← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070919.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070919.11 Rolnummer: 402 p 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-18 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-07-02 16:02 Fiche 1. Hoewel een burgerlijke partij die de strafvordering op gang heeft gebracht en die in het ongelijk werd gesteld, overeenkomstig artikel 162, tweede lid van het wetboek van strafvordering dient te worden veroordeeld tot alle kosten, kunnen de kosten die werden gemaakt tijdens een opsporingsonderzoek of een mini-instructie voorafgaand aan de klacht met burgerlijke partijstelling haar niet ten laste worden gelegd. 2. Indien de strafvordering werd op gang gebracht ingevolge het optreden van de meerdere burgerlijke partijen heeft de door artikel 162, tweede lid van het wetboek van strafvordering bedoelde kostenveroordeling een in solidum karakter. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Gerechtskosten Vrije woorden: 1. Gerechtskosten - Burgerlijke partij die strafvordering op gang heeft gebracht - Artikel 162, tweede lid Sv. 2. Gerechtskosten - Meerdere burgerlijke partijen die strafvordering op gang hebben gebracht - In solidum Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 162, tweede lid Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, negende kamer, [...] 3.3. De kostenveroordeling van de burgerlijke partij A.M. - Algemeen

  1. i)Volgens de artikelen 162 en 194 van het wetboek van strafvordering: - kan de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij worden veroordeeld tot de kosten jegens de Staat of tot een gedeelte ervan. Dit betreft de hypothese waarin de strafvordering niet op gang is gebracht door een initiatief van de burgerlijke partij: de strafrechter kan beslissen tot een gehele of een gedeeltelijke kostenveroordeling van de burgerlijke partij maar hoeft dit niet te doen (facultatief karakter voor het geheel of een gedeelte). De strafrechter beslist ter zake op onaantastbare wijze; - wordt de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij veroordeeld in alle kosten indien zij het initiatief heeft genomen tot de rechtstreekse dagvaarding of wanneer een onderzoek is geopend ten gevolge van haar optreden als burgerlijke partij. Dit betreft de hypothese waarin de strafvordering is op gang gebracht door de burgerlijke partij zelf: de strafrechter moet de burgerlijke partij veroordelen tot alle kosten (verplicht karakter voor het geheel).
  2. ii)De bewering van A.M. dat artikel 162 van het wetboek van strafvordering het gelijkheidsbeginsel zou schenden omdat een burgerlijke partij op wiens initiatief de strafvordering op gang wordt gebracht tot de kosten kan of moet worden veroordeeld terwijl dit niet het geval is voor een klager wiens klacht aanleiding geeft tot een opsporingsonderzoek (beroepsbesluiten, p. 3, nr. 7) overtuigt niet nu de toestand wordt vergeleken van personen die zich in een verschillende situatie bevinden en er dus geen schending van het gelijkheidsbeginsel kan zijn. In het eerste geval is de strafvordering op gang gebracht en kan zij slechts worden afgesloten met een rechterlijke beslissing. In het tweede geval is de strafvordering niet op gang gebracht en vereist dit een uitdrukkelijke beslissing van hetzij het Openbaar Ministerie hetzij de burgerlijke partij. - Concreet
  3. i)In de voorliggende zaak heeft de burgerlijke partij A.M. (samen met C.V. en F.J.) de strafvordering op 4 september 2000 op gang gebracht naar feiten van valsheid en gebruik van valse stukken (het document d.d. 26 februari 1996). Hij werd gelet op de bij vonnis d.d. 19 januari 2006 verleende vrijspraak voor de tenlastelegging A in het ongelijk gesteld. Hij dient dan ook - verplicht - te worden veroordeeld tot alle kosten aangezien hij in het ongelijk werd gesteld en hij de strafvordering heeft op gang gebracht. ii1) Door A.M. wordt terecht aangevoerd dat die regel enkel van toepassing kan zijn op kosten die verband houden met de feiten voorwerp van zijn klacht met burgerlijke partijstelling. ii2) De kosten die werden gemaakt vóór de stelling als burgerlijke partij door A.M. op 4 september 2000 kunnen onmogelijk ten laste worden gelegd van deze burgerlijke partij. Deze kosten werden immers gemaakt op initiatief van het Openbaar Ministerie op een tijdstip dat de strafvordering nog niet was ingesteld. Er kan dan ook bezwaarlijk een verband zijn tussen deze kosten en de strafvordering die pas later op gang werd gebracht door de klacht met burgerlijke partijstelling. Ook indien geen strafvordering zou zijn opgestart ingevolge de burgerlijke partijstelling van A.M., zouden deze kosten gemaakt en verschuldigd zijn en blijven door de Belgische Staat. ii3) De kosten van het door Onderzoeksrechter J. MAHIEU in het kader van de mini-instructie nr. 41/99 (AN.75.98.4902/97) bevolen deskundigenonderzoek van W. VAN OOSTEN groot 640.279 BEF (welke bij beslissing van de Commissie voor de Gerechtskosten in strafzaken d.d. 5 juli 2000 werden herleid tot 632.823 BEF) werden gemaakt vóór de klacht met burgerlijke partijstelling van A.M. en moeten dan ook ten laste worden gelaten van de Belgische Staat. ii4) De overige kosten zijn wel kosten die werden gemaakt na de klacht met burgerlijke partijstelling door A.M. en houden rechtstreeks of onrechtstreeks verband met de feiten voorwerp van deze klacht. Zij moeten dan ook door A.M. worden gedragen. - Onderlinge verhouding tussen A.M. en de overige burgerlijke partijen
  4. i)Terecht wordt door A.M. (beroepsbesluiten, p. 3, nr. 8) aangevoerd dat een hoofdelijke of solidaire kostenveroordeling van de in het ongelijkgestelde burgerlijke partijen niet mogelijk is. Er ligt immers geen wet voor waaruit die hoofdelijkheid zou kunnen blijken. Artikel 50 van het strafwetboek is niet van toepassing aangezien die bepaling enkel betrekking heeft op veroordeelde personen en dus niet op burgerlijke partijen.
  5. ii)Met de eerste rechter en anders dan A.M. voorhoudt (beroepsbesluiten, p. 3, nr. 8) is het Hof van oordeel dat de veroordeling tot de kosten van meerdere burgerlijke partijen die de strafvordering hebben op gang gebracht voor dezelfde feiten of voor eenzelfde feitencomplex een in solidum karakter heeft. De kosten zijn gemaakt in het belang van alle burgerlijke partijen zodat van een loutere verdeling per hoofd geen sprake kan zijn. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070919.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.