← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070523.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070523.8 Rolnummer: 901 p 2005 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-15 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-02 15:40 Fiche Er zijn sedert de opstarting van het onderzoek (vroegste data) ruim negen jaren verstreken en de, geenszins omvangrijke of complexe strafzaak, is nog steeds voor de strafrechter aanhangig ten aanzien van de overige beklaagden, terwijl niet blijkt dat enige relevante vertraging in de procedure aan enig onverantwoord toedoen in hoofde van deze beklaagden te wijten is. Het Hof is dan ook van oordeel dat in casu de redelijke termijn van berechting is overschreden, evenwel zonder dat hierdoor de bewijslevering werd aangetast. Mede gelet op de anciënniteit van de bewezen verklaarde feiten is het verantwoord, bij toepassing van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de veroordeling van beklaagden bij eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Redelijke termijn Vrije woorden: Redelijke termijn - 21ter V.T.Sv. - Eenvoudige schuldigverklaring Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 21 ter Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende te Antwerpen, veertiende kamer, [...] Ter terechtzitting van het Hof de dato 28 maart 2007 verzocht de vervolgende partij haar akte te verlenen van haar afstand van rechtsvervolging ten aanzien van beklaagde J.v.A. en gedaagde de B.V.B.A. D.-A. v.A. Het Hof preciseert de algemene plaats- en tijdsbepaling der tenlasteleggingen als volgt: "te Antwerpen en/of elders in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen en/of, bij samenhang, elders in het Rijk, tussen 4 november 1997 en 28 februari 1998, steeds met eenzelfde opzet, met een laatste feit op 27 februari 1998". Door deze precisering worden de feiten zelf der tenlasteleggingen ongemoeid gelaten. De aanwezige of vertegenwoordigde partijen hebben desbetreffend met kennis van zaken hun (verweer)middelen kunnen aanvoeren. Het Hof stelt vast: - dat beklaagde L.B. wordt vervolgd wegens de feiten sub 1 tot en met

  1. - dat beklaagde L.V. wordt vervolgd wegens de feiten sub 1 tot en met
  2. - dat beklaagde P.V.M. wordt vervolgd wegens de feiten sub 5 tot en met
  3. De verjaring van de strafvordering werd rechtsgeldig gestuit door de door de eerst aanwezend inspecteur G.V. van de administratie der douane en accijnzen te Antwerpen ondertekende brief de dato 30 mei 2002 aan de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit te 1040 Brussel, inhoudend het verzoek tot het bekomen van de statuten en de wijzigingen ervan met betrekking tot gedaagde de B.V.B.A. D.-A. v.A. De verjaring van de strafvordering was geschorst vanaf 7 juni 2004, datum waarop de zaak voor de eerste rechter werd ingeleid, tot en met 6 juni
  4. De verjaring van de strafvordering is derhalve thans voor geen der beklaagden bereikt. [...] Betreffende de redelijke termijn. Het onderzoek werd opgestart in maart 1998 met, onder meer, het verhoor van beklaagden. Het aanvankelijk proces-verbaal van de administratie der douane en accijnzen werd afgesloten op 30 juni
  5. Drie jaar later, namelijk op 27 juni 2003, werd het aanvullend proces-verbaal van de administratie der douane en accijnzen afgesloten. De zaak werd op 7 juni 2004 ingeleid voor de eerste rechter en mondde er uit in het bestreden vonnis de dato 27 juni
  6. Op 26 oktober 2005 werd de zaak voor dit Hof en deze kamer ingeleid. De behandeling werd meermaals in voortzetting gesteld, gelet op de onderhandelingen tussen de vervolgende partij en één der beklaagden (v.A.) met een oog op een minnelijke regeling (transactie), die uiteindelijk bij overeenkomst de dato 19 januari 2007 tot stand is gekomen en die mede zijn weerslag heeft op de civielrechtelijke rechtsvordering van de vervolgende partij ten aanzien van de overige beklaagden. Thans zijn sedert voormelde vroegste data ruim negen jaren verstreken en is de, geenszins omvangrijke of complexe strafzaak nog steeds voor de strafrechter aanhangig ten aanzien van de overige beklaagden, terwijl niet blijkt dat enige relevante vertraging in de procedure aan enig onverantwoord toedoen in hoofde van deze beklaagden te wijten is. Het Hof is dan ook van oordeel dat in casu de redelijke termijn van berechting is overschreden, evenwel zonder dat hierdoor de bewijslevering werd aangetast. Mede gelet op de anciënniteit van de bewezen verklaarde feiten is het verantwoord, bij toepassing van artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, de veroordeling van beklaagden bij eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken. [...] BESLISSING: HET HOF, [...] Stelt vast dat de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt. Veroordeelt dienvolgens alle voornoemde beklaagden bij eenvoudige schuldigverklaring. Legt beklaagden elk een vergoeding van VIJFENTWINTIG EURO op. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070523.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.