← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070523.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070523.10 Rolnummer: 1315 p 2005 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-07-03 21:46 Fiche

  1. Het geheel van de bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften hebben illegale vermogensvoordelen opgeleverd, bestaande uit het creëren van fictieve geldstromen en boekhoudkundig niet gekende goederenvoorraden, die bovendien dienstig kunnen zijn in een witwasoperatie.
  2. Het is niet passend en niet billijk de tenuitvoerlegging van de bijzondere verbeurdverklaring uit te stellen. Beklaagden kunnen te dezen niet na afloop van de in voorkomend geval op te leggen proeftijd in het bezit worden gelaten van de onrechtmatige voordelen die zij gecreëerd hebben door de misdrijven waaraan zij schuldig worden bevonden. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Verbeurdverklaring STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid - In geschriften STRAFRECHT - PROBATIEWET - Uitstel Vrije woorden:
  3. Valsheid in geschriften - bedrieglijk opzet - fictieve geldstromen en boekhoudkundig niet gekende voorraad - Illegaal vermogensvoordeel - mogelijkheid tot witwas
  4. Uitstel - verbeurdverklaring van illegale vermogensvoordelen - niet passend Nota: Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van 13 november 2007, P.07.0929.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.6 (cfr. verbonden beslissing) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, veertiende kamer (...) V. Preciseringen en verbeteringen van de ten laste gelegde feiten en hun omschrijvingen.
  5. De in de zaken I en II thans nog voor het Hof hangende strafvorderingen zijn het resultaat van een langdurig en zeer uitgebreid strafonderzoek. Dit onderzoek is gesteund op een aantal vaststellingen gedaan door de bevoegde politionele overheden. Het beoogde een verband te leggen tussen de onderscheiden vastgestelde feiten -de, onder meer, zeer markante vaststelling dat op 13 juni 1997 schijnbaar voor 200.000.000,00 toenmalige Belgische franken aan diamanten werden verzonden naar het filiaal in Japan, terwijl de betrokken zending slechts steengruis bevatte- en de grote geldstromen van het filiaal in Japan naar het Belgische bedrijf. Met betrekking tot de redenen waarom bepaalde verrichtingen door de betrokken beklaagden als daders ofwel als mededaders werden verricht, werden de betrokkenen uitvoerig verhoord en hebben zij verklaringen afgelegd. Het onderzoek is er uiteraard op gericht geweest deze verklaringen van beklaagden voor deze, zoals beklaagden het in conclusie zelf noemen, merkwaardige gedragingen (conclusie voor beklaagden, pagina 13), te toetsen aan de werkelijkheid. Deze verklaringen zijn eveneens de bron van een deel van de door het strafonderzoek aan het licht gebrachte en thans ten laste gelegde feiten en feitelijke verbanden. Alvorens deze door beklaagden gegeven verklaringen met betrekking tot hun wijze van boekhouden kan worden beoordeeld, dient te worden nagegaan welke feiten en welke feitelijke verbanden, ter verklaring van deze feiten, aan de beoordeling van de strafrechter, en dus thans aan het Hof, werden voorgelegd.
  6. Het behoort aan de strafrechter ten gronde het bij hem aanhangig gemaakt feitencomplex, hetzij het geheel van gedragingen en hun onderlinge verbanden, juist te kwalificeren. Deze kwalificatie en dus interpretatie van de feiten mag evenwel het aanhangig gemaakt feitelijk kader niet te buiten gaan. Geen andere feiten dan de feiten waarvoor beklaagden worden vervolgd, kunnen worden beoordeeld. Evenmin kunnen kwalificaties en dus misdrijven die in eerste aanleg niet ter beoordeling voorlagen voor de eerste maal thans in graad van hoger beroep worden beoordeeld, tenzij ze het resultaat van een heromschrijving zijn. Het behoort dan ook aan de grondrechter vooreerst te bepalen en zo nodig te preciseren welk feitencomplex, zijnde bepaalde in de tijd en ruimte nauwkeurig te bepalen gedragingen en hun feitelijke samenhang, aanhangig werd gemaakt.
  7. De ten laste van de beklaagden aanhangig gemaakte feiten situeren zich hoofdzakelijk in de handelsrelatie tussen de Belgische B.V.B.A. D. en de Japanse firma T.. Laatst genoemde firma is volledig afhankelijk van eerst genoemde. Zij ontvangt van eerst genoemde diamanten in concessie met het oog op de verkoop ervan op, onder meer, de Japanse markt. In deze handelsrelatie, hetzij de wederzijdse goederen- en geldstromen tussen de beide firma's, wordt aan beklaagden verweten boekhoudkundig een realiteit te hebben geschapen die de werkelijke goederen- en geldstromen niet weergeeft. Daartoe werden in hoofdzaak facturen vervalst of werd gebruik gemaakt van een dubbele facturatie. Het betreft daarbij ofwel een aantal fictieve, en dus enkel op papier en in de boekhouding bestaande, goederen- en geldstromen ofwel ondergewaardeerde dan wel niet geboekte transacties. Aldus kunnen drie groepen van feiten worden onderscheiden, en met name twee groepen in de zaak I (in randnummers 10 tot en met 13) en één groep in de zaak II (randnummer 14). De feiten sub A.I.d en e, A.II,B. en D (zaak I).
  8. Het wordt beklaagden verweten van de vijfde tot en met dertiende oorspronkelijke beklaagden, die thans niet meer in zake zijn, op niet nader te bepalen data tussen 30 september 1994 en 1 oktober 1995 "in het zwart" diamanten te hebben aangekocht. Met name werden deze aankopen, respectievelijk verkopen, niet als dusdanig en dus naar werkelijkheid boekhoudkundig verwerkt (tenlasteleggingen B, zaak I). In de boekhouding van de B.V.B.A. D. werden de betalingen van deze aankopen geboekt als betalingen aan T., terwijl het in werkelijkheid betalingen aan de betrokken verkopers betrof (tenlasteleggingen A.II en A.I.d, zaak I). Bovendien wordt het naast deze feiten ook nog aan beklaagden verweten betalingen aan andere verkopers van diamanten niet te hebben geboekt als betalingen aan deze verkopers, maar als betalingen aan T. (tenlastelegging A.I.e, zaak I). Het gevolg van deze feiten, en met name de niet aangifte door de betrokken verkopers van de inkomsten uit deze "zwarte" verkopen, wordt eveneens aan beklaagden ten laste gelegd (tenlasteleggingen D, zaak I). Het wordt derhalve onder dit geheel van feiten aan beklaagden verweten, om als dader of mededader: - betalingen aan verkopers van diamanten te hebben geboekt als betalingen aan T., terwijl er uiteraard in werkelijkheid geen leveringen door T. aan B.V.B.A. D. geschiedden waarvoor betaling dient tussen te komen, nu het immers betalingen aan verkopers van diamanten betroffen, - verkopers te hebben geholpen de verkopen van diamanten niet als verkopen te boeken, zodat ook de opbrengsten van deze verkopen niet fiscaal werden aangegeven. Het staat ingevolge deze ten laste gelegde feiten wel vast dat het uiteraard eveneens aan beklaagden wordt ten laste gelegd een werkelijke voorraad van diamanten te hebben gecreëerd, die boekhoudkundig niet gekend was, en dit ten bedrage van 280.269.056,00 oude frank en van 207.553.206,00 oude frank. Het wordt aan beklaagden immers ook verweten "deze zwarte transacties verborgen te houden" (tenlastelegging A.II, zaak I). De feitelijke conclusies en verbanden die aan deze feiten van valsheden, zo ze bewezen zouden zijn, worden gekoppeld betreft het verborgen houden van de herkomst van de diamanten en van het feit van de verkoop, respectievelijk aankoop van deze diamanten, zodat uiteraard eveneens in deze feiten begrepen is het creëren van een niet gekende en dus "zwarte" voorraad diamanten. Het wordt evenwel aan beklaagden niet verweten de tegenoverstaande fictieve, hetzij enkel boekhoudkundig bestaande, geldstroom van Japan naar België te hebben gecreëerd, die zou kunnen aangewend worden als witwasconstructie. Het wordt aan beklaagden derhalve niet ten laste gelegd een witwasconstructie te hebben opgezet. Dit sluit uiteraard niet uit dat het hun bedoeling kan zijn geweest een witwasconstructie op te zetten dan wel wit te wassen.
  9. De feiten sub A.I.d en e dienen derhalve enkel te worden aangevuld met de bewoordingen "en aldus een werkelijke voorraad van diamanten te hebben gecreëerd, die boekhoudkundig niet gekend is". Voor het overige dienen deze feiten niet nader te worden gepreciseerd en werden ze bovendien juist omschreven.
  10. Het Hof herstelt de materiële vergissing in de tenlastelegging B en zegt dat dient gelezen "... met het bedrieglijk opzet belastingen op de inkomsten ..." in plaats van "met het bedrieglijk belastingen op de inkomsten ...". Feiten sub A.I.a, A.I.b, A.I.c.1 en 2, A.III en C (zaak I).
  11. De tweede groep feiten in de zaak I heeft betrekking op, enerzijds, het onderwaarderen van de leveringen van de B.V.B.A. D. aan T. en, anderzijds, op het overwaarderen ervan. Enerzijds wordt het aan beklaagden ten laste gelegd tot minstens 90% meer diamanten over te hebben gemaakt met het oog op verkoop aan T. dan uit de facturen en de boekhouding blijkt, en dit door onderfacturatie (tenlastelegging A.I.a, zaak I). Deze wijze van onderwaardering werd toegepast in een periode van 31 december 1992 tot 17 juni
  12. Nadien, en met name tussen 13 juni 1997 en 1 januari 1998, werd er van systeem veranderd en werden er dubbele facturen opgemaakt (tenlastelegging A.I.c.
  13. en c.2, zaak I). De aldus vermelde transacties hebben een waarde van in het totaal 208.074.998 oude Belgische franken en 7.193.599,6 US$. Anderzijds werden tussen 2 juni 1993 en 14 juni 1997 ook een aantal fictieve leveringen voor een waarde van 5.166.822.402 oude Belgische franken uitgevoerd naar T. (tenlastelegging A.1.b, zaak I). Het feitelijk verband dat tussen deze beide operaties wordt gelegd is het ontduiken van de in Japan verschuldigde verbruiksbelasting, welke opbrengst als illegaal wordt bestempeld en vervolgens zou zijn witgewassen (tenlastelegging C, zaak I). De aldus witgewassen vermogensvoordelen worden door het Openbaar Ministerie geraamd op 1.899.313,36 euro tussen 20 mei 1995 en 17 juni 1997 en op 310.503,41 US$ tussen 14 juni 1997 en 1 januari
  14. Tenslotte wordt ook aan beklaagden in het verkeer van T. naar B.V.B.A. D. verweten in een periode tussen 9 juli 1995 en 14 juni 1997 op papier documenten te hebben verzonden, terwijl in werkelijkheid diamanten, travellercheques en/of geld werden verstuurd. Hen wordt verweten deze valsheden te hebben gepleegd om goederen, en bedoeld wordt diamanten, in het "zwart" te kunnen verkopen, en dus over een voorraad boekhoudkundig niet gekende diamanten te kunnen beschikken (tenlastelegging A.III, zaak I). Geen feitelijk verband met de andere feiten wordt aan beklaagden ten laste gelegd. Het wordt derhalve onder dit geheel van feiten aan beklaagden verweten, om als dader of mededader: - meer diamanten te hebben geleverd aan T. in Japan dan volgens de facturen werden geleverd. - om de verschuldigde verbruiksbelasting in Japan te ontlopen. - deze aldus niet betaalde verbruiksbelastingen te hebben witgewassen. - diamanten, travellercheques en geld te hebben ingevoerd onder de mom van documenten, en dit om de controle van het Diamond Office te ontlopen om aldus te kunnen beschikken over "zwarte" diamanten. Enkel met betrekking tot deze feiten en deze feitelijke verbanden dienen beklaagden zich te verantwoorden: het wordt hen niet ten laste gelegd geldstromen naar België, die niet worden verantwoord door complementaire goederenstromen, te hebben gecreëerd en dus een witwasconstructie te hebben opgezet. Het wordt evenmin aan beklaagden ten laste gelegd om bepaalde goederen, en met name diamanten, sluiks te hebben ingevoerd. In dit verband wordt hen enkel verweten een "zwarte" voorraad van diamanten te hebben gecreëerd, waardoor een witwascircuit zou kunnen worden opgezet. Voor het louter opzetten van een witwassysteem en a fortiori voor het witwassen van geld of diamanten van een andere oorsprong, dan ontstaan ingevolge het ontduiken van de verbruiksbelasting in Japan, worden beklaagden niet vervolgd. Dit sluit evenwel niet uit dat het hun bedoeling kon zijn een witwasconstructie op te zetten.
  15. De feiten sub A.III dienen dan ook te worden aangevuld met de bewoordingen "en aldus een werkelijke voorraad van diamanten te hebben gecreëerd, die boekhoudkundig niet gekend is". De door de eerste rechter doorgevoerde precisering van de tenlasteleggingen A.I.a en A.I.c, met betrekking tot de omschrijving van het bedrieglijk opzet dient niet te worden aangehouden. Wel dient deze omschrijving ten aanzien van de tenlastelegging A.I.c te worden aangevuld met de woorden: "met het oogmerk om de verbruiksbelasting in Japan te ontduiken". Tenslotte dient de omschrijving van de feiten sub C te worden gepreciseerd door enkel de inbreuk op artikel 505 lid 1, 3° en met name: "zaken, bedoeld in artikel 42, 3° van het Strafwetboek te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen". De overige aangehouden omschrijvingen zijn niet van toepassing op de ten laste gelegde feiten. Voor het overige dienen deze feiten niet nader te worden gepreciseerd en werden ze bovendien juist omschreven. Feiten zaak II.
  16. Deze derde groep feiten betreft de vervalsing van de aanvragen tot uitvoervergunningen door de genoemde deskundigen van het Diamond Office, waardoor fictief grote hoeveelheden diamanten konden worden uitgevoerd naar T. in Japan. Om dit mogelijk te maken dienden deze deskundigen te worden omgekocht. Deze feiten zijn afdoende bepaald en werden juist omschreven, aangepast aan de actuele misdrijfomschrijvingen. VI. Schuldvraag. De feiten zaak I, sub A.I.d en e, A.II, B en D.
  17. De schuld van de vier beklaagden aan deze hen ten laste gelegde feiten, zoals thans aangehouden, is bewezen door het gevoerde strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Het verweer van beklaagden dat het de verkopers waren die geen facturen wensten, is niet geloofwaardig en volledig irrelevant. De wil van de verkopers in het "zwart" te handelen kan op geen enkele wijze de schuld van beklaagden aan deze hen ten laste gelegde misdrijven wegnemen. Bovendien is deze bewering van beklaagden zonder enige relevantie met betrekking tot de vaststelling dat de betalingen aan deze verkopers werden geboekt als betalingen aan de vestiging van de koper in Japan, en met name T.. Dat deze betalingen langs de officiële rekening van de B.V.B.A. D. liepen maakt precies een bestanddeel van het misdrijf, zoals thans aangehouden, uit. Dat een boeking nodig zou zijn geweest, zoals beklaagden voorhouden, is relatief. De aangekochte diamanten werden immers toch in het "zwart" uitgevoerd naar Japan. Dit verweer mist dan ook elke overtuigingskracht. Evenmin relevant is te dezen de verklaring van boekhouder G. H. alsmede diens vrijspraak. De tussenkomsten van beklaagden waren noodzakelijk: de oorspronkelijk medebeklaagden konden de hen sub A.II, B en D ten laste gelegde misdrijven niet plegen zonder de noodzakelijke medewerking van huidige beklaagden. Zij waren op de hoogte en zij hebben deze hen ten laste gelegde feiten gewild.
  18. Het is eveneens bewezen dat beklaagden uit deze bewezen verklaarde feiten een illegaal vermogensvoordeel hebben gehaald, en met name dat zij aldus de beschikking kregen over een boekhoudkundig niet gekende voorraad, die daardoor ook kon worden aangewend als onderdeel van een witwasconstructie. Dit vermogensvoordeel kan concreet worden berekend op de waarde van de fictief geboekte betalingen, zoals aangehouden in de tenlasteleggingen A.I.d en e. In de tenlasteleggingen B worden geen andere bedragen dan de aankoopbedragen vermeld en in de tenlasteleggingen D worden geen bedragen vermeld. Geen grond is dan ook aanwezig om terzake enkel te gewagen van onbepaalde bedragen, zoals beklaagden suggereren. Feiten zaak I, sub A.I.a, A.I.b, A.I.c.1 en 2, A.III en C.
  19. De door de Onderzoeksrechter aangestelde deskundige komt met betrekking tot de boekhouding over het boekjaar 1994-1995 en 1996 van de B.V.B.A. D., onder meer, tot de vaststelling dat er geen overeenstemming is tussen de betalingen van T. aan D. en de facturatie van D. aan T.. In deze vergelijking zijn de steengruiszendingen ten bedrage van ongeveer 5 miljard oude Belgische franken begrepen. Hij besluit verder ook dat er bovendien betalingen door D. aan T. werden uitgevoerd zonder dat hier leveringen tegenover staan (stukken 304, 307, 300-299 onderkaft verslagen van deskundigen, karton 11/18 van de drie samengevoegde dossiers). Op grond van het boekhoudkundig onderzoek is het bewezen dat beklaagden van T. meer geld transfereerden naar B.V.B.A. D. dan kan worden verantwoord door werkelijke en fictieve leveringen van goederen. Voor het kalenderjaar 1995 zou er aldus voor 100.000.000,00 oude Belgische franken naar B.V.B.A. D. zijn getransfereerd (stukken 304 onderkaft verslagen van deskundigen, karton 11/18 van de drie samengevoegde dossiers). Het is bovendien op grond van de voorliggende onderzoeksgegevens ook bewezen dat diamanten in het "zwart" werden ingekocht en in het "zwart" werden geleverd voor verkoop in Japan aan T., en dit om de in Japan verschuldigde verbruiksbelasting te ontduiken.
  20. Het is evenwel geenszins duidelijk geworden in de loop van het gevoerde strafonderzoek voor welke aandeel er in het "zwart" werd ingevoerd in Japan en welk de juiste omvang van de werkelijke handel in diamanten was (onder meer stukken 338-339 onderkaft verslagen van deskundigen, karton 11/18 van de drie samengevoegde dossiers). De terzake door, onder meer, beklaagden afgelegde verklaringen zijn niet geloofwaardig. Onder meer is het niet geloofwaardig en niet bewezen dat er tot 95% minder werd gefactureerd dan er werd verzonden. Het is evenmin duidelijk geworden wat steeds de oorsprong is geweest van de geldstromen van T. naar B.V.B.A. D. . Meer in bijzonder is het niet afdoende duidelijk geworden dat deze geldstromen steeds hun oorsprong vonden in de verkoop van diamanten en daardoor, onder meer deels de ontdoken verbruiksbelasting in Japan zouden omvatten. De overwegingen van beklaagden in verband met het werkelijk ontduiken van de verbruiksbelasting in Japan zijn dan ook niet relevant: het Hof acht immers dit feitelijk gegeven niet bewezen, behoudens in zoverre beklaagden natuurlijk wel de bedoeling hadden deze verbruiksbelasting te ontduiken.
  21. De stelling van beklaagden dat de fictieve zendingen (tenlastelegging A.I.b, zaak I) enkel dienden om de boekhouding te regulariseren nu de werkelijke zendingen van diamanten naar Japan werden ondergewaardeerd is dan ook slechts deels in overeenstemming met de werkelijkheid. Dit geldt te meer nu beklaagden toegeven diamanten in het "zwart" aan te hebben gekocht, zodat boekhoudkundig de stock al van bij de aanvang en vóór de uitvoer niet in overeenstemming met de werkelijkheid was. Het is inderdaad, anders dan beklaagden in hun conclusie (pagina 12) beweren en dan zij soms impliciet soms expliciet hebben verklaard, bewezen dat niet de aankopen doch enkel de betalingen aan de leveranciers als betalingen aan T. werden geboekt (stukken 304 onderkaft verslagen van deskundigen, karton 11/18 van de drie samengevoegde dossiers). Bovendien werden diamanten onder de mom van documenten terug ingevoerd in België, zodat opnieuw een "zwarte stock" ontstond. Er was dus geen noodzaak de boekhouding bij de werkelijkheid te doen aansluiten. Integendeel beklaagden beoogden precies een van de wekelijkheid afwijkende boekhoudkundige realiteit te scheppen. Het verder in conclusies uiteengezette relaas van de feiten is deels niet relevant, en onder meer dit deel dat betrekking heeft op mogelijke witwas, anders dan deze waarvoor ze worden vervolgd, en deels niet geloofwaardig. Het Hof mag niet vaststellen of de door beklaagden gegeven verklaringen een sluitende en waarachtige uitleg inhouden voor de merkwaardige wijze waarop beklaagden hun boekhouding opstelden en hun handel dreven. Zoals hoger reeds uiteengezet, is het Hof slechts van bepaalde fragmenten van dit door beklaagden in conclusies aangekaart feiten-geheel gevat. Deze fragmenten laten, anders dan beklaagden willen doen geloven, niet toe te concluderen dat enkel de correctie van de boekhouding werd beoogd. Om dezelfde redenen behoort het niet aan het Hof zich uit te spreken over de vraag of al dan niet de werkelijke opbrengst van de verkoop in Japan boekhoudkundig werd verwerkt en derhalve al dan niet werd aangegeven in de vennootschapsbelasting. De overweging van beklaagden dat ze niet werden vervolgd voor fraude inzake de vennootschapsbelasting is bijgevolg niet relevant. De materialiteit van de vervalsing wordt niet betwist. Met betrekking tot het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden volstaat het dat beklaagden met de vervalsing de bedoeling hadden de verbruiksbelasting in Japan te ontduiken. Beklaagden zijn niet geloofwaardig in hun latere verklaringen enkel de voorfinanciering van deze belasting te hebben willen ontlopen. Zij hebben er immers bewust op gerekend op deze wijze ook aan de afdracht van deze belasting te ontkomen, nu er immers nauwelijks werd gecontroleerd in Japan. Of er al dan niet effectief belasting werd ontdoken is niet relevant. Zoals beklaagden zelf aanduiden in hun conclusies (pagina 22) wordt met het bedrieglijk opzet enkel bedoeld iets wederrechtelijks te beogen. De overwegingen van beklaagden dat het niet bewezen is welk misdrijf beklaagden in Japan zouden hebben gepleegd zijn niet relevant. Onder verwijzing naar het hoger uiteengezette onder randnummer 6, overwegen beklaagden ten onrechte dat de betrokken vervalste facturen zich niet zouden hebben opgedrongen aan het openbaar vertrouwen.
  22. Aldus dient te worden vastgesteld dat de schuld van beklaagden aan de hen sub C ten laste gelegde feiten, zoals thans aangehouden, niet afdoende bewezen is. Het is niet aangetoond dat beklaagden ook effectief verbruiksbelasting hebben ontdoken in Japan en dat de betrokken in de tenlasteleggingen aangehouden vermogensvoordelen de aangeduide illegale herkomst hebben en als illegaal dienen te worden beschouwd. De schuld van beklaagden aan de hen sub A.I.a ten laste gelegde feiten is anderzijds wel bewezen, uitgezonderd de aangehouden mate waarin deze misdrijven werden gepleegd, en met name dat de onderfacturatie 90% of meer zou bedragen en dat een vermogensvoordeel van 4.173.027,47 euro zou zijn behaald. Het is slechts bewezen dat een niet nader te bepalen mate van onderfacturatie is doorgevoerd. En het is evenmin bewezen dat het vermelde vermogensvoordeel uit dit misdrijf zou zijn verkregen. De schuld van beklaagden aan de hen sub A.I.b ten laste gelegde feiten is eveneens bewezen, uitgezonderd het aangehouden bedrieglijk opzet, dat immers slechts bewezen is voorzover in een niet nader bepaalde mate de boekhouding van de B.V.B.A D. diende te worden geregulariseerd. De schuld van beklaagden aan de hen sub A.I.c ten laste gelegde feiten, zoals thans aangehouden, is eveneens bewezen, uitgezonderd het aangehouden bedrieglijk opzet voor zover dat betrekking heeft op het verworven illegaal voordeel en de witwas. De schuld van beklaagden aan de hen sub A.III ten laste gelegde en thans aangehouden feiten is aldus eveneens bewezen geworden door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Terzake worden overigens door beklaagden geen betwistingen gevoerd, anders dan deze die de ontvankelijkheid van de strafvordering uit hoofde van deze feiten betreffen en dan deze die ook met betrekking tot de andere ten laste gelegde feiten worden opgeworpen.
  23. Ook is het bewezen dat beklaagden door dit het geheel van deze bewezen verklaarde feiten van valsheid in geschriften erin geslaagd zijn een illegaal vermogensvoordeel te verwerven, bestaande uit een niet verantwoorde en dus fictieve betaling door T.. Bovendien hebben zij eveneens opnieuw beschikking gekregen over een boekhoudkundig niet gekende voorraad. Deze vermogensvoordelen konden worden aangewend als onderdeel van een witwasconstructie. Dit voordeel kan minstens reeds becijferd worden op 100.000.000,00 oude Belgische franken, zijnde het hoger vermelde bedrag dat naar de B.V.B.A. D. werd getransfereerd zonder enige verklaring (cfr. hoger randnummer 17). Feiten zaken II.
  24. De schuld van beklaagden M. S., H. S. en M. S. aan de hen in de tweede zaak (notitienummer AN25.35.104150-97) sub A ten laste gelegde feiten is bewezen gebleven door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van beklaagden M. S. en H. S. aan de hen in de tweede zaak (notitienummer AN25.35.104150-97) sub C ten laste gelegde feiten is bewezen gebleven door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van beklaagde M. S. aan dit feit is niet bewezen geworden. Hij wordt er derhalve van vrij gesproken. Deze beklaagden laten terzake geen betwistingen gelden. Het Hof verwijst naar de terzake op folio 63-64 van het bestreden vonnis door de eerste rechter ten aanzien van deze beklaagden aangehouden oordeelkundige redengeving. Deze motivering wordt hernomen. VII. Bestraffing - redelijke termijn.
  25. Terecht heeft de eerste rechter aangenomen dat te dezen de redelijke termijn is overschreden. De terzake door de eerste rechter ontwikkelde redengeving maakt het Hof tot de zijne. De gevolgen die aan het overschreden zijn van de redelijke termijn dienen gehecht te worden situeren zich op niveau van de bestraffing, in die zin dat het niet meer behoorlijk noch zinvol is aan beklaagden een gevangenisstraf en een geldboete op te leggen. Deze beoordeling is mede gebaseerd op een onderlinge afweging van, enerzijds, de zeer grote omvang en ernst van de bewezen verklaarde feiten, waardoor immers het economisch systeem, en in het bijzonder het handelsverkeer, en sociaal systeem aanzienlijk worden ontwricht en, anderzijds, het gunstige strafrechtelijk verleden van de beklaagden. Bij toepassing van artikel 21ter Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering wordt dan ook enkel de bijkomende straf van de bijzondere verbeurdverklaring, zoals hierna verder uiteengezet, opgelegd. Het blijft inderdaad gepast, niettegenstaande het overschreden zijn van de redelijke termijn, de vermogensvoordelen die beklaagden hebben genoten ingevolge de hen ten laste gelegde misdrijven verbeurd te verklaren, gelet, onder meer, op de ernst van de feiten. Deze bijkomende straf wordt ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten opgelegd: deze feiten zijn immers allen de voortgezette en voortdurende uiting van eenzelfde misdadig opzet.
  26. Thans vordert het Openbaar Ministerie dat in aanvulling op zijn schriftelijk in eerste aanleg genomen vordering (stuk 3.458, karton 17/18 van de drie samengevoegde dossiers) het facultatief te verbeuren vermogensvoordeel dient geraamd te worden op 781.642,00 euro, daarbij rekening houdend met zijn vaststelling dat het witgewassen vermogensvoordeel sinds 20 mei 1995 1.905.366,00 euro bedraagt. Het Openbaar Ministerie vordert eveneens uitdrukkelijk de verbeurdverklaring van de door in zijn nota aangeduide in beslaggenomen goederen. Onder verwijzing naar het hoger uiteengezette en, onder meer, de randnummers 17 en 22, dient te worden vastgesteld dat de ten laste van de beklaagden bewezen verklaarde misdrijven rechtstreeks aanzienlijke vermogensvoordelen hebben opgeleverd. Het betreft met name het creëren van fictieve geldstromen en goederenvoorraden, die bovendien dienstig kunnen zijn in een witwasoperatie. Deze vermogensvoordelen zijn niet meer aan te treffen in de onderscheiden vermogens van de beklaagden, zodat een verbeurdverklaring bij equivalent zich opdringt. Het is evenmin bewezen dat de ten laste van de onderscheiden beklaagden en ten laste van B.V.B.A D., die overigens thans failliet is verklaard, in beslaggenomen goederen in de plaats gesteld zijn van dit vermogensvoordeel. Bij toepassing van artikel 42.3° en 43bis van het Strafwetboek waardeert het Hof deze uit de ten laste van beklaagde bewezen verklaarde misdrijven verkregen vermogensvoordelen ex aequo et bono op 3.000.000,00 euro ten laste van elk der tweede en derde beklaagden en op 1.500.000,00 euro ten laste van elk der eerste en vierde beklaagden. Aldus wordt rekening gehouden met het aandeel van elk der beklaagden in de feiten en in de eruit genoten voordelen. Er is te dezen geen sprake van "een opportunistische toewijzing aan de immer in geldnood verkerende overheid" zoals beklaagden in hun conclusies voorhouden.. Aan beklaagden wordt overigens geen geldboete opgelegd, zodat wel degelijk het temperend effect van het verstreken zijn van een lange tijd op het patrimonium van beklaagden, zoals beklaagden het voorstellen in hun conclusies, in rekening wordt gebracht. De overige door beklaagden in hun conclusies gemaakte overwegingen zijn niet relevant en vermogen het Hof niet te overtuigen.
  27. Beklaagden verzoeken om uitstel van deze verbeurdverklaring. Het is evenwel niet passend en niet billijk te dezen de tenuitvoerlegging van de bijzondere verbeurdverklaring uit te stellen. Beklaagden kunnen te dezen niet na afloop van de in voorkomend geval op te leggen proeftijd in het bezit worden gelaten van de onrechtmatige voordelen die zij gecreëerd hebben door de misdrijven waaraan zij schuldig worden bevonden. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070523.10 Gerelateerde publicatie(s) Link JUSTEL: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.