id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070426.13 Rolnummer: 58 AGA 2006 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-11 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-02 15:35 Fiche
- De aangehouden bepalingen zijn afdoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar, zodat eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag stelt, en in casu de aan beklaagde verweten gedragingen, zoals aangehouden in de akte van aanhangigmaking, hetzij de aan beklaagden betekende dagvaarding, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is.
- Uit de onderzoeksgegevens van het strafdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel niet gebleken dat de betreffende misdrijven zijn gevolgd uit opzettelijk binnen de rechtspersoon van deze beiden beklaagden genomen beslissingen. Evenmin is enige nalatigheid op het niveau van de rechtspersoon in causaal verband met deze misdrijven bewezen. De betrokken rechtspersonen hebben dan ook enkel en alleen kunnen handelen en gehandeld door de natuurlijke personen die dienaangaande de nodige macht en bevoegdheid hadden.
- Derde beklaagde is wel onvoorzichtig geweest door de arbeiders die in zijn ploeg werkten te verbieden de betrokken bekistingspanalen te vernagelen en door aldus toe te laten dat zich op deze niet of niet afdoende verankerde panelen arbeiders bevonden. De arbeiders bevonden zich aldus op een onstabiel platform, ongeveer zeven meter boven de begane grond. Een dergelijke toestand is op zichzelf zeer gevaarlijk en creëerde niet beheersbare risico's op ongevallen met dodelijk afloop, nu er zeven meter boven de begane grond werd gewerkt. Deze gedragingen maken een onvoorzichtigheid of gebrek aan voorzorg uit zoals bedoeld in de artikelen 418 en 419 van het Strafwetboek. Het is eveneens bewezen dat deze gedragingen de dood van het slachtoffer mede hebben veroorzaakt. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Legaliteit STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Strafrechtelijke aansprakelijkheid - Rechtspersoon STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Onopzettelijke doding en slagen Vrije woorden:
- Strafrecht - Algemene beginselen - Legaliteit
- Strafrecht - Strafrechtelijke aansprakelijkheid - Rechtspersoon
- Strafrecht - Misdrijven - Misdrijven tegen personen - Onopzettelijke doding Wettelijke bepalingen: Grondwet 1831 - 12 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 5 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 418 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 419 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, Te Antwerpen, veertiende kamer, [...]
- Derde beklaagde concludeert met betrekking tot de tenlastelegging A "dat hij niet kan worden veroordeeld voor de miskenning van de genoemde tenlastelegging" omdat "de bepalingen waarop de tenlastelegging A is gebaseerd, ... geen voldoende nauwkeurige inhoud (hebben) om te voldoen aan het legaliteitsbeginsel" (conclusies blz. 4 en 5). Eerste beklaagde concludeert eveneens tot de schending van het legaliteitsbeginsel. Het Hof stelt vast dat beklaagden te dezen niet worden vervolgd voor inbreuken op het artikel 5 §1 eerste en tweede lid, i van de Welzijnswet Werknemers, zoals strafbaar gesteld door artikel 81 van dezelfde wet. Deze bepalingen zijn immers in strijd met de Grondwet bevonden door het Arbitragehof bij arrest van 10 mei 2006 (rolnummer 71/2006). De terzake door deze beklaagde gemaakte overwegingen missen dan ook een feitelijke grondslag. Voor het overige zijn de aangehouden bepalingen afdoende nauwkeurig, duidelijk en voorspelbaar, zodat eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag stelt, en in casu de aan beklaagde verweten gedragingen, zoals aangehouden in de akte van aanhangigmaking, hetzij de aan beklaagden betekende dagvaarding, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Anders dan eerste en derde beklaagden stellen is het legaliteitsbeginsel in deze niet geschonden. Derde beklaagde stelt verder ook feitelijk onjuist dat hij te dezen zou worden vervolgd omdat hij werfleider was (conclusies blz. 6 bovenaan). De verweten gedragingen worden in de dagvaarding opgesomd. De strafvordering is voor het overige ontvankelijk. De verjaring werd regelmatig en rechtsgeldig gestuit door de uitspraak van het bestreden vonnis ter terechtzitting van de correctionele rechtbank te Turnhout op 4 september
- Wijlen de heer A.K. was op 20 februari 2002 het slachtoffer van een arbeidsongeval op een werf van tweede beklaagde, waarvan de afgevaardigde bestuurder eerste beklaagde is. Op deze werf was derde beklaagde werfleider. Het gevoerde onderzoek heeft de oorzaak van dit arbeidsongeval kunnen vastleggen. Het is met name bewezen -en overigens nauwelijks betwist- dat het slachtoffer ten val is gekomen en ongeveer zeven meter naar beneden is gevallen, met zijn overlijden als gevolg, doordat bekistingspanelen niet of niet afdoende waren verankerd. Het slachtoffer is immers over een balkje op de betrokken panelen gesprongen en is uitgegleden. De panelen zijn daardoor verschoven, waardoor een opening is vrijgekomen. Het slachtoffer is door deze opening gevallen en zeven meter lager op de begane grond terechtgekomen (zie conclusies voor derde beklaagde, blz. 2 bovenaan; conclusies voor eerste beklaagde blz. 1 en 2 en de conclusies voor tweede beklaagde blz. 2 en 3). Het staat dan ook op grond van de voorliggende onderzoeksgegevens onomstootbaar vast dat het slachtoffer geen zeven meter naar beneden zou zijn gevallen indien de bekistingspanelen, waarop hij terecht was gekomen, verankerd waren geweest. Zijn overlijden werd dan ook mede veroorzaakt door het niet verankerd zijn van de betrokken panelen.
- Eerste en tweede beklaagden zijn vennootschappen: eerste beklaagde is de zaakvoerder van tweede beklaagde. Laatstgenoemde is de werkgever van derde beklaagde. Hij is de enige natuurlijke persoon die in deze werd gedagvaard. Een natuurlijke persoon die in deze gehandeld heeft voor en namens eerste beklaagde werd niet mede betrokken in onderhavige strafzaak. Uit de onderzoeksgegevens van het strafdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is evenwel niet gebleken dat de betreffende misdrijven zijn gevolgd uit opzettelijk binnen de rechtspersoon van deze beiden beklaagden genomen beslissingen. Evenmin is enige nalatigheid op het niveau van de rechtspersoon in causaal verband met deze misdrijven bewezen. De betrokken rechtspersonen hebben dan ook enkel en alleen kunnen handelen en gehandeld door de natuurlijke personen die dienaangaande de nodige macht en bevoegdheid hadden. Er wordt weliswaar vastgesteld dat "de coördinatoren ...van bekistingswerken geen specifiek veiligheidsplan met in begrip van een risicoanalyse hebben ontvangen van de aannemer" en "De werkwijze hoe de panelen van de vloerbekisting dienden vastgemaakt werd dan ook niet vooraf besproken met de hoofdaannemer of op een veiligheidsvergadering" (stuk 21 van de kaft processtukken van het strafdossier). Deze vaststellingen, zo de daardoor vastgestelde tekortkomingen als bewezen dienen te worden aangenomen, laten niet toe de sub A van de dagvaarding opgesomde gedragingen toe te rekenen aan de beide hoger genoemde vennootschappen. De ten laste van deze beide beklaagden gelegde misdrijven kunnen hun niet worden toegerekend. Zij worden dan ook van het hun ten laste gelegde vrijgesproken. Artikel 5, lid 2 van het Strafwetboek is in casu dan ook niet relevant en derhalve niet van toepassing.
- Ook derde beklaagde kan als aangestelde van tweede beklaagde niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de sub A opgesomde inbreuken, zo deze bewezen zouden zijn. Deze beklaagde is weliswaar werfleider, met enig gezag, doch beschikte niet over de macht en de bevoegdheid om terzake de wet te laten naleven. Het Hof dient immers ook vast te stellen dat er onder meer een veiligheidscoördinator was aangesteld door tweede beklaagde.
- Derde beklaagde is wel onvoorzichtig geweest door de arbeiders die in zijn ploeg werkten te verbieden de betrokken bekistingspanalen te vernagelen en door aldus toe te laten dat zich op deze niet of niet afdoende verankerde panelen arbeiders bevonden. De arbeiders bevonden zich aldus op een onstabiel platform, ongeveer zeven meter boven de begane grond. Een dergelijke toestand is op zichzelf zeer gevaarlijk en creëerde niet beheersbare risico's op ongevallen met dodelijk afloop, nu er zeven meter boven de begane grond werd gewerkt. De onderscheiden getuigenverklaringen, zowel deze zich bevindend in het bundel van tweede beklaagde en die werden afgenomen in een burgerrechtelijke procedure voor het Arbeidshof als deze die werden afgelegd in het strafonderzoek, bewijzen genoegzaam dat beklaagde A. J. deze gedragingen heeft gesteld. De door derde beklaagde gemaakte beoordeling van deze getuigenverklaringen overtuigen het Hof niet. Deze gedragingen maken een onvoorzichtigheid of gebrek aan voorzorg uit zoals bedoeld in de artikelen 418 en 419 van het Strafwetboek. Het is eveneens bewezen dat deze gedragingen de dood van het slachtoffer mede hebben veroorzaakt. De schuld van deze beklaagde aan de hem sub B ten laste gelegde feiten is dan ook bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Dat beklaagde niet verantwoordelijk was voor het veiligheidsbeleid of voor de inzet van de bekistingsmiddelen of voor de gekozen methodiek is niet relevant. Beklaagde was wel belast met de uitvoering van de werken en had daartoe, als werfleider, een aantal arbeiders onder zijn leiding. Hij diende aan deze arbeiders instructies te geven. Het is in deze fase dat deze beklaagde een onvoorzichtigheid heeft begaan dan wel een gebrek aan voorzorg heeft betoond door toch toe te laten dat de arbeiders onder zijn leiding zich bevonden op de betrokken bekistingspanelen, terwijl deze niet afdoende stabiel waren, nu hij immers zelf opdracht had gegeven ze niet te vernagelen, zonder er zich van te vergewissen, dat bij afwezigheid van vernageling toch voldoende stabiliteit werd verzekerd. De door deze beklaagde in zijn conclusies op bladzijden 6, 7 en 8 gemaakte overwegingen missen dan ook elke grondslag: de eventuele afwezigheid van een veiligheidsplan in verband met het plaatsen van de bekisting, met inbegrip van de verankering van de betrokken panelen, kan zijn fout niet wegnemen. Geen feiten die deze ten laste van beklaagde aangehouden fout zouden kunnen rechtvaardigen of verschonen zijn bewezen. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070426.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.