← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070927.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 september 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070927.3 Rolnummer: 2005AR1116 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-05-08 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 16:03 Fiche Wet 25.10.1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak - art. 11 De verplichting, in geval van verplaatsing, de goederen op te eisen binnen een termijn van zes maanden enkel geldt in geval van verplaatsing van individuele goederen maar niet in geval van vervreemding van de gehele handelszaak. Het aan de pandhoudende schuldeiser toegekende volgrecht op de gehele handelszaak houdt in dat hij eveneens kan vorderen dat de overdracht van de handelszaak hem niet tegenstelbaar zou worden verklaard. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Voorrechten - Bijzondere voorrechten - Pand Vrije woorden: Pand op de handelszaak - vervreemding van de handelszaak - in art. 11 II Wet 25.10.1919 niet toepasselijk - niet-tegenwerpelijkverklaring van de overdracht Wettelijke bepalingen: Wet - 25-10-1919 - 11 - 31 ELI link Pub nr 1919102550 Tekst van de beslissing Het hof sluit aan bij zijn arrest dd. 11.01.2007. 1. De vordering van NV Fortis Bank die ter betwisting staat, strekt ertoe haar de verkoop van de haar door de heer V. M. in pand gege-ven handelszaak aan NV Inter Elec niet tegenstelbaar te horen verkla-ren en te horen zeggen dat de handelszaak in het patrimonium van de heer V. M. is gebleven. Deze vordering werd bij vonnis dd. 01.12.1994 gegrond verklaard en het tegen dit vonnis ingesteld derden-verzet werd bij vonnis dd. 05.10.2004 ongegrond verklaard. NV Fortis Bank vraagt de bevestiging van dit vonnis. 2. Volgens haar op 30.03.2007 neergelegde conclusie steunt NV Fortis Bank haar vordering op (

  1. a)de aan de overdracht voorafgaande hypothecaire inschrijvingen van haar pand op de overgedragen han-delszaak en (
  2. b)de pauliaanse vordering. 3.1. De eerste twee onderdelen van art. 11 van de Wet Inpandgeving Handelszaak luiden als volgt : Art. 11. I. Tegelijk met de in mora-stelling betekend aan den ontlener, en zonder toelating van de rechter, kan de schuldeiser ten bate van wie een handels-zaak in pand werd gegeven, tot zekerheid van de hem verschuldigde be-dragen al de elementen welke de in pand gegeven handelszaak vormen, doen in beslag nemen. II. Hij kan ook de grondstoffen, het materieel en de gereedschappen in be-slag nemen wanneer deze zonder zijn toestemming werden verplaatst, en hij behoudt daarop zijn voorrecht mits hij het binnen de tijd van zes maan-den heeft opgeëist. Hij die ze te goeder trouw heeft verkregen kan echter artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek aanvoeren. 3.2. Deze bepalingen dienen zo begrepen dat de pandhoudende schuldeiser een volgrecht heeft hetzij op de handelszaak in haar geheel, hetzij op de in art. 11, II, van de wet bepaalde individuele bestanddelen ervan (Cass. 21.10.1999, www.cass.be). Het in de wet gemaakte onderscheid leidt eveneens tot het besluit dat de verplichting de goederen op te eisen binnen een termijn van zes maanden enkel geldt in geval van verplaatsing van individuele goederen maar niet in geval van vervreemding van de gehele handelszaak. Het aan de pandhoudende schuldeiser toegekende volgrecht op de ge-hele handelszaak houdt in dat hij eveneens kan vorderen dat de over-dracht van de handelszaak hem niet tegenstelbaar zou worden ver-klaard. 3.3. De in het vonnis dd. 01.12.1994, dat het handelsfonds in het pa-trimonium van de heer V. M. is gebleven, brengt mee dat het hof ook uitspraak moet doen over de stelling van de appellanten, dat het handelsfonds teniet is gegaan. Opdat de pandhoudende schuldeiser zijn rechten op het pand zou kun-nen uitoefenen is vereist dat het pand nog bestaat en dat het identifi-ceerbaar is. Er liggen echter geen elementen voor die erop wijzen dat het overge-dragen handelsfonds met een ander handelsfonds zou zijn vermengd of dat het zou hebben opgehouden te bestaan. De appellanten zetten uiteen dat het van bij de oprichting van NV Inter Elec de bedoeling was dat de heer V. M. omwille van zijn ervaring als electricien de leiding van de onderneming zou waarnemen en dat de andere oprichters enkel als geldschieters of investeerders tussenkwa-men. NV Inter Elec werd opgericht op 29.04.1991 en op 15.05.1991 verzocht de heer V. M. om doorhaling van zijn inschrijving in het handelsre-gister met melding dat de handelswerkzaamheid was overgedragen aan NV Inter Elec per 01.05.1991. De vordering van NV Fortis Bank werd minder dan zeven maanden later gesteld, nl. op 27.11.1991. Uit deze elementen blijkt dat NV Inter Elec handel dreef door middel van de handelszaak die zij van de heer V. M. had gekocht. Dit wordt niet tegengesproken door het feit dat de onderdelen van deze handelszaak wijzigingen ondergingen door het loutere feit van de exploitatie. Het be-grip identificeerbaarheid verwijst niet naar de afzonderlijke onderdelen maar naar de universaliteit van het handelsfonds. Een handelsfonds is immers geen statisch begrip. Het feit dat de aanwezige materialen wer-den gebruikt en vervangen door nieuwe of zelfs ruimere stocks, dat nieuwe contracten werden aangegaan en de omzet gevoelig steeg brengt niet mee dat het handelsfonds moet worden beschouwd als te-nietgegaan of niet meer identificeerbaar. De ontwikkelde activiteit bleef dezelfde, de leiding bleef bij dezelfde persoon, er was geen ander han-delsfonds waarmee de overgedragen handelszaak werd vermengd. 4. Op grond van deze motieven besluit het hof tot de ongegrond-heid van het derdenverzet, zonder dat nog dient ingegaan op de rechts-grond, geput uit art. 1167 B.W. O M D E Z E R E D E N E N H E T H O F Recht doend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935; Het arrest dd. 11.01.2007 verder uitwerkend; Verklaart de hogere beroepen van NV Essec, NV Rejen en de heer Bo. ongegrond; Verwijst de appellanten in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van NV Fortis Bank en NV ING België elk op 485,87 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de curatoren van het faillissement van NV Inter Elec op 0 EUR. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 27 SEPTEMBER 2007 waar aanwezig waren : de heer E. HULPIAU Voorzitter mevrouw A. WINANTS Raadsheer de heer J. EMBRECHTS Raadsheer mevrouw C. VERSWYVELEN Griffier C. VERSWYVELEN J. EMBRECHTS A. WINANTS E. HULPIAU PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20070927.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.