id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070312.5 Rolnummer: 2004AR1042 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 15:26 Fiche Een ‘nakend of imminent gevaar' is geen vereiste voor een averij-grosse. Een ernstig, reëel gevaar voor schip én lading zijn vereist. Wanneer bij volle belading van de spits van het binnenschip een niet onbelangrijke scheur in de romp wordt vastgesteld met lekkage tot gevolg, die met het uur ernstigere proporties aanneemt, met reëel gevaar tot het zinken van het schip én de lading aan boord, is de voorwaarde voor een averij-grosse vervuld. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERVOER - Vervoer over zee Vrije woorden: Averij-grosse - Gemene averij - voorwaarden - ernstig, reëel gevaar voor lading of schip Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2004/AR/1042 - na toepassing art. 730 § 2a Ger.W. - voorheen ingeschreven onder 1984/AR/893 :
- de rechtspersoon van Chileens recht INSTITUTO DE SEGUROS DEL ESTADO, Chile, gevestigd te Santiago;
- CORPORATION NACIONAL DEL COBRE DE CHILE, Moranda 239, Santiago, Casilla 9493 Chile ;
- N.V. METALLURGIE HOBOKEN OVERPELT, gevestigd te Brussel, rue du Marais 3, en met bijzetel te 2000 Antwerpen, Venusstraat, ingeschreven in het H.R. te Antwerpen onder nummer 37.202; - allen keuze van woonst doende bij hun raadsman Meester Bernard INSEL, hierna vermeld; appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 14 maart 1984; vertegenwoordigd door Meester B. Insel, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 136; tegen :
- G. VDV., weduwe van de heer A. S., in haar hoedanigheid van mede-eigenares van het ms. "LE PROGRES" en erfgename van en rechthebbende in de nalatenschap van haar moeder wijlen mevrouw Y. VG., van wijlen haar vader de heer O. VDV. (beiden in leven wonende te X) en van wijlen haar zuster mevrouw L. VDV. (in leven wonende te X), wonende te X;
- L. VDV., echtgenoot van mevrouw R., in zijn hoedanigheid van mede-eigenaar van het ms. "LE PROGRES" en erfgenaam van en rechthebbende in de nalatenschap van wijlen zijn moeder mevrouw Y. VG., van wijlen zijn vader de heer O. VDV. (beiden in leven wonende te X) en van wijlen zijn zuster mevrouw L. VDV. (in leven wonende te X), wonende te X; geïntimeerden sub 1 en 2 vertegenwoordigd door Meester J.P. de Cooman, advocaat te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 115; * * * * * * * Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen op 14 maart 1984 door de rechtbank van Koophandel te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd, waartegen: - een hoger beroep bij niet nader genoemd "afzonderlijk exploot " zou ingesteld zijn tegen geïntimeerde sub 1, zodanig dat ten aanzien van geïntimeerde sub 1 geen hoger beroep is bewezen. - een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld tegen geïntimeerde sub 2, 3 en 4 door akte van gerechtsdeurwaarder betekend op 30 maart
- Gelet op het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van dit Hof van Beroep, waarbij de zaak aldaar gekend onder 1984/AR/893 ambtshalve werd weggelaten van de algemene rol op 02/12/1997, overeenkomstig artikel 730 § 2 a lid 2 Gerechtelijk Wetboek. Gelet op het verzoekschrift tot het herinschrijven op de rol na weglating, uitgaande van V. DVG., weduwe van de heer A S, in haar hoedanigheid van mede-eigenares van het ms. LE PROGRES en erfgename van en rechthebbende in de nalatenschap van wijlen haar moeder Y. VG., van wijlen haar vader O. VDV. (beiden in leven wonende te X) en van wijlen haar zuster Mevrouw L. VDV. (in leven wonende te X), wonende te X, en van de VDV. L., echtgenoot van Mevrouw R., in zijn hoedanigheid van mede-eigenaar van het ms. LE PROGRES en erfgenaam van en rechthebbende in de nalatenschap van wijlen zijn moeder Y. VG., van wijlen zijn vader O. VDV. (beide in leven wonende te X) en van wijlen zijn zuster Mevrouw L.VDV. (in leven wonende te X), wonende te X, neergelegd ter griffie van dit Hof op 07 april
- Gelet op het herinschrijven van de zaak na weglating op grond van artikel 730 § 2 a Gerechtelijk Wetboek op 07 april 2004 onder 2004/AR/
- I. Appellanten dagvaardden bij exploten van respectievelijk 20 januari 1978 en 02 februari 1978 de heer O. VDV., Mevrouw G. VDV, echtgenote VS. A. - huidig geïntimeerde sub 1-, de heer L. V DV, echtgenoot van Mevrouw R. - huidig geïntimeerde sub 2 - en Mevrouw L.VDV, echtgenote van de heer J. DR., ertoe strekkende, voor het geval zij (appellanten) zouden verplicht worden in averij-grosse (gemene averij) bij te dragen, de konsoorten VDV. solidair te veroordelen tot betaling van 3.244,31 EUR (130.875 BEF), te vermeerderen met de vergoedende intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. O. VDV., G. VDV., L.VDV. en L.VDV. stelden in conclusie, neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen op 28 maart 1978 een tegeneis in tegen appellanten, ertoe strekkende appellanten te horen veroordelen om aan hen te betalen het bedrag van 3.244,31 EUR (130.875 BEF) - zijnde de bijdrage in de averij-grosse volgens hen door appellanten verschuldigd, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 januari 1977, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. De scheepsbelanghebbenden vorderen van de ladingbelanghebbenden de verplichting tot financiële bijdrage in de gemene averij en de veroordeling tot 3.244,31 EUR met aankleven, terwijl de ladingbelanghebbenden stellen dat zij niet gehouden zijn bij te dragen in de gemene averij en mocht dit wel het geval zijn vorderen zij de teruggave van dit aandeel terug wegens de door de schipper gepleegde fouten en verzoeken alsdan tot compensatie over te gaan van beide vorderingen. II. In het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter als volgt : - de vorderingen, ingeleid door appellanten bij dagvaardingen van 20 januari 1978 en 02 februari 1978, zijn vervallen door verjaring en appellanten werden verwezen in de kosten; - de tegenvordering van geïntimeerden werd ontvankelijk en gegrond verklaard en appellanten werden hoofdelijk veroordeeld om aan O. VDV., G. VDV., L. VDV. en L VDV. te betalen het bedrag van 3.244,31 EUR (130.875 BEF), te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 januari 1977, de gerechtelijke intresten en de kosten. * III. Appellanten verzoeken, bij hervorming van het bestreden vonnis, om : - de vordering tot bijdrage in averij-grosse van de scheepsbelanghebbenden verjaard, minstens ongegrond te verklaren; - recht te doen op de exceptie, ingesteld bij wijze van hoofdeis, deze toelaatbaar en gegrond te verklaren; - voor zoveel als nodig geïntimeerden te veroordelen om aan de appellanten te betalen, met dien verstande dat de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten aanzien van de anderen, het bedrag van 3.244,31 EUR (130.875 BEF), te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 24 januari 1977, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding; - vervolgens de gerechtelijke compensatie toe te passen op de eisen van de scheep- en goederenbelanghebbenden; * Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het ingestelde hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis (al was het om andere motieven), met dien verstande dat de veroordeling een som van 3.244,30 EUR vertegenwoordigt. * Ter zitting van 27 februari 2007 wordt door appellante een korte aanvullende conclusie neergelegd, waarin opgave van de geactualiseerde vordering in bijdrage als in teruggave wordt begroot op 11.299,08 EUR, bestaande uit de hoofdsom tot beloop van 3.244,31 EUR en 8.054,77 EUR aan intresten berekend tussen 24 januari 1977 en 27 februari 2007 aan de vigerende wettelijke intrest. Het Hof neemt daarvan akte. IV. De feiten en antecedenten kunnen bondig als volgt worden weergegeven:
- Huidig appellanten zijn de belanghebbenden bij een lading van ca 390 ton koper katoden. Zij worden hierna ook gemakshalve aangeduid als ladingbelanghebbenden. Huidig geïntimeerden sub 1 en 2 zijn de rechtsopvolgers van de belanghebbenden bij het ms. LE PROGRES. Zij worden hierna (ook) aangeduid als scheepsbelanghebbenden.
- Op 24 januari 1977 werd een partij koper, afkomstig uit Chili, door stouwer NOORDNATIE gelost ex het ms. MASTER STEPHANOS op het nummer 176 van de Antwerpse dokken, dit in rechtstreekse overslag in drie binnenschepen, onder meer het ms. LE PROGRES, waarop wijlen de heer O. VDV. als schipper en mede-eigenaar het bevel voerde. De goederen waren bestemd voor de vestiging van METTALLURGIE HOBOKEN- OVERPELT te Olen. Tussen 8.00 h en 12.00 h werden ca 190 ton koper geladen in het ms. LE PROGRES. Na ongeveer 200 ton te hebben ingeladen werd een lek vastgesteld met het indringen van water tot gevolg. De belading werd stopgezet en een duiker werd ingezet om het binnenschip te onderzoeken. Onder de buikdenning werd midscheeps bakboord in een lengteplaat een scheur van ca 5 cm gevonden en dichtgemaakt.
- Op 25 januari 1977 werd het vaartuig door de duiker opnieuw geïnspecteerd. De scheur was groter geworden tot ca 15 à 20 cm. Besloten werd om de belading van het ms. LE PROGRES stop te zetten en de lading koper over te laden in het ms. YVONNE, die de lading koper ter destinatie bracht.
- Schipper O. VDV. heeft averij-grosse verklaard. Op 1 februari 1977 werd een averij-grosse compromis opgesteld door de lading, respectievelijk de scheepsbelangen, resulterend in een averij-grosse verslag d.d. 28 februari 1977, opgesteld door de experts W. HENDERICKX (VAN HAVRE & C°), optredend voor de ladingbelanghebbenden en R. CALLENS, optredend voor de scheepsbelanghebbenden. In het compromis werd ook voorzien in de aanstelling van het College van Dispacheurs, Borzestraat 17 te Antwerpen. De term ‘dispacheur' is niet van Franse oorsprong en gaat vermoedelijk terug op een Spaanse term uit de 16° eeuw (despachadores). De term dispacheur is gangbaar in de Scandinavische landen, de Benelux en Duitsland. Hij wordt ‘expert répartiteur' genoemd in Frankrijk en ‘average adjuster' in U.K.
- Per 16 augustus 1977 zal door het college van dispacheurs de ‘dispache' of reglement worden opgesteld (‘Règlement des Avaries et Dépenses') en (enkel door hen) ondertekend worden. De bijdrage van de ladingbelanghebbenden in de gemene averij werd vastgesteld op 130.875 BEF (3.244,31 EUR). Het betreft hier in hoofdzaak de kosten inzake het inschakelen van de duikers (het opzoeken van het lek) en de kosten in verband met het lossen van de lading ex ms LE PROGRES. Het bedrag op zich is niet betwist (zie ook stuk 10 bundel appellan- ten). * V. BEOORDELING A. Met betrekking tot de verjaring van de oorspronkelijke vorderingen ingesteld door appellanten Ter zitting van 19 februari 2007 verklaren geïntimeerden dat zij het middel van de verjaring van de vorderingen, ingesteld door appellanten, niet (meer) handhaven en dus verzaken aan dit middel (zie proces-verbaal van terechtzitting van 19 februari 2007). In die zin dient het vonnis a quo dan ook hervormd te worden. B. Met betrekking tot de vordering strekkende tot bijdrage in de gemene averij (oorspronkelijke tegenvordering) ingesteld door geïntimeerden / scheepsbelanghebbenden en het verweer daartegen vanwege appellanten / ladingbelanghebbenden. Averij-grosse (gemene averij) is één van de oudste tot het zeerecht behorende instellingen. Het is een vorm van risicospreiding over lading én schip bij het gemeenschappelijk avontuur. Averij-grosse bestond reeds vooraleer de zeeverzekering het levenslicht zag. Volgens art. 147 Z.W. wordt onder gemene averij verstaan "de buitengewone uitgaven en de schade vrijwillig geleden voor het gemeenschappelijk heil en goed van schip en goederen". Krachtens art. 275 Z.W. zijn de artikelen in verband met de averij en haar aanrekening van toepassing op de binnenvaart (behoudens art.154.Z.W.). Appellanten betogen dat de vereiste van ‘nakend gevaar' terzake ontbrak om van averij-grosse te gewagen. Er dreigde op geen enkel ogenblik gevaar voor het (gemeenschappelijk) avontuur, aldus appellanten. Deze stelling kan niet worden bijgetreden. Gezaghebbende commentatoren zoals SMEESTERS & WINKELMOLEN (Droit Maritime et Droit Fluvial, II, n° 757) en R. DE SMET (Droit Maritime et Droit Fluvial Belges, n° 646) hebben erop gewezen dat een ‘nakend of imminent gevaar' geen vereiste is. Het moet terzake gaan om een ernstig, reëel gevaar voor schip én lading. Terzake werd bij volle belading van de spits LE PROGRES een niet onbelangrijke scheur in de romp vastgesteld met lekkage tot gevolg, dat met het uur ernstiger proporties aannam, dit met reëel gevaar tot het zinken van het schip én de lading aan boord. In het averij-grosse compromis d.d. 1 februari 1977 verklaart schipper VDV. dat ... "bij vaststelling van een hevige lekkage ... er groot gevaar bestond voor schip en lading". Het Hof constateert dat het compromis zonder enig voorbehoud mede- ondertekend werd door een volmachtdrager optredend voor rekening van eerste appellante (zie daarvoor stuk 1 bundel geïntimeerde). Besluit Het voorval valt, naar oordeel van het Hof, onder de noemer gemene averij of averij-grosse. De vordering strekkend tot betaling van het aandeel in de averij- grosse door de ladingbelanghebbenden werd terecht gegrond verklaard door de eerste rechter. Het vonnis a quo kan worden bijgetreden, met de specificatie zoals opgenomen in het dispositief van het arrest. C. Met betrekking tot de vordering in terugbetaling van de bijdrage in de averij-grosse door appellanten C.1 Appellanten houden voor dat, niettegenstaande zij gehouden zijn tot een bijdrage in de gemene averij - waarbij het foutbegrip niet speelt - zij gerechtigd zijn deze bijdrage terug te vorderen van de schipper-vervoerder, indien bewezen wordt dat de schipper een fout heeft begaan met schade tot gevolg en waarvoor hij zich niet kan vrijtekenen. Mocht het Hof deze fout in oorzakelijk verband met de schade toerekenen aan de schipper dan, aldus appellanten, treedt er compensatie in tussen de (in ondergeschikte orde) ingestelde hoofdvordering van appellanten en de toegekende tegenvordering ingesteld door geïntimeerden. De gemene averij wordt alsdan praktisch herleid tot een averij aan het schip en de schipper draagt de gevolgen van zijn (bewezen) fout. Het principe zelf van de mogelijkheid tot het instellen van een dergelijke terugvordering wordt in se niet betwist door geïntimeerden. Evenwel stellen geïntimeerden dat een fout in hoofde van de schipper niet bewezen wordt. C.2 Appellanten geven in conclusie aan dat de oorzaak van de schade tot een foutieve belading van het ms. LE PROGRES terug te leiden is waartegen de schipper, op wie een toezichtverplichting rust, zich niet heeft verzet (conclusie d.d. 29 december 2006, p.2 II. § 1 en p.6 n° 5.c). Aldus gesteld wordt de schipper een inbreuk verweten op art. 8 van de wet op de rivierbevrachting d.d. 5 mei 1936 (WRB). Hoger onder IV. 4 en 5 werd aangegeven dat de schipper averij- grosse verklaarde. In het compromis werd voorzien in een tussenkomst van het college van dispacheurs te Antwerpen en in een in der minne aanstelling van experts. Er werd overeengekomen dat ‘de H.H. Dispacheurs ... aangesteld (werden) krachtens de art. 163 en 164 Z.W. ... en partijen het recht hebben om het reglement aan het gerecht te laten onderwerpen'. Met andere woorden de opdracht van de dispacheurs was terzake beperkt tot het opstellen van een deskundig verslag waarin de uitgaven en de schadeposten worden opgenomen die onder de noemer van de averij-grosse vallen en waarin een ontwerp van omslag wordt gemaakt (dragende en betalende massa). Het was in casu niet de taak van de dispacheurs om de oorzaak van de schade op een tegensprekelijke wijze vast te (laten) stellen. In het averij-grosse verslag d.d. 28 februari 1977, opgesteld door de heren experts HENDERICKX (lading) en CALLENS (schip), werd geen verslag gedaan omtrent de oorzaak van de gebeurtenis (stuk 2 bundel geïntimeerde). In het hoger sub IV.5 vermelde verslag/reglement van de dispacheurs d.d. 16 augustus 1977 werd wel een deelverslag opgenomen, met name dat van de heer HENDERICKX (J. van HAVRE) d.d. 1 juli 1977 (p. 6 tot en met 9). Deze expert stelde dit rapport op ten behoeve van zijn Chileense opdrachtgever M (stukken 13 en 14 bundel appellanten). Hoewel dit deelrapport melding maakt van vaststellingen ‘tezamen' met de heer C. (schip) en de heer D. (de stouwer) in verband met de oorzaak van het gebeuren is er, bij gebreke aan gemeenschappelijk ondertekend verslag, enkel sprake van een eenzijdig door HENDERICKX (J. van HAVRE) opgesteld rapport, waarvan niet wordt aangetoond dat de bevindingen mede-onderschreven werden door zijn collega's CALLENS of DAELEMANS. Het rapport werd trouwens opgesteld ‘zonder nadelige erkenning wat de rechten van de opdrachtgevers (= appellanten) betreft' (stuk 13 in fine). Deze formulering wijst evenmin op het beweerd tegensprekelijke karakter van dit rapport ad hoc. Overigens zijn er geen bevindingen terug te vinden in het verslag van 15 februari 1977, klaarblijkelijk opgesteld door de heren CALLENS, HENDERICKX en DAELEMANS, tevens geciteerd in het reglement van de dispacheurs voormeld op pagina 10 en
- Besluitend kan hier gesteld worden dat appellanten hun bevindingen steunen op een eenzijdig verslag uitgaande van J. van HAVRE / HENDERICKX d.d. 1 juli
- C.3 Hoewel het rapport HENDERICKX / J. van HAVRE d.d. 1 juli 1977 eenzijdig is te noemen, is het daarom niet zonder bewijswaarde. In het desbetreffend rapport houdt expert HENDERICKX voor dat "het uitzicht van de breuk/scheur uitwijst dat hij/zij veroorzaakt werd door een te hoge spanning in de platen. Die spanning werd toegeschreven aan een te hoog buigmoment van de romp ... de 190 ton goederen waren deels in het voorschip, deels in het achterschip geladen, zonder lading in het midden ... de oorzaak van de schade is toe te schrijven aan een gebrekkige gewichtsverdeling van de goederen tijdens de laadverrichtingen" (stuk 13 bundel appellanten p.5 § 3). Het Hof merkt op dat er geen meetgegevens zijn opgenomen in het verslag HENDERICKX, zodat het beweerde inzake het te hoge buigmoment van de romp, dan wel de gebrekkige gewichtsverdeling van de lading op niet geobjectiveerde gegevens berust. Geïntimeerden wijzen erop dat de scheur die werd vastgesteld in de romp overlangs (in de lengterichting) was en een scheur, volgens haar bewering, die voortspruit uit lengtespanningen, zich in de dwarse richting zou hebben gemanifesteerd. De bewering dat het om een scheur in de lengterichting gaat wordt ondersteund door de stouwer, zoals blijkt uit een verslag van de stouwer aan BEST & OSTERRIETH, die zulks mededeelde per schrijven van 21 maart 1977 aan METALLURGIE (stuk 18 bundel appellanten). De niet-geobjectiveerde stelling van appellanten inzake het te hoog buigmoment en de gebrekkige gewichtsverdeling wint door de bovengenoemde en evenmin geobjectiveerde stelling van geïntimeerden niet bepaald aan geloofwaardigheid. Een scheur in de lengterichting kan, volgens geïntimeerden, enkel veroorzaakt zijn door op- en neerwaartse bewegingen, zoals een brutale belading. Dit is mogelijk, maar evenmin zeker en afdoend aangetoond. Een gebrek aan toezicht bij de belading is bijgevolg evenmin plausibel, laat staan bewezen. Dat de ouderdom van de in 1910 te Baasrode gebouwde lichter en/of het gebruikte plaatstaal van de romp van de lichter aan de basis van de scheur zou liggen is evenmin bewezen. Op basis van de aan het Hof voorgelegde stukken kan niet met enige redelijke zekerheid afgeleid worden dat de oorzaak van de schade toerekenbaar is aan een fout van de schipper. Een gebrek aan toezicht op de belading door de schipper is evenmin bewezen. Besluit De ladingbelanghebbenden falen in het door hen te leveren bewijs. De vordering in terugbetaling van de bijdrage ten laste van de schipper is ongegrond. Het vonnis a quo wordt hervormd in die zin dat de hoofdvordering niet uitgedoofd wordt verklaard door verjaring, doch wel ongegrond. * OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni
- Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond in de hierna bepaalde mate. Geeft akte aan geïntimeerden sub 1 en 2 dat zij als rechthebbenden bij het ms. LE PROGRES het geding rechtmatig voeren. Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat appellanten solidair veroordeeld werden om aan geïntimeerden te betalen de som van 130.875 BEF, thans 3.244,30 EUR, te verhogen met de vergoedende intresten aan wettelijke intrestvoet vanaf 24 januari 1977 tot 28 maart 1978, en van dan af met de gerechtelijke intresten aan wettelijke intrestvoet, met die bijkomende specificatie dat volgens conclusie d.d. 27 februari 2007 de geactualiseerde vordering per 27 februari 2007 11.299,08 EUR bedraagt, zo in hoofdsom en intresten, en in de mate dat appellanten veroordeeld werden in de kosten, aan de zijde van geïntimeerden begroot op 8.700 BEF, thans 215,66 EUR. Hervormt het bestreden vonnis in de mate dat voor recht werd gezegd dat de hoofdvorderingen ingesteld door appellante bij dagvaardingen van 20 januari 1978 en 2 februari 1978 verjaard zijn, zegt thans voor recht dat deze vorderingen ongegrond zijn. Verwijst appellanten in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden vereffend op 186,00 EUR rolrecht in verband met het herinschrijven op de rol en 456,12 EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van TWAALF MAART TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. DE BAETS Wnd. Voorzitter-Raadsheer Mevrouw A. PEETERS Raadsheer Mevrouw B. PONET Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover de heer Raadsheer D. VAN OVERLOOP, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat wettig verhinderd zijnde, vervangen door mevrouw de Raadsheer B. PONET, hiertoe aangewezen overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij bevelschrift van de Heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van heden. PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070312.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div