dagvaarding ten gronde), de rechtspleging-vergoeding eerste aanleg 334,67 EUR, rechtsplegingvergoeding hoger beroep 334,67 EUR, rechtsplegingvergoeding kort geding 223,11 EUR en aan de zijde van AXA BELGIUM vereffend op rechtsplegingvergoeding eerste aanleg 356,98 EUR en rechtsple-gingvergoeding hoger beroep 475,97 EUR; het anders en meer gevorderde wordt verworpen. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : Mevrouw M. BERTRAND Voorzitter de Heer P. DE BAETS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover de heer Voorzitter P. RENAERS, mede beraadslaagd heeft overeen-komstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze ma-gistraat wettig verhinderd zijnde, vervangen door mevrouw de Voorzitter M. BERTRAND, hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij bevelschrift van de Heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van heden. PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070219.9 Gerelateerde publicatie(
  12. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.10 Link JUSTEL: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.