id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070926.8 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-07-02 16:03 Fiche 1° De dagvaarding die kan leiden tot de veroordeling van de beklaagde, moet aangeven van welke precieze feiten hij wordt verdacht of beklaagd, zodat hij zich hierop kan verdedigen. 2° Ingevolge de artikelen 50 en 55 van de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming hebben de stukken van de procedures die de jeugdrechtbank kan hanteren en die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en het milieu waarin hij wordt grootgebracht, en met name de maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken die met toepassing van voormeld artikel 50 zijn bevolen, enkel tot doel, in het belang van de minderjarige, de modaliteiten te bepalen voor het beheer van zijn persoon of de maatregelen die voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn. Immers, de aard van het psychosociaal of medisch onderzoek dat door de jeugdrechtbank wordt bevolen, de inmenging die het betekent in het privé- en familieleven en de vertrouwelijkheid die de wet eraan toekent teneinde de overdracht van een volledig opsporingsonderzoek te garanderen aan de opdrachtgevende overheid, verbieden de aanwending van het verslag van dit onderzoek voor om het even welk ander doeleinde dan dat waarvoor het werd uitgevoerd. Dit verbod is, om dezelfde redenen, van toepassing op de voorafgaande onderzoeken bij het kind op verzoek van de jeugdrechtbank, die uitspraak moet doen over een geschil dat in artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek wordt bedoeld. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Dagvaarding STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) Vrije woorden: 1° Exceptio obscuri libelli - Onontvankelijkheid 2° Bewijs - Jeugdbescherming Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - 50 Wet - 08-04-1965 - 55 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, tiende kamer (...) Zaak I : (...) De dagvaarding die kan leiden tot de veroordeling van de beklaagde, moet aangeven van welke precieze feiten hij wordt verdacht of beklaagd, zodat hij zich hierop kan verdedigen. Het is evenwel niet vereist dat de dagvaarding in detail alle constituerende bestanddelen van het ten laste gelegde feit vermeldt en het volstaat dat het, op grond van de omschrijving van het feit in de dagvaarding, uit de elementen van het strafdossier uit te maken is welk precies feit bedoeld wordt zodat de beklaagde met genoegzame zekerheid weet wat hem ten laste wordt gelegd en zijn verdediging kan voordragen. De dagvaarding van het Openbaar Ministerie voldoet hieraan niet, vermits bij gebreke aan nauwkeurige tijdsbepaling van de feiten, eruit niet kan worden afgeleid welke feiten vervolgd worden. Zaak II : rechtstreekse dagvaarding van de BP dd. 11 oktober 2006 (...) d. Beklaagde verzoekt, teneinde zijn rechten van verdediging ten volle te kunnen uitoefenen, de voeging van " de strafzaak not.nr. 26.970.M2006/3" ( het dossier 26.970/3 betreft het dossier van de vier kinderen bij de Jeugdrechtbank te Antwerpen) en van de gegevens verzameld door de Jeugdrechtbank die als stukken à décharge worden ingeroepen. Ingevolge de artikelen 50 en 55 van de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming hebben de stukken van de procedures die de jeugdrechtbank kan hanteren en die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en het milieu waarin hij wordt grootgebracht, en met name de maatschappelijke en medisch-psychologische onderzoeken die met toepassing van voormeld artikel 50 zijn bevolen, enkel tot doel, in het belang van de minderjarige, de modaliteiten te bepalen voor het beheer van zijn persoon of de maatregelen die voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn. Het algemeen opzet van de voormelde wet en de finaliteit van de onderzoeken die zij toestaat, staan eraan in de weg dat die stukken in het kader van een strafvervolging worden aangevoerd, zelfs als de overlegging ervan gevraagd wordt door een beklaagde tot staving van zijn verweer. De stukken zijn opgesteld met de enkele bezorgdheid de betrokkenen te beschermen. Immers, de aard van het psychosociaal of medisch onderzoek dat door de jeugdrechtbank wordt bevolen, de inmenging die het betekent in het privé- en familieleven en de vertrouwelijkheid die de wet eraan toekent teneinde de overdracht van een volledig opsporingsonderzoek te garanderen aan de opdrachtgevende overheid, verbieden de aanwending van het verslag van dit onderzoek voor om het even welk ander doeleinde dan dat waarvoor het werd uitgevoerd. Dit verbod is, om dezelfde redenen, van toepassing op de voorafgaande onderzoeken bij het kind op verzoek van de jeugdrechtbank, die uitspraak moet doen over een geschil dat in artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek wordt bedoeld (zie cass.19.10.2005, www.cass.be). Het gebruik ervan voor andere doeleinden kan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Jeugdrechtbank in het gedrang brengen -, vermits de betrokkenen niet vrijuit zouden spreken mochten ze weten dat de gegevens nadien tegen hen kunnen gebruikt - en maakt op de eerbiediging van het privé-leven van de betrokkenen een inbreuk die de wet enkel heeft toegestaan om de jeugd te beschermen (A.A.56/98 dd.20.05.1998, B.S.02.09.1998). Beklaagde kan zelf, en heeft dit ook gedaan, stukken betreffende de feiten en de rechtspleging van de Jeugdrechtbank naar voor brengen. (...) Op civiel gebied De vordering van de burgerlijke partij in de zaak I is onontvankelijk, gelet op de onontvankelijkheid van de strafvordering (...) Zaak I Verklaart de strafvordering en de burgerlijke vordering niet ontvankelijk. PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070926.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.