id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070329.4 Rolnummer: 1176 p 2005 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-22 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 15:29 Fiche Een arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat oordeelt over een hoger beroep ingesteld door een derde tegen een afwijzende beschikking van de onderzoeksrechter over een verzoek ex artikel 61quater van het wetboek van strafvordering is een verjaringstuitende daad van onderzoek in de zin van artikel 22 V.T.Sv. Een proces-verbaal waarin een bevoegd opsporingsambtenaar melding maakt van de neerlegging van een in beslag genomen voorwerp is een verjaringstuitende daad van onderzoek in de zin van artikel 22 V.T.Sv., ook als die neerlegging meerdere jaren na het beslag geschiedt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Verjaring - Stuiting Vrije woorden: Strafvordering - Verjaring - Stuiting - Daden van onderzoek en vervolging Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 22 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, Te Antwerpen, negende kamer [...] 3.2. De stuiting van de verjaring van de strafvordering
- a)De eerste verjaringstermijn van de strafvordering liep derhalve tot 30 oktober 2001 en te onderzoeken is welke de laatste nuttige stuitende daad is die werd gesteld in die periode. b1) In de vordering tot regeling der rechtspleging (st. 1704 - HK 4/5) werd aangegeven dat er met het navolgend proces-verbaal nr. 110772-01 d.d. 29 oktober 2001 een daad van onderzoek of vervolging en derhalve van stuiting werd gesteld. Dit proces-verbaal (st. 1673-1674 - HK 4/5) werd opgesteld door officieren van gerechtelijke politie n.a.v. het ontvangen van een schrijven van de KBC en had betrekking op het geblokkeerd zijn van de bankrekening van ANB INTERNATIONAL NV. Hoewel in de aanhef van dit proces-verbaal melding werd gemaakt van het dossier nr. 27/96 van Onderzoeksrechter F. CAMBERLAIN te Antwerpen werd het origineel niet aan hem doch wel aan de procureur des Konings W. VERHAEGEN toegezonden (st. 1674 - HK 4/5). Uit het proces-verbaal is af te leiden dat de blokkering van voormelde rekening werd verricht in het kader van de uitvoering van een Zwitsers rechtshulpverzoek en werd door de verbalisanten gesuggereerd om de geblokkeerde gelden over te hevelen naar het gerechtelijk onderzoek nr. 27/96 van Onderzoeksrechter F. CAMBERLAIN. b2) Omtrent het al dan niet stuitend karakter van dit proces-verbaal werden door de beklaagden in besluiten voor de eerste rechter (st. 1725-1726 - HK 4/5) geen opmerkingen geformuleerd. De eerste rechter heeft met het bestreden vonnis d.d. 20 oktober 2005 (st. 1728 - HK 4/5) deze daad impliciet als stuiting van de verjaring van de strafvordering aangenomen. Er werd in het bestreden vonnis in elk geval geen melding gemaakt van enige andere daad van stuiting van de verjaring of van enige schorsing. b3) Het Openbaar Ministerie voor dit Hof en de beklaagden zijn het er over eens dat dit proces-verbaal d.d. 29 oktober 2001 geen daad van onderzoek of vervolging is in de zin van artikel 22 van de voorafgaande titel bij het wetboek van strafvordering (V.T. Sv.). Door het Openbaar Ministerie bij dit Hof worden de volgende akten aangeduid als daden van onderzoek die de verjaring van de strafvordering hebben gestuit: het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van dit Hof d.d. 12 oktober 2001 (st. 26/10-12 onderkaft D4 - HK 3/5) waarbij werd geoordeeld over een hoger beroep d.d. 14 juni 2001 ingesteld door A.S. (st. 25 onderkaft D4 - HK 3/5) tegen een afwijzende beschikking van Onderzoeksrechter F. CAMBERLAIN d.d. 30 mei 2001 omtrent een verzoek ex artikel 61 quater van het wetboek van strafvordering tot vrijgave van inbeslaggenomen goederen (st. 21-24 onderkaft D4 - HK 3/5) ; het proces-verbaal 100049/01 d.d. 3 januari 2001 opgesteld door twee officieren van gerechtelijke politie waarbij wordt gemeld dat nog in hun bezit zijnde in beslag genomen waarden werden neergelegd ter griffie (st. 1666-1668 - HK 4/5). Het betrof waarden die op 6 november 1996 in beslag waren genomen tijdens een huiszoeking in het appartement van de beklaagde B.(st. 1665 - HK 4/5). b4) De beklaagden houden voor dat noch het voormeld procesverbaal d.d. 29 oktober 2001 noch de door het Openbaar Ministerie bij dit Hof aangeduide akten daden van onderzoek zijn die de verjaring van de strafvordering kunnen stuiten. Zij zijn van oordeel dat de beschikking tot mededeling d.d. 12 april 2000 de laatste nuttige daad van stuiting is. c1) Op 18 januari 1996 werd door de procureur des Konings te Antwerpen lastens B.B. een gerechtelijk onderzoek gevoegd wegens heling (witwassen) (st. 27 - HK 1/5). In het bijgevoegde aanvankelijk proces-verbaal d.d. 11 januari 1996 dat onder meer melding maakt van A.S. als betrokkene, wordt uiteengezet dat B.B. via diverse internationale vennootschappen gelden zou witwassen. Er wordt daarbij melding gemaakt van de NV TRANS RESOURCES met A.S. als zaakvoerder. Op een aan A.S. toebehorend telefoonnummer zou B.B. kunnen worden gecontacteerd (st. 1-26 - HK 1/5). c2) Op 6 november 1996 wordt op de zetel van de vennootschap waarvan A.S. zaakvoerder is een huiszoeking uitgevoerd (st. 231-234 - HK 1/5). Op 7 november 1996 werd opnieuw een huiszoeking uitgevoerd (st. 248-259 - HK 1/5). c3) Op 6 november 1996 werd ook een huiszoeking uitgevoerd in het appartement gelegen te A. betrokken door B.B.. Daarbij werden diverse voorwerpen in beslag genomen (st. 239-247 - HK 1/5). Deze huiszoeking werd bevolen door de Onderzoeksrechter bij beschikking d.d. 31 januari 1996 waarbij tevens werd opgedragen "alle voorwerpen en bescheiden dienstig voor het onderzoek in beslag te nemen" en "de in beslag genomen voorwerpen op de griffie van deze rechtbank neer te leggen" (st. 238 - HK 1/5). c4) Dezelfde dag werd ook een huiszoeking uitgevoerd in het appartement betrokken door A.S. waarbij bepaalde zaken worden in beslag genomen (st. 260-266 - HK 1/5). De informatie m.b.t. A.S. wordt weergegeven in een syntheseproces-verbaal d.d. 28 juli 1997 (st. 1245-1246 - HK 4/5). c5) Op 21 juni 2002 vorderde de procureur des Konings de verwijzing van A.S. naar de correctionele rechtbank wegens witwasinbreuken (tenlasteleggingen C.III) (st. 1694-1705 - HK 4/5). Bij beschikking van de raadkamer d.d. 4 december 2002 werd geoordeeld dat er geen reden was tot vervolging (st. 1693 _ HK 4/5). d1) De verjaring van de strafvordering wordt bij toepassing van artikel 22 V.T. Sv. gestuit door daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn. d2) Een daad van vervolging is elke daad van een bevoegd persoon waardoor de strafvordering wordt ingesteld of verder uitgeoefend. Noch het proces-verbaal d.d. 29 oktober 2001 noch de twee door het Openbaar Ministerie bij dit Hof aangeduide akten zijn daden van vervolging verricht door of in opdracht van het Openbaar Ministerie, aangezien met deze handelingen niet werd beoogd de strafvordering uit te oefenen of verder te zetten. d3) Een daad van onderzoek is elke daad gesteld door een bevoegd persoon die ertoe strekt gegevens te verzamelen om het strafdossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen. Dit begrip is geenszins strikt te interpreteren. Het is dus niet juist, zoals nochtans wordt betoogd door de beklaagde S. (eerste beroepsbesluiten, p. 2) dat er slechts sprake is van een daad van onderzoek indien die werkelijk kan bijdragen tot de beslissing van de bodemrechter. Het karakter van daad van onderzoek in de zin van artikel 22 V.T. Sv. kan niet afhangen van de relevantie die de bodemrechter en of partijen aan bepaalde handelingen menen te moeten geven. Ook handelingen die niet rechtstreeks bijdragen tot de bewijsvoering maar er enkel op gericht zijn de zaak in staat te stellen - bijv. beslissingen van het onderzoeks- of vonnisgerecht om de behandeling van de zaak uit te stellen - zijn wel degelijk stuitende daden van onderzoek. d4) De omstandigheid dat een bepaalde daad zich zou situeren na de beschikking tot mededeling is voor het bepalen van het karakter van daad van onderzoek irrelevant. De andersluidende stelling van de beklaagden B. en B. (beroepsbesluiten, p. 4, 5 en 7) is als onjuist te verwerpen. Ook beweerdelijk laattijdig gestelde daden van onderzoek zijn daden van onderzoek. d5) Een daad van stuiting werkt in rem. Hij geldt voor alle mededaders en medeplichtigen van hetzelfde misdrijf, al waren zij in feite vreemd aan de daad van onderzoek en al worden ze pas later en zelfs afzonderlijk vervolgd. De verjaringstuitende kracht van een daad van onderzoek strekt zich ook uit tot de samenhangende feiten.
- e)De in de vordering tot regeling der rechtspleging (st. 1704 - HK 4/5) vermelde daad van stuiting d.d. 29 oktober 2001, die door de eerste rechter werd aangenomen, is naar het oordeel van dit Hof geen daad van onderzoek in de zin van artikel 22 V.T. Sv. omdat dit proces-verbaal nr. 110772-01 gelet op de inhoud ervan er niet toe strekte het dossier op een zo volledig mogelijke manier samen te stellen of de zaak in staat te stellen. f1) Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling d.d. 12 oktober 2001 waarbij werd geoordeeld over een hoger beroep ingesteld door A.S. tegen een afwijzende beschikking van de Onderzoeksrechter omtrent een verzoek ex artikel 61 quater Sv. tot vrijgave van inbeslaggenomen goederen is naar het oordeel van het Hof wel degelijk een daad van onderzoek in de zin van artikel 22 V.T. Sv. f2) Het verzoek tot teruggave had immers betrekking op goederen die in het kader van het gerechtelijk onderzoek naar witwassen waren in beslag genomen. Deze goederen kunnen relevant zijn voor de waarheidsvinding en bij een vervolging het voorwerp uitmaken van een verbeurdverklaringsbeslissing. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling is wel degelijk een handeling van een bevoegd orgaan die ertoe strekt het strafdossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen. Er valt niet in te zien hoe een zaak in staat van wijzen zou kunnen zijn zonder dat een verzoek ex artikel 61 quater Sv. - of enig andere Franchimont-procedure - zou zijn afgehandeld. f3) De omstandigheid dat het verzoek uitging van een persoon die uiteindelijk door het onderzoeksgerecht niet werd verwezen naar het vonnisgerecht doet daar geen afbreuk aan. Ten onrechte bestempelen de beklaagden A.S. als een derde. Hoewel deze niet met naam werd vermeld in de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek en hij uiteindelijk door de raadkamer buiten vervolging werd gesteld valt niet te ontkennen dat er tussen de feiten waarvoor de procureur des Konings de verwijzing vorderde van A.S. en de feiten waarvoor de beklaagden B., S. en B. thans terecht staan een intrinsieke samenhang bestond. De verwijzing die de beklaagden B. en B. (beroepsbesluiten, p. 4-5) menen te kunnen maken naar het cassatiearrest van 16 december 1986 is dan ook niet pertinent nu zulks betrekking had op een ander feitenconstellatie. f4) Daar waar aan te nemen is dat handelingen van een verdachte of een beklaagde zelf niet stuitend zijn, geldt zulks vanzelfsprekend niet voor vorderingen of beslissingen die door bevoegde personen worden genomen omtrent of als gevolg van deze handelingen, zoals in dit geval het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling.
- g)Volledigheidshalve wil het Hof nog opmerken dat ook het procesverbaal 100049/01 d.d. 3 januari 2001 een daad van onderzoek is in de zin van artikel 22 V.T. Sv. die stuitend werkt. Dit proces-verbaal werd immers opgesteld door bevoegde opsporingsambtenaren teneinde de Onderzoeksrechter in te lichten over de neerlegging ter griffie van in beslag genomen voorwerpen. Die neerlegging was hen opgedragen bij de beschikking tot huiszoeking d.d. 31 januari 1996. Dat die neerlegging laattijdig geschiedde belet niet dat door het opstellen van het proces-verbaal de opsporingsambtenaren een handeling stelden om het strafdossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te stellen. De neerlegging ter griffie van in beslag genomen voorwerpen behoort daartoe. Het is zonder belang dat voor het desgevallend bevelen van de bijzondere verbeurdverklaring van deze goederen deze neerlegging niet noodzakelijk is. Er is niet de minste aanwijzing dat door de laattijdige neerlegging het recht van verdediging van de beklaagden zou zijn geschonden of dat de opsporings- of vervolgende instanties zich deloyaal zouden hebben gedragen. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070329.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div