← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070305.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070305.9 Rolnummer: 2005AR2650 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 139 - laatst gezien 2026-07-02 15:25 Fiche 1. De vordering tot verklaring van recht betreft een declaratoire vordering, zoals bedoeld door artikel 18, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Opdat artikel 18, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is, moet het recht of de uitoefening ervan ernstig betwist of bedreigd lijken, moet er een onmiddellijke en dadelijke aanspraak zijn die op voldoende waarschijnlijke en ernstige wijze het in gevaar brengen van een recht of de veroorzaking van schade doet voorspellen of aankondigt. In casu wordt niet bewezen dat er sprake is van een zware en ernstige bedreiging van een recht. De verklaring van recht is bovendien een vorm van preventieve conflictbeslechting. 2. Krachtens artikel 1.2 van het LLMC-Verdrag omvat het begrip 'scheepseigenaar' de bevrachter van het schip. Overeenkomstig de beschikking beperking aansprakelijkheid, en bij toepassing van artikel 11.3 van het LLCM-Verdrag, wordt het fonds opgericht door de scheepseigenaar, geacht te zijn opgericht namens en ten behoeve van alle personen, genoemd in paragraaf 1 A van artikel 9 van het LLCM-Verdrag (welk artikel op zijn beurt verwijst naar artikel 1.2 van het LLCM-Verdrag). Het limitatiefonds, opgericht overeenkomstig de bepalingen van het LLCM-Verdrag en van de beschikking beperking aansprakelijkheid, wordt geacht aangegaan te zijn door de bevrachter (net zoals de scheepseigenaar). De schuldvordering ten aanzien van de bevrachter is derhalve uitgedoofd. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Begrippen - Algemeen HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Vervoer over zee Vrije woorden: 1. Gerechtelijk recht - vordering tot verklaring van recht - art. 18 lid 2 Ger.W. - voorwaarden - geen bewijs zware en ernstige bedreiging van een recht 2. zeevervoer - beperking aansprakelijkheid door vorming limitatiefonds - art. 1.2. LLMC-verdrag - personen namens en ten behoeve van wie het fonds werd opgericht - begrip scheepseigenaar Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2005/AR/2650 : INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd., vennootschap naar het recht van de Verenigde Staten, met maatschappelijke zetel te 4801 Audubon Drive, Richmond Virginia USA 23231; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 7 september 2004; vertegenwoordigd door Meester F. Roosendaal, advocaat te 2000 Antwerpen, De Burburestraat 6-8; tegen : 1. N.V. BELGIAN PAKHOED, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Oude Leeuwenrui 25; 2. N.V. C. STEINWEG, met maatschappelijke zetel te 2000 Ant-werpen, Ouland 25; geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester M. Van Looveren, advocaat te 2600 Berchem, Roderveldlaan 3; in aanwezigheid van : EXPOCAN HOLDING BV, voorheen NETCON ALARNI BV, met maatschappelijke zetel te Nederland, 1102BS Amsterdam, Zuid-oost, Foppingadreef 22; vertegenwoordigd door Meester S. Van Moorleghem, advocaat te 2000 Antwerpen, Everdijstraat 43; * * * * * * * Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, op tegen-spraak tussen partijen gewezen op 07/09/2004, door de rechtbank van koophandel te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, waartegen een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld door verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof, op 12/10/2005. I. FEITEN en VOORWERP VAN PROCEDURE Op 29/01/1991 heeft INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. de hiernavolgende cognossementen uitgegeven, waarbij zij zich ver-bond containers, waarin kisten sigaretten waren geladen, per ms INDEPENDENT SPIRIT te vervoeren van Richmond (USA) naar Antwerpen: - cognossementen aan de order van BELGIAN PAKHOED NV B/L R 21066 A van 29/01/1991: 4 containers, 4.000 kisten, 60.019 kg. B/L R 21078 A van 29/01/1991: 1 container, 1.920(?) kis-ten, 13.064 kg. - cognossementen aan de order van C. STEINWEG NV B/L R 21149 A van 29/01/1991: 92 containers, 93.160 kis-ten, 2.848,982 lb. (pond). Er dient te worden opgemerkt dat volgens de conclusie van BELGIAN PAKHOED N.V. de eerste twee cognossemen-ten betrekking hebben op "50 containers met in totaal 53.693 dozen sigaretten (gewicht 677.874 kg") Het is niet duidelijk waar die cijfers vandaan komen. INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. heeft de containers op het scheepsdek geplaatst. Tijdens de zeereis zijn een aantal containers over boord gevallen en een aantal anderen beschadigd geraakt. BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV waren ontvangers onder de kwestieuze cognossementen, en hebben, toen zij het verlies/de schade vernomen hadden, tot zekerheid van hun vorde-ring het schip onder bewarend beslag gelegd. Bij beschikking van 15/02/1991 heeft de voorzitter van de recht-bank van koophandel te Antwerpen kapitein F. Oostra, lid van de Nautische Commissie bij de genoemde rechtbank, aangesteld met als opdracht de oorzaken van de schade en de omvang ervan te onderzoeken. II. Wat betreft de zaak bij de eerste rechter gekend onder AR 91/09354 1. Bij verzoekschrift van 26/02/1991 heeft NETCON ALARNI BV, eigenares van het ms Independent Spirit, de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen toelating gevraagd haar aansprakelijkheid te beperken door vorming van een limitatie-fonds, conform artikel 11 lid 1 LLMC en artikel 48 § 1 van de Zee-wet. 2. Bij beschikking van 27/02/1991 heeft de voorzitter van de recht-bank van koophandel te Antwerpen dit verzoek ingewilligd, alsme-de de heer J. Wilkin als rechter-commissaris en mr. H. Lange als vereffenaar aangesteld over het te vormen fonds. Het beschik-kend gedeelte vermeldt tevens: "geven akte aan verzoekster dat zij aanbiedt een garantie te stel-len in voordeel van de vereffenaar qualitate qua en bepalen dat dit fonds werkelijk beschikbaar en vrij overdraagbaar zal zijn ten be-drage van 1.673.860,89 EUR (67.523.381 BEF) bevelen dat verzoekster eveneens gedurende minstens twee jaar 8% intrest per jaar waarborgt. bepalen de provisie tot vorming, vereffening en verdeling van het beperkingsfonds op 3.718,40 EUR (150.000 BEF), te storten door verzoekster;" 3. NETCON ALARNI NV heeft een bedrag van 1.680.464,78 EUR (67.789.781 BEF) - zijnde 1.673.860,89 EUR (67.523.381 BEF) + 6.603,88 EUR (266.400 BEF) rente - aan de vereffenaar overge-maakt (zie het verslag van de vereffenaar van 24/04/1991). 4. Bij beschikking van 26/04/1991 heeft de voorzitter van de recht-bank van koophandel te Antwerpen vastgesteld dat het beper-kingsfonds was opgericht en heeft hij de publicatie van die be-schikking in het Belgisch Staatsblad en in de Antwerpse Lloyd be-volen. 5. Bij akte van verzet van 29/07/1991 (zaak bij de eerste rechter gekend onder AR 91/09354), die aan NETCON ALARNI BV is betekend, zijn BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV (huidige geïntimeerden) opgekomen tegen de beschikking van 26/04/1991, teneinde te zeggen voor recht dat NETCON ALARNI BV niet gerechtigd is haar schade te beperken op grond van arti-kel 4 LLMC Verdrag. Op grond van artikel 4 LLMC verzoeken BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG N.V. die beschikking in te trekken en voor recht te verklaren dat "gedaagde niet gerechtigd was haar aansprake-lijkheid voor de materiële schade die uit het verlies en de bescha-diging van de laadkisten is ontstaan, te beperken zoals voorzien in artikel 1.7 van het LLMC-Verdrag en artikel 48 § 3 van de Zee-wet." 6. Bij dagvaarding van 14/10/1992 hebben BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG BV een eis tot bindendverklaring van het te wijzen vonnis ingesteld tegen mr. H. Lange, in de hoedanigheid van vereffenaar van het scheepsvermogen. 7. Op 16/08/1994 heeft SUN INSURANCE Co of NEW YORK "een kwijting" ("Underwriters Release") ondertekend, waarin zij ver-klaart:

  1. a)dat zij gesubrogeerd is in de rechten van de afzenders, de geadresseerden en de eigenaars van de goederen;
  2. b)dat NETCON ALARNI BV haar 2.011.675,08 USD heeft be-taald.
  3. c)dat zijzelf, de afzenders, de geadresseerden en de eige-naars van de goederen dan ook afstand doen van alle vor-deringen tegen de scheepseigenaar.
  4. d)dat de ladingbelanghebbenden zich conform artikel 1285 B.W. het recht voorbehouden de bij dagvaarding van 07/02/1992 ingestelde procedure (gekend bij de eerste rechter onder AR 92/02091) voort te zetten tegen INDE-PENDENT CONTAINER LINES Ltd., bevrachter van het schip. De dading heeft betrekking op cognossementen "R 210 - 66 A, 68 A, 69 A, 71 - 77 A en R 21149 A ". 8. Bij beschikking van 05/02/1999 heeft de voorzitter BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV gemachtigd om INDEPEN-DENT CONTAINER LINES Ltd. met in achtneming van een ter-mijn van 12 vrije dagen voor de rechtbank van koophandel te dagvaarden. 9. Bij dagvaarding van 16/02/1999 (zaak gekend bij de eerste rech-ter onder AR 91/09354) hebben BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV de INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. in tussenkomst gedagvaard, teneinde tussen te komen in de ver-zetsprocedure, en de in deze verzetsprocedure nog te wijzen uit-spraak bindend/gemeen te verklaren aan de INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. 10. Bij conclusie van 26/09/2000 (voor de eerste rechter) is INDE-PENDENT CONTAINER LINE Ltd. in verzet gekomen tegen de beschikking van 05/02/1999. 11. Bij conclusie van 31/05/2002 (voor de eerste rechter) hebben BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV hun vordering ten aanzien van INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. gewijzigd. Zij vorderen niet meer de bindendverklaring van het te wijzen von-nis. In het beschikkend gedeelte van hun conclusie verzochten zij de rechtbank van koophandel te Antwerpen voor recht te verklaren dat zowel NETCON ALARNI BV als INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. haar aansprakelijkheid niet kan beperken: "het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren. dientengevolge de bestreden beschikking gewezen en uitgespro-ken door de heer Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 26/04/1991 teniet te doen en te zeggen voor recht dat NETCON ALARNI BV niet gerechtigd was haar aansprakelijk-heid voor de materiële schade die uit het verlies en de beschadi-ging van de laadkisten en hun inhoud is ontstaan, te beperken. Minstens te zeggen voor recht dat het limitatiefonds niet geacht wordt te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van ICL en ICL bijgevolg niet gerechtigd is haar aansprakelijkheid te beperken." III. Wat betreft de zaak gekend bij de eerste rechter onder AR 92/02091 (Procedure ten gronde). 1. Bij dagvaarding van 07/02/1992 hebben BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV een eis tot vergoeding van de lading-schade (wegens beweerd verlies van een aantal containers ver-voerd aan boord van het schip onder dekking van de cognosse-menten) ingesteld tegen NETCON ALARNI BV en INDEPEN-DENT CONTAINER LINE Ltd., en dit met name in betaling van voorschotten van respectievelijk 2.753.652 USD en 1.063.710 USD, te vermeerderen met de rente vanaf 10/12/1991. 2. Bij conclusie van 05/06/2003 voor de eerste rechter hebben de C. STEINWEG NV en BELGIAN PAKHOED NV hun vorderingen uitgebreid tot respectievelijk 3.668.273,69 EUR en 2.068.986,87 EUR .
  5. a)vordering van C. STEINWEG NV - ladingschade: 2.108.668,76 EUR - op 01/08/1993 betaald: -1.013.030,75 EUR saldo: 1.095.638,01 EUR - 8% rente op 2.108.668,76 EUR : 417.805,27 EUR (van 10/02/1991 tot 01/08/1993) - 8% rente op 1.513.443,28 EUR : 373.509,51 EUR (van 02/08/1993 tot 31/08/1996) - 7% rente op 1.513.443, 28 EUR : 768.290,15 EUR (van 01/09/1996 tot 30/11/2003) Totaal: 3.668.273,69 EUR Er dient te dezen te worden opgemerkt: - dat het juiste totaal bedrag dient te zijn: 3. 668.273, 69 EUR te verminderen met de betaling (die nochtans in hun afrekening wordt vermeld) van 1.013.030,75 EUR = 2.665.242,94 EUR . - dat zij rente op rente aanrekent (1.513.443,28 EUR = 1.095.638,01 EUR + 417.805,27 EUR) .
  6. b)vordering van BELGIAN PAKHOED NV - ladingschade: 1.643.092,27 EUR - op 01/08/1993 betaald: - 789.362,32 EUR saldo: 853.729,95 EUR - 8% rente op 1.643.092,27 EUR : 325.557,35 EUR (van 10/02/1991 tot 01/08/1993) - 8% rente op 1.179.287,30 EUR : 291.041,64 EUR (van 02/08/1993 tot 31/08/1996) - 7% rente op 1.179.287,30 EUR : 598.657,93 EUR (van 01/09/1996 tot 30/11/2003) Totaal: 2.068.986,87 EUR Er dient te worden opgemerkt dat rente op rente wordt aangere-kend (1.179.298,30 EUR = 853.729,95 EUR + 325.557,35 EUR). Bovendien vorderen C. STEINWEG NV en BELGIAN PAKHOED NV nog rente op die bedragen vanaf 30/11/2003, en gaat het niet om moratoire intresten, zoals in de conclusie vermeld, maar om compensatoire intresten. IV. HET BESTREDEN VONNIS: 1. voegde de verzetsprocedure en de procedure ten gronde samen 2. zaak bij de eerste rechter gekend onder AR 91/09354
  7. a)verklaarde het verzet tegen de beschikking van 26/04/1991(beschikking bevestiging limitatiefonds), die op verzoek van NETCON ALARNI BV is gewezen, toelaatbaar, maar onge-grond. veroordeelde BELGIAN PAKHOED N.V. en C. STEINWEG N.V. in de kosten.
  8. b)verklaarde het verzet van INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. tegen de beschikking van 05/02/1999 niet toelaatbaar. verwierp de door INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. voorge-dragen excepties van nietigheid. verwierp de door INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. opge-worpen excepties van niet-toelaatbaarheid, met uitzondering van de excepties met betrekking tot subrogatie en de schade, waar-over nog geen uitspraak werd gedaan. heropende de debatten (met betrekking tot de gevorderde verkla-ring voor recht - dat INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. niet gerechtigd was zich op de beperking te beroepen). 3. zaak gekend bij de eerste rechter onder AR 92/02091
  9. a)stelde vast dat de tegen NETCON ALARNI BV (scheepseigenaar) ingestelde eis ten gronde geen bestaansreden meer had. veroordeelde BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV in de kosten.
  10. b)deed nog geen uitspraak over de toelaatbaarheid en de gegrond-heid van de tegen INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. inge-stelde eis ten gronde, en heropende de debatten op dit punt. V. HOGER BEROEP 1. INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. vraagt in aanvullende tevens syntheseberoepsconclusie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 06/10/2006,
  11. a)bij hervorming van het bestreden vonnis: inzake AR 91/09354 - het verzet van gedaagden in hoger beroep (BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV) tegen de beschik-king van de heer voorzitter van de rechtbank van koophan-del te Antwerpen van 26/04/1991 ontoelaatbaar te verkla-ren. - nog meer ondergeschikt : het verzet ongegrond te verkla-ren. inzake AR 92/2091 - de vordering van gedaagden in hoger beroep ontoelaat-baar, minstens ongegrond te verklaren.
  12. b)haar akte te verlenen van de bij conclusie gestelde (tegen-) vorde-ring, ertoe strekkende geïntimeerden te veroordelen tot betaling van 1,00 EUR provisioneel wegens advocatenkosten.
  13. c)geïntimeerden te veroordelen tot de kosten in de beide aanleg-gen. 2. Geïntimeerden (BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV) vragen:
  14. a)de zaken gekend onder AR 9354/91 en AR 92/02091 samen te voegen.
  15. b)in zake AR 9354/91 - het bestreden vonnis te bevestigen in zoverre het verzet van INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. tegen de be-schikking van 05/02/1999 niet toelaatbaar heeft verklaard, en de door INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. voor-gedragen excepties van nietigheid en niet-toelaatbaarheid heeft verworpen. - verder: 1) het verzet van geïntimeerden ontvankelijk en ge-grond te verklaren. 2) dienvolgens de bestreden beschikking gewezen en uitgesproken door de heer voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 26/04/1991 teniet te doen. 3) te zeggen voor recht dat het limitatiefonds niet ge-acht wordt te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. en dat INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. bijgevolg niet gerechtigd is haar aansprakelijkheid te beperken. 4) INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. te ver-oordelen tot de kosten van het geding. in zake AR 92/02091 1) de vordering ontvankelijk en gegrond te verkla-ren. 2) dienvolgens INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. te veroordelen om aan de N.V. STEINWEG NV te betalen de tegenwaarde in EUR tegen de hoogste koers sedert de datum van 10/02/1991 van 3.626.934,82 USD, te vermeerderen met de verwijlintresten sedert 24/04/2006. 3) INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. te ver-oordelen om aan de N.V. BELGIAN PAKHOED te betalen de tegenwaarde in EUR tegen de hoogste koers sedert de datum van 10/02/1991 van de som van 2.829.108,67 USD, te vermeer-deren met de verwijlintresten sedert 24/04/2006. - te acteren dat BELGIAN PAKHOED NV en C. STEINWEG NV de partij INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. aan-manen de intresten op de bedragen, waartoe zij veroor-deeld is of zal worden in de loop van de procedure, te beta-len. - te zeggen voor recht dat de kapitalisatie van de intresten conform artikel 1154 B.W. plaatsvindt, zodat de door IN-DEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. verschuldigde hoofdsommen verhoogd worden met de intresten tegen de wettelijke rentevoet die lopen in de periode van 11/08/1993 tot en met de datum van huidige conclusie, nl. 07/09/2006. - INDEPENDENT CONTAINER LINE Ltd. te veroordelen tot de kosten in de beide aanleggen. 3. EXPOCAN HOLDING BV vraagt het Hof vast te stellen dat er ten aanzien van haar in de procedure in hoger beroep geen vorderin-gen tot hervorming van het bestreden vonnis worden ingesteld, en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding. VI. DE VERZETSPROCEDURE (INZAKE AR 91/09/354) A. DE GRIEVEN VAN GEINTIMEERDEN MET BETREKKING TOT DE BESCHIKKING BEVESTIGING LIMITATIEFONDS Bij vonnis a quo heeft de rechtbank van koophandel te Antwerpen de vordering van geïntimeerde tot intrekking van de Beschikking Bevestiging Limitatiefonds van 26/04/1991 toelaatbaar, doch on-gegrond verklaard. Geïntimeerden hebben deze vordering in het dispositief van de conclusie van 28/04/2006 hernomen, zonder dat een incidenteel beroep wordt ingesteld of enige grief wordt geformuleerd. Appellante streeft de bevestiging na van het vonnis a quo op dit punt. 1. Het Hof stelt vast dat uit de lezing van de aanvullende tevens be-roepssyntheseconclusie van appellante, neergelegd ter griffie van dit Hof op 06/10/2006, - ofschoon zij in het beschikkend gedeelte van deze conclusie, inzake AR 91/09354 bij hervorming van het bestreden vonnis verzoekt het verzet van geïntimeerden tegen de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 26/04/1991 ontoelaatbaar te verklaren, en in on-dergeschikte orde dit ongegrond te verklaren - duidelijk blijkt dat zij in werkelijkheid de bevestiging van het bestreden vonnis op dit punt vraagt, met name de ongegrondverklaring van het verzet van geïntimeerden tegen de beschikking bevestiging limitatiefonds van 26/04/1991. Inderdaad het verzet tegen de beschikking van 26/04/1991 werd door de eerste rechter ongegrond verklaard, en appellante vraagt op blz. 13 van het overwegend gedeelte van voormelde conclusie uitdrukkelijk de bevestiging van het bestreden vonnis op dit punt. 2. Het Hof stelt verder vast dat geïntimeerden van hun kant geen expliciet incidenteel beroep instellen tegen het bestreden vonnis. De zinsnede in het beschikkend gedeelte van de tweede aanvul-lende tevens syntheseberoepsconclusie van geïntimeerde, neer-gelegd ter griffie van dit Hof op 04/12/2006, met betrekking tot de zaak bij de eerste rechter gekend onder AR 9354/91, luidend als volgt: "Dientengevolge de bestreden beschikking gewezen en uit-gesproken door de heer Voorzitter van de rechtbank van koop-handel van Antwerpen van 26/04/1991 teniet te doen" kan even-wel als een impliciet incidenteel beroep beschouwd worden. Nochtans dient te worden vastgesteld dat geïntimeerde in het overwegend gedeelte van haar conclusie nergens het bestreden vonnis, in zoverre dit het verzet tegen de beschikking voormeld van 26/04/1991 toelaatbaar, doch ongegrond verklaarde, aan-vecht of op enigerlei wijze de hervorming van de bestreden beslis-sing op dit punt vraagt. Bij gebreke van het aanvoeren van enige grief door geïntimeerde tegen het bestreden vonnis, in zoverre dit het verzet tegen de beschikking voormeld van 26/04/1991 toe-laatbaar, doch ongegrond verklaarde, dient derhalve het impliciet incidenteel beroep van geïntimeerde als ongegrond te worden afgewezen. 3. Het bestreden vonnis dient derhalve te worden bevestigd in zover-re dit de vordering van geïntimeerden tot intrekking van de Be-schikking Bevestiging Limitatiefonds van 26/04/1991 toelaatbaar, doch ongegrond heeft verklaard. B. DE DECLARATOIRE VORDERING VAN GEINTIMEERDEN Geïntimeerden vorderen dat het Hof zegt voor recht dat "het limi-tatiefonds niet geacht wordt te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van I.C.L. en I.C.L. bijgevolg niet gerechtigd is haar aanspra-kelijkheid te beperken". Appellante werpt dat dergelijke declaratoire vordering niet toelaat-baar is om reden dat geïntimeerden niet aantonen dat er in hun hoofde sprake is van een ernstig bedreigd recht. 1. De declaratoire vordering van geïntimeerden betreft de vordering, zoals bedoeld door artikel 18, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 18, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet een uitzon-dering op de regel dat in beginsel de vordering ad futurum niet is toegelaten. Artikel 18, lid 2, van het Gerechtelijk wetboek laat toe dat ook een vordering kan gesteld worden wanneer zij ertoe strekt de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. Opdat artikel 18, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek van toepas-sing is, moet het recht of de uitoefening ervan ernstig betwist of bedreigd lijken, moet er een onmiddellijke en dadelijke aanspraak zijn die op voldoende waarschijnlijke en ernstige wijze het in ge-vaar brengen van een recht of de veroorzaking van schade doet voorspellen of aankondigt. Opdat een vordering tot verklaring van recht toelaatbaar is, moet derhalve aan de volgende voorwaarden voldaan zijn: - aan de rechter moet gevraagd worden om het bestaan (of het niet bestaan) van een recht vast te stellen met betrek-king tot een specifiek concreet punt. - het recht, waaromtrent een verklaring wordt gevraagd, moet ernstig bedreigd zijn. Deze bedreiging moet reeds een zekere storing veroorzaken. Of er in een wel bepaald geval al dan niet sprake is van een ernstige bedreiging, is een feitenkwestie, die soeverein wordt beoordeeld door de feitenrechter. - de gevraagde maatregel (verklaring van recht) moet een concreet en welbepaald nut hebben voor de eisende partij. Zij moet de toestand verduidelijken, een einde maken aan de bedreiging, het bestaan of niet bestaan van een recht doen erkennen. 2. Geïntimeerden leveren in casu niet het bewijs dat in hoofde spra-ke is van een zware en ernstige bedreiging van een recht. Geïntimeerden beogen met hun declaratoire vordering, ertoe strekkende te zeggen voor recht dat "het limitatiefonds niet wordt geacht te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van I.C.L. en I.C.L. bijgevolg niet gerechtigd is haar aansprakelijkheid te beper-ken", geen schending van een ernstig bedreigd recht te voorko-men. Inderdaad reeds op 26/02/1991 heeft EXPOCAN HOLDING B.V., scheepseigenaar van het ms INDEPENDENT SPIRIT een ver-zoekschrift aangeboden aan de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen waarbij toelating werd gevraagd de aansprakelijkheid te beperken door vorming van een limitatie-fonds, overeenkomstig het LLMC-Verdrag, naar aanleiding van het verlies van en schade aan containers tijdens een zeetransport van de Verenigde Staten van Amerika naar België in februari 1991. Dit verzoek heeft de Voorzitter bij Beschikking van 27/02/1991 ingewilligd (Beschikking Beperking Aansprakelijkheid). Bij dezelf-de Beschikking werd een rechter-commissaris en vereffenaar aan-gesteld over te vormen fonds. Bij Beschikking van 26/04/1991 werd door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen vastgesteld dat het be-perkingsfonds was opgericht (Beschikking Bevestiging Limitatie-fonds). Geïntimeerden hebben bij exploot van 29/07/1991 dagvaarding uitgebracht ten laste van EXPOCAN HOLDING B.V. (scheepsei-genaar) waarbij verzet werd aangetekend tegen de Beschikking Bevestiging Limitatiefonds. Voorts hebben geïntimeerden bij exploot van 07/02/1992 dag-vaarding ten gronde uitgebracht ten laste van EXPOCAN HOL-DING B.V. en appellante (Procedure ten gronde), waarin zij ver-goeding vorderen wegens beweerd verlies van een aantal contai-ners vervoerd aan boord van het schip onder dekking van de cog-nossementen. Noch de verzetsprocedure, noch de procedure ten gronde worden op dat ogenblik verder in staat gesteld. Geïntimeerden hebben op 25/05/1991 (tijdig) hun vordering inge-diend bij de vereffenaar, houdende verzoek tot uitbetaling onder het limitatiefonds. De rechter-commissaris en de vereffenaar hebben op 10/08/1993 een ontwerp opgemaakt in verband met de vereffening van het fonds, waartegen door de schuldeisers, waar-onder geïntimeerden, geen bezwaar werd geuit. Vervolgens werd op 11/08/1993 uit het limitatiefonds een bedrag van 789.362,07 EUR (31.842.787 BEF) uitbetaald aan geïnti-meerde sub 1 en een bedrag van 1.013.030,75 EUR (40.865.559 BEF) aan geïntimeerde sub 2, welke betalingen zonder enig voor-behoud werden aanvaard. Geïntimeerden dagvaardden vervolgens bij exploot van 16/02/1999 - hetzij meer dan acht jaar na het schadegeval - ap-pellante in tussenkomst van de verzetsprocedure, en vorderden dat de in de verzetsprocedure te wijzen beslissing tussen hen en de scheepseigenaar aan appellante gemeen zou worden ver-klaard. In de loop van de procedure vorderen geïntimeerden bij conclu-sies van 31/05/2002 de samenvoeging van de procedure ten gronde en de verzetsprocedure. Zij wijzigen met betrekking tot de verzetsprocedure eveneens het voorwerp van hun vordering, en vorderen in diezelfde conclusies van 31/05/2002 niet langer enkel de gemeenverklaring, doch een verklaring voor recht, waarin zou worden gezegd voor recht dat "het limitatiefonds niet geacht wordt te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van ICL en ICL bijge-volg niet gerechtigd is haar aansprakelijkheid te beperken". Uit de voormelde procedure voorgaanden blijkt aldus dat er in ca-su geen sprake is van een ernstig bedreigd recht, nu geïntimeer-den - wat betreft het inroepen van de door de wet uitdrukkelijke voorziene mogelijkheid van ontzegging van beperking van aan-sprakelijkheid - niet gestoord werden in de normale uitoefening van hun rechten, noch de normale ongestoorde uitoefening van hun rechten werden verhinderd (door b.v. het aantekenen van tijdig verzet/derdenverzet tegen de beschikking beperking aan-sprakelijkheid van 27/02/1991 ten laste van de scheepseigenaar dan wel ten laste van appellante als bevrachter, hetzij ten laste van beiden; het zich hangende de uitspraak omtrent dit verzet, verzetten tegen de vereffening-verdeling van het aangevochten fonds), zodat aan een van de basisvereisten voor het bekomen van een verklaring van recht niet is voldaan. 3. De verklaring van recht is bovendien een vorm van preventieve conflictbeslechting: een latere betwisting en procedure tussen par-tijen wordt voorkomen door de partijen richtlijnen te geven voor hun toekomstig gedrag. In casu is er geen sprake van een preventieve conflictbeslechting, nu, zoals uit het voorgaande blijkt het schadegeval dat aanleiding geeft tot de betwisting tussen partijen zich reeds heeft voorgedaan op 29/01/1991 en hieromtrent reeds procedures zijn gevoerd die reeds beslecht zijn of nog hangende zijn. Met betrekking tot het schadegeval dat zich in casu tijdens een zeevervoer van de Verenigde Staten van Amerika naar België op 29/01/1991 heeft voorgedaan en de beperking van de aansprake-lijkheid door de scheepseigenaar door de vorming van een limita-tiefonds, overeenkomstig het LLMC-Verdrag kunnen inderdaad geen richtlijnen voor de toekomst meer gegeven worden. De zeevervoerder en/of de bevrachter hebben bepaalde hande-lingen gesteld of niet gesteld waardoor schade is ontstaan, en de scheepseigenaar heeft de toelating gevraagd en gekregen om haar aansprakelijkheid te beperken door de vorming van een limi-tatiefonds (zie de beschikkingen van 27/02/1991(met betrekking tot beperking van aansprakelijkheid) en van 26/04/1991(met be-trekking tot de bevestiging van het limitatiefonds). De vraag wie voor deze schade moet instaan, alsmede de vraag of in casu de geïntimeerden de legitimiteit van het limitatiefonds kunnen betwis-ten en meer bepaald kunnen vorderen dat het recht op beperking van aansprakelijkheid kan worden ontzegd aan appellante moeten zo wie zo door een rechter worden beoordeeld. Wanneer in dergelijke omstandigheden een verklaring voor recht wordt gevraagd, gaat het derhalve niet meer om een preventief handelen en om een latere procedure te vermijden. Het schade-geval is reeds gebeurd en het limitatiefonds is reeds gevormd, zodanig dat een procedure over de aansprakelijkheid en/of de legitimiteit van het limitatiefonds en/of het recht op beperking van aansprakelijkheid aan appellante kan worden ontzegd niet meer valt te vermijden, en overigens reeds gevoerd zijn. In het kader van transportschade, en meer in het bijzonder van een gevormd limitatiefonds, overeenkomstig het LLMC-Verdrag, kan derhalve geen verklaring voor recht worden gevraagd dat "het limitatiefonds niet geacht wordt te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van I.C.L. en I.C.L. bijgevolg niet gerechtigd is haar aansprakelijkheid te beperken". Een verklaring van recht kan in deze omstandigheden niet de preventieve rol vervullen waarvoor zij in het leven werd geroepen. 4. Gelet op het voorgaande is derhalve in casu niet voldaan aan de vereiste voorwaarden om geïntimeerden toe te laten een declara-toire vordering te kunnen instellen. De declaratoire vordering van geïntimeerden, ertoe strekkende te zeggen voor recht dat "het limitatiefonds niet geacht wordt te zijn aangegaan door c.q. mede ten bate van I.C.L. en I.C.L. bijgevolg niet gerechtigd is haar aansprakelijkheid te beperken" dient dien-volgens niet toelaatbaar te worden verklaard. VII. DE PROCEDURE TEN GRONDE 1. Geïntimeerden vorderen wegens verlies van een aantal containers onder cognossementen nrs. R21066A, R21078A en R21149A ten laste van appellante betaling van een schadevergoeding van res-pectievelijk 2.829.108,67 USD en 3.626.934,82 USD in hoofdsom, te vermeerderen met de intresten. Het Hof stelt vast dat ten aanzien van EXPOCAN HOLDING B.V., aan wie het verzoekschrift tot hoger beroep enkel ter kennis werd gebracht, geen vorderingen tot hervorming van het bestreden vonnis worden gesteld. 2.
  16. a)In casu werd mede namens appellante een fonds opgericht over-eenkomstig de bepalingen van het LLMC-Verdrag en de over-eenkomstige bepalingen van de Zeewet. Zoals hierboven reeds gezegd heeft de scheepseigenaar op 26/02/1991 een verzoekschrift aangeboden aan de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, waarbij toelating werd gevraagd haar aansprakelijkheid te beperken door vorming van een limitatiefonds. Dit verzoek werd door de Voorzitter bij beschikking beperking aansprakelijkheid van 27/02/1991 ingewilligd en tegelijk werd een rechter-commissaris en vereffenaar aangesteld over het te vor-men fonds. Bij beschikking bevestiging limitatiefonds van 26/04/1991 werd door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen vastgesteld dat het beperkingsfonds was opgericht.
  17. b)Krachtens artikel 1.2 van het LLMC-Verdrag omvat het begrip "scheepseigenaar" de bevrachter van het schip, in casu appellan-te. Ingevolge de beschikking beperking aansprakelijkheid van 27/02/1991, en in overeenstemming met artikel 1.4 van het LLCM-Verdrag, werd de scheepseigenaar het voordeel toege-kend van beperking van aansprakelijkheid zoals voorzien in voor-meld Verdrag. Krachtens artikel 9.1 zijn de overeenkomstig artikel 6 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen van toepassing op het totaal van alle vorderingen, die voortkomen uit eenzelfde gebeurtenis, met inbe-grip van de vorderingen tegen appellante. Verder wordt, overeenkomstig de beschikking beperking aanspra-kelijkheid van 27/02/1991, en bij toepassing van artikel 11.3 van het LLCM-Verdrag, het fonds opgericht door de scheepseigenaar, geacht te zijn opgericht namens en ten behoeve van alle perso-nen, genoemd in paragraaf 1 A van artikel 9 van het LLCM-Verdrag (welk artikel op zijn beurt verwijst naar artikel 1.2 van het LLCM-Verdrag). Appellante, als bevrachter, valt binnen het toepassingsgebied van artikel 9.1 a - artikel 1.2 van het LLCM-Verdrag en daarop wordt het limitatiefonds, opgericht overeenkomstig de bepalingen van het LLCM-Verdrag en van de beschikking beperking aansprake-lijkheid van 27/02/1991, geacht aangegaan te zijn door appellante (net zoals de scheepseigenaar).
  18. c)Geïntimeerden hebben in weerwil van het door hen aangetekend verzet tegen de beschikking bevestiging limitatiefonds van 26/04/1991 bij exploot van29/07/1991 - waarbij zij vorderden de beschikking teniet te doen en dat de rechter zou zeggen voor recht dat de scheepseigenaar niet gerechtigd was haar aanspra-kelijkheid te beperken, (en welk verzoek ongegrond is, zie hierbo-ven) - hun vordering ingediend bij de vereffenaar van het fonds, Mr. Herman Lange. In de loop van 1993 werd door de vereffenaar overgegaan tot ver-effening van het limitatiefonds. Op 11/08/1993 werd een bedrag van 789.362,07 EUR (31.842.787 BEF) uitgekeerd aan geïnti-meerde sub 1 en een bedrag van 1.013.030,75 EUR (40.865.559 BEF) aan geïntimeerde sub 2, welke deze betalingen zonder enig voorbehoud hebben aanvaard. Overeenkomstig artikel 13.1 LLCM-Verdrag waren geïntimeerden slechts gerechtigd hun rechten uit te oefenen lastens het limitatie-fonds. Eens het fonds heeft uitbetaald aan geïntimeerden, en ge-intimeerden deze betaling zonder voorbehoud hebben aanvaard, zijn de vorderingen van geïntimeerden uitgedoofd. Artikel 52 § 2 W. Kh. bepaalt immers ook dat de betaling aan elke schuldeiser van het deel van het beperkingsfonds dat hem toe-komt, een einde maakt aan zijn schuldvordering tegenover de ver-zoeker. In het licht van artikel 11.3 LLCM-Verdrag dient onder "verzoeker" te worden verstaan iedere persoon die bescherming geniet van het fonds, waaronder appellante als bevrachter van het ms INDE-PENDENT SPIRIT. De schuldvordering ten aanzien van appellante is derhalve uitge-doofd, zodat de vordering ten gronde van geïntimeerden als on-gegrond dient te worden afgewezen. VIII. TEGENVORDERING VAN APPELLANTE Appellante vordert in beroepsconclusie bij tegenvordering geïnti-meerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1,00 EUR provisioneel wegens haar advocaatkosten. De honoraria van een advocaat maken een onderdeel uit van de schade, waarbij de verliezende partij de honoraria van de advo-caat van de tegenpartij moet betalen als element van de schade van de winnende partij, in de mate dat deze kosten een noodza-kelijk karakter vertonen. De door appellante gevorderde kosten kunnen aldus enkel wor-den toegekend in de mate dat ze met de werkelijkheid overeen-stemmen, de noodzaak ervan wordt aangetoond en ze beant-woorden aan de toets van de redelijkheid en transparantie. De gerechtelijke procedures in deze zaak vertonen een dermate complexiteit, zodanig dat zij niet op een behoorlijke wijze zonder advocaat kunnen worden gevoerd. Appellante laat evenwel na - afgezien van het feit dat zij tot op heden nog steeds niet in staat blijkt haar verdedigingskosten defi-nitief te begroten - toelichting te verschaffen aan het Hof hoe de gevorderde som is samengesteld (detail van ereloon en kosten) en welke criteria worden gevolgd om deze som als honorarium aan te rekenen. Bovendien toont de raadsman van appellante evenmin aan dat hij het gevorderde in rekening heeft gebracht aan zijn opdrachtgever en deze laatste de som heeft betaald als honorarium. De tegenvordering van appellante in betaling van de verdedi-gingskosten dient dan ook bij gebrek aan enige mogelijke werke-lijkheidstoets en bij gebrek aan enige transparantie als ongegrond te worden afgewezen. OM DIE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Stelt vast dat ten aanzien van EXPOCAN HOLDING B.V. - aan wie het verzoekschrift tot hoger beroep enkel ter kennis werd ge-bracht - in hoger beroep geen vorderingen tot hervorming van het bestreden vonnis worden ingesteld. Verleent akte aan appellante van de door haar in conclusie inge-stelde tegenvordering tegen geïntimeerden, ertoe strekkende ge-intimeerden te horen veroordelen tot betaling aan appellante van een vergoeding van 1,00 EUR provisioneel wegens advocaten-kosten. Ontvangt het hoger beroep en het impliciet incidenteel beroep; verklaart het hoger beroep gegrond en het impliciet incidenteel beroep ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre dit (inzake de verzets-procedure gekend bij de eerste rechter onder nr. AR 91/09354) het verzet van geïntimeerden tot intrekking van de beschikking bevestiging limitatiefonds van 26/04/1991 toelaatbaar, doch onge-grond verklaarde. Hervormt het bestreden vonnis voor het overige. Opnieuw wijzende, Verklaart (inzake de verzetsprocedure gekend bij de eerste rech-ter onder nr. 91/09354) de declaratoire vordering van geïntimeer-den niet toelaatbaar. Verklaart (inzake de procedure ten gronde gekend bij de eerste rechter onder nr. AR 92/02091) de vordering van geïntimeerden toelaatbaar, doch ongegrond. Verklaart de tegenvordering van appellante ontvankelijk, doch on-gegrond. Verwijst geïntimeerden in de kosten van de beide aanleggen, de-ze volgens opgave in conclusies begroot aan de zijde van: - appellante op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 364,41 EUR - verzoekschrift 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 485,87 EUR - EXPOCAN HOLDING BV op: - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 485,87 EUR Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF MAART TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter Mevrouw A. PEETERS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070305.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.