id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070305.8 Rolnummer: 2005AR2617 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 15:24 Fiche 1. Wanneer de vervoerder de overeengekomen uiterste datum van verscheping niet is nagekomen, heeft hij zelf de uitvoering van de vervoerovereenkomst onmogelijk gemaakt en kan hij geen vordering instellen voor foutvracht (art. 120 Zeewet). 2. Belgische rechtsonderhorigen kunnen de exceptie van de 'cautio iudicatum solvi' niet inroepen in geschillen waarin een EU-onderdaan als eiser optreedt. Het feit dat Malta - zijnde het land waar de maatschappelijke zetel van geïntimeerde is gevestigd - op de datum van het uitbrengen van dagvaarding, nog geen E.U.-lidstaat was, is in casu irrelevant, aangezien op het ogenblik van het beoordelen van de gegrondheid van de exceptie geïntimeerde een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is, zodat de borgstelling aan haar niet kan worden opgelegd 3. Overeenkomstig artikel 4 § 1 EVO wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee het contract het nauwst is verbonden. Concreet wordt het dus aan de rechter overgelaten om, aan de hand van de verschillende geografische aanknopingspunten, het zwaartepunt van het contract in een bepaald land te lokaliseren. Bij het bepalen van de toepasselijke contractwet mag hij rekening houden met alle omstandigheden, ook met elementen die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan. Relevante elementen zijn onder meer de plaats waar het contract is tot stand gekomen, de plaats van uitvoering van de respectieve contractuele verplichtingen, de aanwijzing van de bevoegde rechter, de gemeenschappelijke nationaliteit of woonplaats van de contractpartijen, de gebruikte taal of de gekozen munt van betaling. Deze indiciënmethode heeft als belangrijkste pluspunt dat de rechter niet is gebonden door een vaste aanknopingsfactor, zoals de plaats van sluiting of de plaats van uitvoering van het contract, die vaak moeilijk bepaalbaar of louter toevallig is. Daarentegen krijgt de rechter de mogelijkheid om, rekening houdend met de concrete omstandigheden, voor elke overeenkomst afzonderlijk de meest geschikte aanknoping te lokaliseren. In casu dient te worden vastgesteld dat
- a)de bevrachter in België is gevestigd,
- b)de bevrachtingovereenkomst haar oorsprong vindt in een uitwisseling van correspondentie tussen partijen, beiden in België gevestigd, zodat de uit deze correspondentie voortvloeiende overeenkomst moet geacht worden te zijn afgesloten in België,
- c)het een vervoer betreft vanuit de haven van Antwerpen, en
- d)de vracht betaalbaar is in handen van een vennootschap die in België is gevestigd. Rekening houdend met al deze elementen dient het zwaartepunt van de overeenkomst te worden gelokaliseerd te worden in België of nog dient de overeenkomst geacht te worden het nauwst verbonden te zijn met België. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Excepties (Gerechtelijk Wetboek) - Borgstelling vreemdeling eiser HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Vervoer over zee GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - TOEPASSELIJK RECHT (Verdrag van 19 juni 1980) Vrije woorden: 1. bevrachtingsovereenkomst - zelf vervoer onmogelijk maken - foutvracht2. Borgstelling vreemdeling-eiser - exceptie 'cautio judicatum solvi' - 851-852 Ger.W. - EU-onderdaan op moment beoordeling exceptie 3 . toepasselijk recht - art. 4§1 EVO - recht van het land waarmee het contract het nauwst is verbonden - rekening houdend met alle omstandigheden - ook elementen na contractsluiting Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2005/AR/2617 : N.V. SCARADE, met vennootschapszetel te 2620 Hemiksem, Herbekestraat 55, met ondernemingsnummer 0436.191.380; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 17 juni 2005; vertegenwoordigd door Meester J. Adriaensens loco Meester L. Keyzer, advocaat te 2000 Antwerpen, De Burburestraat 6-8; tegen : 1. vennootschap naar het recht van Malta BONYAD SHIPPING LINE EUROPE Ltd., met maatschappelijke zetel gevestigd te 201 Tower Road, Silena, Malta; 2. B.V.B.A. VAN DOOSSELAERE & ACHTEN, met vennoot-schapszetel te 2000 Antwerpen, Sint Pietersvliet 15, met onder-nemingsnummer 0404.554.732; - beide keuze van woonst doende op het kantoor van ge-rechtsdeurwaarder Willy MERTENS, met standplaats te 2018 Antwerpen, Balansstraat 117; geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester J. Daneels loco Meester G. Van Doosselaere, advocaat te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 27; * * * * * * * Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, op tegen-spraak tussen partijen gewezen op 17/06/2005, door de rechtbank van koophandel te Antwerpen, betekend op 06/09/2005, waarte-gen een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld door verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof, op 05/10/2005. Geïntimeerden dagvaardden bij exploot van 09/04/2004 appellan-te, ertoe strekkende appellante te horen veroordelen om aan geïn-timeerden, dan wel aan een van hen, te betalen, het bedrag van 16.743,15 EUR wegens foutvracht en het bedrag van 246,90 EUR wegens expertisekosten, (beide bedragen) te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 02/12/2003, de gerechtelijke in-tresten en de kosten van het geding. Appellante vraagt in conclusie, neergelegd ter griffie van de recht-bank van koophandel te Antwerpen op 15/11/2004, akte te nemen van de door haar ingeroepen exceptie "cautio judicatum solvi, en verzoekt aldus geïntimeerde sub 1 te veroordelen tot het stellen van een borg ten bedrage van 50.000,00 EUR en in afwachting van regeling hiervan de procedure op te schorten. Appellante stelt verder in diezelfde conclusie, in ondergeschikte orde, een tegenvordering in, ertoe strekkende geïntimeerden soli-dair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen om aan haar te betalen het bedrag van 50.000,00 USD, te vermeerderen met de intresten sedert 26/11/2003 en de kosten van het geding, wegens beweerd geleden commercieel verlies wegens het niet kunnen plaatsvinden van de verscheping van de kwestieuze goederen. Het bestreden vonnis: - verklaarde de exceptie van borgstelling door een vreemde eiser ongegrond. - verklaarde de hoofdvordering van geïntimeerde sub 2 on-toelaatbaar. - verklaarde de hoofdvordering van geïntimeerde sub 1 toe-laatbaar en gegrond, en veroordeelde appellante om te be-talen aan geïntimeerde sub 1 een bedrag van 16.743,15 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 2 december 2003 tot de datum van dagvaarding en de ge-rechtelijke intresten sedertdien, en een bedrag van 246,90 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding. - verklaarde de tegenvordering toelaatbaar, doch ongegrond. - veroordeelde appellante tot betaling van de kosten van het geding. Appellante vraagt bij hervorming van het bestreden vonnis: 1) in hoofdorde: - akte te nemen van de exceptie borgstelling vreemde eiser en geïntimeerde sub 1 dienvolgens te veroordelen tot het stellen van een borg ten bedrage van 50.000,00 EUR en in afwachting van regeling hiervan de procedure op te schor-ten. 2) in ondergeschikte orde: - bij toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek geïntimeerden op te leggen de stuwplannen voor het volle-dige zeetraject voor te leggen. - de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvan-kelijk, ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren. - akte te nemen van de tegenvordering van appellante. Deze tegeneis toelaatbaar en gegrond te verklaren, en dienvol-gens geïntimeerden solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen om aan appel-lante te betalen het bedrag van 50.000,00 USD, te ver-meerderen met de intresten sedert 26/11/2003. - geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding. Geïntimeerde sub 1 concludeert tot het ongegrond verklaren van het ingestelde hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde sub 2 concludeert tot het niet toelaatbaar verklaren van het ingestelde hoger beroep, en minstens tot het ongegrond verklaren ervan en tot de bevestiging van het bestreden vonnis. De doelstellingen van de respectieve vorderingen van partijen en de toedracht van de feiten, die er aan ten grondslag liggen, wer-den in het bestreden vonnis toegelicht, zodat het Hof ernaar ver-wijst. I. Wat betreft de hoofdvordering van geïntimeerden tegen appel-lante. A. Wat betreft de door appellante opgeworpen exceptie "cautio judicatum solvi" ten aanzien van geïntimeerde sub 1. 1. Appellante verzoekt de rechtspleging te schorsen in afwachting van de borgstelling door geïntimeerde sub 1 van een bedrag gelijk aan het bedrag van de tegenvordering, zijnde 50.000,00 EUR, in toepassing van de artikelen 851-852 van het Gerechtelijk Wet-boek. Geïntimeerde sub 1 beweert dat dergelijke borgstelling niet aan haar kan worden opgelegd, omdat Malta, alwaar haar matschap-pelijke zetel is gevestigd, thans een lidstaat is van de Europese Unie, en dit sedert 01/05/2004. 2. Artikel 851 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in een procedu-rele, opschortende exceptie die de bescherming beoogt van de Belgische rechtsonderhorige tegen de geldelijke verliezen ten ge-volge van een ongegrond proces dat wordt aangespannen door een vreemdeling die in België geen waarborgen biedt voor de be-taling van de kosten en de schadevergoedingen waartoe hij zou worden veroordeeld. Met vreemdelingen die, behoudens een verdragsrechtelijke vrij-stelling, gehouden zijn tot borgstelling bedoelt men alle vreemde-lingen als hoofdeiser of tussenkomende partij. Algemeen wordt aangenomen dat verdragen die voorzien in een meest begunstigingsclausule of een clausule die de vreemdeling assimileert aan de eigen onderdaan impliciet vrijstelling verlenen van de "cautio iudicatum solvi" Een van de belangrijkste multilaterale verdragen die leidt tot een vrijstelling van borgstelling is het Verdrag van Rome tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap van 25 maart 1957 (artikel 6, voorheen art. 7, nu art. 12 ingevolge een hernummering van de bepalingen in het Verdrag van Amsterdam van 02/10/1997). Artikel 6, eerste alinea, EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat, dat een lidstaat een zekerheidsstelling voor de proceskosten verlangt van een on-derdaan van een andere lidstaat, die voor een van de burgerlijke rechterlijke instanties van eerstgenoemde lidstaat een vordering heeft ingesteld tegen een van de onderdanen van deze staat, wanneer een dergelijke eis niet kan worden gesteld aan onderda-nen van deze staat. Met andere woorden de Belgische rechtsonderhorigen kunnen de exceptie van de "cautio iudicatum solvi" niet inroepen in geschillen waarin een EU-onderdaan als eiser optreedt. Het feit dat Malta - zijnde het land waar de maatschappelijke zetel van geïntimeerde sub 1 is gevestigd - op de datum van het uit-brengen van dagvaarding, nl. 09/04/2004, nog geen E.U.-lidstaat was, is in casu irrelevant, aangezien op het ogenblik van het be-oordelen van de gegrondheid van de exceptie geïntimeerde sub 1 een onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is, zodat de borgstelling aan haar niet kan worden opgelegd. De door appellante opgeworpen exceptie "cautio judicatum solvi" (exceptie van borgstelling van de vreemde eiser) ten aanzien van geïntimeerde sub 1 dient derhalve als ongegrond te worden afge-wezen. B. Wat betreft de door geïntimeerde sub 2 opgeworpen exceptie van ontoelaatbaarheid van het door appellante tegen haar inge-steld hoger beroep. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen geïntimeerde sub 2, niettegenstaande de vordering tegen haar (appellante) door de eerste rechter als ongegrond werd afgewezen. Het door appellante ingesteld hoger beroep tegen geïntimeerde sub 2 dient derhalve bij gebreke van belang niet toelaatbaar te worden verklaard. C. Wat betreft de door geïntimeerde sub 1 gevorderde foutvracht op grond van artikel 120 van de Belgische Zeewet. 1. Appellante beweert dat niet het Belgisch recht, maar wel het Mal-tees recht in casu van toepassing is en dat niet wordt aangetoond dat geïntimeerde sub 1 op grond van dit recht gerechtigd is fout-vracht te vorderen. Appellante steunt zich hierbij op artikel 4 EVO, overeenkomstig hetwelk een overeenkomst wordt beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Zij stelt dat geïnti-meerde sub 1, met zetel gevestigd te Malta, de meest kenmer-kende prestatie, nl. de vervoerprestatie, diende te leveren, en al-dus het Maltees recht van toepassing is. 2. Bij gebrek aan een rechtskeuze wordt het toepasselijke recht be-paald door de verwijzingsregeling, uiteengezet in artikel 4 van het EVO. Krachtens artikel 4 § 4 van het EVO wordt de overeenkomst tot vervoer van goederen vermoed het nauwst verbonden te zijn met het land van de hoofdvestiging van de vervoerder, indien dit het land is waar de plaats van de lading of de lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen. Indien, zoals in casu, de plaats van de lading of lossing, noch de hoofdvestiging van de medecontractant, samenvalt met de plaats waar de vervoerder tijdens het sluiten van het contract was geves-tigd, geldt de algemene regel van artikel 4 § 1 van het EVO. Overeenkomstig artikel 4 § 1 EVO wordt de overeenkomst be-heerst door het recht van het land waarmee het contract het nauwst is verbonden. Concreet wordt het dus aan de rechter overgelaten om, aan de hand van de verschillende geografische aanknopingspunten, het zwaartepunt van het contract in een be-paald land te lokaliseren. Bij het bepalen van de toepasselijke contractwet mag hij rekening houden met alle omstandigheden, ook met elementen die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan. Relevante elementen zijn onder meer de plaats waar het contract is tot stand gekomen, de plaats van uitvoering van de respectieve contractuele verplichtingen, de aanwijzing van de bevoegde rech-ter, de gemeenschappelijke nationaliteit of woonplaats van de contractpartijen, de gebruikte taal of de gekozen munt van beta-ling. Deze indiciënmethode heeft als belangrijkste pluspunt dat de rechter niet is gebonden door een vaste aanknopingsfactor, zoals de plaats van sluiting of de plaats van uitvoering van het contract, die vaak moeilijk bepaalbaar of louter toevallig is. Daarentegen krijgt de rechter de mogelijkheid om, rekening houdend met de concrete omstandigheden, voor elke overeenkomst afzonderlijk de meest geschikte aanknoping te lokaliseren. In casu dient te worden vastgesteld dat
- a)appellante (de bevrach-ter) in België is gevestigd,
- b)de bevrachtingovereenkomst haar oorsprong vindt in een uitwisseling van correspondentie tussen geïntimeerde sub 2 en appellante, beiden in België gevestigd, zo-dat de uit deze correspondentie voortvloeiende overeenkomst moet geacht worden te zijn afgesloten in België,
- c)het een ver-voer betreft vanuit de haven van Antwerpen, en
- d)de vracht be-taalbaar is in handen van geïntimeerde sub 2, die in België is ge-vestigd. Rekening houdend met al deze elementen dient het zwaartepunt van de overeenkomst te worden gelokaliseerd te worden in België of nog dient de overeenkomst geacht te worden het nauwst ver-bonden te zijn met België. Bijgevolg dient de overeenkomst in casu te worden onderworpen aan het Belgisch recht. 3. Geïntimeerde sub 1 vordert op grond van artikel 120 van de Zee-wet ten laste van appellante betaling van een schadevergoeding van 16.743,15 EUR en expertisekosten ten bedrage van 246,90 EUR, wegens beweerde foutvracht met betrekking tot de versche-ping van een partij goederen van Antwerpen naar Bandar Abbas (Iran). Appellante beweert ten gronde dat geïntimeerden zich niet op de (sanctie)regeling van artikel 120 van de Zeewet kunnen beroepen, aanvoerende dat haar geen enkele tekortkoming kan worden ver-weten en integendeel de rederij zelf de uitvoering van de vervoer-overeenkomst - voor zover rechtsgeldig tot stand gekomen - on-mogelijk heeft gemaakt.
- a)Appellante contacteerde in de maand november 2003 geïntimeer-de sub 2 (VAN DOOSSELAERE & ACHTEN) met het oog op de verscheping van een paar werktuigen, nl. 1 kraan, 1 betonpomp op wielen en 5 diepladers van Antwerpen naar Bandar Abbas (Iran).
- b)Overeenkomstig de betalingen van de kredietbrief (Letter of Cre-dit, afgekort L/C) diende de goederen, in het bijzonder de mobiele pomp, voor 26/11/2003 te worden verscheept; "datum van verstrij-ken ("date of expiry"): 26 november 2003 (L/C stuk 1e appellante).
- c)Uit de overgelegde stukken: - de e-mail van de BVBA VAN DOOSSELAERE & ACHTEN aan BOYAD van 17/11/2003 die onder meer vermeldt: "Iten 1 en 2 gelet op verstrijken kredietbrief verschepen November indien mogelijk ??? (stuk nr.1 van geïntimeerde sub 1 en stuk 1a van appellante). - het antwoord van BONYAD SHIPPING van 17/11/2003 dat onder meer vermeldt: "OK voor verscheping NOVEMBER" (stuk nr. 2 van geïntimeerde sub 1 en stuk 1b van appellan-te). - de e-mail van de BVBA VAN DOOSSELAERE & ACHTEN aan appellante van 17/11/2003 die onder meer vermeldt "Kunnen U aanbieden MV T.B.N. BONYAD 23/26: kaai 302" (stuk nr. 3 van geïntimeerde sub 1 en stuk 1c van ap-pellante) en - de e-mail van de BVBA VAN DOOSSELAERE & ACHTEN aan appellante van 17/11/2003 die vermeldt: "Onderver-melde lading definitief geboekt voor verscheping 23/26 NOV" (stuk 1d van geïntimeerden), die uitdrukkelijk verwijzen naar de kredietbrief, blijkt dat geïnti-meerden bekend waren met de modaliteiten van de kredietbrief (Letter of Credit, afgekort L/C), en zeker wat de uiterste geldings-datum ervan betreft, en dus de verschepingsdatum van 26/11/2003 voor appellante onmiskenbaar een essentiële voor-waarde tot contractsluiting uitmaakte. De bewering van geïntimeerde sub 1 dat appellante slechts voor het eerst bij aangetekende brief van 05/01/2004 gewag heeft ge-maakt dat de kredietbrief op 26/11/2003 verstreek, wordt derhalve ontkracht door voormeld gevoerd e-mailverkeer tussen partijen. Inderdaad zoals uit voormelde stukken blijkt was geïntimeerde sub 1 wel degelijk op de hoogte van de kredietbrief en alleszins van de uiterste geldingsdatum ervan, nl. 26/11/2003, alsook van het feit dat zulks voor appellante een noodzakelijke voorwaarde voor het sluiten van het contract uitmaakte. Appellante heeft in antwoord op de e-mail van geïntimeerde sub 2 van 17/1/2003 (stuk 1 c van appellante) haar telefonisch ak-koord gegeven met een verscheping per ms. "SEA DREAM" op voorwaarde dat deze tijdig en conform de modaliteiten van de L/C (Letter of Credit - Kredietbrief), d.w.z . uiterlijk op 26/11/2003, zou plaatsvinden. Geïntimeerde sub 1 heeft daarop bij e-mail van 17/11/2003 (stuk 1 d van appellante) uitdrukkelijk bevestigd dat de verscheping tus-sen 23 en 26/11/2003 zou plaatsvinden, hetgeen zij niet is nage-komen. Inderdaad niettegenstaande de eerdere bevestiging en het feit dat de datum van 26/11/2003 voor appellante essentieel was, meldde geïntimeerde sub 2 op 27/11/2003 dat het ms "SEA DREAM" slechts op 30/11/2003 te Antwerpen werd verwacht en dat met de laadoperaties slechts een aanvang zou worden geno-men op 01/12/2003.
- d)Geïntimeerde sub 2 beweert ten onrechte dat appellante zich ak-koord heeft verklaard met betrekking tot de verscheping voorzien op 04/12/2003 (die uiteindelijk zelfs 12/12/2003 is geworden). In-derdaad geïntimeerde sub 2 blijft in gebreke ook maar enig stuk bij te brengen waaruit blijkt of afdoende naar recht kan worden afgeleid dat appellante - die formeel ontkent het voorstel van ge-intimeerde sub 2 om de goederen later, d.i. begin december te verschepen, aanvaard te hebben - ooit zijn akkoord heeft betuigd met een verscheping in de maand december 2003, laat staan van een boeking voor een dergelijke verscheping geplaatst te hebben.
- e)Geïntimeerde sub 1 stelt verder ten onrechte dat zij niet op de hoogte was van de modaliteiten van de kredietbrief, en meer in het bijzonder van de noodzaak van de voor verscheping uit te voe-ren inspectie van de lading, nu de kredietbrief duidelijk verwijst naar het feit dat voor verscheping nog een ladinginspectie diende te worden uitgevoerd (stuk 1, onder 46A. 7, van geïntimeerde sub 1.). Zelfs aangenomen dat geïntimeerden sub 1 niet op de hoogte was van alle modaliteiten van de kredietbrief, en met name van de voor de verscheping uit te voeren inspectie van de lading, zulks geen afbreuk doet dat aan het feit dat geïntimeerde sub 1 de af-gesproken verschepingsdatum niet is nagekomen, nu het feit dat zij de door haar bevestigde verschepingsdatum niet is kunnen na-komen hoe dan ook geenszins te wijten is aan de inspectie van de lading voor de verscheping, doch enkel aan het feit dat het ms "SEA DREAM" slechts op 30/11/2003 in Antwerpen werd verwacht en met de laadoperaties slechts een aanvang zou nemen op 01/12/2003.
- f)Het feit dat appellante nog getracht heeft een verlenging van de kredietbrief te bekomen, betekent geenszins dat appellante zich akkoord heeft verklaard met de geplande verscheping begin de-cember.
- g)Geïntimeerde stelt eveneens ten onrechte dat de kwestieuze kre-dietbrief niet op de kwestieuze verscheping betrekking heeft, nu deze duidelijk verwijst naar de te verschepen mobiele betonpomp "eenheid Schwing pomp + vrachtwagen Mercedes Benz" ("UNIT SCHWING PUMP + TRUCK MERCEDES BENZ "). Bovendien stemt de omschrijving van de mobiele betonpomp, zo-als vermeld op door appellante overgelegde aankoopfactuur uit-gaande van BETONTECHNIEK N.V., volledig overeen met de bewoordingen van de kredietbrief. Ook de factuurwaarde ten be-drage van 215.000 USD stemt overeen met het bedrag vermeld op de kredietbrief.
- h)Gezien, zoals uit het voorgaande blijkt, geïntimeerde sub 1 de overeengekomen uiterste datum van verscheping, nl. 26/11/2003 (zoals opgenomen in de kredietbrief) niet is nagekomen, en appel-lante zich nooit met een verscheping in december akkoord heeft verklaard, staat het derhalve vast dat geïntimeerde sub 1 zelf de uitvoering van de vervoerovereenkomst onmogelijk heeft gemaakt. Conform artikel 1178 B.W. moet een voorwaarde geacht worden vervuld te zijn, wanneer een partij, die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan heeft verhinderd. Bijgevolg kan geïntimeerde zich in casu niet op artikel 120 van de Zeewet beroepen, en dient de hoofdvordering van geïntimeerde sub 1 tegen appellante wegens foutvracht op grond van artikel 120 van de Zeewet als ongegrond te worden afgewezen. II. Wat betreft de tegenvordering van appellante tegen geïnti-meerde sub 1 Appellante beweert dat door het niet nakomen door geïntimeerde sub 1 van de overeenkomst, nl. de verscheping voor 26/11/2003, de verscheping van de goederen uiteindelijk niet meer heeft kun-nen plaatsvinden, en dat zij hierdoor een commercieel verlies heeft geleden van 50.000,00 USD .Zij verwijst ter staving van de-ze bewering naar de creditnota van BETONTECHNIEK NV van 30/12/2003 : " annulatie F 230275 verkoop niet doorgegaan". Appellante specificeert met betrekking tot haar tegenvordering: - dat zij in casu is opgetreden als bemidde-laar/tussenpersoon tussen de Belgische verkoper van de mobiele betonpomp, BETONTECHNIEK NV en de ko-per/bestemmeling MULTI BUSINESS TRADING Co uit de Verenigde Arabische Emiraten. - dat zij voor haar bemiddelingsopdracht zowel van de ver-koper als van de koper een commissie ten bedrage van respectievelijk 20.000,00 USD en 30.000,00 USD heeft ontvangen; dat zij, ingevolge de annulering van de ver-koopovereenkomst wegens de niet-tijdige verscheping van de goederen, de door haar reeds ontvangen commissies heeft moeten terugbetalen. - dat het bedrag van 20.000,00 USD onmiddellijk werd te-ruggestort en dat het bedrag van 30.000,00 USD, wegens de bestendige handelsrelatie, met latere opdrachten werd verrekend. - dat de door haar geleden schade aldus 50.000,00 USD bedraagt. Geïntimeerde sub 1 betwist de tegenvordering van appellante als zijnde ongegrond, aanvoerende dat appellante alleszins in gebre-ke blijft de door haar beweerde geleden schade te bewijzen. Appellante brengt ter staving van de door haar beweerde geleden schade, een factuur, een kredietnota en enkele bankuittreksels bij.
- a)Volgens appellante waren de verkoper en koper van de kwestieu-ze goederen N.V. BETONTECHNIEK, respectievelijk MULTI BU-SINESS GENERAL TRADING Co, terwijl de rekeninguittreksels overschrijvingen vermelden van 30.000,00 USD en 20.000,00 USD in opdracht van ACHIEL LEERS COMPANY N.V., respectie-velijk ICM EXCHANGE GmbH. De verkoper en koper van de kwestieuze goederen identificeren zich aldus niet met de opdrachtgevers van de overschrijvingen. De bewering van appellante dat ACHIEL LEERS COMPANY N.V. de magazijnen en werkplaats van BETONTECHNIEK NV betreft blijkt geenszins uit de overgelegde stukken. De factuur en de kre-dietnota uitgaande van de N.V. BETONTECHNIEK vermelden weliswaar onderaan deze documenten dat haar magazijn en werkplaats is gevestigd te 3110 Rotselaar, Wingepark 24, doch op deze documenten wordt op geen enkele wijze melding gemaakt van de ACHIEL LEERS COMPANY N.V. Nergens wordt door ap-pellante aangegeven wie de N.V. ACHIEL LEERS COMPANY is, welk verband zij eventueel heeft met de N.V. BETONTECHNIEK . Beide vennootschappen zijn afzonderlijke vennootschappen met een eigen rechtspersoonlijkheid, zodanig dat tot bewijs van het tegendeel, quod non, dient te worden aangenomen dat er geen sprake kan zijn van een identificatie tussen de N.V. BETON-TECHNIEK en de NV ACHIEL LEERS COMPANY. Appellante toont evenmin afdoende naar recht aan dat ICM EX-CHANGE GmbH een wisselkantoor is, noch dat dit eventueel in opdracht handelde van MULTI BUSINESS GENERAL TRADING Co.
- b)Appellante blijft bovendien in gebreke stukken/documenten over te leggen, waaruit blijkt dat zij als bemiddelaar/tussenpersoon is opgetreden, alsook, wanneer zulks wel het geval zou zijn, dat zij bij de verkoop recht had op commissies ten bedrage van de ge-vorderde bedragen. Zij toont niet aan dat de kwestieuze bedragen golden als commis-sies voor het realiseren van de verkoop van de kwestieuze machi-nes.
- c)Appellante levert tenslotte evenmin afdoend naar recht het bewijs dat zij de beweerde ontvangen bedragen heeft terugbetaald, dan wel heeft verrekend met latere opdrachten.
- d)Tenslotte levert appellante evenmin het bewijs van een causaal verband tussen de niet-verscheping en het niet doorgaan van de verkoop van de betonpomp Schwing op een chassis Mercedes. De tegenvordering van appellante dient derhalve, gelet op het voorgaande als ongegrond te worden afgewezen. OM DIE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoger beroep niet toelaatbaar ten aanzien van geïn-timeerde sub 2. Ontvangt het hoger beroep ten aanzien van geïntimeerde sub 1. Verklaart het gedeeltelijk gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het: - de exceptie van borgstelling ten aanzien van geïntimeerde sub 1 ongegrond verklaarde. - de hoofdvordering van geïntimeerde sub 1 tegen appellan-te ontvankelijk verklaarde, en de tegenvordering van appel-lante tegen geïntimeerde sub 1 ontvankelijk, doch onge-grond verklaarde. Hervormt het bestreden vonnis voor het overige, Opnieuw wijzende, Verklaart de hoofdvordering van geïntimeerde sub 1 tegen appel-lante ongegrond. Verwijst geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen, de-ze aan de zijde van appellante volgens opgave in conclusie be-groot op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 349,54 EUR - verzoekschrift 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 475,96 EUR Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF MAART TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter Mevrouw A. PEETERS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070305.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div