id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 juni 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070620.13 Rolnummer: 1075 p 2006 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-11-05 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 15:49 Fiche 1° De wet voorziet een sanctie, en met name de nietigheid, indien de telefoontap wordt bevolen met betrekking tot feiten waarvoor deze onderzoeksmaatregel niet mogelijk is. Het komt derhalve niet meer toe aan de rechter de betrokken onderzoeksmaatregel te behouden, ondanks de begane onregelmatigheid. 2° Geen uitdrukkelijke sanctie is door de wet voorzien indien de Onderzoeksrechter onderzoekshandelingen, die tot zijn bevoegdheid van onderzoeksrechter behoren, stelt ten aanzien van feiten waarvan hij niet werd gevat. Het stellen van dergelijke onderzoekshandelingen met betrekking tot feiten, waarvan hij niet werd gevat, raakt wel de essentie van de rechtstaat en schendt het beginsel dat de rechter zich zelf niet kan vatten. Door zich zelf te vatten oefent de Onderzoeksrechter het vervolgingsrecht uit en komt zijn onafhankelijkheid in het gedrang. Aldus wordt afbreuk gedaan aan de fundamentele scheiding van de bevoegdheid te vervolgen en de bevoegdheid te onderzoeken. De zich tijdens het gerechtelijk onderzoek situerende onwettigheden qua adiëring van de Onderzoeksrechter in combinatie met de onregelmatige telefoontap, wegen op substantiële wijze door in alle relevante aspecten van de thans ten aanzien van beklaagden ten laste gelegde misdrijven. Door deze van in het begin van het gerechtelijk onderzoek opgetreden onontwarbare vermenging, waardoor de Onderzoeksrechter in een belangrijke mate als vervolgende partij is opgetreden, al dan niet op aansturing van de burgerlijke partij, zijn de rechten van verdediging en van een eerlijk proces in de latere procedure ten gronde van bij de aanvang van het strafonderzoek geschonden en dient als sanctie te worden voorzien in de onontvankelijkheid van de strafvordering, die immers uitsluitend gestoeld is op het voorliggend gerechtelijk onderzoek, dat geheel en vanaf de aanvang is aangetast in zijn betrouwbaarheid, zoals door de artikelen 56 en volgende van het Wetboek van Strafvordering gewaarborgd. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Taak onderzoeksrechter STRAFRECHT - OPSPORING - ONDERZOEK - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksdaden - Telefoontap Vrije woorden: 1° Telefoontap - Sanctie - Nietigheid 2° Onderzoeksrechter - Adiëring - Sanctie - Onontvankelijkheid van de strafvordering Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, veertiende kamer (...) Regelmatigheid van het gevoerde onderzoek en de gevolgen.
- Ten laste van alle beklaagden werd een gerechtelijk onderzoek gevoerd. In eerste aanleg lieten verschillende beklaagden onder meer gelden dat de door de Onderzoeksrechter bevolen "telefoontap" onregelmatig zou zijn. Zij hernemen thans in graad van hoger beroep mutatis mutandis deze argumentatie. Bovendien laat thans het Openbaar Ministerie bijkomend ook gelden dat mogelijkerwijze de onderzoeksrechter niet was gevat van de feiten waarop deze onderzoeksmaatregel betrekking had. Het Hof dient derhalve in de eerst plaats te onderzoeken in welke mate de Onderzoeksrechter was gevat van de feiten die werden vervolgd door het Openbaar Ministerie (randnummers 5 - 8). Vervolgens dient de regelmatigheid van de door de Onderzoeksrechter bevolen afluistermaatregel te worden onderzocht (randnummer 9). Met betrekking tot de gevolgen van een vast te stellen onregelmatigheid van een onderzoeksmaatregel concluderen sommige beklaagden onder meer tot hetzij de onontvankelijkheid van de strafvordering, hetzij tot vrijspraak bij gebrek aan bewijs. De burgerlijke partij N.V. Bose is van oordeel dat, in zoverre onregelmatigheden zouden zijn begaan, deze niet van invloed zijn op de resultaten van het onderzoek nu onder meer de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet zou hebben aangetast en het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging niet zouden zijn geschonden. Het Hof dient derhalve ook de gevolgtrekkingen te maken, indien tot de hoger vermelde onregelmatigheden wordt besloten (randnummers 10 en 11) De adiëring van de Onderzoeksrechter.
- Het gerechtelijk onderzoek werd geopend op 21 augustus
- Deze initiële vordering van het Openbaar Ministerie tot opening van een gerechtelijk onderzoek heeft betrekking op feiten van diefstal en heling (stuk 4 van het strafdossier, karton 1/6). In de bijgevoegde stukken aan de vordering van het Openbaar Ministerie -zijnde de eerste vijf stukken van het strafdossier, zodat er geen twijfel kan zijn dat de vordering van het Openbaar Ministerie betrekking heeft op de in deze stukken vastgestelde feiten- wordt onder meer gewag gemaakt van een diefstal, die werd gepleegd op 18 juni 2001 ten nadele van Van Gend & Loos en van feiten van heling van Bose-geluidsinstallaties. Als tijdsperiode waarbinnen deze feiten van diefstal en heling zouden zijn voorgekomen wordt "tussen 01.01.2001 en 13.08.2001" aangegeven (stukken 1 t.e.m. 5 van het strafdossier, karton 1/6). Het Hof stelt bovendien vast dat in het aan de vordering van het Openbaar Ministerie gehecht proces-verbaal er ook sprake is van een nog te plegen inbraak. De Onderzoeksrechter is ingegaan op de gevraagde onderzoeksmaatregel en beval een observatie van F.A en H.A. (stuk 7 van het strafdossier, karton 1/6) en een huiszoeking op de adressen van voornoemden (stukken 8-12 en 15 van het strafdossier, karton 1/6). Hij diende evenwel op 25 september 2001 de politie te rappelleren nopens deze bevolen huiszoekingen (stuk 15 van het strafdossier, karton 1/6). De politie maakte alleen een navolgend proces-verbaal van 2 oktober 2001 over, waarin melding wordt gemaakt van een nieuwe diefstal van Bose geluidsinstallaties, die zou zijn gepleegd op 25 september 2001 in het depot te Genk (stuk 17 van het strafdossier). De verbalisanten verwezen naar het proces-verbaal opgemaakt door de politie te Genk, dat evenwel slechts op 16 januari 2002 werd gevoegd (stukken gevoegd tussen stukken 514 en 515 van het strafdossier, karton 1/6) en naar een intern onderzoek van de firma W.B., dat melding maakte van een werknemer P.V. als verdacht van de diefstallen (stukken 16, 17 en 18 van het strafdossier, karton 1/6). De huiszoekingen ten laste van H. en F.A. werden vervolgens, samen met de bijkomend bevolen huiszoekingen, uitgevoerd op 2 oktober
- De betrokkenen, zowel de mogelijke daders als de slachtoffers, en getuigen werden eveneens verhoord (stukken 21-68 van het strafdossier, karton 1/6). Het Hof dient derhalve vast te stellen dat de politie gewacht heeft met de uitvoering van de door de Onderzoeksrechter gegeven opdrachten tot na het plegen van de inbraak van 25 september 2001, die op het ogenblik dat de Onderzoeksrechter werd gevat werd verwacht. Het staat dan ook vast dat er op ogenblik dat de Onderzoeksrechter werd gevat nog geen sprake was van een strafbare activiteit of gedraging, die zou bestaan uit verschillende opeenvolgende diefstallen, die als één feitelijk geheel hadden kunnen worden beschouwd. In de vordering van het Openbaar Ministerie is er evenmin sprake van een feitelijke structuur of van feitelijke verbanden die zouden kunnen worden omschreven als bijvoorbeeld een criminele organisatie of zelfs maar een vereniging.
- De hoger vermelde feiten van diefstal van 25 september 2001 en de feiten van de diefstal, die werd gepleegd in de nacht van 6 op 7 oktober 2001 (stukken 223-234 van het strafdossier, karton 1/6) zijn dan ook niet begrepen in de initiële vordering van het Openbaar Ministerie. De feiten van 25 september 2001 werden door de Onderzoeksrechter niet medegedeeld aan het Openbaar Ministerie. Het proces-verbaal van 17 oktober 2000, dat de feiten van de nacht van 6 op 7 oktober 2001 vaststelt en dat ook als aanvankelijk proces-verbaal wordt benoemd, werd door de Onderzoeksrechter wel overgemaakt aan het Openbaar Ministerie op 22 oktober 2001 (stukken 235 van het strafdossier, karton 1/6; vaststellingen van deze diefstal bevinden zich in de stukken 784 van het strafdossier, karton 2/6). Het Openbaar Ministerie weigerde evenwel een bijkomende vordering te nemen (stuk 236 van het strafdossier, karton 1/6). Ook de feiten van heling van onder meer waspoeders, gestolen in 1999 en 2000, ten laste van beklaagden H.H. en A.V. waarvan voor de eerste maal gewag werd gemaakt in een proces-verbaal van 22 februari 2002 (stukken 562-568 van het strafdossier, karton 1/6) en de feiten van heling ten laste van R., waarvan voor de eerste maal gewag werd gemaakt in het proces-verbaal van 5 juni 2002 (stukken 948-951 van het strafdossier, karton 3/6) waren evenmin begrepen in de initiële vordering van het Openbaar Ministerie.
- Op 22 april 2002 heeft het Openbaar Ministerie weliswaar een uitbreidende vordering genomen. Het is evenwel volstrekt onduidelijk op welke feiten deze uitbreiding betrekking zou kunnen hebben. Deze bijkomende vordering is het stuk 824 van het strafdossier (karton 2/6). De stukken 821, 822 en 823 betreffen een in verdenkingstelling van 22 april
- De stukken 820 tot en met 814 hebben betrekking op een proces-verbaal van 18 april 2002, terwijl de stukken 825 tot en met 829 betrekking hebben op een proces-verbaal van 22 april
- Deze onderscheiden stukken betreffen verschillende feiten die op verschillende tijdstippen werden gepleegd. Bovendien is deze uitbreiding niet gesteund op een mededeling gedaan door de Onderzoeksrechter nopens feiten waarvan hij lopend zijn gerechtelijk onderzoek kennis krijgt. Het is dan ook onmogelijk om uit te maken op welke feiten deze uitbreiding van vordering betrekking heeft. Deze uitbreidende vordering heeft dan ook geen andere feiten bij de Onderzoeksrechter aanhangig kunnen maken.
- De burgerlijke partijstellingen van de N.V. Bose in handen van de Onderzoeksrechter hebben evenmin diens rechtsmacht uitgebreid. In deze burgerlijke partijstellingen van respectievelijk 12 oktober 2001 en 2 april 2002 is geen sprake van in naar tijd en plaats bepaalbare feiten. Op algemene wijze wordt gewag gemaakt van diefstallen en heling waarvan de klager het slachtoffer zou zijn, in een zeer ruim gemeten tijdsperiode (stuk 177 van het strafdossier, karton 1/6 en stukken 755-758 van het strafdossier, karton 2/6). Deze burgerlijke partijstellingen werden ook niet door de Onderzoeksrechter begrepen als een uitbreiding van zijn rechtsmacht, nu er werd verwezen, weze het ten onrechte, naar een reeds geopend onderzoek, zodat ook geen borgsom werd gevraagd. Overigens kunnen deze beide burgerlijke partijstellingen uiteraard aan de Onderzoeksrechter geen rechtsmacht voor het verleden verschaffen en kunnen initieel onregelmatig begonnen onderzoekshandelingen niet met terugwerkende kracht geldig worden gemaakt. De telefoontap.
- De Onderzoeksrechter gelastte op 18 december 2001 "een telefoontap" overeenkomstig artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering, zoals op dat ogenblik van toepassing (stukken 298-301, 388-399 van het strafdossier, karton 1/6). Deze onderzoeksmaatregel heeft deels betrekking op de diefstal, die werd gepleegd in de nacht van 6 op 7 oktober 2001, zodat de regelmatigheid van de telefoontap reeds in het gedrang is op grond van het gebrek aan rechtsmacht van de Onderzoeksrechter om deze maatregel te bevelen. De overweging van de burgerlijke partij in haar ter terechtzitting van 23 mei 2007 neergelegde beroepsconclusies "dat de onderzoeksrechter zich niet enkel gebaseerd heeft op feiten zoals omschreven in de vordering van het O.M., maar ook op het feit dat er aanwijzingen zijn dat V. deel uitmaakt van een bende" maakt dan ook precies een grond van onregelmatigheid uit. Maar zelfs voorzover dit telefoononderzoek betrekking heeft op de feiten begrepen in de initiële vordering van het Openbaar Ministerie, is ze onregelmatig. Uit hoofde van de in het bevelschrift aangehouden feiten mocht de Onderzoeksrechter geen dergelijke onderzoeksmaatregel bevelen. Tot onderzoek van feiten van heling (artikel 505, eerste lid, 1° Sw.) en feiten van diefstal, waarbij geen geweld noch bedreiging werd gebruikt (artikel 461-467 Sw.), was geen afluistermaatregel mogelijk. De machtigingsbeschikking bevat derhalve niet de concrete feiten die de maatregel wettigen. Er is, anders dan de N.V. Bose in haar ter terechtzitting van 23 mei 2007 neergelegde beroepsconclusies voorhoudt, nergens en nooit sprake geweest van feitelijke elementen die zouden kunnen wijzen op een criminele organisatie, zoals bedoeld in de artikelen 324bis en 324ter van het Strafwetboek. Deel uitmaken van een bende vereenzelvigt zich overigens niet met lidmaatschap van een criminele organisatie, aangenomen dat er sprake zou kunnen zijn van een vereniging. De gevolgen: onontvankelijkheid van de strafvordering.
- Met betrekking tot de begane onregelmatigheid van de telefoontap voorziet de wet de sanctie, en met name de nietigheid. Het komt derhalve niet meer aan de rechter toe, zoals de burgerlijke partij de N.V. Bose voorhoudt in haar conclusie, de betrokken onderzoeksmaatregel te behouden, ondanks de begane onregelmatigheid. De onderzoeksresultaten afkomstig van deze onregelmatige bewakingsmaatregel en de eruit voortgesproten andere onderzoeksdaden, in het kader van dit strafonderzoek uitgevoerd, zoals vervat in het strafdossier onder meer onder de stukken 430-433 en 501-511 en 514-528 en 530-531 en 539-561 karton 1/6, stukken 569-651, 704-754, 759-772, 777-782, 789-801, 832-856, 863-896 en 900-906, karton 2/6, stukken 921-934, 939-947, 952-989, 994-1105, 1124-1247, 1278-1295, 1298-1450, 1455-1544, 1551-1583 karton 3/6 en karton 4/6 (de resultaten van de telefoontap) mogen dan ook niet in de beoordeling door het Hof worden betrokken. Het Hof dient immers ook vast te stellen dat de beklaagden sub 8 tot en met 39 en de hen ten laste gelegde feiten maar konden worden opgespoord middels deze onregelmatig bevolen onderzoeksmaatregel.
- Geen uitdrukkelijk sanctie is door de wet voorzien indien de Onderzoeksrechter onderzoekshandelingen die tot zijn bevoegdheid van onderzoeksrechter behoren stelt ten aanzien van feiten waarvan hij niet werd gevat. Het stellen van dergelijke onderzoekshandelingen met betrekking tot feiten, waarvan hij niet werd gevat, raakt wel de essentie van de rechtstaat en schendt het beginsel dat de rechter zich zelf niet kan vatten. Door zich zelf te vatten oefent de Onderzoeksrechter het vervolgingsrecht uit en komt zijn onafhankelijkheid in het gedrang. Voor het door de onderzoeksrechter tot zijn specifieke eigen bevoegdheid behorende onderzoeksdaden werd aldus afbreuk gedaan aan de fundamentele scheiding van de bevoegdheid te vervolgen en de bevoegdheid te onderzoeken. Zoals hoger uiteengezet dient te worden vastgesteld dat de Onderzoeksrechter vrijwel onmiddellijk na zijn adiëring, zijn rechtsmacht heeft uitgebreid tot andere feiten en dat onder meer het telefoononderzoek mede wordt bevolen voor feiten waarvan de Onderzoeksrechter niet was gevat. Het Hof dient verder vast te stellen dat het onmogelijk is de onderzoekshandelingen die wel en die geen betrekking hebben op feiten waarvan de Onderzoeksrechter door de initiële vordering van het Openbaar Ministerie was gevat, te scheiden. De voormelde, zich tijdens het gerechtelijk onderzoek situerende onwettigheden qua adiëring van de Onderzoeksrechter in combinatie met de onregelmatige telefoontap, wegen op substantiële wijze door in alle relevante aspecten van de thans ten aanzien van beklaagden ten laste gelegde misdrijven Door deze van in het begin van het gerechtelijk onderzoek opgetreden onontwarbare vermenging, waardoor de Onderzoeksrechter in een belangrijke mate als vervolgende partij is opgetreden, al dan niet op aansturing van de burgerlijke partij, zijn de rechten van verdediging en van een eerlijk proces in de latere procedure ten gronde van bij de aanvang van het strafonderzoek geschonden en dient als sanctie te worden voorzien in de onontvankelijkheid van de strafvordering, die immers uitsluitend gestoeld is op het voorliggend gerechtelijk onderzoek, dat geheel en vanaf de aanvang is aangetast in zijn betrouwbaarheid, zoals door de artikelen 56 en volgende van het Wetboek van Strafvordering gewaarborgd. De burgerlijke partijen.
- De burgerlijke partijstellingen zijn niet ontvankelijk. De strafvordering wordt immers ab initio, en vooraleer de burgerlijke partijen zich hebben gesteld, onontvankelijk verklaard. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070620.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div