id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070226.7 Rolnummer: 2005AR2322 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 319 - laatst gezien 2026-07-02 15:23 Fiche 1. Het loutere feit dat de deskundige de weersomstandigheden 'uitzonderlijk' noemt, impliceert niet noodzakelijkerwijze dat deze neerslag een abnormaal karakter heeft (en overmacht vormt), nu het aan de rechter toekomt om het technisch (niet-bindend) advies van de deskundige juridisch te beoordelen en de rechter op soevereine wijze de bewijswaarde van het deskundig verslag beoordeelt rekening houdend met de overige stukken van het dossier. Voor overmacht dienen twee voorwaarden vervuld te zijn:
- a)het voorval moet ontoerekenbaar aan de debiteur zijn. Dit impliceert dat de debiteur kan aantonen dat het voorval niet te wijten is aan zijn (zelfs lichtste) fout of die van een persoon voor wie hij instaat. Deze voorwaarde veronderstelt dat het voorval onvoorzienbaar was bij de contractsluiting en door de debiteur niet kon voorkomen noch vermeden worden. Als gevolg van deze voorwaarde kunnen niet-abnormale weersomstandigheden geen overmacht uitmaken.
- b)Het niet-toerekenbare voorval moet leiden tot een volstrekte onmogelijkheid van nakoming. Het Hof van Cassatie heeft het over een onoverkomelijk beletsel voor de nakoming. 2. Van samenloop tussen contractuele en quasi-delictuele aansprakelijkheid kan slechts sprake zijn wanneer de contractuele en buitencontractuele (in casu precontractuele) fouten ratione temporis samenlopen. In casu is dit niet het geval nu de quasi-delictuele inbreuken zich in de precontractuele fase situeren, zodat deze precontractuele fouten in de tijd voorafgaan aan de sluiting van het contract en per definitie niet samenlopen met de contractuele wanprestaties begaan in de uitvoering van de overeenkomst. 3. VBG voorwaarden zijn geen gebruikelijke bedingen in de zin van artikel 1135 B.W. en artikel 1160 B.W., zodat voor ieder der goederenbelanghebbenden dient onderzocht te worden of de VBG voorwaarden hen ter kennis werden gebracht en of zij de VBG voorwaarden aanvaard hebben. 4. De bewaarnemer in de zin van artikel 1928 B.W. is er toe gehouden de ontvangen zaak zorgvuldig te bewaken, hetgeen een inspanningsverbintenis in hoofde van de bewaarnemer inhoudt. Aangetoond dient te worden dat de bewaarnemer niet de nodige redelijke inspanningen heeft geleverd voor een normale bewaking van de zaak. In geval van bezoldigde bewaargeving geldt het criterium van de culpa levis in abstracto. De bewakingsplicht dient hierbij beoordeeld te worden in het licht van de elementen van de overeenkomst. Gezien de wijze van opslag van tabak, hetgeen watergevoelige goederen zijn, is de bewaarnemer tekort geschoten in haar bewakingsplicht. 5. De nalatigheid van de bewaarnemer m.b.t. het nemen van maatregelen ter voorkoming van waterschade voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst (in het bijzonder het nalaten van een inspectie of bezoek voorafgaand aan de opslag in kwestie), een loutere precontractuele (en geen contractuele) fout uit . 6.
- a)Nu het rioleringssysteem op grond van artikel 1384 lid 1 B.W. gebrekkig is en ook het ontbreken van overloopmogelijkheden buiten het gebouw op de centrale collector als een gebrek in de zaak in de zin van artikel 1384 lid 1 B.W. weerhouden werd, is de eigenaar van het magazijn ook aansprakelijk op grond van artikel 1384 lid 1 B.W. ten aanzien van de goederenbelanghebbenden. De eigenaar van het magazijn dient immers als een bewaarder van een gebrekkige zaak aanzien te worden, ook al werd de exploitatie van het magazijn en de riolering (in het bijzonder de onderhouds- en verzekeringsverplichtingen) overgedragen aan een natie. 6.
- b)Als uitvoeringsagent in de zin van artikel 1384 lid 1 B.W. wordt beschouwd ieder die een contractspartij helpt, bijstaat of vervangt in de uitvoering van haar verbintenissen. De hoedanigheid van uitvoeringsagent wordt toegekend aan eenieder op wie een contractuele schuldenaar beroep doet bij de gehele of gedeeltelijke materiële uitvoering van zijn verbintenissen. Dat tussen het Havenbedrijf en de natie geen band van ondergeschiktheid bestaat is geen bezwaar tegen de kwalificatie als uitvoeringsagent. Het ter beschikking stellen van opslagcapaciteit kan niet beschouwd worden als het helpen, bijstaan of vervangen bij het behandelen van goederen temeer daar het Havenbedrijf niet als een onderdeel van de bedrijfsorganisatie van de natie is opgetreden en zij evenmin een deel van de verbintenissen van de natie heeft uitgevoerd. Het Havenbedrijf is immers vreemd aan het contract tussen de natie en de goederenbelanghebbenden. Het Havenbedrijf is niet als uitvoeringsagent van de natie opgetreden. 7. Er kan geen erga omnes karakter aan de Algemene Voorwaarden voor concessies van stadsmagazijnen in het havengebied verleend worden, ook al werden deze goedgekeurd door de Gemeenteraad en gepubliceerd. Alhoewel een (administratieve) concessieovereenkomst tussen een overheid en een concessiehouder een overeenkomst sui generis is, die niet uitsluitend door de regels van het Burgerlijk Wetboek wordt beheerst, en het een complexe rechtshandeling betreft, waarvan in principe geoordeeld wordt dat zij deels van contractuele, deels van reglementaire aard is blijven de derden die een contract sluiten met de concessiehouder, vreemd aan de tussen de concessiehouder en de overheid gesloten overeenkomst. De derden hebben immers in het geheel niet ingestemd noch met het reglementaire statuut van de concessievoorwaarden noch met de inhoud ervan. 8. Overeenkomstig artikel 538 B.W. behoren havenmagazijnen eigendom van het havenbestuur tot het openbaar domein, zodat zij niet het voorwerp van huurcontracten kunnen uitmaken. De rechtstoestand van partijen bij een domeinconcessie wordt in beginsel dan ook niet beheerst door de regelen van het huurrecht, zelfs niet subsidiair. Louter volledigheidshalve wordt nog vermeld dat artikel 4 van de concessievoorwaarden bovendien uitdrukkelijk bepalen dat de concessie wordt toegestaan onder beding dat deze nooit als een huurovereenkomst kan worden aanzien. De regels inzake huur werden derhalve tevens contractueel uitgesloten. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Samenloop aansprakelijkheidsregimes - Contractueel-buitencontractueel - Uitvoeringsagent BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Algemeen (verbintenis uit onrechtmatige daad) BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Bewaargeving - Algemeen Vrije woorden: 1. contractuele aansprakelijkheid - niet-uitvoering overeenkomst - overmacht - voorwaarden 2. samenloop contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid - samenlopende fouten ratione temporis3. overeenkomst - standaardcontract - toetredingsbeding - aanvulling overeenkomst met gebruiken - VBG-voorwaarden 4. bewaarnemingsovereenkomst - verplichtingen bewaarnemer - bewaking - inspanningsverbintenis - criterium van de culpa levis in abstracto - wijze van opslag watergevoelige tabak 5. precontractuele aansprakelijkheid bewaarnemer - maatregelen ter voorkoming van waterschade - fouten vóór contractsluiting 6. buitencontractuele aansprakelijkheid - naleven wettelijke verplichting - aansprakelijkheid voor zaken - art. 1384 lid 1 B.W.
- a)begrip bewaarder -
- b)begrip uitvoeringsagent - hulp, bijstand, vervanging in uitvoering van verbintenissen 7. concessievoorwaarden tussen overheid en concessiehouder - tegenstelbaarheid aan derden - geen reglementair karakter Tekst van de beslissing Voorziening in Cassatie de dato 27 september 2007 (C.07.0467.N) Voorziening in Cassatie verworpen bij arrest bij het Hof van Cassatie de dato 8 oktober 2009 Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2005/AR/2322 : N.V. TABAKNATIE, met maatschappelijke zetel te 2060 Antwer-pen, Van de Wervestraat 66, met ondernemingsnummer 0445.944.632; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 10 februari 2005; vertegenwoordigd door Meester H. Keulers, advocaat te 1000 Brussel, Havenlaan 86 C bus 113; tegen : A. 1. de vennootschap naar Duits recht R.J. REYNOLDS TOBACCO GmbH, met zetel te Keulen, Duitsland, Maria Ablass-platz 15; 2. de vennootschap naar Nederlands recht R.J. REYNOLDS IN-TERNATIONAL BV, met zetel te 1216 CH Hilversum, Nederland, Vrelandsweg 46; 3. de vennootschap naar vreemd recht R.J. REYNOLDS INTER-NATIONAL BV Geneva Branch, met zetel te 1211 Genève 17, Zwitserland, Chemin Rieu 14; - allen keuze van woonst doende bij hun raadsman Mees-ter Luc KEYZER, hierna vermeld; - 1ste t/m 3de geïntimeerden "de consoorten Reynolds" vertegenwoordigd door Meester L. Keyzer, advocaat te 2000 Ant-werpen, De Burburestraat 6-8; B. 4. N.V. AEGON SCHADEVERZEKERING, met zetel te 2591 TV Den Haag, Mariahoeveplein 50; 5. N.V. DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING, met zetel te 1096 BA Amsterdam, Spaklerweg 4; 6. N.V. ROYAL NEDERLAND SCHADEVERZEKERING, met ze-tel te 3012 AG Rotterdam, Coolsingel 139; 7. N.V. GENERALI SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ, met zetel te 1112 XN Diemen, Diemerhof 42; 8. N.V. HANNOVER INTERNATIONAL INSURANCE (NEDER-LAND), met zetel te 3012 KL Rotterdam, Westblaak 14; 9. N.V. VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ AGF/DE SCHELDE, met zetel te 2000 Antwerpen, Borzestraat 10; 10. CNA INTERNATIONAL REINSURANCE COMPANY Ltd., met zetel te EC3M 5DJ London, Groot-Brittannië, 125-135 Fenchurch Street; 11. N.V. ELVIA SCHADEVERZEKERINGEN, (voor 1.7.1996 Elvia Zwitserse Verzekering Maatschappij Zürich), met zetel te 1097 DS Amsterdam, Nederland, Weesperzijde 150; 12. N.V. NIEUWE HOLLANDSE LLOYD SCHADEVERZEKE-RINGSMAATSCHAPPIJ, met zetel te 34447 GN Woerden, Ne-derland, Polanerbaan 11; 13. N.V. MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720, met ze-tel te CM Rotterdam, Weena 70; 14. N.V. SUN ALLIANCE VERZEKERING, met zetel te 1079 LH Amsterdam, Nederland, Amsteldijk 166; 15. QBE INSURANCE & REINSURANCE (EUROPE) Ltd., met zetel te Dublin 2, Ierland, St. Stephen's Green House, Earlsoft Terrace; 16. ALPINA VERSICHERUNGS A.G., met zetel te Zürich, Zwit-serland, Seefelstrasse 123; 17. MALAYAN INSURANCE COMPANY INCORPORATED, met zetel te Manilla, Filipijnen, Yuchengco Building, Rosari; 18. SOCIETA ITALIANA ASSICURAZIONI E RIASSICURAZIONI (SIAT), met zetel te 16121 Genova, Italië, Via V. Bosco 15; 19. N.V. STAD ROTTERDAM VERZEKERINGEN, met zetel te 3012 CM Rotterdam, Nederland, Weena 70; 20. N.V. TIEL UTRECHT SCHADEVERZEKERING, met zetel te 3527 WX Utrecht, Nederland, Uniceflaan 1; - allen keuze van woonst doende bij hun raadsman Mees-ter August MEEUSEN, hierna vermeld; - 4de t/m 20ste geïntimeerden "de verzekeraars Dimon" vertegenwoordigd door Meester V. De Groote loco Meester A. Meeusen, advocaat te 2000 Antwerpen, Kapucinessenstraat 19; C. 21. de vennootschap naar Zwitsers recht FABRIQUES DE TA-BAC REUNIES S.A., met zetel te Neuchatel, Zwitserland, Quai Jean Renaud 3; 22. de vennootschap naar Zwitsers recht PHILIP MORRIS EU-ROPE S.A., met zetel te 1001 Lausanne, Zwitserland, Brillancourt 4; - allen keuze van woonst doende bij hun raadsman Mees-ter Luc KEYZER, hierna vermeld; - 21ste en 22ste geïntimeerden "de consoorten Philip Morris" vertegenwoordigd door Meester L. Keyzer, advocaat te 2000 Ant-werpen, De Burburestraat 6-8; 23. het GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN, auto-noom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid, vertegenwoor-digd door de raad van bestuur, met zetel te 2000 Antwerpen, En-trepotkaai 1; 23ste geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester E. Van Hooydonk, advocaat te 2000 Antwerpen, Banningstraat 23; * * * * * * * De door de wet vereiste procedurestukken worden overlegd, on-der meer het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 10 februari 2005, waartegen hoger beroep werd ingesteld door middel van een verzoekschrift neergelegd op 26 augustus 2005. Het vonnis a quo werd niet betekend. Het hoger beroep is naar vorm en termijn regelmatig. Het is ontvankelijk. Zowel de consoorten Reynolds en de consoorten Philip Morris (1e t.e.m. 3e geïntimeerden en 21e en 22e geïntimeerden) als de ver-zekeraars Dimon (4e t.e.m. 20e geïntimeerden) stellen incidenteel beroep in. Er zijn geen opmerkingen aangaande de toelaatbaar-heid van dit incidenteel beroep. Ook het incidenteel beroep van deze partijen is derhalve tevens ontvankelijk. Ook het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (23e geïntimeerde) stelt, in ondergeschikte orde, een incidenteel beroep in tegen ap-pellante en tegen de verzekeraars Dimon en de consoorten Rey-nolds en Philip Morris. Ook het incidenteel beroep van 23e geïnti-meerde is ontvankelijk. I. Gelet op de inleidende dagvaarding d.d. 23 februari 1999 waarbij de consoorten Reynolds (en de zaakverzekeraars, die thans niet meer inzake zijn) een dagvaarding betekend hebben lastens het Gemeentelijk Havenbedrijf van de Stad Antwerpen en de NV Ta-baknatie; Gelet op de inleidende dagvaarding d.d. 28 mei 1999 waarbij de verzekeraars Dimon een dagvaarding betekend hebben aan het Gemeentelijk Havenbedrijf van de Stad Antwerpen en de NV Ta-baknatie; Gelet op de inleidende dagvaarding d.d. 21 september 1999 waar-bij de consoorten Philip Morris (en de zaakverzekeraars, die thans niet meer inzake zijn) een dagvaarding betekend hebben aan zo-wel het Gemeentelijk Havenbedrijf van de Stad Antwerpen als aan de NV Tabaknatie; II. De partijen, feiten en retroacten - Appellante is een goederenbehandelaar van tabakswaren in de haven van Antwerpen. Zij betrekt voor de opslag van ta-bakswaren het magazijn Wilmarsdonk vak III van het Gemeente-lijk Havenbedrijf. - Het geschil betreft de beschadiging van een partij tabak opgeslagen door de NV Tabaknatie in vakken 2, 3 en 4 van het magazijn Wilmarsdonk III, gelegen in de haven van Antwerpen. De opslagplaatsen zijn eigendom van het Gemeentelijk Havenbe-drijf Antwerpen. De vakken 3 en 4 werden in concessie gegeven aan de NV Tabaknatie. Betwist wordt of ook voor vak 2 een con-cessieovereenkomst gesloten werd. - Op 25 augustus 1997 deed er zich een schadegeval voor, waarbij de opslagplaatsen onder water zijn gelopen, met ernstige vocht- en waterschade tot gevolg. De beschadiging vond plaats door indringing van water via het rioleringsstelsel van het gebouw bij hevige regenval. - Bij beschikkingen van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend in kort geding, d.d. 2 sep-tember 1997, 4 september 1997, 5 september 1997 en 8 septem-ber 1997 werd kapitein Bart Desmet als gerechtsdeskundige aan-gesteld. Voor het technisch gedeelte van het deskundigenonder-zoek (de specifieke bouwtechnische aspecten van het riolerings-stelsel van het magazijn) werd kapitein Desmet bijgestaan door deskundige Stranger. - De diverse goederenbelanghebbenden vorderen schade-vergoeding van zowel de NV Tabaknatie als van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen. III. De oorspronkelijke vorderingen in eerste aanleg 1. De consoorten Reynolds vorderden voor de eerste rechter de veroordeling van zowel Tabaknatie als van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen in betaling van een bedrag van 221.241,27 EUR, vermeerderd met de intresten en kosten. De verzekeraars Dimon vorderden in eerste aanleg veroordeling van Tabaknatie en van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen in betaling van een bedrag van 114.554,87 EUR en 294.059,16 USD, om te zetten in Euro aan de hoogste koers van de dag der betaling, te vermeerderen met intresten en kosten. De consoorten Philip Morris vorderden in eerste aanleg de ver-oordeling van Tabaknatie en het Gemeentelijk Havenbedrijf Ant-werpen in betaling van een bedrag van 222.087,98 EUR, te ver-meerderen met de intresten en kosten. 2. In de drie oorspronkelijke procedures (gekend bij de recht-bank onder het A.R. A/99/03007 en A/99/06685 en A/99/11124) stelde Tabaknatie bij conclusie een eis in tussenkomst en vrijwa-ring in tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen om haar te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld. 3. Ook het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen stelde in de drie oorspronkelijke procedures een vordering tot tussenkomst en vrijwaring in tegen Tabaknatie om haar te vrijwaren tegen elke veroordeling die zij zou oplopen ten aanzien van de oorspronkelij-ke eiseressen. 4. Tenslotte stelde het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen bij conclusie een tussenvordering in tegen zowel de oorspronkelij-ke eiseressen als tegen Tabaknatie in betaling van een bedrag van 51.684,26 EUR, te vermeerderen met de intresten en kosten uit hoofde van onkosten n.a.v. het schadegeval en de herstel-lingskosten voor de riolering. IV. Bij vonnis d.d. 10 februari 2005: - Voegde de eerste rechter de vorderingen gekend onder de A.R. nrs. A/99/03007, A/99/06685 en A/99/11124 wegens samen-hang samen; Inzake de vordering gekend onder A.R. nr. A/99/03007 - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseressen op hoofdeis sub 4 en 5 tegen verweersters op hoofdeis ontvanke-lijk doch ongegrond en wees hen ervan af; - Verklaarde de eerste rechter de vorderingen van eiseres-sen op hoofdeis sub 1, 2 en 3 tegen verweersters op hoofdeis sub 1 ontvankelijk doch ongegrond en wees hen ervan af en veroor-deelde hen tot de gerechtskosten ten aanzien van deze partij; - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseressen op hoofdeis sub 1, 2 en 3 tegen verweerster op hoofdeis sub 2 ontvankelijk en gegrond en veroordeelde verweerster op hoofdeis sub 2 tot betaling van een bedrag van 221.241,27 EUR, te ver-meerderen met de vergoedende intresten sedert 25 augustus 1997, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding; - Verklaarde de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring van het Gemeentelijk Havenbedrijf tegen Tabaknatie zonder voorwerp; - Verklaarde de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring van Tabaknatie tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf ontvankelijk doch ongegrond en wees haar ervan af; - Verklaarde de eerste rechter de tegenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseressen op hoofd-eis en Tabaknatie ontvankelijk doch ongegrond en wees haar er-van af; Inzake de vordering gekend onder het A.R. nr. A/99/06685 - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseressen op hoofdeis tegen verweerster op hoofdeis sub 1 ontvankelijk doch ongegrond, wees hen ervan af en veroordeelde hen tot de gerechtskosten aan de zijde van deze partij; - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseressen op hoofdeis tegen verweerster op hoofdeis sub 2 ontvankelijk en gegrond en veroordeelde verweerster op hoofdeis sub 2 tot beta-ling van een bedrag van 114.554,87 EUR en een bedrag van 294.059,16 USD, om te zetten in EUR aan de hoogste koers op de dag der betaling, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 25 augustus 1997, de gerechtelijke intresten en de ge-rechtskosten; - Verklaarde de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen Tabaknatie zonder voorwerp; - Verklaarde de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring van Tabaknatie tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen ontvankelijk doch ongegrond en wees hen ervan af; - Verklaarde de eerste rechter de tegenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseressen op hoofd-eis en Tabaknatie ontvankelijk doch ongegrond en wees haar er-van af; Inzake de vordering onder het A.R. nr. A/99/11124 - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseres op hoofdeis sub 3 tegen verweersters op hoofdeis ontvankelijk doch ongegrond en wees hen ervan af; - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseressen op hoofdeis sub 1 en 2 tegen verweerster op hoofdeis sub 1 ont-vankelijk doch ongegrond, wees hen ervan af en veroordeelde hen tot de gerechtskosten ten aanzien van deze partij; - Verklaarde de eerste rechter de vordering van eiseressen op hoofdeis sub 1 en 2 tegen verweersters op hoofdeis sub 1 en 2 tegen verweerster op hoofdeis sub 2 ontvankelijk en gegrond en veroordeelde verweerster op hoofdeis sub 2 tot betaling van een bedrag van 222.087,98 EUR, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 25 augustus 1997, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten; - Verklaarde de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen Tabaknatie zonder voorwerp; - Verklaarde de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring van Tabaknatie tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen ontvankelijk doch ongegrond en wees haar ervan af; - Verklaarde de eerste rechter de tegenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen eiseressen op hoofd-eis en Tabaknatie ontvankelijk doch ongegrond en wees haar er-van af; Het vonnis werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Samengevat verklaarde de eerste rechter, na samenvoeging van de drie procedures, de vorderingen van de verzekeraars Dimon, de consoorten Philip Morris en Reynolds ontvankelijk en gegrond tegen Tabaknatie en ontvankelijk doch ongegrond tegen het Ge-meentelijk Havenbedrijf Antwerpen en veroordeelde dienvolgens Tabaknatie: · tot betaling van een bedrag van 221.241,27 EUR, vermeerderd met de intresten en kosten, aan de consoorten Reynolds; · tot betaling van een bedrag van 114.554,87 EUR en 294.059,16 USD, vermeerderd met intresten en kosten aan de verzekeraars Dimon; · tot betaling van een bedrag van 222.087,98 EUR, vermeerderd met de intresten en kosten aan de consoorten Philip Morris; In elk van de drie procedures verklaarde de eerste rechter boven-dien: · De vordering in tussenkomst en vrijwaring van Tabaknatie te-gen het Gemeentelijk Havenbedrijf ongegrond; · De vordering in tussenkomst en vrijwaring van het Gemeente-lijk Havenbedrijf Antwerpen tegen Tabaknatie zonder voor-werp; · De tegenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf tegen de oorspronkelijke eiseressen en tegen Tabaknatie onge-grond; Specifiek in de procedure onder A.R. A/99/03007 werd de vorde-ring van de 2 verzekeraars van de consoorten Reynolds ontvanke-lijk doch ongegrond verklaard zowel ten aanzien van Tabaknatie als ten aanzien van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen; Specifiek in de procedure onder A.R. A/99/11124 verklaarde de eerste rechter de vordering van de verzekeraars van de consoor-ten Philip Morris ontvankelijk doch ongegrond tegen zowel Tabak-natie als tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen; De vordering van de zaakverzekeraars van consoorten Reynolds en consoorten Philip Morris werd afgewezen, nu zij geen bewijs voorleggen van subrogatie en geen vorderingsrecht hebben. De zaakverzekeraars van de consoorten Reynolds en Philip Mor-ris zijn in hoger beroep niet meer inzake. * * * V. Vorderingen in hoger beroep 1. Appellante verzoekt het Hof het principaal hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis ge-deeltelijk teniet te doen en opnieuw recht doende: Met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdvorderingen van oor-spronkelijke eiseressen, thans geïntimeerden 1 t.e.m. 22 In hoofdorde: - de oorspronkelijke hoofdvorderingen van geïntimeerden sub 1 t.e.m. 22, oorspronkelijke eiseressen, ongegrond te verklaren en hen er dienvolgens van af te wijzen; - dienvolgens geïntimeerden sub 1 t.e.m. 22 te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten; In ondergeschikte orde: - de oorspronkelijke hoofdvorderingen van geïntimeerden sub 1 t.e.m. 22 slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren en hun vorde-ring te herleiden tot een bedrag van maximaal 37.184,02 EUR, ponds-ponds-gewijze te verdelen onder de verschillende oor-spronkelijk eisende partijen, thans geïntimeerden sub 1 t.e.m. 22; - geïntimeerden sub 1 t.e.m. 22 te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten; Met betrekking tot de in ondergeschikte orde ingestelde tussen-vordering van appellante (Tabaknatie) tegen geïntimeerde sub 23 · In zoverre appellante (Tabaknatie) veroordeeld zou worden tot welkdanige betaling dan ook in hoofdsom, intresten en/of ge-rechtskosten, geïntimeerde sub 23 te veroordelen om appel-lante te vrijwaren voor alle bedragen waartoe zij in hoofdsom, intresten en kosten zou veroordeeld worden en te zeggen voor recht dat het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen deze be-dragen rechtstreeks aan de geïntimeerden sub 1 t.e.m. 22 dient te betalen, zonder verhaal op appellante; · Geïntimeerde sub 23 te veroordelen tot betaling van de ge-rechtskosten; Met betrekking tot de bij beroepsconclusies in ondergeschikte or-de ingestelde tussenvordering van geïntimeerde sub 23 tegen ap-pellante · Deze tussenvordering ongegrond te verklaren en bijgevolg ge-intimeerde sub 23 ervan af te wijzen; 2. De consoorten Reynolds (geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3) en de consoorten Philip Morris (geïntimeerden sub 21 en 22) conclu-deren tot de ongegrondheid van het hoofdberoep van appellante en tot de bevestiging van het vonnis a quo ten opzichte van appel-lante; Zij stellen verder incidenteel beroep in ten opzichte van het Ge-meentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) en ver-zoeken het Hof dit incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het Havenbedrijf samen met Tabaknatie (appellante) solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling aan geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3: de som van 221.241,27 EUR, meer vergoedende intresten sedert 25 augustus 1997 en de gerechtelijke intresten sedert 23 februari 1999 en de gerechtskosten en aan geïntimeerden sub 21 en 22 de som van 222.087,98 EUR, meer vergoedende intresten sedert 25 augustus 1997 en gerechtelijke intresten sedert 21 september 1999, te vermeerderen met de gerechtskosten. Appellante op hoofdberoep en/of geïntimeerde op incidenteel be-roep te veroordelen tot de gerechtskosten, in het bijzonder wat betreft de beroepsprocedure. 3. De verzekeraars Dimon (geïntimeerden sub 4 t.e.m. 20) concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep van ap-pellante en tot de bevestiging van het vonnis a quo ten opzichte van appellante en de veroordeling van appellante tot de kosten van het hoger beroep. Zij stellen eveneens incidenteel beroep in ten aanzien van geïnti-meerde sub 23 en verzoeken het Hof geïntimeerde sub 23 (het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen) samen met appellante (Tabaknatie) solidair, in solidum, te veroordelen tot betaling aan geïntimeerden sub 4 t.e.m. 20 van een bedrag van 114.554,87 EUR en een bedrag van 294.059,16 USD, om te zetten in EUR aan de hoogste koers op de dag der betaling, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 25 augustus 1997, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten. Recht doende op het incidenteel beroep in ondergeschikte orde van geïntimeerde sub 23, dit toelaatbaar doch ongegrond te ver-klaren. 4. Geïntimeerde sub 23 (het Gemeentelijk Havenbedrijf) ver-zoekt het Hof: 1. Recht doende op het hoofdberoep van appellante, de tus-senvorderingen van appellante tegen haar ongegrond te verklaren en het beschikkend gedeelte van het vonnis a quo ten opzichte van appellante te bevestigen; Dienvolgens appellante te veroordelen tot de kosten van het ge-ding, in het bijzonder van het hoger beroep; 2. Recht doende op het incidenteel beroep van verzekeraars Dimon en de consoorten Reynolds en Philip Morris, de vorderin-gen van de verzekeraars Dimon en de consoorten Reynolds en Philip Morris tegen haar ongegrond te verklaren; Dienvolgens de verzekeraars Dimon en de consoorten Reynolds en Philip Morris te veroordelen tot de kosten van het geding; 3. Akte te verlenen dat zij incidenteel beroep instelt tegen het eerste vonnis en tegen alle andere partijen in het geding; dit incidenteel beroep gegrond te verklaren; appellante, de verzekeraars Dimon, de consoorten Reynolds en Philip Morris te veroordelen tot de kosten van het geding; 4. In ondergeschikte orde: - de door tegenpartijen gevorderde bedragen te reduceren op ba-sis van de schadebegroting in het deskundig verslag en rekening houdend met de eigen aansprakelijkheid van Tabaknatie; - akte te verlenen aan geïntimeerde sub 23 van de vordering die zij instelt tegen appellante, strekkende tot veroordelen van deze laatste tot vrijwaring van geïntimeerde sub 23 tegen elke veroor-deling die zij zou oplopen ten overstaan van de verzekeraars Di-mon en de consoorten Reynolds en Philip Morris; Dienvolgens appellante te veroordelen tot rechtstreekse betaling van alle bedragen, waaronder onder meer hoofdsommen, intres-ten, gerechtskosten, expertisekosten, rechtsplegingsvergoedin-gen, die geïntimeerde sub 23 zou verschuldigd zijn aan de verze-keraars Dimon en de consoorten Reynolds en Philip Morris, op welke grond ook, en dit zodat geïntimeerde sub 23 geen enkele betaling verschuldigd is aan wie ook; - de verzekeraars Dimon en de consoorten Reynolds en Philip Morris en appellante solidair, in solidum, minstens de ene bij ge-breke van de andere, te veroordelen om aan geïntimeerde sub 23, 51.684,26 EUR te betalen, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 augustus 1997, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. VI. BEOORDELING A. Over de oorzaak van de schade en de afwezigheid van overmacht 1. De eerste grief van appellante (Tabaknatie) betreft de oor-zaak van het schadegeval. Appellante stelt dat de uitzonderlijke regenval overmacht uitmaakt (zoals volgens haar blijkt uit het ver-slag Desmet/Stranger, de verklaring van Buys en het PV van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder). Ondergeschikt meent zij dat de foutieve conceptie en/of slechte staat van onderhoud van de riolering ook overmacht en/of een vreemde oorzaak ten aanzien van haar uitmaakten, waarvoor zij op geen enkele wijze aansprakelijk kan gesteld worden. Er is vol-gens Tabaknatie sprake van overmacht in de zin van artikel 1148 B.W., minstens van artikel 1929 B.W. Het Havenbedrijf verdedigt evenzeer dat als enige oorzaak van de schade de hoogst uitzonderlijke regenval dient weerhouden te worden. Zij betwist dat een foutief onderhoud en/of een foutief concept aan de basis liggen van het schadegeval. Zij stelt inciden-teel beroep in, in de mate dat de eerste rechter de hevige regen-val niet als de wezenlijke oorzaak van het schadegeval heeft weerhouden. Het Havenbedrijf stelt op grond van overmacht be-vrijd te zijn van alle aansprakelijkheid. Overmacht bevrijdt haar zowel van haar beweerde contractuele aansprakelijkheid (op grond van artikel 1148 B.W.) als van haar vermeende buitencon-tractuele aansprakelijkheid. 2. In het vonnis a quo werd geoordeeld dat de oorzaak van het schadegeval niet gelegen is in de weersomstandigheden en het uitzonderlijk karakter van de regenval. De schade vindt vol-gens de eerste rechter daarentegen haar oorzaak in de vastge-stelde gebreken van het rioleringsysteem op de haventerreinen. Er worden in het vonnis a quo vier gebreken vastgesteld ( zie mo-tivering in vonnis a quo pag. 9-13), waarbij als voornaamste oor-zaak het ontbreken van de overloopmogelijkheden buiten het ge-bouw op de centrale collector weerhouden wordt, in overeen-stemming met het deskundig advies. 3. In zijn definitief deskundig verslag formuleert de deskundi-ge (kapitein Bart Desmet bijgestaan door deskundige Stranger) de volgende besluiten: "7.01 Oorzaak van de schade De voornaamste oorzaken van de schade zijn zowel de aanwe-zigheid van de collector binnenin het gebouw en het ontbreken van overloopmogelijkheden erbuiten, als het verzadigen van de hoofdriolering op het terrein. Zonder deze collector zou het terrein enkel aan de buitenzijde blank gestaan hebben. Indien de hoofdriolering de afvoer van het regenwater had kunnen realiseren, was een dergelijke grote drukopbouw binnen het riole-ringsstelsel niet mogelijk geweest en zou er geen water onder druk zijn binnengedrongen in het magazijn. De oorzaak van de verzadiging der hoofdrioleringen ligt in het uit-zonderlijke karakter van de regenbuien. Ook bij minder zware re-genbuien, welke niet als uitzonderlijk worden bestempeld, zou dergelijke schade hebben kunnen voorkomen bij een economisch ontwerp van het rioleringsstelsel in de omgeving. 7.02 Invloed van het concept Het concept van de aansluitingen der regenwaterafvoeren binnen het magazijn is zodanig dat schade aan de afvoeren door de diffe-rentiële zettingen onvermijdelijk is. Bij het bouwen van elementen tussen delen gefundeerd op palen en delen geplaatst op volle grond, dienen steeds bewegingsme-chanismen te worden voorzien teneinde schade door zettingen te vermijden. Zoals hoger gesteld zou de voorkomende waterschade ons in-ziens eveneens hebben kunnen optreden (echter wel in mindere mate) bij een correct concept van aansluiting. Een oplossing ter voorkoming van schade door differentiële zettingen dient te wor-den geïntegreerd in de wijze van herstelling van de rioleringen. Gezien het gevaar van een in het gebouw gelegen collector, ach-ten we een overlooprooster aan beide zijden van het gebouw, aan de buitenzijden, absoluut noodzakelijk. Als voornaamste oorzaak van de waterschade kunnen wij het ont-breken van overloopmogelijkheden buiten het gebouw op de cen-trale collector beschouwen. Dit is dan ook de voornaamste in-greep ter vrijwaring van verdere soortgelijke schade." 4. Na hernieuwd onderzoek van het deskundig verslag De-smet en Stranger, de lijsten van het meetstation van het KMI, de getuigenverklaring van R. Buys en de stukken van het dossier, onderschrijft het Hof het gegronde en juiste oordeel van de eerste rechter dat niet aangetoond wordt noch dat de weersomstandig-heden een abnormaal karakter vertonen (waardoor ze niet als overmacht kunnen aanzien worden, cfr. onder nr. 5), noch dat de weersomstandigheden de oorzaak van het schadegeval uitmaak-ten. Terecht besluit de eerste rechter dat weersomstandigheden es-sentieel veranderlijk zijn. Uit de lijsten van de meetstations Deurne en Stabroek van het KMI blijkt dat de intensiteit van de neerslag zoals in de maand augustus 1997 frequenter voorkomt. Het loute-re feit dat de deskundige de weersomstandigheden op 24 en 25 augustus 1997 "uitzonderlijk" noemt, impliceert niet noodzakelij-kerwijze dat deze neerslag een abnormaal karakter heeft (en overmacht vormt), nu het aan de rechter toekomt om het tech-nisch (niet-bindend) advies van de deskundige juridisch te beoor-delen en de rechter op soevereine wijze de bewijswaarde van het deskundig verslag beoordeelt rekening houdend met de overige stukken van het dossier. Met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de oorzaak van het schadegeval te vinden is in de door de gerechtsdeskundige vastgestelde gebreken van het rioleringssysteem op de haventer-reinen die door het Havenbedrijf aan Tabaknatie in concessie werden gegeven, in het bijzonder: - het voorkomen van een collector onder de vloerplaten binnen in het gebouw, hetgeen risicovol is; - de zettingen van de vloerplaten waardoor afvoerbuizen scheuren en breken met lekken als gevolg; - het afsluiten van de collector onder het magazijn aan de zijde van Novatie, waardoor het voordeel van een ring-leiding teniet werd gedaan; - het ontbreken van overloopmogelijkheden buiten het gebouw doordat op het uiteinde van de collector buiten het gebouw aan beide zijden gesloten ruimschouwen waren voorzien, welke overloop van de riolering buiten het gebouw onmogelijk maakten. Het Hof onderschrijft integraal de juiste en gegronde motieven in het vonnis a quo inzake deze vier vastgestelde gebreken aan het rioleringssysteem (vanaf alinea 6 pagina 11 tot en met alinea 3 pagina 13) die als volledig hernomen dienen beschouwd te wor-den. 5. Naar het oordeel van het Hof kunnen noch Tabaknatie noch het Havenbedrijf zich op overmacht in de zin van artikel 1148 BW. en/of 1929 BW beroepen. Vooraleer er sprake kan zijn van overmacht, dienen twee voor-waarden vervuld te zijn:
- a)het voorval moet ontoerekenbaar aan de debiteur zijn. Dit impliceert dat de debiteur kan aantonen dat het voorval niet te wijten is aan zijn (zelfs lichtste) fout of die van een persoon voor wie hij instaat. Deze voorwaarde veronderstelt dat het voorval onvoorzienbaar was bij de contractsluiting en door de debiteur niet kon voorkomen noch vermeden worden. Als gevolg van deze voorwaar-de kunnen niet-abnormale weersomstandigheden geen overmacht uitmaken.
- b)Het niet-toerekenbare voorval moet leiden tot een vol-strekte onmogelijkheid van nakoming. Het Hof van Cas-satie heeft het over een onoverkomelijk beletsel voor de nakoming. Na studie van het deskundig onderzoek dient besloten dat noch Tabaknatie noch het Havenbedrijf zich op overmacht kunnen be-roepen. Het feit dat op 24 en 25 augustus 1997 de neerslag vol-gens de deskundige een uitzonderlijk karakter had, verhindert niet dat de waterschade haar oorzaak vond in een gebrekkig riole-ringssysteem. Dat dit gebrekkig rioleringssysteem overmacht ten aanzien van Tabaknatie uitmaakt, kan evenmin aanvaard worden, nu Tabaknatie niet aantoont dat het voorval voor haar onvoor-zienbaar was bij de contractsluiting noch kon vermeden en/of voorkomen worden. Tabaknatie heeft immers als professionele goederenbehandelaar nagelaten voorafgaandelijk aan de sluiting van de (concessie)overeenkomst te onderzoeken of het aange-wende magazijn geschikt is om tabak zonder gevaar voor water-schade te behandelen en te stockeren. Mocht zij de magazijnen naar behoren hebben onderzocht, had Tabaknatie de gebreken moeten vaststellen. (cfr. infra onder B.1. over de precontractuele aansprakelijkheid). Terecht wees de eerste rechter de door Taba-knatie en het Havenbedrijf ingeroepen overmacht af. * * * Besluit: het hoger beroep van Tabaknatie en het incidenteel be-roep van het Havenbedrijf met betrekking tot de oorzaak van het schadegeval en de aanwezigheid van overmacht falen. B. Aansprakelijkheid van Tabaknatie ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Mor-ris en de verzekeraars Dimon Tabaknatie werd door de eerste rechter als goederenbehandelaar en bewaarnemer, aansprakelijk gesteld zowel op contractuele (op grond van het gemeen recht, in het bijzonder artikel 1928 BW.) als op precontractuele basis (op grond van een quasi-delictuele fout). Deze rechtsgronden worden hieronder onderzocht. Vooraf wordt reeds opgemerkt dat het loutere feit dat de goede-renbelanghebbenden facturen van Tabaknatie voor werkzaamhe-den na het schadegeval verricht in het kader van de inspectie en de beperking van de schade, betaalden, in het geheel niet aan-toont dat de goederenbelanghebbenden van oordeel waren dat Tabaknatie geen contractuele noch precontractuele inbreuken pleegden, zoals Tabaknatie ten onrechte verdedigt. B.1. Eerste rechtsgrond: precontractuele aansprakelijkheid gestoeld op artikel 1382 B.W. en de vraag naar de toe-passelijkheid van de samenloopvoorwaarden 1. In het vonnis a quo wordt de precontractuele aansprakelijk-heid van Tabaknatie op grond van artikel 1382 B.W. weerhouden. Tabaknatie heeft volgens de eerste rechter een precontractuele en dus quasi-delictuele fout begaan wegens een tekortkoming in haar informatie- en waarschuwingsplicht door geen onderzoek te doen of het magazijn geschikt was om tabak te stockeren en te behandelen zonder gevaar voor waterschade. 2. Appellante betwist een precontractuele fout op grond van artikel 1382 B.W. te hebben gepleegd. Zij meent dat geen bewijs voorligt van enige tekortkoming in de informatie- en waarschu-wingsplicht in de precontractuele fase. Verder voert appellante aan dat de samenloopvoorwaarden (voor contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid t.a.v. appel-lante) ten onrechte niet onderzocht werden door de eerste rechter. De samenloopvoorwaarden zijn volgens Tabaknatie niet vervuld. 3. Het Hof onderschrijft het oordeel van de eerste rechter die om juiste en gegronde motieven besloot tot een precontractuele fout in hoofde van Tabaknatie. Met het Havenbedrijf en de goederenbelanghebbenden stelt het Hof vast dat Tabaknatie voor de ingebruikname van het magazijn, bij de start van de concessie, uitgenodigd werd op 28 mei 1997 door het Havenbedrijf om het magazijn te komen inspecteren. Ta-baknatie bleef afwezig op 28 mei 1997, waarna het Havenbedrijf per fax een nieuwe datum voor een tegensprekelijke inspectie en staat van beschrijving van het magazijn belegde op 17 juli 1997. Ook op deze datum bleef Tabaknatie afwezig zodat het Havenbe-drijf in afwezigheid van Tabaknatie een staat van beschrijving op-stelde. Mocht Tabaknatie aanwezig geweest zijn op deze inspec-tie en staat van beschrijving, dan had zij uiteraard op de hoogte kunnen en moeten zijn van het gebrekkig rioleringssysteem en was zij in de mogelijkheid geweest om de goederenbelangheb-benden, voorafgaandelijk aan de sluiting van een overeenkomst, te informeren en te waarschuwen over de risico's verbonden aan de opslag van watergevoelige producten in een (gebrekkig) ma-gazijn. Van een professioneel behandelaar van tabak mag immers verwacht worden dat zij, vooraleer zij een magazijn ter beschik-king stelt, onderzoekt of het magazijn geschikt is voor de opslag en behandeling van de kwestieuze goederen. De goederenbelanghebbenden beroepen zich terecht op een te-kortkoming aan de informatie- en waarschuwingsplicht in de pre-contractuele fase in hoofde van Tabaknatie, hetgeen een quasi-delictuele fout in de zin van artikel 1382/1383 B.W. uitmaakt. Het vonnis a quo wordt op dit punt bevestigd. 4. Ten onrechte verwijst appellante naar de samenloop van een contractuele en quasi-delictuele aansprakelijkheid en meent zij dat het vonnis a quo de samenloopvoorwaarden diende te on-derzoeken. Van samenloop tussen contractuele en quasi-delictuele aanspra-kelijkheid kan slechts sprake zijn wanneer de contractuele en bui-tencontractuele (in casu precontractuele) fouten ratione temporis samenlopen. In casu is dit niet het geval nu de quasi-delictuele inbreuken zich in de precontractuele fase, - vooraleer de contrac-ten werden afgesloten -, situeren, zodat deze precontractuele fou-ten in de tijd voorafgaan aan de sluiting van het contract en per definitie niet samenlopen met de contractuele wanprestaties be-gaan in de uitvoering van de overeenkomst. Het onderscheid tus-sen de precontractuele informatieplicht en de contractuele tekort-komingen wordt immers gemaakt op grond van een louter chrono-logisch criterium. (A. De Boeck, Informatierechten en plichten bij de totstandkoming en uitvoering van overeenkomsten, Antwerpen, Intersentia, 2000, nrs. 70 e.v., p. 31 e.v., in het bijzonder nrs. 78-79, p. 34-36). De samenloopvoorwaarden dienen bijgevolg niet onderzocht te worden en de grief van appellante terzake treft geen doel. B.2. Tweede rechtsgrond: de contractuele aansprakelijk-heid ( 1.) Over de (niet) toepasselijkheid van de VBG-voorwaarden 1. De eerste rechter oordeelde dat de VBG voorwaarden niet toepasselijk zijn ten aanzien van de oorspronkelijk eisende partij-en (de goederenbelanghebbenden), nu:
- a)het geen gebruikelijk beding betreft in de zin van artikel 1135 en 1160 B.W.;
- b)er geen bewijs wordt geleverd van het overmaken / ter kennis brengen aan de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekerde Dimon van deze voorwaarden noch van de aan-vaarding van of instemming met de VBG voorwaarden door deze partijen. 2. Als grief verdedigt appellante dat de VBG voorwaarden toepasselijk zijn ten aanzien van alle goederenbelanghebbenden, zowel ten aanzien van de consoorten Reynolds als ten aanzien van de consoorten Philip Morris en ten opzichte van de verzeker-de Dimon. Hierbij merkt appellante op: - de VBG voorwaarden werden ter kennis ge-bracht/overgemaakt aan en aanvaard door de drie goederenbe-langhebbenden: de kennisname en de instemming worden vol-gens haar aan de hand van de stukken bewezen. Appellante maakt hieromtrent een analyse van de briefwisseling en de over-eenkomsten tussen haar en de drie oorspronkelijk eisende partij-en (de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekerde Dimon). - ondergeschikt zijn de VBG voorwaarden minstens gebrui-kelijke bedingen voor de opslag van goederen in de haven van Antwerpen in de zin van art. 1135 en 1160 BW. Hierbij wordt ver-wezen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 1999. Appellante stelt niet gehouden te zijn tot schadevergoeding op grond van de rechtsgeldige exoneratie van haar aansprakelijkheid vervat in de VBG voorwaarden. Het gevolg van de toepasselijk-heid van de VBG voorwaarden impliceert volgens appellante dat: - zij zich op de uitsluiting van aansprakelijkheid op grond van artikel 7 (wateroverlast, minstens onvoorzienbaar defect) kan be-roepen. Dit exoneratiebeding is volgens appellante geldig en ont-neemt niet iedere zin of betekenis aan de verbintenis van de goe-derenbehandelaar; - ondergeschikt is minstens artikel 3 van toepassing, waar-door de opdrachtgever slechts aansprakelijk is voor bewezen fou-ten. In casu wordt volgens appellante geen fout bewezen. Min-stens is de beperking van aansprakelijkheid tot 1.500.000 BEF (37.184,02 EUR) van toepassing. 3. In tegenstelling tot hetgeen Tabaknatie voorhoudt, zijn de VBG voorwaarden geen gebruikelijke bedingen in de zin van arti-kel 1135 B.W. en artikel 1160 B.W. In het cassatie arrest van 9 december 1999 (A.C., 1999, 1601) werd niet beslist dat de VBG voorwaarden gebruikelijke bedingen zijn. In het arrest werd enkel geoordeeld dat, wanneer een rechter van mening is dat bepaalde bedingen gebruikelijke bedingen zijn in de zin van artikel 1135 B.W., hij niet wettig kan beslissen dat de aanvaarding van de bedingen bewezen dient te worden. Dat Tabaknatie de VBG voorwaarden overigens zelf niet als een gebruikelijk beding aanziet wordt aangetoond door het feit dat zij het nodig acht de tekst van de VBG voorwaarden steeds aan haar contractspartijen mede te delen en aan te dringen op de aanvaar-ding ervan. Mocht Tabaknatie ervan uitgaan dat het gebruikelijke bedingen zijn, quod non, dan zouden deze bedingen per definitie algemeen bekend zijn en zou een mededeling ervan zich niet meer opdringen. Nu de VBG voorwaarden geen gebruikelijke bedingen zijn, dient voor ieder der goederenbelanghebbenden onderzocht te worden of de VBG voorwaarden hen ter kennis werden gebracht en of zij de VBG voorwaarden aanvaard hebben. De loutere verwijzing in de facturen van Tabaknatie naar de VBG voorwaarden, zonder dat de facturen deze voorwaarden bevatten, kan in geen geval volstaan om de kennisgeving en aanvaarding van deze voorwaar-den bij de totstandkoming van de overeenkomsten door de goede-renbelanghebbenden te bewijzen. 4. Wat de toepasselijkheid van de VBG voorwaarden ten aan-zien van de consoorten Reynolds betreft, beroept appellante zich op de mededeling van de VBG voorwaarden per aangetekende brief van 12 september 1997, zij het na het schadegeval. Het spreekt voor zich dat hierdoor geen kennisgeving en aanvaar-ding van de VBG voorwaarden op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst met de consoorten Reynolds bewezen wordt. Ook het feit dat Tabaknatie in haar eerste ingebrekestelling ten aanzien de consoorten Reynolds d.d. 11 september 1997 de VBG voorwaarden inriep, bewijst in het geheel niet de toepasselijkheid van deze voorwaarden. De VBG voorwaarden zijn bijgevolg niet tegenstelbaar aan de consoorten Reynolds. 5. Ten aanzien van de consoorten Philip Morris wijst Tabak-natie erop dat de VBG voorwaarden uitdrukkelijk werden overeen-gekomen in de overeenkomst ondertekend op 4 mei 1995 en dat er bijgevolg een uitdrukkelijke wilsovereenstemming bestond om de opslag van goederen in de relatie tussen Tabaknatie en Philip Morris te laten beheersen door de VBG voorwaarden. Dit standpunt kan niet gevolgd worden om een dubbele reden. Vooreerst bewijst Tabaknatie niet dat de VBG voorwaarden gehecht waren aan de overeenkomst ondertekend op 4 mei 1995. Terecht merken de consoorten Philip Morris op dat de bijlagen bij de overeenkomst specifiek genummerd werden van 1 tot en met 5 (hetgeen tevens op de eerste pagina van de overeenkomst uit-drukkelijk werd vermeld), terwijl de VBG voorwaarden niet onder deze genummerde bijlagen voorkomen. Verder zijn de VBG voor-waarden inhoudelijk in strijd met bepalingen van de overeenkomst (in het bijzonder artikel 6 H § 2 en A.1.), hetgeen de stelling van Tabaknatie als zou er een uitdrukkelijke wilsovereenstemming geweest zijn tussen partijen aangaande de toepasselijkheid van de VBG voorwaarden tegenspreekt. Tenslotte verwijst Tabaknatie vruchteloos naar de mededeling van de VBG voorwaarden bij brief van 4 februari 1992. Niet aange-toond wordt dat het schrijven van 4 februari 1992 (daterend van meer dan vijf jaar voor het schadegeval) betrekking heeft op de opslag en behandeling van de litigieuze goederen in magazijn Wilmarsdonk III, laat staan dat bewezen wordt dat er sprake is van aanvaarding en dus van een wilsovereenstemming met be-trekking tot de VBG voorwaarden voor de goederenbehandeling anno 1997. De VBG voorwaarden zijn derhalve evenmin toepasselijk ten aan-zien van de consoorten Philip Morris. 6. Tenslotte beroept Tabaknatie zich ook op de toepasselijk-heid van de VBG voorwaarden ten aanzien van de verzekerde van de verzekeraars Dimon. De mededeling van de VBG voorwaarden per aangetekend schrij-ven van 29 januari 1992 aan de rechtsvoorgangster van de verze-kerde van de verzekeraars Dimon volstaat evenmin om de ken-nisgeving en aanvaarding van deze voorwaarden m.b.t. de opslag en behandeling van de litigieuze goederen in magazijn Wilmars-donk III anno 1997 te bewijzen. Terecht merken de verzekeraars Dimon bovendien op dat Tabak-natie bij schrijven van 7 juli 1997 herziene voorwaarden voor goe-derenbehandeling en opslag bevestigde. In dit schrijven van Ta-baknatie is in het geheel geen sprake van de VBG voorwaarden, zodat noch de kennisgeving aan en de aanvaarding door de B.V. Dimon International (verzekerde van de verzekeraars Dimon) be-wezen wordt. Ook de verwijzing door Tabaknatie in de (na het schadegeval ver-zonden) ingebrekestellingen d.d. 7 september 1997 en 11 sep-tember 1997 naar de volgens haar van toepassing zijnde VBG voorwaarden is geenszins van aard de toepasselijkheid van deze voorwaarden aan te tonen. * * * Besluitend kunnen de VBG voorwaarden naar het oordeel van het Hof niet ingeroepen worden noch tegen de consoorten Reynolds noch tegen de consoorten Philip Morris noch tegen de verzekerde van de verzekeraars Dimon. Bij gebreke aan toepasselijkheid van de VBG voorwaarden dient het Hof zich niet verder uit te spreken over de geldigheid van de in de VBG voorwaarden opgenomen exoneratiebedingen. Ook voor dit onderdeel faalt het hoger be-roep van Tabaknatie. (2.) Over de aansprakelijkheid op grond van het gemeen recht 1. In het vonnis a quo wordt de contractuele aansprakelijkheid van Tabaknatie weerhouden en wordt gesteld dat Tabaknatie:
- a)het gebrek diende te kennen ten tijde van de sluiting van de overeenkomst en nalatig is geweest door afwezig te blijven bij de inspectie d.d. 28 mei 1997
- b)maatregelen had dienen te nemen met betrekking tot het stape-len van de goederen en de manier van opslag voor watergevoeli-ge goederen niet volgens de regels van de kunst is gebeurd. Nu de overeenkomst tussen Tabaknatie en eiseressen als een bezoldigde bewaargeving in de zin van artikel 1928 B.W. dient aanzien te worden, rust volgens de eerste rechter op Tabaknatie een resultaatsverbintenis tot teruggave van de goederen, behou-dens bewijs van overmacht en/of vreemde oorzaak (artikel 1929 B.W.) Er wordt geen bewijs van overmacht (de regenbui is niet uitzonderlijk) noch van vreemde oorzaak (het foutief concept en het gebrekkig onderhoud is geen vreemde oorzaak) geleverd. Tabaknatie is dan ook volgens de eerste rechter aansprakelijk op grond van een culpa levis in abstracto. 2. Tabaknatie is, in ondergeschikte orde, van oordeel dat, voor zover de VBG voorwaarden niet van toepassing zijn, haar aansprakelijkheid op grond van het gemeen recht, in het bijzonder artikel 1928 B.W. (de bezoldigde bewaargeving) dient beoordeeld te worden. Ook in dit geval stelt Tabaknatie echter contractueel niet aanspra-kelijk te zijn, gelet op de overmacht en/of de vreemde oorzaak, in het bijzonder meent zij dat de uitzonderlijke regenbui en de con-ceptie en/of de staat van onderhoud van de ondergrondse riole-ring als overmacht in de zin van artikel 1929 B.W. in haren hoofde gelden. Supra werd reeds geoordeeld dat noch de uitzonderlijke regenbui noch de conceptie en/of de staat van onderhoud van de onder-grondse riolering als overmacht in de zin van artikel 1929 B.W. kunnen weerhouden worden. 3. De bewaarnemer in de zin van artikel 1928 B.W. is er in de eerste plaats toe gehouden de ontvangen zaak zorgvuldig te be-waken, hetgeen een inspanningsverbintenis in hoofde van de be-waarnemer inhoudt. Aangetoond dient te worden dat de bewaar-nemer niet de nodige redelijke inspanningen heeft geleverd voor een normale bewaking van de zaak. In geval van bezoldigde be-waargeving geldt, zoals terecht door de eerste rechter gesteld, het criterium van de culpa levis in abstracto. De bewakingsplicht dient hierbij beoordeeld te worden in het licht van de elementen van de overeenkomst. Ten onrechte houdt Tabaknatie voor de ontvangen goederen vol-doende zorgvuldig bewaakt te hebben en betwist zij een contrac-tuele fout m.b.t. de opslag van goederen gepleegd te hebben. Zoals gesteld dient de bewakingsplicht beoordeeld te worden in het licht van de overeenkomst tussen Tabaknatie en de goede-renbelanghebbenden. Na hernieuwd onderzoek van de stukken is het Hof van oordeel dat Tabaknatie aan haar bewakingsplicht tekort geschoten is gelet op de wijze van opslag van tabak, hetgeen watergevoelige goede-ren zijn. Uit het deskundig verslag blijkt dat de tabak zonder sepa-ratie lag opgeslagen rechtstreeks op de vloer van het magazijn, hetgeen tevens bevestigd wordt door R. B., magazijnier van Ta-baknatie. Terecht oordeelde de eerste rechter dat dergelijke ma-nier van opslag niet volgens de regels van de kunst is. Opgemerkt dient hierbij te worden dat de overeenkomst tussen Tabaknatie en de consoorten Philip Morris (ondertekend op 4 mei 1995) en die Tabaknatie zelf bijbrengt, een aanhangsel bevat (waarvan niet betwist wordt dat ze deel uitmaakt van de overeenkomst), waarbij in twee schetsen de wijze van stockeren van de tabak wordt aan-gegeven. Beide schetsen voorzien uitdrukkelijk in de opslag van de tabakbalen op (verhoogde) paletten. Tabaknatie is dan ook slecht geplaatst om voor te houden dat het stapelen van waterge-voelige goederen rechtstreeks op de vloer volgens de regels van de kunst zou zijn, gezien dit in tegenspraak is met de door haar gesloten overeenkomst. Appellante verwijst vruchteloos naar een eenzijdig deskundig ver-slag d.d. 17 mei 2005 en 23 mei 2006 van deskundige Hendrickx, dat thans voor het eerst in hoger beroep wordt bijgebracht. De bevindingen van deze eenzijdige deskundige zijn niet van aard de vaststellingen van de gerechtsdeskundige en de stukken van het dossier te ontkrachten. Anders dan de eerste rechter besloot, maakt naar het oordeel van het Hof daarentegen de nalatigheid van Tabaknatie m.b.t. het nemen van maatregelen ter voorkoming van waterschade vooraf-gaand aan de sluiting van de overeenkomst (in het bijzonder het nalaten van een inspectie of bezoek voorafgaand aan de opslag in kwestie), een loutere precontractuele (en geen contractuele) fout uit (cfr supra B.1.). 4. Naast de bewakingsplicht heeft de bewaarnemer een te-ruggaveplicht, waarbij de zaak in natura dient teruggegeven te worden, hetgeen een resulaatsverbintenis uitmaakt. Bij niet terug-gave geldt een vermoeden van schuld ten laste van de bewaar-nemer, behoudens bewijs van overmacht. Gelet op de resultaatsverbintenis tot teruggave in hoofde van Ta-baknatie is zij contractueel aansprakelijk ten aanzien van de goe-derenbelanghebbenden. C. Aansprakelijkheid van het Havenbedrijf ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon C.1. De ingeroepen rechtsgronden: buitencontractuele aan-sprakelijkheid (artikel 1382/1383 B.W. en 1384 lid 1 B.W.) 1. De eerste rechter oordeelde dat, los van de contractuele fout die het Havenbedrijf ten aanzien van Tabaknatie gepleegd heeft, er ook sprake is in hoofde van het Havenbedrijf van een schending van de algemene zorgvuldigheidsplicht op grond van artikel 1382 B.W. en een inbreuk op artikel 1384 lid 1 B.W. ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon. 2. Met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat het ter be-schikking stellen van een gebrekkig magazijn door het Havenbe-drijf aan Tabaknatie, terwijl het Havenbedrijf wist of behoorde te weten dat dit magazijn als opslagplaats voor goederen van derden zou aanwenden, een fout minstens een quasi-delictuele fout in de zin van artikel 1382 B.W. en artikel 1383 B.W. uitmaakte. 3. Nu het rioleringssysteem op grond van artikel 1384 lid 1 B.W. gebrekkig is en ook het ontbreken van overloopmogelijkhe-den buiten het gebouw op de centrale collector als een gebrek in de zaak in de zin van artikel 1384 lid 1 B.W. weerhouden werd door de deskundige en het Hof het advies van de deskundige on-derschrijft, is het Havenbedrijf (die eigenaar van het magazijn
- is)ook aansprakelijk op grond van artikel 1384 lid 1 B.W. ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon. Het Havenbedrijf dient immers als een be-waarder van een gebrekkige zaak aanzien te worden, ook al werd de exploitatie van het magazijn en de riolering (in het bijzonder de onderhouds- en verzekeringsverplichtingen) overgedragen aan Tabaknatie. Het Hof onderschrijft terzake volledig de motieven van het vonnis a quo (pagina 18 alinea 3 tot en met pagina 19 alinea 8 ) die als hernomen dienen beschouwd te worden. C.2. Over de coëxistentieleer en de vraag of het Havenbe-drijf een uitvoeringsagent is van Tabaknatie 1. De eerste rechter oordeelde terecht dat de coëxistentie-voorwaarden vervuld zijn, nu de tekortkoming van het Havenbe-drijf aan haar contractuele verplichtingen ten aanzien van Tabak-natie, los van het contract, tevens een schending van de algeme-ne zorgvuldigheidsplicht opleverde ten aanzien van de derden-goederenbelanghebbenden. Volgens de eerste rechter is het Havenbedrijf geen uitvoerings-agent van Tabaknatie en geldt de zogenaamde Muller Thomsen-leer niet. 2. Ten onrechte verdedigt het Havenbedrijf dat zij als uitvoe-ringsagent van Tabaknatie dient beschouwd te worden en beroept zij zich om die reden op de quasi-immuniteit van de uitvoerings-agent ten aanzien van vorderingen van de contractanten van Ta-baknatie (de zogenaamde Muller-Thomsenleer: Cass. 7 december 1973, A.C., 1974, 395; Cass., 20 juni 1997, A.C., 1997, 673). Als uitvoeringsagent in de zin van artikel 1384 lid 1 B.W. wordt beschouwd ieder die een contractspartij helpt, bijstaat of vervangt in de uitvoering van haar verbintenissen. De hoedanigheid van uitvoeringsagent wordt toegekend aan eenieder op wie een con-tractuele schuldenaar beroep doet bij de gehele of gedeeltelijke materiële uitvoering van zijn verbintenissen. Dat tussen het Ha-venbedrijf en Tabaknatie geen band van ondergeschiktheid be-staat is geen bezwaar tegen de kwalificatie als uitvoeringsagent. Ten deze kan niet besloten worden dat het Havenbedrijf als uit-voeringsagent van Tabaknatie is opgetreden. Als eigenaar van het magazijn stelt het Havenbedrijf enkel een magazijn ter beschik-king, terwijl de verbintenissen in hoofde van de consoorten Rey-nolds, de consoorten Philip Morris en de verzekerde van Dimon bestaan uit de behandeling van goederen. Het ter beschikking stellen van opslagcapaciteit kan niet beschouwd worden als het helpen, bijstaan of vervangen bij het behandelen van goederen temeer daar het Havenbedrijf niet als een onderdeel van de be-drijfsorganisatie van appellante is opgetreden en zij evenmin een deel van de verbintenissen van Tabaknatie heeft uitgevoerd. Het Havenbedrijf is immers vreemd aan het contract tussen Tabakna-tie en de goederenbelanghebbenden. C.3 Over de (niet) tegenstelbaarheid van de algemene con-cessievoorwaarden van het Havenbedrijf aan de derde-belanghebbenden (consoorten Reynolds, de consoorten Phi-lip Morris en verzekeraars Dimon) 1. De eerste rechter weerhield niettemin geen aansprakelijk-heid ten aanzien van het Havenbedrijf, niettegenstaande een in-breuk op artikel 1382 B.W. en een schending van artikel 1384 lid 1 B.W. voorligt, gezien het Havenbedrijf zich volgens de eerste rechter ten aanzien van gebruikers van de in concessie gegeven magazijnen op het exoneratiebeding voor alle mogelijke schade (vervat in artikel 9 van de algemene concessievoorwaarden) kan beroepen. Hierbij werd door de eerste rechter geoordeeld dat:
- a)het beding tegenstelbaar is ten aanzien van der-den/havengebruikers, gezien de concessievoorwaarden opgeno-men zijn in een havenreglement, goedgekeurd door de Gemeen-teraad en wettelijk gepubliceerd zodat de gebruiker niet kan in-roepen dat de erin voorkomende bevrijding ten gunste van het havenbestuur hem onbekend was.
- b)het beding bovendien enkel ongeldig is wanneer het elke zin aan een verbintenis ontneemt en de kern van de overheidsop-dracht teniet gedaan wordt. Volgens de eerste rechter is dit niet het geval en is er sprake van een evenwichtige regeling gelet op de wederzijdse afstand van verhaal (bestuur versus gebruiker) en ook een exoneratie ten voordele van de gebruiker voorzien wordt. 2. Artikel 9 van de Algemene Voorwaarden voor concessies van stadsmagazijnen in het havengebied (stuk 17 en stuk 30 van het Havenbedrijf) luidt als volgt: "De stad neemt generlei verantwoordelijkheid op zich wegens schade, verlies of diefstal. Zij stelt de magazijnen en aanhorigheden ter beschikking in de toestand waarin ze zich bevinden en zij kan niet aansprakelijk worden gesteld voor om het even welke schade, zelfs indien ze te wijten is aan gebreken of aan onvoldoende onderhoud van de magazijnen en aanhorigheden. De belanghebbenden moeten zelf, op hun kosten en op hun vol-ledige verantwoordelijkheid, zorgen voor de verzekering tegen risico's van alle aard van de gebouwen, koopwaren, werktuigen en van welke voorwerpen ook, door hen of door hun lastgevers opgericht of neergelegd in de magazijnen. Dit verzekeringscon-tract zal een clausule van verhaalsafstand moeten bevatten over-eenkomstig de hierna vermelde modaliteiten. Door het feit zelf van het neerleggen, het in gebruik nemen of de concessie, neemt de stad geen enkele verantwoordelijkheid op zich uit hoofde van averijen, verliezen of schade door brand en ontploffing of door welke andere oorzaak ook aangericht aan ver-melde magazijnen en aanhorigheden en aan de gebouwen, koopwaren, werktuigen en voorwerpen, er op gericht of neerge-legd, zelfs wanneer er noch toeval, noch geval van overmacht bestaat. Onverminderd wat in artikel 26 wordt bepaald aangaande de ont-ruiming, verzaakt de stad op haar beurt, in geval van sinister, aan elk verhaal op de concessionarissen, op degenen die goederen neerleggen of laten neerleggen of op alle andere verantwoordelij-ke of borgblijvende belanghebbenden. In voorgaande ontlastingen is ook begrepen het verzaken aan verhaal op alle personen afhangende van de stad Antwerpen of van voormelde belanghebbenden. Deze ontlastingen hebben ook voor gevolg het verzaken aan de uitoefening van alle verhaal bij subrogatie in de rechten van de stad of van de belanghebbenden. De beschikking volgens welke, in geval van sinister, de stad ver-zaakt aan alle verhaal wegens schade aan haar inrichtingen ver-oorzaakt, geldt slechts voor zover de voorwaarden tot gebruik van de magazijnen en aanhorigheden worden nageleefd. De gebruiker van de magazijnen en aanhorigheden is, behalve in geval van sinister, aansprakelijk voor alle schade, rechtstreeks of onrechtstreeks aan de stad toegebracht en voortvloeiend uit dit gebruik. Het is verstaan dat de concessionaris alleen aansprakelijk is, en dit ter ganse ontlasting van de stad, voor alle ongevallen, alsmede voor alle schade aan derden, welke rechtstreeks of onrecht-streeks, geweten zou worden aan het door de concessionaris ge-maakte gebruik van de in concessie verleende magazijnen en aanhorigheden." 3. Het Havenbedrijf verwijst naar het derde, vijfde en zevende lid van artikel 9 van haar algemene concessievoorwaarden dat bepalingen inhoudt van afstand van verhaal ten aanzien van de (derde- goederen) belanghebbenden en ten aanzien van de ge-subrogeerde belanghebbenden. Het Havenbedrijf meent dat de algemene concessievoorwaarden, die goedgekeurd werden door een gemeenteraadsbesluit van 24 oktober 1995 en gepubliceerd werden, een reglementair en erga omnes karakter hebben en om die reden ook uitwerking hebben ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon. Het Havenbedrijf is bijgevolg van oordeel dat zij zich ook op haar uitsluiting van (contractuele en buitencontractuele) aansprakelijk-heid ten aanzien van derden, in het bijzonder ten opzichte van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzeke-raars Dimon kan beroepen. 4. Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat geen erga omnes karakter aan de Algemene Voorwaarden voor concessies van stadsmagazijnen in het havengebied, - ook al werden deze goedgekeurd door de Gemeenteraad van 24 oktober 1994 en gepubliceerd -, kan verleend worden. Alhoewel een (administratieve) concessieovereenkomst tussen een overheid (in casu het Havenbedrijf) en een concessiehouder (in casu Tabaknatie) een overeenkomst sui generis is, die niet uitsluitend door de regels van het Burgerlijk Wetboek wordt be-heerst, en het een complexe rechtshandeling betreft, waarvan in principe geoordeeld wordt dat zij deels van contractuele, deels van reglementaire aard is (Cass. 31 mei 1978, A.C., 1978, 1159; A. Mast, J. Dujardin, M. Van Damme, J. Vande Lanotte, Overzicht van het Belgisch Administratief recht, Mechelen, Kluwer, 2006, nr. 128 e.v., p. 148 e.v.) blijven de derden (in casu de goederenbe-langhebbenden, de consoorten Reynolds, consoorten Philip Mor-ris en de verzekerde Dimon) die een contract sluiten met de con-cessiehouder, vreemd aan de tussen de concessiehouder (in casu Tabaknatie) en de overheid (in casu het Havenbedrijf) gesloten overeenkomst. De derden (in casu de goederenbelanghebben-den) hebben immers in het geheel niet ingestemd noch met het reglementaire statuut van de concessievoorwaarden noch met de inhoud ervan, a fortiori wordt geen toestemming met de erin op-genomen exoneratiebedingen bewezen. Voorts dient opgemerkt te worden dat het Havenbestuur inzake de gelding van de concessievoorwaarden een tegenstrijdige houding aanneemt. In huidige procedure verdedigt het Havenbedrijf welis-waar het reglementair karakter van de concessievoorwaarden, doch vastgesteld dient te worden dat het Havenbedrijf in de ha-venbestuurlijke praktijk uitdrukkelijk vereist dat de individuele con-cessiehouder toestemt in de voorwaarden en zijn aanvaarding bevestigt in een ondertekend document. Door de uitdrukkelijke en individuele toestemming van iedere concessiehouder te vereisen, geeft het Havenbedrijf aan dat zij zelf de concessierelatie ten aan-zien van de concessiehouder en a fortiori ten aanzien van derden een contractueel (en geen reglementair) karakter verleent. De Algemene Voorwaarden voor concessies van stadsmagazijnen in het havengebied hebben derhalve geen uitwerking en zijn niet tegenstelbaar aan de consoorten Reynolds, consoorten Philip Morris en de verzekerde Dimon. Het Havenbedrijf kan zich bijge-volg niet op de exoneratie van aansprakelijkheid op grond van artikel 9 van deze voorwaarden ten aanzien van deze partijen be-roepen. C.4. Het incidenteel beroep van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon Nu het Havenbedrijf zich niet op het exoneratiebeding vervat in artikel 9 van de algemene concessievoorwaarden kan beroepen ten opzichte van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon, is het incidenteel beroep van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de ver-zekeraars Dimon gegrond. Supra werd immers geoordeeld dat het Havenbedrijf een inbreuk op artikel 1382/1383 B.W. en op artikel 1384 lid 1 B.W. gepleegd heeft. De goederenbelanghebbenden hebben hierdoor schade geleden, die zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan zonder de buitencontractuele fouten van het Havenbedrijf. De goederenbelanghebbenden kunnen het Havenbedrijf hiervoor aanspreken. Het vonnis a quo wordt bijgevolg op dit punt hervormd en de vor-dering van de consoorten Reynolds, de verzekeraars Dimon en de consoorten Philip Morris tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) wordt ontvankelijk en gegrond verklaard. Nu de vordering van de consoorten Reynolds, de verzekeraars Dimon en de consoorten Philip Morris tegen het Gemeentelijk Ha-venbedrijf Antwerpen op buitencontractuele grondslag (artikel 1382 B.W. en 1384 lid 1 B.W.) wordt toegekend, terwijl de vorde-ring van de consoorten Reynolds, de verzekeraars Dimon en de consoorten Philip Morris tegen Tabaknatie gestoeld is op een con-tractuele (artikel 1928 B.W.) en een buitencontractuele rechts-grond (artikel 1382 B.W.), worden het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en Tabaknatie in solidum veroordeeld ten aanzien van deze partijen. Over de omvang van de vordering van de consoor-ten Reynolds, de verzekeraars Dimon en de consoorten Philip Morris wordt infra (onder G.) uitspraak gedaan. Gezien het Havenbedrijf en Tabaknatie in solidum aansprakelijk zijn ten aanzien van de goederenbelanghebbenden, bestaat er geen reden om tot een verdeling van aansprakelijkheid over te gaan. Het Havenbedrijf verwijst vruchteloos naar de eigen nalatig-heid en de risico-aanvaarding in hoofde van Tabaknatie teneinde Tabaknatie volledig aansprakelijk te stellen minstens haar een aanzienlijk deel van de aansprakelijkheid te laten dragen. De ei-gen contractuele en buitencontractuele fouten van Tabaknatie laten de buitencontractuele aansprakelijkheid van het Havenbe-drijf immers onverlet. D. De vordering in vrijwaring van Tabaknatie tegen het Havenbedrijf D.1 De vrijwaring in het kader van de concessieovereen-komst 1. De vordering in tussenkomst en vrijwaring van Tabaknatie tegen het Havenbedrijf werd door de eerste rechter ongegrond verklaard. In het vonnis a quo werden contractuele en extracontractuele fou-ten van het Havenbedrijf ten opzichte van Tabaknatie weerhou-den. Niettemin werd geoordeeld dat geen vrijwaring verschuldigd is, gelet op het exoneratiebeding vervat in artikel 9 van de con-cessievoorwaarden. 2. In ondergeschikte orde, voor zover enige aansprakelijkheid lastens Tabaknatie weerhouden wordt, vordert Tabaknatie dat haar vrijwaringvordering tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf ge-grond wordt verklaard. Tabaknatie beroept zich op contractuele en buitencontractuele fouten in hoofde van het Havenbedrijf in het kader van de conces-sieovereenkomst, zodat zij op grond hiervan een vrijwaringsvorde-ring instelt. Volgens Tabaknatie kan het exoneratiebeding uit de concessieovereenkomst niet ingeroepen worden, nu dit beding nietig is gezien het iedere betekenis aan de overeenkomst ont-neemt en het systeem van wederzijdse afstand van verhaal (tus-sen de concessiehouder en het Havenbedrijf) de toets van het algemeen belang niet doorstaat. 3. Het Hof onderschrijft het oordeel van de eerste rechter in de mate dat contractuele fouten en een schending van de zorgvul-digheidsplicht (aanleg van een risicovol rioleringssysteem / gebrek aan onderhoud / afwezigheid van maatregelen om overloopmoge-lijkheden buiten de gebouwen te voorzien) weerhouden werd ten laste van het Havenbedrijf (cfr. vonnis a quo pagina 18, alinea's 3 tot 9). Onderzocht dient te worden of het Havenbedrijf het exoneratiebe-ding kan tegenstellen aan Tabaknatie teneinde de vordering in vrijwaring van Tabaknatie tegen haar af te wijzen. Alhoewel de principiële geldigheid van exoneratiebedingen naar Belgisch recht aanvaard wordt, bestaan op de geldigheid van exoneratiebedingen drie uitzonderingen. Een schuldenaar kan zich niet voor zijn persoonlijk bedrog exonereren. Een exoneratie is nietig wanneer het iedere zin of betekenis aan de overeenkomst ontneemt en tenslotte zijn exoneratiebedingen nietig wanneer zij door bijzondere wetteksten verboden zijn. Tabaknatie beroept zich enkel op de derde uitzondering, met na-me het uithollend karakter van het exoneratiebeding dat volgens haar iedere zin aan de concessieovereenkomst ontneemt. Naar het oordeel van het Hof ontneemt het exoneratiebeding ver-vat in artikel 9 lid 1 en lid 2 van de concessievoorwaarden (zoals hoger geciteerd) niet iedere betekenis aan de overeenkomst. Te-recht stelt het Havenbedrijf dat er sprake is van een evenwichtige regeling gezien de kwestieuze exoneratie deel uitmaakt van een globale regeling van de zogenaamde wederzijdse afstand van verhaal tussen de concessiehouder en het bestuur. Tegenover de exoneratie van het Havenbedrijf staat immers ook een exoneratie ten voordele van de concessiehouder, zoals opgenomen in artikel 9 lid 5 van de concessievoorwaarden. In deze globale regeling wordt verder een verzekeringsplicht aan de concessiehouder op-gelegd, inhoudende een clausule van verhaalsafstand. Deze we-derzijdse afstand van verhaal werd ingevoerd om te vermijden dat de diverse partijen betrokken bij goederenafhandeling en -opslag nutteloze, elkaar overlappende verzekeringen zouden moeten aangaan en kadert in het algemeen belang van de haven, zodat deze regeling wel de toets van het algemeen belang kan door-staan en geen afbreuk doet aan de kern van de overheidsop-dracht, in tegenstelling tot hetgeen Tabaknatie verdedigt. De vordering in vrijwaring van Tabaknatie tegen het Havenbedrijf gestoeld op de concessieovereenkomst faalt gelet op het rechts-geldig exoneratiebeding voor zowel de contractuele als de buiten-contractuele aansprakelijkheid dat door het Havenbedrijf aan Ta-baknatie kan tegengesteld worden. D.2. Specifiek voor vak 2 van magazijn III: de ingeroepen bezetting zonder recht noch titel 1. Specifiek voor vak 2 van magazijn Wilmarsdonk III stelt het Havenbedrijf geen enkele aansprakelijkheid te dragen tegenover Tabaknatie gezien voor het gebruik van vak 2 (waar een deel van de beschadigde goederen opgeslagen lagen) geen concessie-overeenkomst tot stand kwam. Volgens het Havenbedrijf werd vak 2 van het magazijn door Tabaknatie enkel gebruikt bij wijze van louter gedogen, zonder recht noch titel, en zonder enige verbinte-nis lastens het Havenbedrijf. Ook om die reden meent het Haven-bedrijf geen enkele verbintenis te hebben opgenomen opzichtens Tabaknatie en niet door Tabaknatie te kunnen worden aange-sproken. 2. Vastgesteld dient te worden dat de concessie voor Wil-marsdonk III, vakken 3 en 4 bevestigd werd per brief van het Ha-venbedrijf van 2 juni 1997. Er bestaat geen betwisting tussen par-tijen dat voor de vakken 3 en 4 een concessieovereenkomst is tot stand gekomen waarbij de concessievoorwaarden integraal deel uitmaken van de overeenkomst. De concessie voor vak 2 van Wilmarsdonk III werd volgens het Havenbedrijf slechts verleend per brief van 10 september 1997, waarna Tabaknatie per brief van 18 september 1997 voorbehoud maakte (enkel) met betrekking tot de goedkeuring van artikel 9 § 2 en 10a en 10b van de concessievoorwaarden. Bij brief van 10 ok-tober 1997 heeft het Havenbedrijf geantwoord dat het niet moge-lijk is bepaalde bedingen niet te aanvaarden, zodat zij, bij gebreke van akkoord, de concessie als niet verleend beschouwde. Uit het schrijven 10 september 1997 van het Havenbedrijf blijkt echter dat de concessie voor vak 2 van Wilmarsdonk III reeds in-ging op 11 augustus 1997, terwijl het schadegeval plaats vond op 24 en 25 augustus 1997 en het Havenbedrijf zich reeds uitdrukke-lijk op de exoneratie vervat in artikel 9 van de concessievoorwaar-den heeft beroepen opzichtens Tabaknatie in het schrijven van 26 augustus 1997. Op dat ogenblik heeft Tabaknatie niet geprotes-teerd tegen de bindende kracht en de toepasselijkheid van de concessievoorwaarden wat betreft vak 2 van Wilmarsdonk III. Terecht verdedigt het Havenbedrijf dat het voorbehoud van Ta-baknatie geformuleerd in de brief van 18 september 1997 (en der-halve na het schadegeval), gelet op de hogervermelde concrete omstandigheden, laattijdig is. Terecht stelt het Havenbedrijf dat het niet opgaat dat Tabaknatie zich plots na het schadegeval een voordeliger aansprakelijkheidsregime tracht toe te kennen. Naar het oordeel van het Hof is derhalve eveneens voor vak 2 van Wilmarsdonk III een concessieovereenkomst tot stand gekomen waarbij ook de concessievoorwaarden in hun geheel van toepas-sing zijn. Het standpunt van het Havenbedrijf als zou er voor vak 2 van Wilmarsdonk III slechts een bezetting zonder recht noch titel aan Tabaknatie verleend zijn, kan niet gevolgd worden. D.3. De vrijwaring gestoeld op de huurwetgeving (artikel 1721 B.W.) 1. De eerste rechter oordeelde dat een domeinconcessie, ver-leend op een goed van het openbaar domein, geen huurovereen-komst uitmaakt zodat artikel 1721 B.W. niet van toepassing is en het Havenbedrijf niet aansprakelijk is als verhuurder. 2. Tabaknatie herneemt haar argumentatie zoals ontwikkeld in eerste aanleg en verdedigt dat het Havenbedrijf per analogie met artikel 1721 B.W. aansprakelijk is als verhuurder. Terecht merkt het Havenbedrijf op dat een domeinconcessie, ver-leend op een goed van het openbaar domein wezenlijk verschil-lend is van een huurcontract. Overeenkomstig artikel 538 B.W. behoren havenmagazijnen eigendom van het havenbestuur tot het openbaar domein, zodat zij niet het voorwerp van huurcontracten kunnen uitmaken. De rechtstoestand van partijen bij een domein-concessie wordt in beginsel dan ook niet beheerst door de regelen van het huurrecht, zelfs niet subsidiair. Louter volledigheidshalve wordt nog vermeld dat artikel 4 van de concessievoorwaarden bovendien uitdrukkelijk bepalen dat de concessie wordt toege-staan onder beding dat deze nooit als een huurovereenkomst kan worden aanzien. De regels inzake huur werden derhalve tevens contractueel uitgesloten. Terecht besloot de eerste rechter derhalve dat het Havenbedrijf evenmin op grond van de huurwetgeving (in het bijzonder artikel 1721 B.W.) kan aangesproken worden door Tabaknatie en de vordering in vrijwaring gestoeld op deze rechtsgrond tevens onge-grond is. E. De vordering in vrijwaring van het Havenbedrijf te-gen Tabaknatie De ingeroepen rechtsgrond: de algemene concessievoor-waarden 1. De vordering in tussenkomst en vrijwaring van het Haven-bedrijf tegen Tabaknatie werd in het vonnis a quo zonder voor-werp verklaard, nu geen enkele aansprakelijkheid lastens het Ha-venbedrijf werd weerhouden. 2. Het Havenbedrijf stelt incidenteel beroep in en herneemt, in ondergeschikte orde, haar vordering in vrijwaring tegen Tabak-natie, voor zover zij enige aansprakelijkheid zou hebben te dragen tegen de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon. Tabaknatie betwist de vordering in vrijwaring van het Havenbedrijf. 3. De principiële geldigheid van vrijwaringsbedingen wordt erkend, zowel wat betreft de contractuele als de buitencontractue-le aansprakelijkheid. Voor de buitencontractuele aansprakelijkheid (zowel de foutaansprakelijkheid op grond van artikel1382 B.W. als de kwalitatieve aansprakelijkheid op grond van artikel 1384 lid 1 B.W.) kan men zich laten vrijwaren nu artikel 1382/1383 B.W. en artikel 1384 lid1 B.W. de openbare orde niet raken. Artikel 9 in fine van de concessievoorwaarden van het Havenbe-drijf (zoals supra geciteerd) bevat een rechtsgeldig vrijwaringsbe-ding ten voordele van het Havenbedrijf en ten laste van de "con-cessionaris", in casu Tabaknatie, "die alleen aansprakelijk is voor alle ongevallen alsmede voor alle schade aan derden". De vordering in vrijwaring van het Havenbedrijf tegen Tabaknatie is dienvolgens gegrond. Het incidenteel beroep van het Havenbe-drijf stekkende tot toekenning van haar vrijwaringsvordering treft doel. Tabaknatie wordt veroordeeld tot vrijwaring van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen voor elke veroordeling die het Gemeente-lijk Havenbedrijf Antwerpen oploopt ten overstaan van de verzeke-raars Dimon en de consoorten Reynolds en Philip Morris, zowel in hoofdsom, intresten, als voor alle gerechtskosten (met inbegrip van expertisekosten, en rechtsplegingsvergoedingen). F. Over de (in ondergeschikte orde) door het Havenbe-drijf ingestelde tussenvordering tegen Tabaknatie en tegenvordering tegen de consoorten Reynolds en Philip Morris en de verzekeraars Dimon tot vergoe-ding van de door het Havenbedrijf gemaakte kosten F.1. De tegenvordering tegen de consoorten Reynolds en Philip Morris en de verzekeraars Dimon 1. In het vonnis a quo werd de tegenvordering van het Ha-venbedrijf tegen de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris, de verzekeraars Dimon (en tegen Tabaknatie, waarover meer sub F.2.) tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten ongegrond verklaard, nu deze slechts in ondergeschikte orde werd gesteld, voor zover de concessievoorwaarden (met weder-zijdse afstand van verhaal) niet rechtsgeldig zouden zijn, hetgeen volgens de rechter wel het geval is. 2. Het Havenbedrijf herneemt, in ondergeschikte orde, haar tegenvordering voor zover de concessievoorwaarden (met weder-zijdse afstand van verhaal) niet zouden worden toegepast. In voorkomend geval meent het Havenbedrijf recht te hebben op integrale vergoeding van de onkosten ten belope van 51.684,26 EUR die zij zelf n.a.v. het schadegeval heeft gemaakt. 3. Supra oordeelde het Hof reeds dat de concessievoorwaar-den (met in begrip van de in deze voorwaarden opgenomen we-derzijdse afstand van verhaal) niet van toepassing is ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris, en de verzekeraars Dimon, zodat de tegenvordering van het Havenbe-drijf niet kan toegekend worden op grond van deze concessie-voorwaarden. Terecht merken de goederenbelanghebbenden op dat hen geen fouten (noch contractueel noch quasi delictueel) worden verweten, zodat zij in het geheel niet aansprakelijk kunnen gesteld worden voor de herstellingskosten die het Havenbedrijf heeft moeten dra-gen n.a.v. de herstellingen aan het rioleringssysteem. De goede-renbelanghebbenden zijn verder geen eigenaars van het onroe-rend goed en hebben geen opdracht gegeven om deze herstellin-gen uit te voeren. De tegenvordering van het Havenbedrijf tegen de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris, en de verzekeraars Dimon is ongegrond. F.2. De tussenvordering tegen Tabaknatie 1. Ook de tussenvordering van het Havenbedrijf tegen Ta-baknatie tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten werd ongegrond verklaard door de eerste rechter, die evenzeer oor-deelde dat deze tussenvordering slechts in ondergeschikte orde werd gesteld, voor zover de concessievoorwaarden (met weder-zijdse afstand van verhaal) niet rechtsgeldig zouden zijn, terwijl de eerste rechter de tegenstelbaarheid en rechtsgeldigheid van de concessievoorwaarden aannam. 2. Het Havenbedrijf herneemt wederom haar tussenvordering (gestoeld op artikel 9 van de concessievoorwaarden) tot vergoe-ding van de door haar gemaakte kosten ten belope van 51.684,26 EUR tegen Tabaknatie. Tabaknatie betwist de tussenvordering van het Havenbedrijf. Zij merkt op dat de rechtsgrond voor deze vordering onduidelijk is. 3. Supra werd reeds geoordeeld dat de concessievoorwaar-den ten volle toepasselijk zijn ten aanzien van Tabaknatie, met inbegrip van de wederzijdse afstand van verhaal. Nu het Havenbedrijf de tussenvordering tegen Tabaknatie enkel instelt voor zover de wederzijdse afstand van verhaal vervat in de concessievoorwaarden niet wordt toegepast, het Hof van oordeel is dat de concessievoorwaarden uitwerking hebben t.a.v. Tabak-natie en het Havenbedrijf geen andere grond voor deze tussen-vordering aangeeft, is de tussenvordering van het Havenbedrijf tegen Tabaknatie eveneens ongegrond. * * * Besluit: het incidenteel beroep van het Havenbedrijf tot toekenning van haar tegen- en tussenvordering voor de door haar gemaakte herstellingskosten faalt. G. Over de omvang van de schade van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verze-keraars Dimon 1. De door de verzekeraars Dimon gevorderde schadever-goeding a rato van een bedrag van 114.554,87 EUR en een be-drag van 294.059,16 USD, om te zetten in EUR aan de hoogste koers op de dag der betaling, vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf 25 augustus 1997 en de gerechtelijke intresten vanaf 28 mei 1999, wordt qua omvang niet betwist noch door Tabaknatie noch door het Havenbedrijf. De gevorderde bedragen worden derhalve integraal toegekend. 2. De consoorten Philip Morris maken aanspraak op een som van 222.087,98 EUR, meer vergoedende intresten sedert 25 au-gustus 1997 en gerechtelijke intresten sedert 21 september 1999. Ook omtrent de omvang van dit bedrag wordt geen betwisting ge-voerd zodat dit bedrag integraal toegekend wordt. 3. De consoorten Reynolds vorderen een som van 221.241,27 EUR, meer vergoedende intresten sedert 25 augustus 1997 en de gerechtelijke intresten sedert 23 februari 1999. Het Havenbedrijf (en Tabaknatie ter zitting van 22 januari 2007) betwist deze bedragen en stelt dat ze niet in overeenstemming zijn met de bedragen in het deskundigen verslag Desmet en de berekeningswijze onduidelijk is. Ter zitting van 22 januari 2007 preciseert de raadsman van de consoorten Reynolds (cfr. PV) dat in de gevorderde schadever-goeding tevens een bedrag van 29.280,60 DEM werd opgenomen (uit hoofde van expertisekosten van GmbH Gielisch) die niet wer-den vermeld in het deskundigverslag van kap. Desmet. De raadsman van consoorten Reynolds gedraagt zich als naar recht voor dit deel van de vordering. Nu deze post niet weerhouden werd door deskundige Desmet, past het de vordering van consoorten Reynolds te herleiden tot de som van 206.295,64 EUR, zoals door het Havenbedrijf (en Ta-baknatie) gevorderd. Het hoger beroep van appellante is enkel voor dit onderdeel gegrond. OM DIE REDENEN HET HOF Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van appellante (Tabaknatie) ontvanke-lijk en zeer gedeeltelijk gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de consoorten Reynolds (ge-intimeerden sub 1 t.e.m. 3) en van de consoorten Philip Morris (geïntimeerden sub 21 en 22) tegen het Gemeentelijk Havenbe-drijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van de verzekeraars Dimon (ge-intimeerden sub 4 t.e.m. 20) tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) ontvankelijk en gegrond. Verklaart het incidenteel beroep van het Gemeentelijk Havenbe-drijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) ontvankelijk en deels ge-grond. Bevestigt het vonnis a quo in de mate dat de eerste rechter, na samenvoeging van de drie procedures: 1. De vorderingen van de consoorten Reynolds, de verzekeraars Dimon en de consoorten Philip Morris ontvankelijk en gegrond verklaarde tegen Tabaknatie; 2. Tabaknatie veroordeelde tot betaling: · aan de verzekeraars Dimon van een bedrag van 114.554,87 EUR en 294.059,16 USD, om te zetten in EUR aan de hoogste koers op de dag der betaling, te vermeerderen met de vergoe-dende intresten vanaf 25 augustus 1997 en de gerechtelijke in-tresten vanaf 28 mei 1999; · aan de consoorten Philip Morris van een bedrag van 222.087,98 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intres-ten vanaf 25 augustus 1997 en de gerechtelijke intresten vanaf 21 september 1999; 3. De vordering in tussenkomst en vrijwaring van Tabaknatie tegen het Gemeentelijk Havenbedrijf ontvankelijk doch ongegrond verklaarde; 4. De tegenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen zowel de consoorten Reynolds, als tegen de verzekeraars Dimon en tegen de consoorten Philip Morris ontvan-kelijk doch ongegrond verklaarde en de tussenvordering van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen tegen Tabaknatie ontvan-kelijk doch ongegrond verklaarde; Hervormt het vonnis a quo voor het overige; Opnieuw recht doende: Veroordeelt Tabaknatie tot betaling aan de consoorten Reynolds van een bedrag van 206.295,64 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten sedert 25 augustus 1997 en de gerechtelij-ke intresten vanaf 23 februari 1999. Verklaart de vorderingen van de consoorten Reynolds, de verze-keraars Dimon en de consoorten Philip Morris tegen het Gemeen-telijk Havenbedrijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïnti-meerde sub 23) samen met Tabaknatie (appellante) in solidum tot betaling aan de consoorten Reynolds (geïntimeerden sub 1 t.e.m. 3) van de som van 206.295,64 EUR, meer vergoedende intresten sedert 25 augustus 1997 en de gerechtelijke intresten sedert 23 februari 1999. Veroordeelt het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïnti-meerde sub 23) samen met Tabaknatie (appellante) in solidum tot betaling aan de consoorten Philip Morris (geïntimeerden sub 21 en 22) van de som van 222.087,98 EUR, meer vergoedende in-tresten sedert 25 augustus 1997 en gerechtelijke intresten sedert 21 september 1999. Veroordeelt het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen samen met Tabaknatie (appellante) in solidum tot betaling aan geïntimeerden sub 4 t.e.m. 20 (verzekeraars Dimon) van een bedrag van 114.554,87 EUR en een bedrag van 294.059,16 USD, om te zet-ten in EUR aan de hoogste koers op de dag der betaling, ver-meerderd met de vergoedende intresten vanaf 25 augustus 1997en de gerechtelijke intresten vanaf 28 mei 1999. Verklaart de vordering in tussenkomst en vrijwaring van het Ge-meentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) tegen Tabaknatie (appellante) ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt Tabaknatie (appellante) tot vrijwaring van het Ge-meentelijk Havenbedrijf Antwerpen (geïntimeerde sub 23) voor elke veroordeling die zij oploopt ten overstaan van de verzeke-raars Dimon en de consoorten Reynolds en de consoorten Philip Morris, zowel in hoofdsom, intresten, als voor alle gerechtskosten (met inbegrip van expertisekosten, en rechtsplegingsvergoedin-gen). Verwijst Tabaknatie (appellante) en het Gemeentelijk Havenbedrijf van Antwerpen (geïntimeerde sub 23) in solidum in de gerechts-kosten van zowel eerste aanleg als van hoger beroep ten aanzien van de consoorten Reynolds, de consoorten Philip Morris en de verzekeraars Dimon, in hoofde van de consoorten Reynolds begroot op: - eerste aanleg: - dagvaarding 270,13 EUR - aandeel ereloonstaat Kapt. Desmet 4.617,14 EUR - verzoekschrift aanstelling deskundige 52,06 EUR - rechtsplegingsvergoeding 327,22 EUR - hoger beroep: - rechtsplegingsvergoeding 485,87 EUR volgens opgave van staat in conclusie, in hoofde van de consoorten Philip Morris begroot op: - eerste aanleg: - dagvaarding 251,71 EUR - aandeel ereloonstaat Kapt. Desmet 4.617,14 EUR - rechtsplegingsvergoeding reeds toegekend (zie con-soorten Reynolds) - hoger beroep: - rechtsplegingsvergoeding reeds toegekend (zie con-soorten Reynolds) volgens opgave van staat in conclusie, en in hoofde van de verzekeraars Dimon begroot op: - eerste aanleg: - dagvaarding 271,99 EUR - rechtsplegingsvergoeding 349,53 EUR - hoger beroep: - rechtsplegingsvergoeding 485,87 EUR volgens opgave van staat in conclusie. Verwijst Tabaknatie (appellante) in de gerechtskosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep van het Gemeentelijk Havenbedrijf van Antwerpen (geïntimeerde sub 23), begroot op: - eerste aanleg: - rechtsplegingsvergoeding 364,41 EUR - aanvullende rechtsplegingsvergoeding 60,71 EUR - hoger beroep: - rechtsplegingsvergoeding 485,87 EUR volgens opgave van staat in conclusie. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZESENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter Mevrouw A. PEETERS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070226.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div