id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070221.13 Rolnummer: 2005AR658-2005AR869 Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-07-31 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 15:22 Fiche
- Het niet-contradictoir karakter van een deskundigenonderzoek bevolen door de onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek heeft geen nietigheid van het onderzoek of het deskundige verslag tot gevolg. Het gebrek aan tegenspraak verhindert dat het deskundigenverslag tegenwerpelijk is aan de eigenaar van het afgebrande gebouw en zijn verzekeraar, zodat de bewijsregel die in de regel toekomt aan een deskundigenonderzoek, gehouden conform artikel 962 e.v. Ger.W., in casu niet bestaat. Het door de onderzoeksrechter bevolen deskundigenonderzoek geldt in casu enkel als nuttige inlichting, behoudens die vaststellingen die bij gebreke aan valsheidsprocedure authentieke bewijswaarde genieten, te weten de louter materiële vaststellingen van de gerechtsdeskundige gedaan binnen zijn opdracht.
- De brand van een gebouw is weliswaar een abnormaal gedrag voor een gebouw, maar daar kan niet zonder meer worden uit afgeleid dat dit gebouw zich in een gebrekkige toestand bevond.
- de eigenaar van een gebouw is gewoonlijk in feite de bewaarder van het gebouw. Hij kan deze bewaring echter hebben overgedragen of overgelaten aan een andere persoon, zoals aan een huurder. De kwestie moet in feite worden beoordeeld. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Bewijs (gerechtelijk recht) - Deskundigenonderzoek BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Algemeen BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Zaken Vrije woorden:
- Deskundigenonderzoek in strafzaken - bewijswaarde in civiele zaken
- Brand - abnormale gedraging - gebrek van de zaak
- Bewaarder van een huis - eigenaar - verhuring Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2005/AR/658 - 2005/AR/869 I. 2005/AR/658 M. B., appellant, vertegenwoordigd door Mr. DEPREZ Liesbet, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Lange Leemstraat 59 tegen het vonnis gewezen op 02 december 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen
- E. M. A. M., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. FRERIKS loco Mr. VERCRAEYE Jozef, advocaat te 2920 KALMTHOUT, Max Temmermanlaan 3
- GENERALI BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149 bus 1, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 255.122, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. FRERIKS loco Mr. DIERCXSENS Alexandre, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 en de aangezegde partijen
- INTERCOMUNALE VOOR TELEDISTRIBUTIE VAN HET GEWEST ANTWERPEN CV, INTEGAN, met zetel te 2660 HOBOKEN (ANTWERPEN), Boomkekelaan 14, vertegenwoordigd door Mr. D. HEGMANS loco Mr. HENDRICKX Carl, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A
- L. S., vertegenwoordigd door Mr. A. VAN DER VELPEN loco Mr. VANSTREELS Mich, advocaat te 2140 BORGERHOUT (ANTWERPEN), Joe Englishstraat 61 bus 13 II. 2005/AR/869 L. S., appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. VAN DER VELPEN loco Mr. VANSTREELS Mich, advocaat te 2140 BORGERHOUT (ANTWERPEN), Joe Englishstraat 61 bus 13 tegen het vonnis gewezen op 02 december 2004 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen GENERALI BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1050 ELSENE, Louizalaan 149, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 255.122 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. FRERIKS loco Mr. DIERCXSENS Alexandre, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 136 en de aangezegde partijen:
- E. M., vertegenwoordigd door Mr. D. FRERIKS loco Mr. VERCRAEYE Jozef, advocaat te 2920 KALMTHOUT, Max Temmermanlaan 3
- INTERCOMUNALE VOOR TELEDISTRIBUTIE VAN HET GEWEST ANTWERPEN CV, INTEGAN, met zetel te 2660 HOBOKEN (ANTWERPEN), Boombekelaan 14, vertegenwoordigd door Mr. D. HEGMANS loco Mr. HENDRICKX Carl, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A ***
- Wat voorafgaat. 1.
- Op 4 november 1999 is er brand ontstaan in een gebouw te Antwerpen, Van Urselstraat
- Het gebouw is eigendom van A. E. M. B. M. had zijn personenwagen geparkeerd in de nabijheid van het door brand geteisterd gebouw. Dit voertuig vatte vuur en werd hierdoor vernield. Ook S. L. had zijn wagen in die buurt geparkeerd. Blijkbaar hinderde die wagen de toegang van de brandweer tot een aansluiting voor water zodat de brandweer besliste de wagen te verplaatsen. Bij die verplaatsing zou het voertuig beschadigd zijn. 1.
- B. M. ging op 28 februari 2001 over tot dagvaarding van A. E. M. en van zijn brandverzekeraar n.v. Generali Belgium om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en vorderde de solidaire veroordeling van de gedaagden tot de betaling van een vergoeding van euro 6 574,14 (265.200,- : 40,3399), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november 1999 en de gerechtelijke interesten. Deze vergoeding sloeg op de voertuigschade, stilligschade, staangeld, sleepkosten en schade aan goederen in het voertuig. De eis van B. M. werd gesteund op de buitencontractuele aansprakelijkheid zowel op basis van de persoonlijke fout als in de hoedanigheid van bewaarder van een gebrekkige zaak en ook op burenhinder. De c.v. Integan is in dit geding vrijwillig tussengekomen en vorderde de vergoeding voor brandschade aan een TV-distributiekabel ten belope van euro 404,12 (16.302,- : 40,3399) vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november 1999, de gerechtelijke interesten en de kosten. De c.v. Integan liet haar eis steunen op de aansprakelijkheid van A. E. M. als bewaarder van een gebrekkige zaak en op grond van burenhinder. 1.
- S. L. bracht op 6 november 2001 een dagvaarding uit tegen de n.v. Generali Belgium om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en vorderde de veroordeling van gedaagde tot de betaling van een schadevergoeding van euro 1 949,66 (78.649,- : 40,3399), vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november 1999 en met de gerechtelijke interesten. De schade betrof voertuigschade, en verlies voor herstellings- en wachttijd. In de dagvaarding werd geen rechtsgrond omschreven wat de aansprakelijkheid betreft van de verzekerde van de gedaagde. Voor de eis tegen de gedaagde werd verwezen naar de rechtstreekse vordering van de schadelijder tegen de brandverzekeraar. Later werden art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek, art. 62 en art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst aangehaald. 1.
- Beide zaken werden in eerste aanleg samengevoegd. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 december 2004 heeft de oorspronkelijke eisen van B. M. ongegrond verklaard, heeft de oorspronkelijke eis van de c.v. Integan gedeeltelijk gegrond verklaard door A. E. M. te veroordelen tot de betaling van een som van euro 404,12, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november 1999 en met de gerechtelijke interesten, en heeft de oorspronkelijke eis van S. L. ongegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde dat mag aangenomen worden dat de brand ontstond door een niet volledig gedoofde sigaret die in een vuilnisbak terecht kwam doch dat het onbewezen gebleven is of één van de huurders van A. E. M., of één van de genodigden van die huurders of A. E. M. zelf deze schadeverwekkende daad verrichtte. De eerste rechter besloot tot de afwezigheid van bewijs van fout. Er werd tevens geoordeeld dat de brand op zich geen bewijs levert van een gebrek van de zaak. Wat de rechtsgrond van burenhinder betreft nam de eerste rechter aan dat deze enkel kon gelden tegenover de c.v. Integan vermits de wagen van B. M. geen onroerend goed was en daarom de evenwichtsleer niet van toepassing werd geacht. De eis van S. L. werd afgewezen omdat hij ten onrechte aanspraak zou willen maken op art. 62 Wet Landverzekeringsovereenkomst dat, volgens de eerste rechter, enkel kan ingeroepen worden door de verzekerde en niet door een derde-schadelijder van hulpacties. 1.
- B. M. stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 2 maart
- Zijn hoger beroep is ingeschreven onder nr. 2005/AR/
- Het werd ingesteld tegen A. E. M. en n.v. Generali Belgium als gedaagden in hoger beroep en hij liet zijn verzoekschrift tot hoger beroep aanzeggen met aanmaning om te verschijnen voor het Hof aan de c.v. Integan en S. L. S. L. stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 23 maart
- Zijn hoger beroep is ingeschreven onder nr. 2005/AR/
- Het werd ingesteld tegen de n.v. Generali Blegium als gedaagde in hoger beroep met aanzegging aan de c.v. Integan en A. E. M. Beide hoger beroepen werden behandeld ter terechtzitting van 24 januari
- Samenvoeging Voormelde hoger beroepen zijn ingesteld tegen hetzelfde vonnis. Wegens hun samenhang en om redenen van goede rechtsbedeling worden beide hogere beroepen met toepassing van art. 30 van het Gerechtelijk Wetboek samengevoegd.
- De eisen in hoger beroep. 3.
- B. M. vordert dat zijn oorspronkelijke eis bij hervorming van het beroepen vonnis gegrond zou worden verklaard door A.E. M. en de n.v. Generali Belgium te veroordelen tot de betaling van euro 6 133,76, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november 1999, de gerechtelijke interesten en de proceskosten. 3.
- S. L. vordert dat zijn oorspronkelijke eis bij hervorming van het beroepen vonnis gegrond zou worden verklaard door de n.v. Generali Belgium te veroordelen tot de betaling van euro 1 949,66, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november 1999, de gerechtelijke interesten en de proceskosten. 3.
- De n.v Generali Belgium verzoekt de afwijzing van de hogere beroepen en concludeert tot de bevestiging van het beroepen vonnis. Ondergeschikt, verzoekt zij de eis van B. M. alleszins te herleiden tot euro 5 482,
- 3.
- A. E. M. heeft geen conclusie neergelegd. 3.
- De c.v. Integan heeft geen conclusie neergelegd. Haar raadsman liet per brief weten dat het in eerste aanleg gewezen vonnis door haar werd uitgevoerd ten laste van A. E.M.
- De beoordeling. 4.
- Appellanten M. en L. houden voor op 4 november 1999 schade geleden te hebben ten gevolge van de woningbrand in het gebouw Van Urselstraat 11 te Antwerpen. Zij vorderen schadeloosstelling op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van A. M. E. M., eigenaar-verhuurder van de het door brand geteisterde gebouw. Appellant M. vordert schadeloosstelling ten laste van geïntimeerde E. M. met toepassing van art. 1382-1383 en 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek. Hij heeft zijn eisen tegen geïntimeerde Generali Belgium, verzekeraar van geïntimeerde E. M. gesteund op art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst. Ter terechtzitting van 24 januari 2007 heeft de raadsman van appellant M. verklaard dat niet langer wordt gesteund op art. 544 van het Burgerlijk Wetboek. Appellant L. vordert schadeloosstelling (enkel) ten laste van geïntimeerde Generali Belgium met toepassing van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst. De kwalitatieve aansprakelijkheid van geïntimeerde El Makrini. 4.
- Het gebrek van de zaak. 4.2.
- Een zaak kan als gebrekkig worden beschouwd wanneer die zaak een abnormaal kenmerk vertoont waardoor ze in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Volgens appellant M. was de woning Van Urselstraat 11 te Antwerpen als geheel gebrekkig. Het abnormaal kenmerk dat de woning in kwestie gebrekkig zou gemaakt hebben, was, volgens appellant M., de aanwezigheid van een brandende vuilniszak op een summier afgedekte binnenkoer. Geïntimeerden Generali Belgium en E. M. betwisten het beweerde gebrek. 4.2.
- Appellant M. en appellant L. houden voor dat de brand, waardoor ook hun voertuig rechtstreeks dan wel onrechtstreeks werden beschadigd, ontstond door de aanwezigheid van een smeulende sigarettenpeuk in een vuilniszak die zich bevond op de als keuken ingerichte overdekte binnenkoer van het gebouw. De vuilniszak zou vuur hebben gevat waarna het vuur, mede door de toevoer van zuurstof ten gevolge van het smelten van de golfplaat die de binnenkoer overdekte, zich uitbreidde in het gehele gebouw. Geïntimeerden betwisten de feitelijke grondslag van de aansprakelijkheidsvordering van appellanten in die zin dat het, volgens hen niet is aangetoond dat de brand werd veroorzaakt op de wijze die door appellanten wordt voorgehouden. Appellanten dragen de last van het bewijs van het beweerd gebrek van de zaak. Zij laten hun bewijsvoering steunen op het verslag van expert Bastijns, aangesteld door de onderzoeksrechter in het kader van het gerechtelijk onderzoek. De expert besluit: "
- ...
- Uit de brandtechnische vaststellingen bleek dat het een accidentele brand betreft die ontstond in een vuilniszak die in een als keuken ingericht koertje stond.
- Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid werd in deze vuilniszak een nog brandende sigaret gedeponeerd. Het contact van deze sigaret met brandbare materialen gedumpt in deze vuilnisemmer deed een smeulende brand ontstaan die na een tijd overging in een vlammende brand. De aanwezige brandbelasting was voldoende om een uitslaande brand te veroorzaken.
- De brand was niet het gevolg van een kwaadwillige handeling maar blijkbaar toe te schrijven aan een gebrek aan voorzichtigheid." Volgens geïntimeerden is dit deskundigenverslag aan hen niet tegenwerpelijk en zou het toekennen van enige bewijswaarde daaraan strijdig zijn met hun rechten van verdediging. Zij besluiten dat de juiste oorzaak van de brand niet gekend is. Tot staving van haar argumentatie verwijst geïntimeerde Generali Belgium naar het arrest van het Arbitragehof van 30 april 1997 (inzake 24/97, BS, 19 juni 1997). Deze verwijzing is evenwel niet terzake dienend omdat het Arbitragehof zijn analyse in bedoeld arrest uitdrukkelijk heeft beperkt tot het al dan niet contradictoire karakter van een deskundigenonderzoek bevolen door de strafrechter in zijn hoedanigheid van vonnisrechter. Te dezen werd het deskundigenonderzoek bevolen door de onderzoeksrechter tijdens het gerechtelijk onderzoek. Het Arbitragehof oordeelde in dergelijk geval in zijn arrest van 24 juni 1998 (inzake 74/98,B.S.,25 september 1998) dat het niet-contradictoir karakter van een dergelijk deskundigenonderzoek geen schending uitmaakt van art. 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gezien in samenhang met art. 6 E.V.R.M. Het deskundigenonderzoek bevolen door de onderzoeksrechter dat in de regel op niet-contradictoire wijze wordt uitgevoerd, houdt geen schending van de rechten van verdediging in wanneer de vaststellingen van de gerechtsdeskundige ter terechtzitting kunnen worden onderworpen aan een debat op tegenspraak. In strafzaken in de fase van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek kunnen de eigen kenmerken van de strafrechtspleging, o.m. het zwijgrecht van de verdachte, de inquisitoriale rechtspleging, zich verzetten tegen de toepassing van de regels van het Gerechtelijk Wetboek terzake van het deskundigenonderzoek, inzonderheid wat de wilsautonomie van partijen en de tegenspraak tijdens alle verrichtingen van de gerechtsdeskundige betreft. De vaststelling dat het deskundigenonderzoek van ir. L. Bastijns niet op tegenspraak verliep, doet te dezen dan ook niet besluiten tot enige onregelmatigheid die tot nietigheid van het onderzoek en het verslag zou moeten doen besluiten. Daaraan staat echter niet in de weg dat de vraag naar de bewijswaarde van dit deskundigenonderzoek in onderhavige civiele zaak blijft gesteld. Het gebrek aan tegenspraak verhindert dat het deskundigenverslag tegenwerpelijk is aan geïntimeerde E. M. en zijn verzekeraar zodat de bewijswaarde die in de regel toekomt aan een deskundigenonderzoek dat is gehouden conform art. 962 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, in onderhavig geval niet bestaat. Het deskundigenonderzoek Bastijns geldt te dezen enkel als nuttige inlichting, behoudens die vaststellingen die bij gebreke van valsheidsprocedure authentieke bewijswaarde genieten, te weten de louter materiële vaststellingen van de gerechtsdeskundige gedaan binnen zijn opdracht. In het proces-verbaal van de inspecteur van het laboratorium van de gerechtelijke politie, zijnde een officier van gerechtelijke politie, te Antwerpen van 22 november 1999 werd o.m. vermeld: - "...de brand ontstond blijkbaar in de keuken in de achterbouw." - "...De juiste brandoorzaak hebben wij niet kunnen achterhalen, elementen die kwaad opzet zouden kunnen doen vermoeden hebben wij niet aangetroffen." - "...foto 993760-12: achter de muur van de afwasbak ligt de WC, de WC-deur is praktisch volledig verkoold. In deze deuropening vinden wij de resten van een houten krukje (....). Gezien het brandpatroon van dit krukje en van de houten WC-deur lijkt het ons niet onmogelijk dat de brand aldaar op de grond is ontstaan, op deze plaats worden de resten van een vuilniszak aangetroffen." Deze vaststellingen, die overeenstemmen met de materiële vaststellingen van gerechtsdeskundige Bastijns, leveren het bewijs dat de brand ontstond in de keuken van de achterbouw, tegen de grond, ter hoogte van de openstaande WC-deur, waar een vuilniszak stond. Door de louter materiële vatstellingen van gerechtsdeskundige Bastijns, waaraan, zoals voormeld wel bewijswaarde toekomt, wordt eveneens bewezen dat tussen de brandresten van de voormelde vuilniszak "een kleine twintigtal peuken van filtersigaretten (werden) geteld". De plaats van de brandhaard en het feit dat aldaar brandresten werden aangetroffen van een uitgebrande vuilniszak met sigarettenpeuken vormen een geheel van bepaalde, gewichtige en overeenstemmende feitelijke vermoedens die het afdoende bewijs leveren van het door appellant M. beweerde feit dat de brand ontstond door een smeulende sigaret in de vuilniszak. 4.2.
- Het feit dat het gebouw, eigendom van geïntimeerde E. M. en door deze brand, het voertuig van appellant M. en onrechtstreeks ook het voertuig van appellant L. werden beschadigd, impliceert nog niet het bewijs dat het gebouw in kwestie met een gebrek was behept. De brand van een gebouw is weliswaar een abnormaal gedrag voor zo'n gebouw maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat dit zich in een gebrekkige gesteldheid bevond. Het is te dezen afdoende bewezen dat de brand werd veroorzaakt door een smeulende sigaret in een vuilniszak, die zich in de keuken op het gelijkvloers van het door brand geteisterde gebouw bevond. Uit deze omstandigheid volgt niet dat de structuur van het gebouw was aangetast door een gebrek. De afdekking van het koertje met een plastieken golfplaat is evenmin een gebrek. Van deze dakbedekking in kwestie is niet aangetoond dat deze zou hebben afgeweken van haar model, te weten een dakbedekking uit plastieken golfplaten. Een gebrek wordt evenwel vastgesteld wat de vuilniszak betreft. In die vuilniszak bevond zich een smeulende sigarettenpeuk. Deze peuk is deel gaan uitmaken van de inhoud van de vuilniszak, ging behoren tot de structuur van deze zaak en werd er aldus een kenmerk van. Een vuilniszak met daarin een smeulende sigarettenpeuk wijkt af van haar model, volgens welk daarin normaliter geen smeulende voorwerpen worden gedumpt, en kan in bepaalde omstandigheden schade veroorzaken, met name brand. De schade die appellant M. en appellant L. hebben geleden zou niet tot stand gekomen zijn, zoals deze zich in concreto heeft voltrokken, zonder het gebrek van de zaak, voormeld. 4.
- De bewaarder van de gebrekkige zaak. 4.3.
- Geïntimeerde E. M. wordt aangesproken door appellant M. in zijn beweerde hoedanigheid van bewaarder van een gebrekkige zaak en geïntimeerde Generali als zijn verzekeraar. Appellant L. spreekt geïntimeerde Generali aan als verzekeraar van geïntimeerde E. M. Deze laatste en zijn verzekeraar betwisten niet dat hij eigenaar was van de door brand geteisterde woning doch ontkent dat hij er de bewaarder van was. Hij voert aan dat hij de woning aan diverse personen had verhuurd en dat enkel deze huurders de hoedanigheid van bewaarders van de woning hadden. Appellanten werpen tegen dat de beweerde verhuring niet werkelijk bewezen en alleszins aan hen niet-tegenwerpelijk is. 4.3.
- De bewaarder van een zaak, in de zin van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek, is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruik maakt, het genot ervan heeft of voor het behoud ervan zorgt met recht van toezicht, leiding en controle. Op het ogenblik van de schadeverwekkende brand werd het gebouw volgens geïntimeerde E. M. verhuurd aan: A. L. (gelijkvloers) en S. F. (tweede verdieping). De eerste en de derde verdieping waren volgens hem niet verhuurd. De eigenaar van een gebouw is gewoonlijk in feite de bewaarder van het gebouw. Hij kan deze bewaring echter hebben overgedragen of overgelaten aan een ander persoon, zoals aan een huurder. De kwestie moet in feite worden beoordeeld. Door het gerechtelijk onderzoek werd de aanwezigheid in het gebouw op het ogenblik van het ontstaan van de brand gereveleerd van twee personen, zijnde de personen die uit het raam van de derde verdieping sprongen: A. M. en een niet-geïdentificeerde, nadien spoorloos verdwenen vrouw. Er wordt niet beweerd dat deze personen huurders waren en dat zij de feitelijke bewaring over het gebouw of over één van de appartementen hadden. In acht genomen de omstandigheid dat de gebrekkige zaak die de brand deed ontstaan zich bevond in het appartement op het gelijkvloers en rekening houdend met de beweerde verhuring van dit gelijkvloers en met het hiertegen voorgedragen verweer van appellanten, moet worden nagegaan of geïntimeerde E. M. dan wel zijn beweerde huurder A. L. de feitelijke bewaring had van dit appartement en van de inboedel, o.m. van de vuilniszak in kwestie. In het strafdossier wordt een fotokopie aangetroffen van een onderhandse akte van verhuring door geïntimeerde E.M. aan A. L. m.b.t. het gelijkvloers appartement, Van Urselstraat 11 te Antwerpen voor een periode van 12 juni 1999 tot 11 december
- Deze akte is niet geregistreerd. Geïntimeerden tonen niet aan dat deze akte hetzij door registratie, hetzij op een andere wijze een vaste dagtekening heeft verkregen. Als bewijs van de verhuring van het appartement in kwestie op het ogenblik van de brand is deze akte niet tegenwerpelijk aan appellanten. De zogenaamde huurder werd op het ogenblik van de brand ter plaatse niet aangetroffen en heeft zich ook nadien niet gemeld. De verbalisanten zijn dan op zoek gegaan naar A. L., en hebben deze persoon aangetroffen, wonende te Antwerpen Wetstraat
- Het betreft het adres van de huurder vermeld op het voormeld huurcontract. Ook het nummer van de identiteitskaart vermeld op dit contract stemt overeen met het nummer van de identiteitskaart van A. L. Deze laatste heeft echter ten aanzien van de verbalisanten ontkend ooit het appartement van geïntimeerde El M. te hebben gehuurd of er ooit te hebben gewoond. Hij zegde dat hij zijn identiteitskaart in de loop van maart 1999 verloren was en deze na één dag terug in zijn brievenbus werd gestoken. De verbalisanten hebben geïntimeerde E. M. een foto van A. L. voorgelegd en deze heeft verklaard dat de persoon op de foto niet de persoon was aan wie hij verhuurd had. De verbalisanten stelden bovendien vast dat de handtekening die A. L. plaatste op het verhoorblad niet gelijkend was op de handtekening van de huurder op het huurcontract. Er worden geen betalingen van huurgeld door A. L. voorgebracht. Deze zou het huurgeld contant bij de verhuurder thuis betaald hebben. De bewering van geïntimeerde E. M. dat hij het gelijkvloers verhuurde aan A. L. of aan een persoon die zich als A. L. voordeed, is op grond van al deze elementen niet aannemelijk gemaakt. Er bestaan te dezen dan ook geen omstandigheden, tenminste zijn deze niet op afdoende wijze aangetoond, dat wat het gelijkvloers appartement en zijn inhoud betreft moet worden afgeweken van de feitelijke bevoegdheid van de eigenaar in overeenstemming met zijn recht, met name dat deze de bewaring met zowel recht van en als effectieve macht van gebruik, leiding en controle uitoefende op zijn eigen goed. Er wordt dan ook besloten dat geïntimeerde E. M. de bewaarder was van de gebrekkige zaak die de brand heeft doen ontstaan en ten gevolge waarvan appellanten de schade hebben geleden waarvan zij de schadeloosstelling vorderen. Met toepassing van art. 1384, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek is geïntimeerde El M. gehouden tot schadeloosstelling. De schadeclaims ingediend tegen geïntimeerde Generali Belgium komen eveneens in beginsel gegrond voor met toepassing van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst. De schade. 4.
- Appellant M. vordert een herleide vergoeding van euro 6 133,76, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 4 november
- Geïntimeerden betwisten de volgende schadeposten: - voertuigschade van euro 3 909,13 (157.694,- : 40,3399), verhoogd met B.T.W. van euro 820 (33.115,- : 40,3399): de raming is gesteund op een expertise van de heer Van Raemdonck, uitgevoerd in opdracht van de verzekeringsmaatschappij Fidea. Deze raming komt juist voor rekening houdend met het type van de wagen en met het onbetwistbaar totaalverlies van het voertuig. - vervanging geluidsinstallatie van euro 322,44 (13.007: 40,3399), B.T.W. inclusief: expert Van Raemdonck heeft deze schade geraamd, eraan toevoegend dat de raming geschiedde in werkelijke waarde. Rekening houdend met het onderzoek van het wrak door expert Van Raemdonck wordt de werkelijkheid van het verlies van de bestaande geluidsinstallatie in het door brand geheel vernielde voertuig voldoende aannemelijk gemaakt. De geraamde waarde van het verlies komt juist voor. - vergoeding van de stilligschade: expert Van Raemdonck heeft de duur van de derving begroot op 6 dagen. Appellant M. vordert een vergoeding voor 15 + 3 dagen. Ten gevolge van het totaalverlies van het voertuig heeft appellant M. recht op een vergoeding voor de vervangdagen. Het gevorderde stemt overeen met de bewezen schade. - vergoeding voor verlies van 3 T-shirts: euro 89,24 (3.600,- : 40,3399), van 5 cd's: euro 92,96 (3750,- : 40,3399), van 2 zonnebrillen: euro 133,71 (5.394,- : 40,3399) en een GSM-oplader: euro 70,65 (2.850,- : 40,3399): geïntimeerden merken terecht op dat van dit verlies geen enkel bewijs wordt geleverd. Er wordt ten onrechte vergoeding van gevorderd. De eis van appellant M. is dan ook slechts toewijsbaar ten belope van: euro 6 133,76 - 386,56 = euro 5 747,20 in hoofdsom vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet van 4 november 1999 en met de gerechtelijke interesten . 4.
- Appellant L. vordert een schadevergoeding van euro 1 949,66, vermeerderd met de vergoedende interesten en de gerechtelijke interesten. Hij brengt tot bewijs een expertiseverslag voor van 16 december 1999 opgesteld op verzoek van P&V Verzekeringen. Het Hof bemerkt wat de schadebegroting van appellant L. betreft geen verweer vanwege geïntimeerden. Deze eis komt gegrond voor. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Voegt de hogere beroepen ingeschreven onder nr. 2005/AR/658 en 2005/AZR/869 samen. Verklaart het hoger beroep van appellant B. M. toelaatbaar en deels gegrond. Verklaart het hoger beroep van appellant S. L. toelaatbaar en gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke eis van appellant B. M. als volgt gegrond. Veroordeelt geïntimeerde n.v. Generali Belgium en geïntimeerde A. E. M. in solidum tot de betaling aan appellant B. M. van de som van euro 5 747,20 vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet van 4 november 1999 tot op de dag van onderhavige uitspraak en met de gerechtelijke interesten vanaf dan tot op de dag van de volledige betaling. Wijst het door appellant B. M. meer of anders gevorderde af. Verklaart de oorspronkelijke eis van appellant S. L. als volgt gegrond. Veroordeelt geïntimeerde n.v. Generali Belgium tot de betaling aan appellant S. L. van de som van euro 1 949,66, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet van 4 november 1999 tot op de dag van onderhavige uitspraak en met de gerechtelijke interesten vanaf dan tot op de dag van de volledige betaling. Verwijst geïntimeerde n.v. Generali Belgium en geïntimeerde A. E. M. in de proceskosten van beide aanleggen vereffend aan de zijde: - van appellant B. M. op de kosten van dagvaarding en rolstelling van euro 211,23 en van euro 115,66, op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 349,53, op het rolrecht in hoger beroep van euro 186, op de uitgavenvergoeding n.a.v. het verzoekschrift tot hoger beroep van euro 60,73 en op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 485,87, - van appellant S. L. op de kosten van dagvaarding en rolstelling van euro 144,75, op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 349,53, op het rolrecht in hoger beroep van euro 186, op de uitgavenvergoeding n.a.v. het verzoekschrift tot hoger beroep van euro 60,73 en op de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 485,
- Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 21 februari
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070221.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.